The Project Gutenberg EBook of Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw, by R.C. Boer This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw Author: R.C. Boer Release Date: October 4, 2004 [EBook #13591] Language: Dutch Character set encoding: ASCII *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORWEGENS LETTERKUNDE *** Produced by Miranda van de Heijning, Eric Casteleijn and the PG Online Distributed Proofreading Team. [Transciber's Note: The printed errata have been resolved in the main text and removed. Inconsistensies in spelling, hyphenation and accents have been preserved, except for proper names. Those have been normalized to correct spelling with the help of a native Norwegian speaker.] VOLKSUNIVERSITEITS BIBLIOTHEEK onder redactie van de Vereeniging "V.U.B." Prof. Dr. J. DE ZWAAN, Groningen, _Voorzitter_; Prof. Dr. PH. KOHNSTAMM, Amsterdam, _Ondervoorzitter_; Dr. N. ADRIANI; Prof. Mr. D. VAN BLOM; Prof. Dr. J. BOEKE; Prof. Dr. H. BOLKESTEIN; Prof. Dr. F.J.J. BUYTENDIJK; RADEN Dr. HOESEIN DJAJADININGRAT; H.J.G. JANSSEN VAN RAAY; Prof. Mr. J. VAN KAN; Prof. Dr. J.W. PONT; Prof. Mr. N.W. POSTHUMUS; Prof. Dr. A.H.M.J. VAN ROOY; Prof. Dr. C. SNOUCK HURGRONJE; Prof. IR. J.A.G. VAN DER STEUR; Dr. H.H. ZEIJLSTRA Fzn., Deventer, _Secretaris_. 20 HAARLEM DE ERVEN F. BOHN 1922 NOORWEGENS LETTERKUNDE IN DE NEGENTIENDE EEUW DOOR DR. R.C. BOER Hoogleeraar te Amsterdam HAARLEM DE ERVEN F. BOHN 1922 INHOUD. Voorbericht Hoofdstuk I. Het ontwaken der nationale letterkunde II. Romantiek III. De taalbeweging en de oudste schrijvers in landsmaal IV. Het realisme V. Jongere richtingen en persoonlijkheden Uitgaven en litteratuur Register van auteurs VOORBERICHT. Deze korte schildering van Noorwegens letterkunde in de 19e eeuw begint met het optreden van Wergeland en Welhaven. Wat daaraan voorafgaat, is slechts een tot inleiding dienende schets van den toestand in de voorafgaande jaren. De hoofdnadruk is gelegd op de romantiek en op het chronologisch zich daarbij aansluitende realisme. Als grens omlaag geldt ongeveer het slot der eeuw. Over het algemeen heb ik er van afgezien, verder te gaan, zoowel met het oog op den omvang, dien het werk niet te buiten mag gaan, als op de moeilijkheid, om tijdgenooten historisch te behandelen en hun een plaats aan te wijzen. Bij een paar schrijvers werd op grond van de beteekenis, die zij reeds voor een vroegere periode hebben, en die aanleiding gaf tot eene breedere behandeling, dan aan allen kan ten deel vallen, ook in het chronologische een uitzondering gemaakt. Omgekeerd konden vele schrijvers, die wel voor 1900 debuteerden, maar wier belangrijkste werk in een jongere periode valt, niet besproken worden. Ook voor het overige heb ik mij tot het doen eener--niet al te enge--keuze moeten bepalen en aan vele schrijvers, die wel eene breedere behandeling verdienden, toch slechts een geringe plaatsruimte kunnen inruimen. Dit was noodig, zouden de hoofdpersonen althans eenigszins tot hun recht komen. HOOFDSTUK I. HET ONTWAKEN DER NATIONALE LETTERKUNDE. 1. _Het geestelijk leven in Noorwegen in de eerste periode na 1814_. In de periode, die op 1814 volgde, was het geestelijk leven in Noorwegen aan eene diepe depressie ten prooi. Een ding was er, dat met recht de geheele aandacht van alle menschen, die tot geestelijken arbeid in staat waren, in beslag nam--de inrichting van den nieuwen staat en van zijne organen. De politiek en de oeconomische zorgen hielden de algemeene aandacht in spanning; wat daarbuiten lag, kon niet op meer dan voorbijgaande belangstelling aanspraak maken. De vier eeuwen, die teruglagen, waren niet gunstig geweest voor de ontwikkeling van een zelfstandig geestelijk leven. Volkomen stagnatie had er niet geheerscht. De Deensche koning regeerde ook over Noorwegen, en de omstandigheden dier tijden hadden meegebracht, dat Noorwegen ongeveer in de positie van eene Deensche provincie verkeerde. Het land nam deel aan het leven van Denemarken, ook op het gebied van kunst en wetenschap. De ambtenaren-stand was voor een niet gering deel Deensch van oorsprong; een gevolg daarvan was de invoering van het Deensch als officieele taal geweest. De nauwe verwantschap van de talen der beide landen bracht mee, dat dit proces betrekkelijk gemakkelijk was verloopen; zij bracht ook mee, dat het Deensch in Noorwegen zich in sommige opzichten aan de landstaal had aangepast. De uitspraak en het accent waren Noorweegsch, en de vreemde families hadden zich in den loop der tijden in die mate aan de oorspronkelijke ingezetenen geassimileerd, dat er geen sprake meer was van tweeerlei bevolking. Het was trouwens een wederzijdsch assimilatieproces geweest; de stadsbevolking, met name het ontwikkelde deel daarvan, had ook veel van de vreemdelingen overgenomen, en de kloof tusschen stad en platteland was daardoor dieper geworden, dan zij onder meer gewone omstandigheden pleegt te zijn. Zoodoende bestond er slechts weinig geestelijke gemeenschap tusschen stad en land, waarbij het gewestelijk verschil een grootere rol speelde dan het standsverschil, ofschoon ook dit natuurlijk wel zijne beteekenis had. Voor de plattelandsbevolking beteekende dit een ophouden van het litteraire leven en een verval van de taal. Aan zich zelf overgelaten, bewaarde het volk zijn schatten aan volksliederen, sprookjes, locale sagen, die uit de middeleeuwen waren overgeleverd, maar deze dingen voerden een poover bestaan in mondelinge overlevering; pas in den loop der 19e eeuw zouden zij onder den invloed van nieuwe gedachten opgezocht en algemeen bekend gemaakt worden; de achttiende eeuw droeg nauwelijks eenige kennis van hun bestaan. En daar de Deensche taal het voertuig was ook voor het schoolonderwijs en den kerkdienst, accentueerde zich in de taal van het platteland bij gebrek aan vereenigingspunt het onderscheid der dialecten. Dit kan er toe hebben meegewerkt, dat het voor bewoners van ver uiteenliggende landstreken zelfs moeilijk werd, elkander te verstaan. Eene letterkunde kon dus alleen bloeien in de eenige taal, die eene eenheid vertegenwoordigde, en die ook de taal van het meest ontwikkelde deel der bevolking was, het Deensch, zooals het in Noorwegen gesproken werd, het later, zoo genoemde Noorsch-Deensch. Zooals die taal geschreven werd, was zij van het Deensche Deensch nauwelijks te onderscheiden. Een Noorweegsch schrijver mocht soms in meer of minder mate woorden en uitdrukkingen bezigen, die in Denemarken niet gebruikelijk waren; dit waren provincialismen, die toch niet aan de taal een zeer bijzonder karakter gaven[1]. Deze stand van zaken was natuurlijk voor de zelfstandigheid der Noorweegsche cultuur niet bevorderlijk. Maar aan de andere zijde won Noorwegen er ook iets bij. In plaats van den directen samenhang met de minder ontwikkelde volksklasse,--een samenhang, die in dien tijd toch niet heel veel kon beteekenen--, trad een samenhang met Denemarken, dat geographisch zooveel gunstiger gelegen was en zooveel meer van de algemeen Europeesche cultuur had opgenomen. Zoolang een nationale tegenstelling, die een vruchtbare samenwerking tegenhoudt, niet gevoeld werd, kon Noorwegen uit Denemarken vele impulsen ontvangen, en bovendien bood Denemarken aan begaafde mannen uit Noorwegen de gelegenheid, niet slechts om hun talenten te ontwikkelen, maar ook om die tot hun recht te laten komen. Noorweegsche jongelieden studeerden in Kopenhagen, Deensche kunstenaars hielden zich in Noorwegen op, en onder de dichters der periode van Deensch-Noorsche gemeenschap zijn vele Noormannen. De grondlegger der nieuwe Deensche letterkunde, Holberg, was uit Bergen afkomstig, en onder de Noorsche dichters uit het slot der 18e eeuw zijn er, die voor Deensche tijdgenooten volstrekt niet onderdeden. De eenheid van taal met Denemarken was ook gunstig voor de boekenmarkt. Ongetwijfeld was het debiet, dat een Noorweegsch schrijver bij het beschaafde Deensche publiek wachten kon, grooter dan het geval zou geweest zijn bij de onontwikkelde massa in zijn eigen land, ook indien er in het geheel geen verschil in taal had bestaan. In een tijd, waarin nog betrekkelijk weinig gelezen werd, had deze omstandigheid voor een klein land geen geringe beteekenis. Sedert 1814 is plotseling de geheele toestand veranderd. De band met Denemarken is afgebroken, en daarmee is stagnatie ingetreden. Want het was door Denemarken, dat Noorwegen tot nu toe in contact stond met de wereld daarbuiten. Nu is de geestelijke toevoer afgesneden, en het land is op zich zelf aangewezen. Geen wonder, dat de bron aanvankelijk geheel schijnt uit te drogen. Er heeft een concentratie van krachten plaats, die noodig is, om de geweldige taak, die het Noorsche volk op zich nam, het vormen, niet slechts van een nieuwen staat, maar ook van een nieuw volk, dat ook in het geestelijke zich onafhankelijk toont, te volbrengen. De krachten van het nieuwe volk worden in de eerste plaats besteed aan het scheppen van ontwikkelingsmogelijkheden; de ontwikkeling zelf moet later volgen. Voor alles moet de nationale zelfstandigheid gevestigd en bevestigd worden. Gewaarborgd is zij door de grondwet van 1814, maar veilig is zij nog lang niet. Bedreigd wordt zij door absolutistische neigingen van den nieuwen vorst, niet minder door het volstrekt niet denkbeeldige gevaar eener nieuwe amalgamatie, ditmaal met Zweden. Bedreigd wordt zij ook door den geweldigen schuldenlast van den jongen staat, dien het aan oeconomische hulpbronnen bijna geheel ontbreekt, en voor wien een bankroet, vooral in de jaren van reactie, toen de groote machten op het voor zijn tijd zeer democratische Noorwegen geen goed oog hadden, ongetwijfeld den ondergang zou beteekenen. Geen wonder dus, dat oeconomische en politieke zorgen de beste hoofden in beslag namen. Men koestert belangstelling voor het geestelijk leven; men is zich bewust, dat dit de edelste bloem van een zelfstandige nationaliteit is; men vat het op als een zaak van staatszorg, zooals onder anderen blijkt uit de ernstige pogingen, om de jonge universiteit van Kristiania tot ontwikkeling te brengen. Maar de tijd en de rust, om cultuurwaarden te scheppen, ontbreken nog. Wat er aan litteratuur voor den dag komt, draagt het stempel van deze armoede. Het zijn of herhalingen der poezie van de achttiende eeuw, of bombastische loftuitingen op het Noorsche volk en de Noorsche vrijheid. De dichternamen uit dien tijd, Lyder Sagen, Johan Storm Munch, C.N. Schwach, Maurits Hansen en andere, zijn alle vergeten. Op zijn hoogst brengen zij het tot wat navolging van vreemde voorbeelden, Schiller, Ohlenschlaeger, de Duitsche romantici; iets origineels is er niet bij. Teekenend voor den toestand zijn twee verzamelingen, die in het begin van 1815 en 1816 uitkwamen als nieuwjaarswerken van den Noorweegschen zangberg. De eerste droeg den titel _Nor, en poetisk Nytaarsgave for 1815_. Ongeveer al, wat zich in Noorwegen dichter noemde, was hier opgekomen; het getal voor de twee bundels bedroeg twintig, en de uitgever roemt er op dat "ook tusschen Noorwegens klippen bloemen groeien". Maar onder die twintig is er niet een, die een nieuwen of ook maar frisschen toon aanslaat. FOOTNOTES: [Footnote 1: Bijzonderheden over de geschiedenis van het Deensch in Noorwegen deelt D.A. Seip mee in een onlangs verschenen boekje _Dansk og Norsk i Norge i eldre Tider_, Kristiania 1921. Zie ook van denzelfden schrijver _Norsk Sproghistorie_ (1920).] 2. _Wergeland--Welhaven._ Omstreeks 1830 komt er verandering, en wel, zooals in dit land van nevel met plotseling doorbrekende zonnestralen zoo dikwijls gebeurd is, als met een tooverslag. Een tweetal dichters treedt op en vervult stad en land--maar toch vooral de stad--met rumoer. Het is treffend, dat wij bij deze eerste vlucht omhoog, die de nieuwe Noorsche litteratuur maakt, een tegenstelling ontmoeten, die wel in den hierboven beschreven toestand haar oorsprong heeft, maar die toch onder wisselenden vorm ook later tot uitdrukking komt, een tegenstelling tusschen tevredenheid met hetgeen verkregen is, en ontevredenheid met hetgeen men mist, tusschen nationale zelfgenoegzaamheid en verlangen naar internationale gemeenschap, tusschen democratische volheid van gemoed en aristocratische fijnheid van geest, tusschen een jubelend optimisme en een religieus getint pessimisme, tusschen een gedragen worden door den algemeenen stroom en een verzet tegen den tijdgeest, gepaard met den moed, om alleen te staan. Het is de tegenstelling Wergeland--Welhaven. Henrik Wergeland werd in 1808 geboren en stierf in 1844. Hij is dus niet meer dan 36 jaar oud geworden. In dien korten leeftijd heeft hij eene productiviteit ontwikkeld, die ook bij een man, die het dubbele aantal jaren geleefd had, groot zou mogen worden genoemd. Een deel van zijn jeugd bracht hij door te Eidsvold, op de plaats, waar de grondwet tot stand was gekomen. In het huis van zijn vader, een nationalistisch predikant, een man van beteekenis, die ook bij de gebeurtenissen van 1814 een rol gespeeld had, groeide de jongen op in een milieu, waar de herinnering aan dat jaar hoog gehouden werd, en dit milieu heeft een stempel op zijn karakter en op zijn werken gezet. Op jeugdigen leeftijd kwam hij naar Kristiania en genoot daar terstond eene bijna volledige vrijheid, en van die vrijheid maakte hij al het gebruik, dat levendige, opgewonden jonge menschen van vrijheid plegen te maken. Vroeg onderscheidde hij zich door grooten aanleg in verschillende richtingen, maar niet door bijzonderen ijver, allerminst voor zijn studievak, de theologie. Zijn studie heeft hij ten einde gebracht, maar hij is niet in kerkelijken dienst getreden. In 1839 werd hij bureauchef aan het rijksarchief, welke betrekking hij tot zijn dood, vijf jaar later, bekleedde. Een korten tijd heeft hij door de redactie van een courant aan de actieve politiek deelgenomen. Reeds vroeg is Wergeland begonnen te dichten. Zijn eerste omvangrijke werk, tevens het omvangrijkste, schreef hij in 1830 op een-en-twintigjarigen leeftijd. Het is getiteld _Skabelsen, Mennesket og Messias_ (De schepping, de mensch en de Messias). Dit werk is een vrucht der Juli-revolutie. Dit is niet zoo te verstaan, dat het zijn stof aan de revolutie zou ontleenen. Integendeel, de stof had Wergeland reeds jaren bezig gehouden, maar de denkbeelden zijn die van den tijd, en de gebeurtenissen van 1830 hebben het gedicht van meer dan 700 bladzijden doen rijpen. Toen Wergeland eenmaal was begonnen te schrijven, ging het met een verbazende snelheid voort; het manuscript van het begin ging naar de drukkerij, terwijl de dichter bezig was met de volgende vellen. Eigenaardig is de vroege rijpheid van Wergeland. Zijn levens- en wereldopvatting is, gelijk Gerard Gran opmerkt, met het schrijven van dit gedicht gevormd. Later verbreedt hij zich, hij gaat ook in het formeele vooruit; hij bemoeit zich met allerlei zaken, maar zijn persoonlijkheid behoudt het karakter, dat zich hier vertoont. De bedoeling van het dramatisch gedicht is eene allegorisch-philosophische. Er wordt gebruik gemaakt van bijbelsche overleveringen en van historie, maar de fantasie speelt een hoofdrol. Wanneer de aarde geschapen is en bevolkt met het eerste menschenpaar, komen een paar geesten van verre werelden, die reeds een lange ontwikkeling doorgemaakt hebben, en begeven zich in de lichamen dezer nog dierlijke menschen. Daardoor is de mensch een mengsel van dierlijkheid en goddelijkheid, en de geschiedenis bestaat in den strijd van deze twee naturen. In gruweldaden van heerschers openbaart zich de dierlijke natuur, in Jezus' leven behaalt voor het eerst het goddelijke een volkomen overwinning, en datzelfde geschiedt volgens den dichter telkens, wanneer de menschheid tegen despoten opstaat. De revolutie is daarom een overwinning van het goddelijk beginsel. Het boek wordt daarom ook door den dichter een "bijbel der republikeinen" genoemd. Vraagt men naar de beteekenis van het werk, dan dient men te onderscheiden tusschen dat, wat het voor de wereldlitteratuur beteekent, en wat het voor Noorwegen geweest is. Nieuwe gedachten heeft het aan de menschheid niet gegeven, en de onbeholpen vorm heeft ook niet bijgedragen, om het buiten 's lands grenzen bekend en geliefd te maken. Maar voor Noorwegen was vooreerst reeds dit een gebeurtenis, dat een gedicht van zulk een omvang verscheen. En het genre was nieuw, en de gedachten waren in den geest van den tijd. Ook sprak geestdrift uit iedere bladzijde. Wel waren de lofzangers talrijker dan de lezers--Wergeland wordt nog steeds weinig gelezen--, maar de heftige toon, die tegen potentaten werd aangeslagen, won voor het boek toch vele vrienden, en de kritiek, die onverwacht op zeer mondigen toon tegen het gedicht optrad, en waarover hieronder meer zal gezegd worden, maakte het tot een evenement, tot een voorwerp van strijd. Reeds dit, dat er strijd over een litteratuurwerk werd gevoerd, was een novum. Voor de ontwikkeling der Noorweegsche dichtkunst heeft _Skabelsen, Mennesket og Messias_, gelijk de geheele productie van Wergeland, groote beteekenis. Want zijn stijl is geheel nieuw. De klassieke rust der voorafgaande periode is verdwenen, de dichter is in ademlooze beweging; zijn werk is over ende over gevuld met beelden, die elkander verdringen, in den regel zoo snel, dat de duidelijkheid eronder lijdt, maar men krijgt toch den indruk van een machtig persoon, die veel te zeggen heeft,--soms echter ook zoo veel, dat hij valt over zijn woorden. Er is storm in het gedicht, en storm was het juist, waaraan behoefte gevoeld werd. In de volgende jaren heeft Wergeland buitengewoon veel geschreven, een groot aantal lyrische gedichten, verder gedichten in dramatischen vorm (o.a. _Papegoien, Stockholmsfareren, Den Konstitutionelle, Barnemordersken_ e.a.), vertellingen in verzen (_Jan van Huysums Blomsterstykke, Den engelske Lods_), verhandelingen over politiek, geschiedenis (_Norges Konstitutions Historie_), moraal, taalhervorming en vele andere zaken. Naarmate hij eenigszins tot rust komt, geraakt hij ook tot grooter helderheid, en hij heeft dingen geschreven, die men thans nog met een niet uitsluitend historisch doel kan lezen. Zijn beteekenis is echter niet alleen in zijn geschriften gelegen, maar ook in zijn leven met zijn volk en zijn rustelooze werkzaamheid voor algemeene belangen, als daar waren, verlichting, uitbreiding van vrijzinnige denkbeelden, ook practische verbeteringen, bij voorbeeld de emancipatie der Joden. Het werk voor verlichting hangt samen met de houding, die hij en zijn geestverwanten tegenover den boerenstand aannamen. Door de vrijzinnige staatsinrichting van 1814 waren de boeren geroepen om regeerders te worden, maar de Noorweegsche boerenstand was een in onwetendheid verzonken menigte; het was noodig, haar kennis bij te brengen, om haar in staat te stellen, werkelijk de taak op zich te nemen, die voorloopig nog slechts in naam de hare was. Zooveel hij kon, heeft Wergeland dit doel gediend. Een korten tijd heeft hij de smart der impopulariteit gevoeld; het was, toen hij in het jaar 1838 een jaargeld aannam van Carl Johan,--inderdaad een inconsequente handelwijze voor den dichter van een bijbel der revolutiemannen, die gewoon was op "tyrannen" af te geven. Zijn vijanden hebben hem om die reden streng veroordeeld, en hij verloor bij die gelegenheid ook vele vrienden. Maar allengs verbeterde de stemming weer, en toen hij stierf, werd zijn dood gevoeld als een nationaal verlies. Het verschijnen van Wergelands hierboven besproken gedicht gaf aanleiding tot het eerste optreden van zijn tijdgenoot en antipode Welhaven. Welhaven was in Bergen geboren (1807) en stamde uit eene aristocratische ambtenarenfamilie, die de verbinding met Denemarken en de Deensche cultuur had aangehouden. Zijne moeder was een nicht van den Deenschen dichter P.A. Heiberg, den vader van den dichter-philosoof J.L. Heiberg. Met deze beiden, vader en zoon, had Welhaven de polemische gave gemeen. Als student behoorde Welhaven tot een clique rustige jonge menschen met aesthetische neigingen; het lawaai dat de Noorsche patriotten maakten, was dezen menschen een doorn in het oog. Men uitte zijn patriottisme door een eeuwig bluffen op de bijzondere qualiteiten van den Noorweegschen "odelsbonde" (d.i. de boer, die bezitter van zijn goed is), en daarmee ging een smalen gepaard op wat vreemd, vooral op wat Deensch was. In de politiek was Zweden de bete noire geworden; in zaken van cultuur was het nog steeds Denemarken. Het patriottisme uitte zich ook in het verbod, om kleeren te dragen of voorwerpen te gebruiken, die niet in Noorwegen gemaakt waren. En voorts in straatoploopen en andere luidruchtige manifestatien. De aanvoerder van die bende onrustige lieden was Wergeland. En deze man vermat zich nu ook, dichter te zijn en de stad te overstroomen met smakelooze verzen. Het verschijnen van _Skabelsen, Mennesket og Messias_ deed den emmer overloopen; het gaf aanleiding tot een gedicht van Welhaven, waarin deze Wergeland zijn "razen tegen het verstand" verweet. Een heftige pennestrijd volgde; de concurrenten vervolgden elkander met epigrammen. Meer dan eenmaal afgebroken, werd deze strijd daarna met nieuwe heftigheid voortgezet. Wat men het minst zou verwachten, is echter, dat hij een blijvend resultaat heeft opgeleverd. Voor Welhaven verloor de veete op den duur het persoonlijk karakter, dat zij een tijd lang aannam; het werd voor hem een strijd om beginselen. Wergeland werd steeds meer voor hem de representant eener geestesrichting, die hij verfoeide, en zoo treedt in plaats van de epigrammen tegen den vijand de kritiek op het Noorwegen van dien tijd. Op deze wijze is het merkwaardige gedicht tot stand gekomen, dat _Norges Daemring_ (De Schemering van Noorwegen) heet. Een grooter tegenstelling dan die tusschen _Skabelsen_, _Mennesket og Messias_ en _Norges Daemring_, laat zich niet denken. In _Norges Daemring_ voor het eerst wordt de taal van het jonge Noorwegen tot het voertuig van scherpe gedachten en scherpe polemiek. Het gedicht bestaat uit 76 sonnetten; de vorm is meesterlijk. Zoowel in de beheersching van taal en metrum, als in den gedachtengang herkent men den voorlooper van Ibsen. Een somber beeld van Noorwegen krijgen wij hier te zien, een gansch andere schildering, dan die, welke de patriotten gewend waren te geven. Groot en sterk is het land, krachtig en dreigend verheffen de rotsen zich uit zee en nevel. Maar tusschen die rotsen zijn plekken, door de natuur begunstigd en rijk gemaakt. Hoe staat het nu met de bewoners? Heeft het volk oog voor de schoonheid der natuur? Neen, zijn geheele belangstelling is bij de zorg voor den dag van morgen, bij visch, bij vee, bij planken. Geen vleugelslag, geen zang, geen verheffing. De dichter bezoekt in gedachte de verschillende steden van het land: Kristiania, Kristiansand, Bergen, Trondhjem;--nergens vindt hij een spoor van geestelijk leven. Wat hij wel vindt, is bluf. Men bluft op de voorvaderen, maar wat helpen al die groote herinneringen, wanneer zij niet tot eigen daden aansporen? En welken zin heeft voorts het geschreeuw der ultra-noorsche patriotten om vrijheid? Dat is slechts een naschreeuwen van hetgeen in groote landen geroepen wordt. Doch men vergeet, dat ginds, in die landen, iets is, om tegen te vechten; daar is dwingelandij en er is dus grond voor krijgsgeschreeuw. In Noorwegen echter bezit men alle burgerlijke vrijheid, die denkbaar is. Wat hier ontbreekt, is de vrijheid des geestes, de wil om te luisteren naar betere klanken dan dat zinnelooze gebrul. De schreeuwers regeeren; de overigen gaan ongestoord voort, zich alleen om eten en drinken te bekommeren. Slechts in de hoop, dat eenmaal daad zal worden, wat nu woorden zijn, zoekt de dichter troost[2]. Adeldom verplicht. De hooge Saga (d.i. de geschiedenis, die de daden der voorvaderen bericht) vliegt over de bergen en fjorden met haar waarschuwend woord, waarover het volk zich verwondert: "Din Hjemstavn, Bonde! er en heilig Jord; hvad Norge var, det maa han engang vorde paa Land, paa Bolge og i Folkerang." (Uw land, boer, is een heilige grond; wat Noorwegen was, dat moet het eenmaal worden, op land, op de golven en in de rangorde der volken). _Norges Daemring_ is zelf een daad geweest en heeft het zijne er toe bijgedragen, Noorwegen _i folkerang_ te doen worden, wat het eenmaal was. Een daad is het gedicht in de eerste plaats als uitdaging aan de massa van den moedigen man, die alleen durft te staan. Welhaven kreeg ook te voelen, dat hij den hoop uitgedaagd had. Een tijd lang was hij ongeveer vogelvrij. Op een avond werd iemand, die op hem geleek, door een troep gemeen afgeranseld. Een daad was _Norges Daemring_ niet minder in de litteratuur. Hier werkt die daad pas laat na. Maar de snaren, die eenmaal aangeroerd waren, klonken door, en zij zijn later opnieuw gebruikt, om melodieen te laten hooren van gelijken aard maar met nog forscher klank. Voor het hedendaagsche Noorwegen behoort de strijd tusschen Wergeland en Welhaven altijd nog eenigszins tot den strijd van den dag. In de uitvoerigste "Literaturhistorie" van Noorwegen van Henrik Jaeger kan men het verwijt aan Welhaven lezen, dat hij zijn tijd niet begreep, dat de groote dingen, die om hem heen gebeurden, hem koud lieten. En ongetwijfeld is dit waar, dat de politieke ontwikkeling, die Noorwegen in de 19e eeuw heeft doorgemaakt, en de volkomen afscheiding van Zweden nauwer samenhangen met de dingen, waarvoor Wergeland ijverde, dan met de kritiek van Welhaven. Maar een dichter, die tegen den tijdgeest opkomt, is niet altijd een achterblijver of een slechte verstaander, en zeker is het, dat zonder de zelfkritiek, waartoe Welhaven aanspoort, op den duur evenmin resultaten, ook politieke, zouden bereikt zijn dan zonder het sterke, maar tot bravade geneigde enthousiasme van Wergeland. Voor de latere litteratuur zijn beiden baanbrekers geweest. En de beide typen zijn in Noorwegen inheemsch. De veelzijdigheid en de vruchtbare fantasie van Wergeland, en ook zijn behoefte, om aanvoerder van eene massa te zijn, vinden wij terug bij Bjornson; het scherpe verstand, de vlijmende spot, het pessimisme, de voortreffelijke versificatie van Welhaven keeren bij Ibsen weder. En gelijk Bjornson ook in zijn patriottische zelfvoldaanheid op Wergeland gelijkt, zoo zijn Ibsen's afkeer van grootspraak zonder daden en zijn sympathie voor Denemarken verwant met gelijke trekken bij Welhaven. Voor de taal hebben beide dichters verdiensten. Karakteristiek voor Wergeland is zijn voorliefde voor Noorsche woorden. Hij zet een der eerste stappen op den weg der vernoorsching van de rijkstaal, in zijn verhandeling van 1835 over Noorsche taalhervorming[3], en de practijk tracht hij daarbij aan te passen. De taal van Welhaven is Deensch als die der vorige periode. Maar in meesterschap over den vorm wint hij het verre van Wergeland. Zijn kritische geest liet hem niet alleen bij de gebreken van anderen stilstaan; hij was ook niet snel tevreden met zich zelf; hij werkte lang aan zijn gedichten en liet ze niet drukken, wanneer zij maar half af waren. Welhavens hekeldicht is uit eene reine bron voortgekomen; het is door verontwaardiging ingegeven. De satyrische ader had hij, maar zij vloeide slechts, wanneer de daartoe noodige stemming gewekt was. Hij had ook eene andere zijde. Wanneer zijn spotzucht niet gaande gemaakt werd, was hij zachtmoedig en tot melancholie geneigd. Deze zijden van zijn karakter komen vooral op den voorgrond in zijne productie gedurende eene volgende periode en onder den invloed van nieuwe gedachtenstroomingen. FOOTNOTES: [Footnote 2: Hvad nu er Ord skal engang vorde Daad, hvad nu er taust skal finde starke Munde i Thingets Sale og i Templets Buer; hvad nu er Larm skal blive vise raad, og vis'ne ho'der byttes om med sunde-- hvad nu er Glimt skal engang vorde Luer! ] [Footnote 3: _Om norsk sprogreformation_. Een voorganger had Wergeland hier in J.A. Hielm (1831), wiens denkbeelden hij verder ontwikkelt.] HOOFDSTUK II. ROMANTIEK. 1. _De volksromantiek_. Omstreeks 1840 breekt voor de Noorweegsche poezie eene bloeiperiode aan. Het is de romantiek, die haar intocht houdt[4]. De vorige periode leefde in denkbeelden, die stamden uit het tijdvak der verlichting en der Fransche revolutie. Zij waren naar Noorwegen overgebracht en hadden daar een patriotsche tint gekregen, maar zij verloochenden toch hun oorsprong niet. Men sprak veel van de rechten van het volk, maar van hetgeen in het volk zelf omging, droeg men toch geen kennis. Hierboven werd er reeds op gewezen, dat de 'odelsbonde' wel geroepen geacht werd, om te regeeren, maar dat men tegelijk overtuigd was van zijne diepe onwetendheid. Deze te overwinnen was de eerste taak van wie het met de toekomst van land en volk goed meende. Maar nu werd dit anders. De romantiek vlucht uit de wereld naar den eenvoud en de stilte der natuur, en daar ontdekt zij den boer, niet als nieuwen of toekomstigen machthebber, maar als drager van oude tradities, die in haar oogen, juist doordat hij met de cultuur niet in aanraking geweest is, een frischheid en oorspronkelijkheid bezit, waaraan op het gegeven oogenblik voor alles behoefte bestaat. Nu wordt deze partij de nationale; wat zij op het platteland in vertellingen en volksgeloof vindt, dat zijn de krachten, die in het eigen volk leven, terwijl de denkbeelden, die onder de vorige generatie het meest op den voorgrond traden, uit Frankrijk geimporteerd waren, en dus voor vreemd goed golden. Op deze wijze werden de hekken van het patriottisme verhangen. De belangstelling in volksoverleveringen was toch niet in Noorwegen zelfstandig ontstaan. Het was een beweging, die over Europa gegaan was en zelfs zeer laat Noorwegen bereikte. In Engeland was zij in de tweede helft der achttiende eeuw begonnen; daarna was zij naar Duitschland gekomen, waar men de zaak grondig had opgevat. Herder was begonnen met studien over volkspoezie; deze hadden tijdgenooten aanleiding gegeven, om of de stof te gebruiken in eigen gedichten, of den toon van het volkslied aan te slaan. Daarop waren de verzamelaars gekomen, die niet de stof gebruikten voor vrije bewerkingen, maar den nadruk legden op getrouwe weergave van het overgeleverde (Grimm's Kinder- und Hausmaerchen, in minder mate Arnim en Brentano, Des Knaben Wunderhorn). In het begin der eeuw bereikt de beweging Denemarken, waar vooral de meest bekende dichter van den tijd, Ohlenschlaeger, zich van deze stoffen meester maakt en tal van romantische gedichten in het licht geeft. En nu is Noorwegen aan de beurt. Van den beginne af treden hier de beide richtingen op, die in Duitschland op elkaar gevolgd waren, de opname van stof en vorm door dichters, die er toch iets anders van maken, en de getrouwe weergave der overlevering. Het geluk wilde, dat dit laatste werk in handen kwam van menschen, die daartoe een buitengewone bekwaamheid bezaten en dientengevolge verzamelingen tot stand gebracht hebben, die voor het geestelijk leven van het geheele volk de grootste beteekenis gekregen hebben en nog bezitten. Deze mannen zijn P.C. Asbjornsen en Jorgen Moe. Bij deze uitgevers van vertellingen sluit zich als eerste uitgever van volkspoezie M.B. Landstad aan. Asbjornsen en Moe hebben vele jaren besteed aan het verzamelen van de stof en aan het zoeken naar den juisten vorm, waarin zij de vertellingen zouden geven[5]. De groote moeilijkheid was gelegen in de taal. De overlevering der vertellingen was in dialect, maar van een uitgave van teksten in dialect kon in die dagen natuurlijk geen sprake zijn. Niet alleen, omdat voor dialect geen belangstelling bestond, maar ook omdat dialect voor ruw en lomp doorging, zoodat de vertellingen in dezen vorm bij het meerendeel der lezers, die zij dan nog zouden vinden, aanstoot zouden geven. En toch waren de uitgevers zich bewust, dat juist in de bijzondere wijze van uitdrukking de poezie dezer vertellingen gelegen was. Zij hebben toen een tusschenweg gezocht. De stukken werden uitgegeven in de officieele taal, het Deensch-Noorsch, maar in stijl en uitdrukking werd alles behouden, wat in die taal er maar even door kon, zonder al te veel als een vreemd element gevoeld te worden. Dit is hun zoo goed gelukt, dat hun boeken een populariteit verworven hebben, die tot heden toe nog niet verminderd is. Daar deze boeken door iedereen gelezen worden, hebben zij ook een zeer grooten invloed gehad op de ontwikkeling der Noorweegsche litteraire taal. De vernoorsching van het Deensch-Noorsch, waartoe Wergeland een aanloop genomen had, neemt van deze boeken haar uitgangspunt. En deze beteekenis voor de taal hebben de latere uitgaven behouden. Naarmate het lezend publiek onder den invloed van een voortgaande ontwikkeling in de taal zich wende aan een meer Noorsch getinten stijl, is ook de uitdrukking in de vertellingen telkens nader gebracht bij de mondelinge overlevering, en hierdoor hebben die boeken, in plaats van achteraankomers te worden, hun rang van voorgangers behouden. Dit is een der verdiensten geweest van Moltke Moe, den zoon van Jorgen, die op den door zijn vader ingeslagen weg is voortgegaan. De _Norske Folkeeventyr_ (Noorweegsche Volkssprookjes), die in 1841 verschenen[6], behooren tot het beste, wat men in de Noorweegsche letterkunde lezen kan. De stof is, zooals men verwachten kan, grootendeels internationaal, maar tegelijk is de wijze van vertellen zoo eigenaardig, dat men hier een beter beeld van het volksleven krijgt dan in de beste schildering van een dichter, die zijn eigen opvatting meedeelt. Het is het volk, dat zich zelf schildert in dat, wat het bewondert of soms ook verfoeit. Maar meer dan dat. De stijl heeft een geheel eigen karakter en is veel kernachtiger, dan men anders in anonyme litteratuur aantreft. De dialoog doet ons verstaan, dat Noorwegen groote dramatische dichters heeft voortgebracht. Van zijn frischheid heeft het werk tot op dezen dag niets verloren. Een eenigszins ander karakter dan de _Folkeeventyr_ dragen twee andere verzamelingen van Asbjornsen, _Norske Huldreeventyr og Folkesagn_ (N. Elvensprookjes en Volksverhalen), die in 1845 en 1848 werden uitgegeven. Asbjornsen treedt hier zelfstandiger op, en hij maakt den overgang van romantiek tot realisme. Ofschoon het woord "eventyr"[7] in den titel voorkomt, houden die boeken toch geen sprookjes in, maar mededeelingen omtrent volksgeloof, grootendeels in concrete voorbeelden. Asbjornsen legt de verhalen in den mond van vertellers, met wie hij heeft omgegaan, en zelf geeft hij eene omlijsting. Aanvankelijk is de schrijver nog geheel bevangen in de natuurmythische verklaring van het bijgeloof, die een dogma der romantiek was, en hij offert daaraan een groot deel van zijn arbeid. Hiermee hangt samen, dat natuurschilderingen eene groote plaats innemen. Maar allengs overweegt de belangstelling voor zijn vertellers, en dezen en hun gesprekken geeft hij met groote trouw aan de natuur weer. Ook de behandeling der taal is niet dezelfde als in de Folkeeventyr; de menschen spreken hun eigen--Oostlandsch--dialect. Het werk van Asbjornsen opent zoodoende de reeks schilderingen uit het volksleven, waaraan de Noorweegsche letterkunde zoo rijk is. Het verst gaat in de richting van het realisme het stuk, dat den titel _Plankekorerne_ (De Plankenvoerlui) draagt. Asbjornsen is hier zijn tijd ver vooruit; het zou nog circa 30 jaar duren, voor anderen zijn voorbeeld zouden volgen. Het is echter karakteristiek voor den tijd, dat deze vrije stijl in de Huldreeventyr og Folkesagn alleen daar bestaat, waar Asbjornsen aan zijn zegslieden het woord geeft. In zijn eigen inleidingen heerscht een litteraire, ingewikkelde stijl, zooals die toen in geletterde kringen werd mooi gevonden. Daardoor valt het boek stilistisch uiteen. Maar aan dit gebrek heeft het een deel van zijn onmiddellijk succes te danken. De Folkeeventyr, die geen inleidingen van eigen maaksel hebben, en waaraan ook Moe een groot aandeel heeft, zijn van het genoemde gebrek vrij. In 1853 gaf Landstad uit _Norske Folkeviser_. Daarop volgde in 1858 een kortere verzameling van Sophus Bugge: _Gamle norske Folkeviser_[8]. Deze boeken zijn niet zoo algemeen geliefde lectuur geworden als de sprookjes van Asbjornsen en Moe. Eene tweede uitgave hebben zij niet beleefd[9]. Begrijpelijk is dit wel. Hier kon er geen sprake van zijn, de stof door weergave in de algemeene taal meer toegankelijk te maken. De gedichten konden natuurlijk slechts in het dialect, waaruit zij werden opgeteekend, worden uitgegeven; wel heeft Landstad de taal geaerchaiseerd, maar hierdoor zijn de gedichten niet meer algemeen toegankelijk geworden. Ook door andere oorzaken zijn zij moeilijk te verstaan. De overlevering is veelal gebrekkig; vele plaatsen zijn reeds voor de mededeelers niet helder geweest. De omvang der beide uitgaven is veel geringer dan van die der sprookjes; blijkbaar was, reeds toen de opteekening begon, van de volksliederen veel vergeten, terwijl de sprookjes en sagen zich nog in levendigen bloei verheugden. Noorwegen staat hier ver bij Denemarken achter, waar zooveel volksliederen in een veel vroegere periode (de 16e eeuw) zijn opgeschreven. Niettemin hebben de liederenverzamelingen, met name die van Landstad, niet uitsluitend wetenschappelijke beteekenis gehad. Al zijn de gedichten niet de lectuur van het groote publiek geworden, de dichters hebben ze gelezen, en een tijd lang hebben zij op de poezie in hooge mate bevruchtend gewerkt. De invloed, die op deze wijze van Landstads uitgave is uitgegaan, zal verderop in dit werk ter sprake komen. Komen wij tot de zelfstandige dichters der romantiek, dan moet in de eerste plaats, reeds om chronologische redenen, Welhaven genoemd worden. Na de daemringsfeide[10] zweeg hij tot 1839; toen gaf hij een bundel _Digte_ uit. Later verschenen _Nyere Digte_ 1845, _Halvhundrede Digte_ 1848, _Digte_ 1851, _Digte_ 1860, eindelijk nog _Sidste Digte_ (van 1860 tot 1866). Deze bundels houden de belangrijkste lyriek in, die de eerste helft der eeuw heeft voortgebracht. De bundel van 1839 toont nog geen sporen der romantiek, maar toch ontmoeten wij daar een anderen Welhaven dan in 1834. Men kan den inhoud naar de stof in enkele groepen verdeelen, en ieder van deze vindt haar naaste verwanten in de volgende bundels; slechts komt er later een nieuw element bij. Vooreerst zijn er de mythologische gedichten. Deze knoopen, wat hun gedachteninhoud betreft, aan bij den litterairen strijd der vorige periode. Maar zij verwijderen zich verder van het moment van den strijd en krijgen zoodoende een meer algemeene strekking; de inhoud wordt lyrisch-philosophisch. Het kortst bij den strijd staat _Vidar_. _Vidar_ is de naam van een zoon van Odin, die in de Noorsche mythologie bij het einde van de wereld het monster Fenrir zal verslaan. _Vidar_ was ook de naam van een studentenverbond, waartoe Welhaven behoorde. De gedachte van het gedicht is, dat men den strijd niet op zal geven, voor men het monster, dat losgebroken is, dat is den tijdgeest, verslagen heeft. De gedichten _Sisyphos, Glaukos, Goliath, Mokkurkalv, Nehemias_ (1839), _Tantalos, Protesilaos, Kalchas_ (1845), _Herakles, Ganymedes, Philoktetes_ (1860), drukken stemmingen uit, die hun uitgangspunt in het voorgaande hebben, het bewustzijn, een mannelijke daad te hebben verricht, onmisbaar te zijn, toch alleen te staan. Het gevoel van eenzaamheid neemt toe; daarmee gaat gepaard een zich afwenden van de wereld, een toon van religieuse resignatie. Er is ook hier een merkwaardige analogie met de ontwikkeling van Ibsen's gedachtengang, nadat hij in _Et Dukkehjem_ en _Gengangerne_ met de publieke opinie slaags was geweest. Eerst komt een uiting van lust om den strijd voort te zetten in _En Folkefiende_, dan de ontmoedigde verklaring, dat de man, die de waarheid zegt, slechts onheil stichten kan, in _Vildanden_[11]. Een andere belangrijke groep gedichten van Welhaven, insgelijks vertegenwoordigd in de bundels van 1839 tot en met 1860, zijn de liefdegedichten. Deze hebben een achtergrond in de werkelijkheid. Welhaven heeft een meisje liefgehad, waarmee hij niet kon trouwen, omdat hij geen geld en weinig vooruitzichten had. Zij hebben elkander blijven liefhebben, van tijd tot tijd op straat een enkelen blik, een enkel woord wisselend. Toen hij in 1840 een bestaan kreeg als lector aan de universiteit, was het te laat; veertien dagen na zijn benoeming stierf zij. Onder den invloed van stemmingen, die met deze gebeurtenissen samenhangen, zijn de liefdegedichten ontstaan. Zij zijn weemoedig, heffen de geliefde op in de sfeer der herinnering, en de liefde in die der gevoelens van eeuwigheid, en zoo smelt de stemming dezer gedichten samen met die der mythologische gedichten. Ook hier bestaat een merkwaardige overeenstemming met Ibsen, voor wien de liefde pas wijding voor het leven ontvangt, "naar lost fra laengsler og fra vild begaer den flyer til mindets aandehjem befriet"[12]. (Kaerl. Komedie, Vaerker II, 261). Vergelijk daarmee Welhaven's verzen: "Hver en Fryd maa trylles om til et Savn, som Sjaelen freder; Mindet kun et Held bereder, der er Livets Eiendom"[13]. (Digte 1845. Vaerker II, 234). Voornaam is deze poezie. De dichter vertelt ons niet, hoe zijn geliefde heet, en waar zij woont en hoeveel liever hij haar heeft, dan anderen hunne geliefde hebben. En zijn smart toont hij ons niet met al haar persoonlijke toevalligheid. Gelouterd in het bad der reflectie, komt zij als schoon gevormde gedachte tot den lezer. Sedert 1840 is Welhaven ook aangegrepen door de nationaal-romantische beweging en staat hij als romantisch kunstdichter vooraan. Aan deze beweging in verband met den lyrischen trek in den dichter hebben wij Welhaven's natuurpoezie te danken. De romantische vlucht van de stad en de maatschappij voerde niet alleen naar de boeren en hun bijgeloof, maar ook naar de natuur, naar bosch, veld, berg en heide, en men verbond deze dingen, door de natuur te bevolken met de producten van het bijgeloof. Zoo doen dan deze scheppingen der volksfantasie, als huldren, nokken, nissen, die thuis hooren in verhalen, zooals Asbjornsen ze deed, hun intree in de kunstpoezie. Welhaven heeft in dit genre veel natuurschilderingen en ook vertellende gedichten, romances, gedicht. En ook hier verloochent zich de ernstige dichter niet, die nooit tevreden was, voor hij het allerbeste geleverd had, waartoe hij in staat was. Natuurlijk is er in deze wijze van dichten ook een element van mode. Aan de menschen, die er mee begonnen, was het als zoodanig niet bewust. Want zij legden in die mythische figuren een dieperen zin. Bij de navolgers wordt dat licht manier, en een volgende periode heeft hiervan weer genoeg gekregen. Maar daarnaar mogen wij de romantische poezie van een dichter als Welhaven niet beoordeelen. Hij opent de oogen van zijn tijdgenooten voor de natuur; dat anderen, die na hem kwamen, daar ook nog iets anders gevonden hebben, toont slechts, dat de nieuw gevonden bron van poezie een rijke was, die in de behoefte van meer dan een geslacht kon voorzien. Zoo is de dichter, die in 1831 en 1834 tegen den nationalen bluf optrad, in een latere periode door de romantiek tot een nationaal man geworden. Maar nationaal op een gansch andere wijze dan de patriotten der vorige generatie. Wat zijn kunstrichting betreft, laat zich bij Welhaven een zich verwijderen van het realisme waarnemen. _Norges Daemring_ is te gelijk idealistisch en realistisch. Idealistisch is het gedicht door des dichters hooge opvatting van het leven en zijn hoop op een toekomst voor zijn land; realistisch is, tot op zekere hoogte althans, zijn pessimistische werkelijkheidsschildering, ofschoon ook deze niet in bijzonderheden afdaalt. Naarmate Welhaven meer eenzaam werd en zijn troost in eeuwigheidsgedachten zocht, verwijderde hij zich van het leven, en de huldre-romantiek werkte in deze richting mee. Er openbaart zich hier in de romantiek zelf een tegenstelling tusschen twee richtingen. Voor de eene--en dit is de richting der huldre-romantiek--bevat het bijgeloof zelf diepere waarheden,--ook Asbjornsen heeft in zijne natuurmythische beschouwingen deze zienswijze gehuldigd,--voor de andere zijn de ware objecten voor onze belangstelling de dragers der bijgeloovige voorstellingen, dus menschen, en deze richting loopt uit op menschenstudie en zoodoende op realisme in den modernen zin. Het is dezen weg, dien Asbjornsen in enkele stukken gegaan is. Er ontstond zoodoende een nieuwe tegenstelling, die zich in de volgende periode met kracht zou openbaren. Welhaven's idealisme wordt voortgezet in de richtingen, die tot ca. 1870 domineeren, Asbjornsen's realisme in de denkbeelden, die dan plotseling aan alle zijden tot doorbraak komen. Deze tegenstelling werd in den beginne niet zoo sterk gevoeld; de punten van aanraking treden sterker op den voorgrond dan de punten van verschil. Welhaven heeft zich ook sterk geinteresseerd voor de verzamelingen van Asbjornsen en Moe en ook wel raad gegeven voor de behandeling der stof. Maar groot is zijn invloed niet geweest. Zijn behandeling der taal was ook een andere. Hij is geen vriend van populaire wendingen. En daarmee gaat zijn sympathie voor Deensche letterkunde en taal gepaard. Zijn taal zelf is het meest Deensche Noorsch van den tijd. Toch ondergaat hij onwillekeurig den invloed van de stof, die hij uit de Noorsche tradities opneemt, en doet hij dus een stap mede in de richting van de vernoorsching der taal, die gedurende de geheele eeuw allengs tot stand kwam. Bij hem bestaat de Noorschheid vooral in den stijl; de woordenkeus blijft in hoofdzaak Deensch. In 1840 werd Welhaven lector,--later (1846) professor in de philosophie, welk ambt hij tot 1868 bekleedde. Ofschoon hij over het vak, waarin hij aangesteld was, geen werken van beteekenis heeft nagelaten, heeft hij door de macht van zijn persoonlijkheid op het jongere geslacht een sterken invloed geoefend. Als litteratuur-criticus is hij vruchtbaar geweest; hier toont hij zich meer philosoof dan historicus. Daarom geven zijn wetenschappelijke werken ons een duidelijker voorstelling van den blik, dien hij op litteratuur had, dan van de omstandigheden, waaronder andere werken tot stand gekomen zijn. Hij stierf in 1873. Ook Jorgen Moe, dien wij hierboven als verzamelaar hebben leeren kennen, is als zelfstandig dichter opgetreden. Hij sluit zich geheel bij de natuurromantische richting aan. Zijn gedichten kenmerken zich door eenvoud en religieusiteit. Natuurgevoel, belangstelling in volksleven, religieusiteit, veelal ook melancholie zijn de romantische trekken van den tijd. Wij vinden deze in verschillende combinaties terug bij de overige schrijvers en dichters der periode. Uit een grooter aantal worden er hier een paar genoemd. Tot de natuurbeschrijvingen moet gerekend worden Bernhard Herre's _En Jaegers Erindringer_, na zijn dood in 1850 uitgegeven. Tot de klasse der schilderingen van het volksleven behoort Ostgaard's _En Fjeldbygd_. Het boek staat onder den invloed van Asbjornsen's vertellingen, maar hij miste de schrijversgave van zijn voorbeeld. Daartegenover bezat hij eene zeer groote kennis van zijn onderwerp en wist door het mededeelen van talrijke details aan zijn werk blijvende waarde te geven. Daardoor doet hij een nieuwen stap in de richting van het realisme. Maar men kan twijfelen, of het boek wel tot de poetische litteratuur gerekend kan worden. Aan Auerbach, wiens 'Dorfgeschichten' hij op raad van Asbjornsen las, en van wien hij ook een en ander vertaald heeft, ontleent hij het denkbeeld, om zijn zedenschilderingen op te hangen aan den kapstok van eene vertelling; afgezien daarvan is het werk eer een verhandeling. Voorts komt hier in aanmerking Hans Schultze, die een reeks vertellingen schreef, samen uitgegeven onder den titel _Fra Lofoten og Solor_, interessant ook hierdoor, dat hier, voor zoover van Lofoten sprake is,--Solor ligt in het binnenland--de bewoners der eilanden hun eerste intrede in de letterkunde doen. In zooverre is Schultze een voorganger van Jonas Lie. Tot de bovengenoemde groep van vertellingen behooren ook Bjornson's boerennovellen. Maar zij nemen een bijzondere plaats in. Bjornstjerne Bjornson is in 1832 geboren als zoon van een dorpspredikant. Vroeg toonde hij neiging en gaven, om aanvoerder te zijn, en zijn vader, die dit bemerkte, zond hem vroeg naar Kristiania, waar hij een tijd lang Heltberg's "studentenfabriek" bezocht--zie hierover meer in Hoofdstuk IV--en in 1852 student werd. Reeds te voren had hij een--onrijp--tooneelstuk geschreven; sedert 1854 schrijft hij regelmatig in dagbladen en maakt veel beweging in de hoofdstad, in 1856 bezoekt hij een studentencongres in Upsala, waar het nieuwe Skandinavisme werd beklonken, en onder den invloed van de opwinding dier dagen komen zijn eerste blijvende litteraire producten voor den dag. Het eene is _Mellem Slagene_, dat in een ander verband besproken wordt; het andere is _Synnove Solbakken_, de eerste zijner boerenvertellingen. Men kan zeggen, dat Bjornson's novellen eene periode openen, en dat zij er eene sluiten, al naar gelang van het gezichtspunt, waaruit men ze beziet. Nieuw is, dat het boerenleven de stof wordt van een vertelling, die in de eerste plaats een kunstwerk wil zijn. Let men op de voorgangers, dan is het standpunt bij allen eenigszins anders. De sprookjes van Asbjornsen en Moe zijn rijk aan poezie, maar toch niet in de eerste plaats voorwerpen van kunst, en bovendien, zij stammen direct van het volk, zij handelen niet over het volk. Het werk van Ostgaard was meer materiaal dan vertelling. Andere werken waren geschreven door menschen met al te weinig kennis van hun onderwerp. Bjornson vereenigde een zekere kennis van het boerenleven met dichterlijke gaven en groot vuur voor de zaak, die hij beschrijft. En zoo komen er voor het eerst kleine romans tot stand over het boerenleven. En romans, waarin veel uitdrukking vond, wat in den tijd leefde, en die daarom zeer grooten opgang maakten. Maar deze vertellingen sluiten een periode, in zooverre als de zwakke zijde van de volksromantiek, de boerenvergoding, hier tot een uiterste gedreven is, waar men niet mee voort kon gaan, zonder in het ridicule te vervallen. Deze boeken geven dan ook het sein tot de reactie. Deze komt met Vinje's kritiek op Bjornson's volgende vertelling _Arne_, die later zal besproken worden. De kritiek komt van een man, die zelf van boerenafkomst was, die de boeren beter kende dan Bjornson, en die den schrijver verwijt, dat zijn figuren geen boeren maar verkleede stadsmenschen zijn, en wel stadsmenschen van een bepaald type, droomers met sterk werkende traanklieren. Zoo beteekenen Bjornson en zijn criticus te zamen een nieuw stadium in de boerennovelle. Sedert Bjornson mag zij niet meer zonder fantasie geschreven worden; sedert Vinje moet het portret nader bij de werkelijkheid staan. De invloed van Landstad's verzameling toont zich het duidelijkst in twee jeugdwerken van Ibsen, _Gildet paa Solhoug_ (Het Feest te Solhoug, 1855) en _Olaf Liljekrans_ (1856). Deze twee stukken representeeren een eigenaardig stadium in de ontwikkeling van den grooten dichter. Henrik Ibsen is 20 Maart 1828 te Skien geboren als zoon van een welvarend koopman. Toen Henrik 7 jaar oud was, leed de vader verliezen, en de knaap leerde nu na den welstand ook de armoede en de daarmee gepaard gaande vernedering kennen. Op jeugdigen leeftijd werd hij te Grimstad in een apotheek neergezet, om daar zijn brood te verdienen. In de nachtelijke uren las hij Latijn, om zich voor het studenten-examen te bekwamen; in de uren, die hij daarvan nog wist over te houden, dichtte hij. Zoo is zijn eerste drama _Catilina_ ontstaan in den winter 1848-'49 (uitgegeven 1850). In 1850 reisde de jonge dichter naar Kristiania, bezocht de studentenfabriek, schreef een kort tooneelstuk _Kaempehoien_ van niet zeer groote beteekenis, en legde het examen af, dat het eerste doel van zijn oponthoud in de hoofdstad was geweest. In 1851 kreeg hij een aanstelling aan het in 1850 geopende nationale theater te Bergen, met de speciale instructie, voor het theater stukken te schrijven, en nu volgen snel op elkander _Sankthansnatten, Fru Inger til Ostraat, Gildet paa Solhoug_ en _Olaf Liljekrans_. Het eerste van deze werken is van geen zelfstandige beteekenis; het tweede behoort tot een ander genre; over de beide laatste zal hier iets gezegd worden. Toen Ibsen _Gildet paa Solhoug_ schreef, waren zijne oogen reeds opengegaan voor de beteekenis, die de sagalitteratuur voor de nieuwe letterkunde kon hebben, maar het verschijnen der volksliederen leidde zijne gedachten in eene andere richting. _Gildet paa Solhoug_ zou, wat de stof betreft, tot de historiseerende richting kunnen worden gerekend; de tijd der handeling wordt ook aangegeven (14e eeuw), en door het hoofdmotief van het stuk, dat inhoudt, hoe eene vrouw in een haar onwaardig huwelijk versmacht en eindigt met tot misdaad haar toevlucht te nemen, om uit dat huwelijk verlost te worden, is het stuk eene voorstudie voor _Hermaendene paa Helgeland_, dat geheel onder den invloed der sagalitteratuur staat. Maar de geest van het stuk is die der volkspoezie. Lyrische ontboezemingen zijn aan de orde, volksliederen worden aanhoudend geciteerd, de stijl is bloemrijk en gevoelig. Voor _Olaf Liljekrans_ bestaan verschillende voorstudien. Voor een van deze, en wel diegene, welke aan het latere werk direct ten grond ligt (_Rypen i Jostedal_, een fragment), is de stof ontleend aan de verzameling volkssagen van Faye, die hierboven genoemd werd. Wij hebben hier dus een stof, die met Asbjornsen's vertellingen punten van aanraking heeft. Maar ook hier is de oorspronkelijke stof geheel door het volkslied overwoekerd. De gedichten worden niet slechts geciteerd; er worden ook motieven aan ontleend, en de dichter gaat hier zoo ver, dat hij den hoofdpersoon, wiens naam en wiens lot ten deele ook uit een volkslied stamt, in een lyrische stemming stukken uit dat lied laat citeeren, als om te bewijzen, welk lot hem wacht. De verbinding tusschen den inhoud der verschillende liederen wordt teweeggebracht door overgangsleden van eigen vinding. Hierbij is o.a. het reeds genoemde stuk _Sankthansnatten_, dat zelf niet op volksliederen berust, gebruikt. Het denkbeeld, om op grond van volksliederen lyrische drama's samen te stellen, is niet het eerst in Ibsen opgekomen. Hierin had hij een voorganger in den Deenschen dichter Henrik Hertz, die in dit genre opgang gemaakt had, met name in zijn drama _Svend Dyrings Hus_. Wanneer men echter op dien grond wel gemeend heeft, dat Ibsen het werk van Hertz nagevolgd heeft, dan berust dat oordeel op een zeer oppervlakkige kennisname, en met recht heeft de dichter in de voorrede bij eene latere uitgave zich tegen zulk een uitspraak verzet. De originaliteit van _Olaf Liljekrans_ is duidelijk voor ieder, die het stuk ernstig bestudeert, en een ernstige studie is het overwaard, o.a. omdat het een overgangsstuk is. Het toont, dat de dichter bezig is, eene krachtige ontwikkeling door te maken, dat de macht van consequentie en menschenschildering, die het onpersoonlijke der volkslyriek breken zal, reeds aanwezig is. En zoo gaat hij hier reeds op vele plaatsen boven zijn programma uit. Maar de dichter is zich deze komende breuk nog niet bewust; het enthousiasme voor het volkslied beheerscht nog zijn kunsttheorie. Hij gaat zelfs zoo ver, dat hij tegen zijn gewoonte in een aesthetische verhandeling schrijft, waarin hij het nieuwe genre voor den kunstvorm der toekomst proclameert. Deze verhandeling--later uitgegeven in het tiende deel zijner _Samlede Vaerker_--verscheen na de beide tooneelstukken en beteekent tevens voor Ibsen het slot. Reeds in het volgende jaar (1857) verscheen _Hermaendene_, dat eene nieuwe periode in Ibsen's productie opent. Intusschen had ook de kritiek zich tegen het lyrische drama gekeerd. In 1857 schreef een student, Olav Skavlan, onder den pseudonym Jokum Pjurre, eene comedie _Gildet paa Maerrahoug_, waarvan reeds de titel toont, dat het vooral tegen Ibsen's drama gemunt is (_maer_ beteekent merrie). Wat vooral aan de beide stukken van Ibsen nu nog waarde geeft, zijn de eigenschappen, waardoor zij boven het lyrisch drama uitgaan, de gloed, waarmee zij geschreven zijn, het meesterschap over de taal--groote stukken van _Olaf Liljekrans_, waar de individueele lyriek de volkslyriek doorbreekt, behooren tot de innigste verzen, die Ibsen geschreven heeft--, en het begin van psychologische karakterstudie. Maar ook in de dramatische techniek toont zich hier en daar reeds de meester, die later de anderen zoo ver achter zich zou laten. Zoo wekt de beurtzang, waarmee het stuk opent, tusschen de beide koren van bruiloftsgasten, die door zoo verschillende gevoelens bezield zijn, reeds aanstonds, nog voor men weet, van welk conflict men getuige zal zijn, eene spanning, die doet denken aan den beurtzang tusschen jubelende bacchanten en gemartelde Christenen in _Kejser og Galilaeer_. FOOTNOTES: [Footnote 4: Vertalingen van werken der Duitsche romantische school komen reeds vroeger voor, bij voorbeeld van Novalis' Heinrich von Ofterdingen door Joh. Storm Munch (1820), en ook Deensche romantici werden gelezen (zie Jaegers Lit. hist. II, p. 10), maar een daarvan uitgaande invloed op de eigen litteratuur laat zich nog niet waarnemen.] [Footnote 5: De eenige voorganger van Asbjornsen en Moe was de predikant Faye, die in 1833 een verzameling _Norske Folkesagn_ uitgaf, tamelijk rijk van inhoud, maar in een refereerenden stijl, die het karakteristieke niet deed uitkomen.] [Footnote 6: Een voortzetting door Asbjornsen met bijdragen uit opteekeningen van Moe zag in 1871 het licht (2e uitg. 1876).] [Footnote 7: Het woord _huldreeventyr_ is een maaksel van Asbjornsen en eigenlijk niet juist. Sprookjes zijn product van poetische fantasie, _huldre_ behooren tot het gebied van het geloof. De eigenlijke benaming voor zulke vertellingen is _huldresagn_.] [Footnote 8: In 1840 had J. Moe reeds eene kleine verzameling _Sange, Folkeviser of Stev_ (d.i. refreinen) uitgegeven.] [Footnote 9: Zie echter het litteratuuroverzicht.] [Footnote 10: Dit is de benaming voor de litteraire polemiek, waarvan _Norges Daemring_ een deel uitmaakt.] [Footnote 11: Men vergelijke ook de overeenstemming zoowel in gedachte als in uitdrukking tusschen _Protesilaos_ (Welhaven, Digtverker II, 219): "Hvo der gaaer foran i en Alvorsdyst, han sejrer ei, han kaemper kun og falder" en _Brand_ (Ibsen, Saml. Vaerker III, 231): "Men hver, som gaar i forste raekke, maa falde for sin fagre sag."] [Footnote 12: "Wanneer zij, los van verlangens en wilde begeerte bevrijd vliegt naar de geesteswoning der herinnering."] [Footnote 13: "Iedere vreugde moet omgetooverd worden tot een gemis, waaraan de ziel bescherming geeft; de herinnering slechts bereidt een geluk, dat het eigendom der ziel is."] 2. _De historiseerende Romantiek_. In de romantiek vertoont zich naast de neiging tot het populaire, die in zooverre ook een historisch element bevat, als men in het volk den drager eener historische traditie ziet, ook eene voorliefde voor de historie in meer eigenlijken zin, die hierin bestaat, dat men aan historische persoonlijkheden zijn aandacht schenkt. In Denemarken treden beide richtingen in het begin der eeuw op; dezelfde dichter, die meer dan allen de volksoverlevering cultiveerde, Ohlenschlaeger, heeft ook tal van historische drama's geschreven. Ook in Noorwegen ligt er geen groote afstand tusschen de eene en de andere groep van verschijnselen, maar de bloeitijd is niet geheel dezelfde, en het geheel valt later dan in Denemarken. In 1830 schreef H.A. Bjerregaard[14] een historisch drama _Magnus Barfods Sonner_ (De zonen van M.B.), en reeds vroeger had dezelfde dichter in lyrische en vertellende gedichten een nationalen toon aangeslagen. Deze gewrochten behooren tot de periode van den nationalen bombast; verdere beteekenis hebben zij niet. Alleen verdient zijn gedicht _Sonner af Norge_ van 1820 genoemd te worden, dat het nationale lied van het land geweest is, tot het door Bjornson's _Ja, vi elsker dette Landet_ werd vervangen. In de periode, die daarop volgde, is A. Munch (geb. 1811) de vruchtbaarste schrijver geweest. Hij heeft gedichten, vertellingen en drama's geschreven. Zijn eerste verzameling is van 1836, zijn laatste omvangrijke werk van 1880. Zijn bloeitijd valt in de periode van 1850-1864. Van de meesten zijner tijdgenooten onderscheidt hij zich, doordat zijn horizont ruimer is. Hij heeft historische studien gemaakt; hij heeft gereisd. Zijn onderwerpen ontleent hij niet zelden aan de geschiedenis, en daarbij gaat hij ook buiten het eigen land. En hij waagt zich bij herhaling aan het drama. Hij heeft een gemakkelijken stijl en eene gemakkelijke versificatie. Maar hij mist origineele gedachten en psychologische diepte, en hij werkt volgens recepten. De romantiek vindt, dat een held uit de oudheid mooi is;--een liefdesgeschiedenis met wraak is ook mooi; onze dichter meent nu, dat eene verbinding van die twee dingen dus de dubbele hoeveelheid schoonheid moet bezitten. Zoo schrijft hij dan in 1837 zijn eerste drama _Kong Sverres Ungdom_ (De Jeugd van Koning Sverre), waarvan de inhoud deze is, dat de koning, die een meisje in den steek gelaten heeft, door haar op listige wijze tot wanhoop wordt gebracht, wanneer zij door eene intrigue weet te bewerken, dat zij voor zijne oogen vermoord wordt. Een historischen achtergrond heeft dit avontuur niet, en in het bekende karakter van koning Sverre is ook niets, dat aanleiding geeft, om hem zoo'n afgrijselijke meisjesgeschiedenis toe te dichten; het avontuur kon dan ook even goed met Andreas Munch gebeurd zijn als met koning Sverre. Maar door dezen historischen naam krijgt de sentimenteele fabel een historisch tintje. Het is slechts uit de litteraire armoede van den tijd te verklaren, dat Munch een tiental jaren over den Noorschen parnassus een soort heerschappij oefende. In meer dan een genre had hij volstrekt niemand naast zich. Munch is echter oud geworden en heeft het ongeluk gehad, zijn roem te overleven, ofschoon hij tot het laatst is doorgegaan, het eene boek na het andere uit te geven. Hij stierf in 1884 op 73-jarigen leeftijd. De jongere generatie liet Munch niet met rust. Reeds zijn aan de Engelsche geschiedenis ontleende tragedie _William Russel_ (1857) werd, ofschoon het publiek verrukt was, door de kritiek met zeer gemengde gevoelens ontvangen. Ibsen prees het stuk in een uitvoerige bespreking (Saml. Vaerker X, 381), maar de later beroemde historicus Ernst Sars, toen jong student, was van een ander oordeel, en dat oordeel is merkwaardigerwijze ook door Ibsen vereeuwigd in _Kaerlighedens Komedie_, waar hij een bekrompen dame, Froken Skaere, haar verontwaardiging laat uiten over een student, die zoo laag, zoo onbeschoft, zoo gemeen was, om zelfs _William Russel_ te critiseeren. Het stuk wordt hier dus voorgesteld als de norm van het schoone bij een geslacht van geestelijke plebejers. Nog grooter tegenspoed had Munch met de tragedie _Hertug Skule_, die in 1864 het licht zag. Want het ongeluk wilde, dat kort te voren Ibsen's _Kongsemnerne_ was verschenen, waarin dezelfde Skule de held was. De vergelijking was doodend;--hiermee had het aanvoerderschap van Munch in de Noorweegsche letterkunde een einde. Het historisch drama is dus in Noorwegen ouder dan de volksromantiek in al haar schakeeringen. Wanneer het toch zijn hoogtepunt later bereikt dan deze, dan is de oorzaak, dat het eene latere plaats inneemt in de ontwikkeling van den dichter, in wien zoowel het lyrisch als het historisch drama culmineeren. Onder zijn handen krijgt het historisch drama stijl en wordt het tot een psychologisch drama. Stijl ontleenen deze stukken aan Ibsen's studie van de sagalitteratuur. Ook voorgangers hadden stoffen aan de saga's (dat zijn oud-IJslandsche vertellingen, deels van historischen inhoud) ontleend. Zoo stamt bij voorbeeld de stof voor Munch's _En Aften paa Giske_ uit Snorris Olafs saga helga[15]. Maar het was Munch alleen te doen om de fabel en om de nationale namen; de wijze, waarop de personen met elkander spreken, is die van den eigen tijd. Ibsen heeft den stijl der saga bestudeerd en zijn eigen stijl er naar gevormd. Het korte, het karakteristieke, het persoonlijke staat op den voorgrond. De replieken vallen zoo, dat niets meer en niets minder gezegd wordt dan dat, wat voor de situatie en met het oog op het karakter der personen van beteekenis is. De weekheid der voorgaande periode verdwijnt; in de plaats daarvan treedt eene kernachtige uitdrukking, zoo rijk aan inhoud, als zij kort van vorm is. Wanneer men den sagastijl laat gelden als het kenmerk van Ibsen's romantisch-historische drama's, dan behooren twee drama's, wier stof insgelijks aan de geschiedenis ontleend is, daartoe niet of in minder mate. _Catilina_ valt geheel buiten het kader; het is de eerste uiting van den onafhankelijken dichtergeest bij een jong man, die nog geen tijd gehad heeft, om een richting te kiezen. De keuze der stof is hier het gevolg van de omstandigheid, dat hij voor het examen Sallustius las; het jonge genie wist uit die examenopgave nog een stuk poezie te halen. Uiteraard is het stuk in hoofdzaak lyrisch, maar ook de lyriek is niet die van de romantiek, maar van den jeugdigen oproerling. Bij alle gebrek aan rijpte heeft dit stuk een wonderlijke bekoring behouden. _Fru Inger til Ostraat_ (geschreven 1854, uitgegeven 1857) staat korter bij de volgende stukken. Maar de stijl is nog niet zoo gevormd, en de ontwikkeling der karakters en gebeurtenissen is nog niet zoo natuurlijk en consequent. Door de opeenhooping van verschrikkelijkheden krijgt men den indruk, dat de dichter onder den invloed van het--insgelijks romantische--gruweldrama geweest is. Vergissingen en domheden spelen bij de ontknooping een grootere rol, dan de dichter hun later zou gunnen. Maar kleur van tijd en plaats zijn aanwezig, en de karakters zijn scherp geteekend. Het nieuwe drama is in aanmarsch. De twee duidelijkste vertegenwoordigers van het genre zijn _Hermaendene paa Helgeland_ (1857) en _Kongsemnerne_ (1864). Van deze beteekent het tweede het hoogtepunt. Vele jaren later heeft Ibsen nog een historisch drama geschreven, maar dit behoort niet meer geheel in den hier bedoelden zin tot de romantiek, en het neemt door zijn wereldhistorische en diep-menschelijke beteekenis een aparte plaats in Ibsen's productie in. De stof voor _Hermaendene_ en _Kongsemnerne_ is aan de Noorsche oudheid ontleend. In een enkel opzicht vormt _Hermaendene_ nog een overgang van het lyrische drama naar het historische. Het conflict van het stuk stamt niet uit de geschiedenis, maar uit de romantische litteratuur der middeleeuwen; het is de fabel van Brynhild in haar verhouding tot den man, dien zij heeft, en den man, voor wien zij bestemd was, zooals de _Volsungasaga_ die meedeelt, welke hier met grootendeels andere namen wordt opgedischt. De _Volsungasaga_ behoort niet tot de beste saga's, vooral stilistisch is veel op haar aan te merken, maar zij gebruikt stof uit de Edda, en zoo gaat _Hermaendene_ in laatste instantie terug op eene stof, die in de oudheid lyrisch en episch bezongen is in gedichten, die met de latere volkspoezie punten van aanraking hebben. Het conflict is ook van gelijken aard als dat, dat reeds in het lyrische drama _Gildet paa Solhoug_ behandeld was. Wanneer desniettegenstaande _Hermaendene_ met recht tot een ander genre geteld wordt dan _Gildet paa Solhoug_, dan is de oorzaak geheel gelegen in de wijze van behandeling, in den stijl. Maar de stijl is dan ook niet die der _Volsungasaga_, maar die der historische saga, met wier studie de dichter zich in den tusschentijd had beziggehouden. De heldin en de helden zijn gevormd naar het voorbeeld der IJslandsche familiesaga's, der _Egilssaga_, der _Njalssaga_,--en hier is de stijl een andere dan in de _Volsungasaga_. Men kan dus met recht zeggen, dat in _Hermaendene_ de familiesaga in dramatischen vorm herleeft. De namen Sigurd en Gunnar stammen uit de _Volsungasaga_, maar Gunnar gelijkt meer op een anderen Gunnar, die in de _Njalssaga_ voorkomt, dan op den zwakkeling, die, wanneer men op het schema der vertelling afgaat, zijn voorbeeld is. En dan toont de dichter hier voor het eerst de ijzeren consequentie, waarmee hij de geschiedenis ten einde voert. Interessant is ook uit dit gezichtspunt eene vergelijking van het slot van _Gildet paa Solhoug_ met het slot van _Hermaendene_. In het lyrisch drama, dat door stemmingen beheerscht wordt, is de oplossing nog in den alledaagschen zin bevredigend. De eenige man, die het leven verliest, is de nietswaardige Bengt; de ongelukkige vrouw zoekt vrede in een klooster; de onbedorven jeugd, die in den strijd is meegesleept, ontkomt aan de gevolgen en wint het geluk. In _Hermaendene_ is de hartstocht een stormwind, die alles wegvaagt, vriend en vijand, en ook voor de geteisterde vrouw is de dood de eenige uitweg. Naast een vierjarig kind blijft van iedere partij een man in leven; deze sluiten vrede en zoeken te zamen nieuwe avonturen op. Op geheel andere wijze is _Kongsemnerne_ (De Kroonpretendenten) een historisch drama. Hier zijn zoowel de stof als het coloriet aan de geschiedenis ontleend. En het zijn niet de psychologisch interessante, maar historisch onbeteekenende familietwisten, die den inhoud vormen, maar gebeurtenissen, die voor het wel en wee van Noorwegen gedurende langen tijd beslissend geweest zijn. Althans in de oogen van Ibsen. Want hij maakt de hoofdpersonen tot dragers van eene gedachte. Het is, van die zijde gezien, de eenheid van Noorwegen, waarover _Kongsemnerne_ handelt. Tot nu toe stond het eene landschap tegenover het andere, en de geschiedenis van het land bestond uit een aaneenschakeling van twisten tusschen gewesten; koning Hakon is geroepen, daaraan een einde te maken en de Noorweegsche stammen te vereenigen tot opbouwenden arbeid. Harald Harfagri had Noorwegen tot een _rijk_ gemaakt; nu moet het een _volk_ worden. Skule representeert den ouden tijd, Hakon den nieuwen. Maar als Hakon deze gedachte heeft uitgesproken, wordt Skule daardoor als bezeten; hij wil het nu zijn, die haar realiseert. Doch niet hij is daartoe geroepen; men kan niet de gedachte van een ander tot de zijne maken; voor Skule blijft na een vergeefschen opstand niet anders over, dan te sterven voor de groote koningsgedachte, waarvoor het hem niet gegeven is, te leven. Hier is een perspectief, hier is een horizont, ruimer dan de Noorweegsche letterkunde nog gezien had. Hoe komt de dichter aan dit perspectief? Doordat hij de oudheid ziet in het licht van zijn eigen tijd. Niet, dat hij gedachten, die in zijn tijd leefden, zonder meer naar de oudheid overbracht, maar met behulp van het heden tracht hij door een analogiebesluit het verleden te verstaan. Het Skandinavisme was opgekomen; het bevatte eene nieuwe gedachte van eenheid. De dagen, die kwamen, zouden de Skandinaviers tot broeders maken, gelijk Hakon Hakonsson Noorwegen tot een volk had gemaakt. Die gedachte was toen zoo nieuw als de andere thans, en thans kon men de ongeloovigen op de dagen van Hakon wijzen, gelijk Hakon Skule wijst op de dagen van Harald Harfagri. Het nieuwe broederschap was in feestelijke samenkomsten beklonken. Reeds naderde de dag, waarop het op de proef zou worden gesteld, Pruisen maakte zich gereed, om Denemarken te overweldigen. Welke houding zou Noorwegen aannemen? Ibsen verwacht, dat de daden, die op de woorden moeten volgen, niet zullen uitblijven. Zijn oproep: _Vaagner_ (wordt wakker), _Skandinaver_! getuigt er van. En toch, niettegenstaande dit idealisme is niet Hakon, maar Skule de interessantste figuur van het drama. Want _Kongsemnerne_ is niet alleen een tijdgedicht--het is ook een psychologisch-philosophisch gedicht. Skule is de twijfelaar en als zoodanig een beeld van eene zijde van den dichter. Skule gevoelt eene roeping, en tegelijk twijfelt hij aan zijne roeping; in den strijd met dien twijfel gaat hij ten gronde. Waar is zijn schuld? De dichter plaatst een vraagteeken. Koning Hakon houdt over hem de lijkrede: 'Skule was Gods stiefkind op aarde'. Dat wil wel zeggen, dat God geen rekenschap van zijn daden geeft, en zoo doet het denken aan de harde leer van den pottenbakker, die vaten tot oneer noodig heeft. Daardoor is Skule een voorlooper van Keizer Juliaan, den grooten twijfelaar, die uitverkoren schijnt te zijn, om door zijn tegenstand het Christendom te prikkelen en tot overwinning te brengen, en zelf daarbij onder te gaan. Een tijdvak van negen jaren scheidt _Kongsemnerne_ van het geweldigste van Ibsen's historische drama's: _Kejser og Galilaeer_. De romantische droomen lagen achter den rug; de dichter heeft reeds met zijn volk afgerekend; hij is gereed, om uit den vreemde, waar hij zich ophoudt, de reeks moderne drama's (_nutidsdramer_) te openen, die aan de letterkunde van een nieuw tijdvak haar karakter zal geven, als hij inhoudt[16], om nog eenmaal zich in een historisch onderwerp te verdiepen en figuren uit de oudheid in een dramatisch werk tot ons te laten spreken. Maar ditmaal geldt het niet Noorwegen, maar de menschheid, en de strijd is niet die van een hertog tegen een koning, maar van een keizer over het machtigste wereldrijk tegen zijn bestemming. Er bestaat ongetwijfeld een nauwe verwantschap tusschen hertog Skule en keizer Juliaan. Maar Juliaan is de meest tragische figuur. Want bij hem nog meer dan bij Skule wordt de lezer tot de overtuiging gedreven, dat hij voorbestemd is geweest, om te dwalen. Juliaan heeft een roeping. Van den beginne af komen stemmen tot hem, die hem zeggen, dat hij 'het rijk' moet bevestigen. Maar welk rijk dat is, weet hij niet. Hij zoekt het bij den God der Christenen, maar het gaat hem als Kain; zijn offer wordt niet aangenomen. Hij zoekt dan bevrediging in de scholen der wijsheid, maar hij ontvangt steenen voor brood. In de mystiek echter hoopt hij licht te vinden. Daar leeft de verwachting van een derde rijk, waarin de tegenstelling tusschen de idealen der oude wereld en van het Christendom zal zijn opgeheven, en waar een nieuwe Messias heerschen zal. De mysticus Maximus ziet in hem dien verwachten Messias. De Christenen van hunne zijde vestigen hun hoop op Juliaan en verlangen, dat hij hun Godsrijk ter overwinning zal voeren. Juliaan wordt door twijfel heen en weer geslingerd. Maar in de ure des gevaars, als zijn leven afhangt van een snel besluit, is hij gedwongen den teerling te werpen. Om zijn leven te redden, moet hij zich tot keizer laten uitroepen, moet hij het verbond breken met den Galileer, die hem verbiedt, tegen zijn vorst op te staan. Er is hier een tegenspraak in zijn leven. Om den eisch, dien de Galileer aan hem persoonlijk stelt, te kunnen vervullen, moet hij leven, moet hij keizer zijn; om te leven en keizer te zijn, moet hij tegen den Galileer opstaan. Zoo bindt Juliaan dan te gelijk met den strijd tegen den wettigen keizer ook dien tegen den Galileer aan. In naam herstelt hij het heidendom; inderdaad wil hij het derde rijk stichten. Maar juist deze strijd is het, waardoor hij het Christendom tot de overwinning voert. Voor dien tijd heerschte het Christendom in het uitwendige; het was een wereldsche macht, maar ook alleen een wereldsche. Het verkeerde in een toestand van zedelijk verval zonder weerga. Nauwelijks echter begint de vervolging, of het heft zich uit zijn toestand van vernedering op tot een nieuwe zedelijke hoogte, en Juliaan wordt het instrument, waardoor dit doel bereikt wordt. Hij verliest den strijd tegen den Galileer, maar zijn roeping heeft hij vervuld; het rijk, d.w.z. het Godsrijk van het Christendom heeft hij bevestigd. Hij is een vat tot oneer geweest, door den pottenbakker daartoe bestemd. Daarom zegt de mysticus Maximus in de slotscene tot Basileus van Caesaraea: "Jullie God is een verkwistende God; hij verbruikt vele zielen." Alleen Makrina spreekt een zwak woord van hoop op vertroosting uit: "Verdwaalde menschenziel,--_moest_ je dwalen, dan zal het je zeker ten goede gerekend worden op dien grooten dag, wanneer de geweldige op de wolken komt, om het oordeel uit te spreken over de levende dooden en de doode levenden!" Deze voorstelling van de beteekenis van de roeping, waarop het groote drama in hoofdzaak is opgebouwd, is een band, die _Kejser og Galilaeer_ direct aan _Kongsemnerne_ bindt. De voorstelling van de roeping is niet geheel dezelfde gebleven. Men kan zien, dat het een probleem is geweest, waarin de dichter zich jaren lang bij herhaling verdiept heeft. In _Kongsemnerne_ is het begrip toch meer met Hakon verbonden dan met Skule. Het is schoon, een roeping te hebben; Skule, die haar niet heeft, wenscht die van Hakon te stelen. Wie ze heeft, dien vervult zij met blijdschap. In de tusschenliggende stukken wordt het woord niet genoemd, maar het begrip is toch aanwezig. In _Brand_ treedt de roeping op als een eisch, die verschrikken kan. In _Peer Gynt_ is sprake van twee wijzen, waarop een ziel zich kan photographeeren, positief en negatief; in beide gevallen is het beeld aanwezig. Maar er wordt ook gesproken van een mogelijkheid, dat een ziel zich uitwischt. Dat wil dan wel zeggen, dat zij haar roeping verzaakt. In _Kejser og Galilaeer_ blijven alleen de twee eerste mogelijkheden over. Onttrekken kan de geroepene zich niet. Dat hij zijn roeping vervult, is een noodzakelijkheid; onzeker is alleen, hoe hij het doen zal, vrijwillig of gedwongen. Voor het resultaat is dit hetzelfde, want de gang der historie laat zich niet dwingen; voor den persoon zelf echter is dit een vraag van leven of ondergang. En zelfs hier kan het gebeuren dat hij geen keus heeft; hij kan geroepen zijn, om de booze handeling te doen, waaruit het goede voortkomt. De 'roeping' krijgt zoodoende het karakter van noodlot, en zoo wordt zij vastgemaakt aan de leer der uitverkiezing in haar wreedsten vorm. Daarom is Juliaan, evenals Kain en Judas, een martelaar voor de ontwikkeling, en daarom zegt Maximus, dat wanneer de menschelijke geest zijn erfdeel weer in bezit zal hebben genomen, voor deze drie martelaars een zoenoffer zal worden aangestoken. Zoo ziet een philosophisch extract uit _Kejser og Galilaeer_ er uit. Het stuk zelf is heel iets anders. Het is een beeld van den geweldigsten kamp, die misschien in de oudheid is uitgestreden, een kamp tusschen levende menschen, levende scharen, gedreven door een machtig fanatisme. Jaren van studie heeft de dichter noodig gehad, om de oude maatschappij zoo in zich op te nemen, dat hij haar levend reproduceeren kon. Levend--en stervend. Want het is een oude maatschappij, die sterft, eene nieuwe, die opkomt, beide gerepresenteerd door tallooze krachten, die op elkander inwerken, en uit wier samenspel de grootsche tragedie van Juliaan's ondergang voor den dag komt. Al die uiteenloopende krachten heeft Ibsen weten bijeen te houden en te laten samenwerken tot de schitterendste effecten die de dramatische litteratuur van de wereld kent. Bij het schrijven van _Kejser og Galilaeer_ had Ibsen meer historisch materiaal, om op te bouwen, dan bij _Kongsemnerne_, en dit kan een der oorzaken zijn, dat men nog sterker werkelijkheidsindrukken krijgt dan bij het oudere drama. Ook was de dichter in den tusschentijd een ander geworden. Zelf laat hij zich in een brief aan Daa van 23 Febr. 1873, kort voor het verschijnen van _Kejser og Galilaeer_, aldus uit: "Overigens is er in het karakter van Juliaan, gelijk in het meeste van wat ik op rijper leeftijd geschreven heb, meer, dat in den geest doorleefd is, dan ik lust heb, het publiek mee te deelen. Maar het is te gelijk geheele, volkomen realistische poezie; ik heb de figuren voor mijn oogen gezien in het licht van den tijd,--en wil hopen, dat de lezers hetzelfde doen." In den zin, waarin de dichter hier het woord opvat, is zijn gedicht zeker realistisch, maar dat geldt ook van de stukken uit zijne romantische periode. In een lateren brief (aan Brandes, 16 Oct. 1873), zegt hij, dat het stuk meer onder den invloed der tijdsomstandigheden geraakt is, dan hij zelf heeft gedacht. Indien het juist is, wat Henrik Jaeger (Norsk Lit. hist. II, 673) vermoedt--en tot op zekere hoogte is het nauwelijks te ontkennen--dat in de teleurstelling van Juliaan, die het 'derde rijk' wilde stichten maar slechts er toe kwam, het tweede rijk te bevestigen, een reflex is van de teleurstelling van den dichter, die in de jaren voor 1870 een nieuwen tijd wachtte en nu zag, dat 1870 niet den tijd van de vrije, sterke persoonlijkheid, maar dien van den geuniformeerden en gedisciplineerden staatsburger had gegrondvest, dan is ook in deze wijze, om de oudheid in het licht van den eigen tijd te zien, eene sterke overeenstemming met de wijze, waarop de grondgedachte in _Kongsemnerne_ ontstaat onder den invloed van politieke idealen van den tijd, waarvoor de dichter warm was. Dit laatste van Ibsen's historische drama's is dus door sterkere banden aan vroegere historische drama's verbonden en heeft daarmee meer gemeen dan met de eerstvolgende stukken, die zich met maatschappelijke problemen bezighouden. Bjornson heeft een heele reeks historische drama's geschreven: 1856 _Mellem Slagene_ (Tusschen de Gevechten), 1858 _Halte-Hulda_, 1861 _Kong Sverre_, 1862 _Sigurd Slembe_, 1864 _Maria Stuart i Skotland_, 1872 _Sigurd Jorsalfar_ (Sigurd de Jeruzalem-reiziger). Bovendien behoort tot de historiseerende romantiek de gedichtencyclus _Arnljot Gelline_ (1870). Afgezien van _Maria Stuart_ vallen al deze werken binnen het kader der Noorweegsche geschiedenis. Een eigenaardig punt van overeenstemming met de ontwikkeling van Ibsen's kunst bestaat hierin, dat de beide eerste stukken tot eigenlijke stof eene--gefingeerde--gebeurtenis uit het private leven hebben, terwijl pas de volgende zich met historische persoonlijkheden bezig houden. In _Mellem Slagene_ treedt wel is waar koning Sverre op, maar slechts als deus ex machina in een rol, die zeker den historischen Sverre slecht zou gepast hebben,--hij moet den vrede stichten tusschen twistende echtelieden; feitelijk handelt het stuk over de gedeeldheid van een man tusschen de plichten over zijn vrouw en over zijn vorst. _Halte-Hulda_ maakt alleen daardoor aanspraak op den titel 'historisch drama', dat de handeling gezegd wordt, in de 13e eeuw te geschieden. Het conflict is hier van gelijken aard als in _Hermaendene_, en het is hier gelijk daar de invloed der saga-litteratuur, die werkzaam is geweest. Neemt men in aanmerking, dat de tijdsafstand tusschen _Hermaendene_ en _Halte-Hulda_ nog geen jaar bedraagt, dan blijkt het wel, hoe op een bepaald oogenblik de saga zich van de geesten had meester gemaakt. Haar te volgen, was de natuurlijke taak van een dichter. Daarna wendt ook Bjornson zich tot het publieke leven, dat--wanneer men een stof uit de oudheid kiest,--natuurlijk geconcentreerd is in de vorsten. Dit is de lijn, die men bij beide dichters kan volgen, van de familiesaga, die minder de stof levert dan wel een wijze van behandeling aangeeft, naar de koningensaga, aan welke nu ook de stof zelf ontleend wordt. Maar bij deze uiterlijke overeenstemming tusschen de beide dichters blijft het. Overigens is de gelijkenis tusschen de historische drama's van Ibsen en van Bjornson niet groot. Vergelijkt men Bjornson's historische drama's met die van een vroegeren tijd, dan is er wel een groote afstand. Bjornson had levendigheid van geest en een groot lyrisch talent. Hij verstond ook een stuk gemakkelijk in elkaar te zetten; hij had altijd wat op het hart en wist, hoe hij dat zou meedeelen. Ook een dialoog kon hij in gang houden. Maar een eigenlijk dramatisch dichter heeft hij noch in deze periode, noch later getoond te zijn. In Noorwegen wordt dit over het algemeen niet erkend; zijn groote populariteit, die hij aan andere eigenschappen dankt, staat hier aan een onbevangen oordeel in den weg. Om een dramatisch dichter van blijvende beteekenis te zijn, miste hij de allereerste eigenschap, namelijk diepere menschenkennis. Hij had kennis van de psychologie der massa; deze wist hij te bewerken en te beheerschen, en op de redenaarstribune waren weinigen tegen hem opgewassen. Maar gecompliceerde karakters verstond hij niet, en daarom vallen zijn figuren zoo plat uit. De individualiseering ontbreekt. De hoofdpersoon is in den regel oppervlakkig gekarakteriseerd, de bijpersonen soms heelemaal niet, en zoo is het dan dikwijls moeilijk, bij de lectuur deze laatsten van elkander te onderscheiden, en het kan in deze historische drama's gebeuren, dat men tegen het slot in de personenlijst moet nazien, wie de man is, die spreekt. De handelingen dezer personen maken daarom ook dikwijls een willekeurigen indruk; men ziet de noodzakelijkheid niet in. Ik zal mijn oordeel toelichten aan _Sigurd Slembe_, het stuk, dat doorgaat voor het beste van Bjornson's historische drama's. Uitwendig heeft de held eenige gelijkenis met Skule in _Kongsemnerne_. Als deze tracht hij zich door misdaad een weg te banen tot den troon. Hij heeft ook veel reden, om met zijn lot ontevreden te zijn. Zijn verzoek, om zijn aanspraken, hierin bestaande, dat hij een zoon van een vroegeren koning is, te mogen bewijzen, is beantwoord met een gevangenneming. Wel trachten zijn vrienden den zwakken koning te bewerken, dat hij hem vrijlaat, maar de vijanden zijn hun voor, en ternauwernood ontsnapt Sigurd aan den dood. Nu besluit hij dan, den koning te vermoorden. Van dat besluit is de lezer of toeschouwer geen getuige; men krijgt dus niet precies te weten, wat er in hem is omgegaan, maar in den grond is een toeval--de grootere haast van de vijanden--de oorzaak, dat Sigurd misdadig wordt. In het leven zal zoo iets dikwijls voorkomen, maar een psychologisch drama wordt er niet interessanter door, wanneer de hoofdhandeling door een toeval bepaald wordt, en al de rhetorica, die Sigurd besteedt om te vertellen, dat hij zijn hartstocht jaren lang bedwongen heeft, overtuigt ons niet, dat wie zegt, zich zelf zoo goed meester te zijn, ook niet had kunnen wachten, tot hij zich met zijn vrienden beraden had, wat nu te doen stond, voor hij sluipmoordenaar werd. Vooral, wanneer wij in aanmerking nemen, dat dezen hem gewaarschuwd hebben, dat zij hem niet verder zullen volgen dan tot de grens van recht en onrecht. Zoo gebeurt dan ook, en Sigurd is terstond onmogelijk geworden. In het volgende bedrijf vinden wij hem nu consequenterwijze als balling onder de Lappen. Maar in het vijfde bedrijf heeft hij weer een groote vloot bij zich, grootendeels uit Denen bestaande. Hoe hij daaraan komt, wordt niet duidelijk, en evenmin, waarom deze helpers hem weer verlaten, voor zij ook maar een pijl verschoten hebben. Dat is ruwe stof uit de historie; wanneer deze echter gebruikt zal worden in een drama, dat niet den twist tusschen Noorsche vorsten en Deensche wikingen behandelt, maar waarvan Sigurd Slembe het eenige middelpunt is, dan verwacht men, dat er tusschen Sigurds misdaad en die vlucht van zijn nieuwe bondgenooten eenig verband zal bestaan. Van zulk een verband blijkt niets, en die vlucht der Denen is hier dus willekeur, al behoort zij ook honderdmaal tot de geschiedenis. Maar Bjornson is het ook niet te doen om noodzakelijkheid in de ontwikkeling eener handeling. Bjornson is niet een steller van vragen; daartoe weet hij veel te goed, hoe alles wezen moet. Hij is een beantwoorder, of liever een doorhakker van de knoopen. Of Sigurd Slembe anders had _kunnen_ handelen, daaraan besteedt hij niet veel aandacht; het is hem genoeg, dat de man anders had _moeten_ handelen. Hij wil verkondigen, dat wie langs den weg van misdaad een doel tracht te bereiken, dat doel niet bereikt. Dat moet in zijn tooneelstuk uit een exempel blijken. Dat is populaire moraal, en dat wil een schouwburgpubliek gaarne zien. Er wordt in Bjornson's stukken ontzettend veel geredeneerd, en dikwijls zeer lang. Maar de vele sententies, die verkondigd worden, zijn in den regel de stokpaarden van den dichter, geenszins zulke, die men in den mond van helden der oudheid in de gegeven situatie wachten zou. Soms leest men dingen van grenzenlooze naiveteit. Ook hiervoor zal een voorbeeld uit 'Sigurd Slembe' worden aangehaald. Den avond voor het gevecht, waarin Sigurd de nederlaag lijdt, spreken de hoofdmannen van de tegenpartij er met elkander over, of het nu te wenschen is, dat Sigurd morgen zich dood vecht, of dat hij levend in hun handen valt, in welk geval men hem zal kunnen dood martelen. Van dit onderwerp gaan zij over op de karakteristiek van den man. Een is er van meening, dat Sigurd zulk een aard heeft, dat of alle anderen moeten omkomen, of hij. En deze man eindigt aldus: "Maar dit geloof heb ik gekregen, dat het groote, dat hier slechts stuksgewijze en strijdende geopenbaard werd, hiernamaals vereenigd zal worden tot eene heerlijke bedoeling.--Vrienden, ik geloof aan een leven na dit." Dat "vrienden" vooral is teekenachtig voor den dichter. Het is, alsof men Bjornson onder kameraden een toast op het eeuwige leven hoort uitbrengen.--Om het effect te verhoogen, kijkt Sigurd onder dit gesprek om een hoekje. Als hij hoort, waar de mannen het over hebben, wordt hij bleek als een lijk en trekt zijn hoofd terug. Men kan niet verwonderd zijn, dat hij, den volgenden dag geen overwinning behaalt. Bjornson heeft, gelijk hij ergens zegt, zijne historische drama's geschreven, om het Noorweegsche volk van een portrettengalerij van voorvaders te voorzien. Deze was, meende hij, noodig, voor er plaats was voor het 'nutidsdrama', waaraan hij reeds dacht. Hij heeft de belofte, die in deze overweging ligt, gestand gedaan. Wij zullen hem ook in hoofdstuk IV als dramatisch dichter ontmoeten. Maar het genoemde plan is zeer programma-achtig, en daardoor is in de reeks weinig ontwikkeling. Niet ieder stuk is voortgekomen uit een inwendigen drang, die den dichter juist tot _die_ stof voerde. Hij hield er mee op, toen hij vond, dat er genoeg waren. Te zamen vormen deze stukken echter een belangrijke groep werken in de zoo veelzijdige productie van Bjornson. Meer in overeenstemming met Bjornson's talent is de gedichtencyclus _Arnljot Gelline_. Ook hiervoor is de stof aan de geschiedenis ontleend. Maar er is niet een drama uit geworden, maar een groep lyrische gedichten. Over Arnljot Gelline vertelt de Olafssaga helga het volgende. Koning Olaf de heilige zond eens boodschappers naar Jemtland, om schatting te eischen. Zij werden slecht ontvangen en gevangen gehouden, maar zij ontvluchtten en kwamen naar eene eenzame woning, waar een gevaarlijk roover zich ophield, die, toen hij bemerkte, wie zij waren, hen voorthielp. Hij gaf hun ski, om daarop onder zijn leiding naar de grens van het landschap te vluchten; toen hij daarop bemerkte, dat zij langzaam voortkwamen, zette hij hen achter zich op zijne ski, en hij kwam niet langzamer voort, dan wanneer hij alleen was. Bij het afscheid gaf hij hun een zilveren bord mee, met de opdracht, dat uit zijn naam aan koning Olaf te geven. Die roover was Arnljot Gelline. Dezelfde man treedt ten tweede male in het geschiedverhaal op op den avond voor den slag bij Stiklestad, waarin koning Olaf omkwam. Hij meldt zich aan, om den koning te dienen. Deze vraagt, of hij Christen is. Hij zegt, dat hij wel van Witte-Krist gehoord heeft, maar hij is gewend, op zijn eigen kracht te vertrouwen. Nu echter wil hij op den koning vertrouwen en zich aan hem overgeven. Op wensch van den koning laat hij zich doopen; den volgenden dag is hij een der eersten, die valt. Arnljot Gelline is eene bijzonder belangwekkende figuur, zoowel om de realistische schildering van een roover uit de weinig bewoonde streken in een oud geschrift, als ook omdat in zijn gedrag de persoonlijke betoovering, die van koning Olaf uitging, op zoo uitnemende wijze tot uitdrukking komt. De naam van Olaf is voldoende, om bij den roover sympathie voor zijn gasten te wekken, en bij den doop van Arnljot geeft ook het vertrouwen op des konings persoon geheel alleen den doorslag. Deze figuur maakt Bjornson tot het middelpunt van een groep gedichten. Hier smelten nu volksromantiek en historiseerende romantiek samen. Reeds het eerste gedicht, waar Arnljot met zijn kameraden op ski door de sneeuw schiet, stamt direct uit de saga, maar het knoopt tegelijk aan bij het volksleven, zooals de dichter dat om zich heen zag. Op weinig plaatsen is het duidelijker dan hier, dat het hedendaagsche Noorweegsche volk hetzelfde is als dat der oudheid; het verleden en het heden worden in zulk een gedicht tot een. Ook de figuur van Olaf den heiligen geeft hij met warmte weer. Maar Bjornson zou Bjornson niet zijn, als hij niet geprobeerd had, het verhaal mooier te maken, dan het was. De soberheid der bekeeringsgeschiedenis staat hem, zooals te wachten was, niet aan. Tevens moeten wij iets meer hooren over de misdaden van den roover; vrouwenroof ligt voor de hand, meent de dichter, en deze geeft tevens gelegenheid voor eene liefdesgeschiedenis. Bij de bekeering wordt de beteekenis der nieuwe religie voor de ziel van den bekeerling--een zaak, waarover de geschiedenis zwijgt--sterk op den voorgrond gebracht; de persoonlijke verhouding tot den koning is echter niet voorbijgezien en wordt in zeker opzicht nog wat aangedikt, als wij lezen, dat Arnljot valt, terwijl hij den koning verdedigt, en dat het lijk van den koning over dat van Arnljot komt te liggen. De bekeerde roover is de trouwste van allen geworden. En over zijn gezicht ligt een glimlach. Die glimlach is trouwens veroorzaakt door het visioen der geliefde, die hij nu ontmoeten zal. Dit is zeer karakteristiek voor den dichter en leert ons hem weer nauwkeurig kennen, ook in zijn begrenzing. De vertelling uit de oudheid is voor hem toch eigenlijk ook hier niet meer dan een kapstok, waaraan hij zijn eigen zeer muzikale lyriek ophangt, maar in den geest der oudheid door te dringen, is hem hier evenmin gelukt als in zijn drama's. Hij moet aan het verhaal, dat hem toch gegrepen heeft, wat moderne sentimentaliteit toevoegen. Een liefde, door misdaad verloren, maar na de bekeering in den dood teruggewonnen, is in zijn oogen mooier dan de leukheid, waarmee in de oudheid een held zich in religie, die als een zede wordt opgevat, wel naar den vorst wil schikken, als hij dan morgen maar bij het gevecht mag zijn. Het is weer de man uit de stad, die de kleeren van den buitenman heeft aangetrokken, precies als in de boerennovellen. Wil men het verschil zien, dan moet men met dezen glimlachenden Arnljot Gelline, die in den dood het visioen van zijn geliefde ziet, eens het verhaal vergelijken, dat de historiebronnen doen omtrent den dood van een van Olafs helden in denzelfden slag bij Stiklestad. Het is zekere Tormod, held en dichter. Tormod was door een pijl in den wand van het hart getroffen. De pijl had weerhaken en kon niet verwijderd worden, zonder den dood te veroorzaken. De schacht van den pijl was afgebroken, en de punt was onder het vleesch bedolven. Tormod verzocht eene vrouw, die doktersdiensten deed, de wond zoover open te snijden, dat men de pijlpunt met een tang kon bereiken. Daarop trok hij zelf den pijl uit en bekeek dien. Hij zag, dat er roode en witte vezels aan hingen, en zeide: "Ik heb nog vet aan de wortels van het hart; ik had een goeden heer." Daarmee stierf hij. Die menschen waren zich tot het laatste oogenblik gelijk, en de behoefte, om aandoenlijke dingen te zeggen, kenden zij niet. Hun glimlach op stervende lippen is er niet een van aandoening, noch van visionnaire verrukking, maar van zelfbeheersching. Het is wel gezegd, dat Bjornson de zwijgzaamheid der Noorwegers ontdekt en in de litteratuur gebracht heeft. Inderdaad spreekt hij er niet zelden over. Maar betracht heeft hij ze niet. En toch is _Arnljot Gelline_ een mooi gedicht, wanneer men er maar in zoekt, wat er werkelijk in te vinden is: stemmingen van een aan stemmingen rijken dichter. FOOTNOTES: [Footnote 14: Bjerregaard is thans bijna alleen nog bekend door een vroolijk stukje, dat hij eenige jaren vroeger (in 1824) had geschreven, _Fjeldeventyret_, het eerste Noorsche tooneelwerk, wat librettoachtig en zonder diepte, maar frisch en vrij van litteraire dogma's. Het wordt thans nog wel met succes gespeeld.] [Footnote 15: Geschiedenis van Olaf den Heiligen (Noorweegsch koning van 1015-1030) door den IJslandschen geschiedschrijver der 13e eeuw Snorri Sturlason.] [Footnote 16: _De Unges Forbund_ is van 1869, dus drie jaar ouder dan _Kejser og Galilaeer_. Maar reeds sedert 1864 was de dichter met de historische studien voor zijn groot drama bezig.] 3. _Het hooggespannen Idealisme_. In 1834 had Welhaven gevraagd, wat de herinnering aan een groot voorgeslacht baat, wanneer zij niet tot eigen daden aanspoort. In de jaren 1860-70 zouden dergelijke tonen klinken, maar nog scherper en nog meer op den man af. Een bijzonder geluid zouden zij krijgen door politieke gebeurtenissen, die de tegenstelling tusschen droom en werkelijkheid in een pijnlijk licht zouden stellen. De romantiek had de poezie ver van de werkelijkheid weggevoerd. Den helden uit de oudheid kon men de eigenschappen toedichten, die men wilde. Men kon hen laten bezield zijn door groote hartstochten en groote gedachten; zelfs hun misdaden konden het gevolg zijn van gebreken, die nu eenmaal met groote karakters onafscheidelijk verbonden waren. Ook de maatschappij, waarin zij geleefd hebben, behoorde tot het verleden; de dichters konden die vormen, zooals zij wilden. Maar voor dichters, die niet geheel in eene fantastische wereld leefden, lag de vergelijking met de werkelijkheid voor de hand. En wanneer men daartoe overging, waren verder twee dingen mogelijk. Of men bracht het oude type korter bij dat van den eigen tijd en dempte zoodoende de kloof. Zoo deden eigenlijk van den beginne af die poeten, voor wie de oudheid slechts costuum leverde. Op deze wijze was het mogelijk, de romantiek voort te zetten. Maar dan was het ook niet veel meer dan een spelletje. Of men legde den maatstaf der geidealiseerde helden aan den eigen tijd aan, en men kwam tot een veroordeeling van dezen. Dezen weg is Ibsen gegaan. _Dat_ hij hem ging, ligt in zijn aanleg en in de natuurlijke ontwikkeling van het geestesleven; de romantiek moest haar tegenstelling voortbrengen. De wijze, waarop hij hem gegaan is, is in hoofdzaak door de gebeurtenissen van 1864 bepaald. Een gewichtige stap in de nieuwe richting heeft Ibsen echter reeds in 1862 gedaan; reeds _Kaerlighedens Komedie_ toont de beginnende reactie tegen de romantiek, die in _Brand_ en _Peer Gynt_ wordt voortgezet. 'Reactie' is slechts tot op zekere hoogte het juiste woord. De kritiek geldt niet de schildering van ideale personen, maar het goede geloof, dat de werkelijkheid aan die schildering beantwoordt. Idealist, als Ibsen is, houdt hij nog de geidealiseerde personen voor de normale, maar hij plaatst hen in het milieu van zijn tijd en toont in het conflict, dat hierdoor ontstaat, wat de tijd te kort schiet. Falk en Svanhild, Brand zijn romantische figuren in hoogste potentie, maar geplaatst in een nieuw daglicht,--dat van heden. Van des dichters standpunt is het begrijpelijk, dat Brand op het verwijt, dat hij ziek is, antwoordt: "Neen, gezond en frisch, als de pijnboom op de hoogte, als de jeneverstruik op den heuvel; maar het is het zieke geslacht van den tijd, dat behoefte heeft, om genezen te worden." Pas in _Peer Gynt_ laat Ibsen de ideale figuur los en stelt daarvoor den met volksromantiek gevulden droomer in de plaats. Deze drie stukken vormen zoodoende een overgang van het historisch-romantisch drama naar het met _De Unges Forbund_ beginnende realistische drama. Van eene zijde vertegenwoordigen zij het uiterste standpunt der romantiek, van de andere zijde, door den achtergrond, dien de werkelijkheid vormt, het begin van het realisme. In de ontwikkeling van Ibsen, als geheel beschouwd, vormen de drie genoemde stukken een overgangslid. Maar door hun monumentale beteekenis vormen zij een zelfstandige groep. Zij hebben ook gemeenschappelijke kenteekenen in gedachteninhoud en in vorm. Hun gemeenschappelijke gedachte ligt in de vraag: "wat wordt er van het ideaal in eene maatschappij van halve menschen?" In het realistisch drama draait de dichter later de vraag om en laat haar luiden: "wat wordt er van menschen zonder ideaal?" Wat den vorm betreft, hebben de drie drama's gemeen, dat zij in overeenstemming met de verheven stemming in verzen geschreven zijn. Met den overgang naar het realistisch drama gaat Ibsen tot de taal van het gewone leven, het proza, over. Omtrent de directe aanleiding tot het schrijven van _Kaerlighedens Komedie_ (De Comedie der Liefde) weten wij niet veel. Er wordt een zeker verband aangenomen met den roman _Amtmandens Dotre_ van Camilla Collett (1855). Deze begaafde vrouw was opgekomen tegen het conventie-huwelijk voor het huwelijk uit liefde. Ook op eene andere wijze bestaat er, naar het schijnt, een samenhang tusschen Camilla Collett en _Kaerlighedens Komedie_. In de jaren, toen de vijandschap tusschen haar broeder (Wergeland) en Welhaven het heftigst woedde, bestond er een innige vriendschap tusschen haar en Welhaven. Deze vriendschap, die niet tot een verbinding geleid heeft, schijnt Ibsen bekend te zijn geweest, en Camilla uit zich ook over Ibsen's drama op eene wijze, waaruit blijkt, dat zij daarbij aan haar jeugdgevoelens denkt. (Zie hierover Mathilde Schjott in haar opstel over Camilla Collett). Bij Ibsen is niet alleen de conclusie, maar ook de vraag, die gesteld wordt, eene andere. De vraag is niet, hoe een huwelijk het best terecht zal komen, door liefde of door een ander middel, maar hoe er van de liefde wat terecht zal komen. En het antwoord luidt: niet door het huwelijk. En wanneer men goed toeziet, dan zijn hier de maatschappelijke conventies, die als moordenaars der liefde worden aangevoerd, nog niet eens haar ergste vijanden. Tegen dezen zouden Falk en Svanhild het nog opgenomen hebben. Maar het is de begeerte, het is het eeuwige samenzijn, het zijn de eischen, die de partijen onherroepelijk op den duur aan elkaar gaan stellen, waarop ten slotte het sterke gevoel schipbreuk moet lijden. Door deze gezichtspunten is _Kaerlighedens Komedie_ niet uitsluitend een maatschappelijke satyre, maar een diep menschelijk gedicht. Falk en Svanhild worden zich bewust, dat ook hun gevoel, hoe sterk ook, toch tegen het leven niet bestand zal zijn; maar hun liefde langzaam te zien sterven, daarvoor huiveren zij. Liever moet zij jong en frisch sterven en daardoor naar een hoogere sfeer worden overgebracht. Zij kiezen den eenigen uitweg, die hun van hun ideaal standpunt overblijft,--zij besluiten, van elkander te gaan en elkander in de herinnering te bewaren--'voor de eeuwigheid te winnen', heet het hier,--liever dan hun liefde in het leven te zien ondergaan. Zij doen dit echter niet klagend, maar dankend: "Nu kan ik je _blij_ missen voor dit leven", is de afscheidsgroet. Het spreekt wel van zelf, dat _Kaerlighedens Komedie_ niet verstaan, en dus ook niet vriendelijk ontvangen werd, en dat over de moraal van het stuk heel wat dwaze oordeelvellingen zijn uitgesproken. Als recept voor de practijk is het ook zeker niet van algemeene bruikbaarheid, maar dat was ook ongetwijfeld niet de bedoeling van het drama, en de moralisten behoeven niet te vreezen, dat Falk en Svanhild veel navolgers zullen vinden. Het is niet alleen door idealisme gedragen, de gedachte is ook volkomen consequent doorgevoerd, en eene machtige poezie maakt hier natuurlijk, wat in het leven althans zelden voorkomt. In macht van poetische uitdrukking is hier een hoogtepunt bereikt. _Kaerlighedens Komedie_ is echter niet alleen een hoog-romantisch gedicht, het is ook eene scherpe satyre. Tegenover Falk en Svanhild, wier liefde als een vuurpijl de lucht in gaat en in scheiding haar hoogtepunt bereikt, worden een aantal andere paren geplaatst, van verschillenden leeftijd: jong-verloofden, lang verloofden, lang gehuwden, eene weduwe. In deze menschen wordt de liefde, zooals zij zich in de maatschappij openbaart, bespot. Nuchterheid, bezorgdheid voor het dagelijksch brood, gebrek aan moed, aan vreugde, aan poezie,--ziedaar de verwijten, die allen treffen. Falk onttrekt zich aan dit gild der vrijenden en huwenden, en hier valt hij aan het einde met zijn dichter samen. Een studentenquartet komt, om Lind op te halen, die met hen de bergen in zou gaan. Maar Lind is nu verloofd, wat een tante aanleiding geeft, om te zeggen: "zoodat jullie begrijpen kunt, dat hij in het groen niets te zoeken heeft." In plaats van Lind gaat Falk mee. Als de studenten klagen, dat zij nu hun tenor missen, verschijnt Falk en zegt: "dien zing ik in het koor van Noorwegens jeugd." De tenor uit het quartet is de dichter, naar wien het jonge Noorwegen reeds luistert. Hij bezit een instrument met dubbelen klankbodem, "een hoog, voor de vreugde van het leven, en een, die beneden trilt, diep en lang." Gansch anders is de stemming in _Brand_. Maar tusschen _Kaerlighedens Komedie_ en _Brand_ ligt het jaar 1864, dat op eene heel andere wijze de werkelijkheid naar voren bracht dan de waarneming, dat de liefde niet altijd tot den jongsten snik bewaard blijft, dat doet. Wij moeten ons de stemmingen voor den geest brengen, die sedert ca. 1850 ten opzichte van Denemarken heerschten. De tegenstelling tusschen de ultra-patriotten en de vrienden van Denemarken, die omstreeks 1830 in den strijd tusschen Wergeland en Welhaven tot uiting was gekomen, was van karakter veranderd. De volksromantiek had de Denenvrienden tot een bij uitstek nationale partij gemaakt, en van de andere zijde hadden vele patriotten van de oude soort hun vaderlandsch gevoel onder zekere reserves tot de broedervolken uitgestrekt, en zoo was dan het Skandinavisme geboren. Anti-Deensch was men nog, waar het er op aankwam, een overwegenden invloed van Deensche instellingen tegen te gaan. In de zaken, bij voorbeeld, die het theater betroffen, hebben Ibsen en Bjornson, beide anders groote vrienden van Denemarken, heftig gestreden voor het bevorderen van Noorsche kunst en het weren van Deensche tooneelspelers. Op gelijke wijze was men op bepaalde punten--al zulke, die het bestuur van het land aangingen--anti-Zweedsch. Maar deze dingen beschouwde men bij voorkeur als interne geschilpunten, die niet meetelden, wanneer de familie der 'broedervolken' tegenover vreemden kwam te staan. Hier trok men een lijn en stelde men zich ook voor, als een man te staan. Naast het bijzonder-Noorweegsch patriottisme ontwikkelde zich dus zeer sterk een Skandinavisch patriottisme; slechts eene kleine minderheid, die in die jaren niet zeer luid sprak en waarnaar nog minder geluisterd werd, wees de toenadering tot Denemarken en Zweden van de hand. In de beide andere landen ontwikkelden zich in die jaren gelijksoortige gevoelens, en deze werden versterkt door de gebeurtenissen in naburige landen, met name de sterke machtsontwikkeling van Pruisen, waarvan men gemeenschappelijke gevaren duchtte. Met het ideaal van Noorwegens zelfstandigheid lieten deze gevoelens zich vereenigen in de voorstelling van drie zelfstandige staten, die elkander naar buiten zouden steunen, terwijl zij hun onderlinge betrekkingen in vrijheid zouden regelen. Het enthousiasme voor het Skandinavisme uitte zich in feestelijke bijeenkomsten zooals de hierboven (p. 40) genoemde studentensamenkomst te Upsala in 1856, waarbij Bjornson tegenwoordig was. Toen kwam het jaar, waarin de broederlijke gevoelens de vuurproef zouden doorstaan. In 1864 begon Pruisen den oorlog tegen Denemarken. Ofschoon Karel XV den wensch koesterde, het aangevallen land te hulp te komen, werd door de regeeringen in Stockholm en in Kristiania anders besloten, en het Noorsche Storting hield zich rustig. In het Studentenverbond echter besloot men, een adres aan de Deensche studenten te zenden, ten einde uitdrukking te geven aan meegevoel. Deze houding van Noorwegen heeft op Ibsen een diepen indruk gemaakt en de pessimistische stemming doen rijpen, die in _Brand_ tot uiting komt. Wij kunnen in Ibsen's werken, vooral in gedichten, de stemmingen nagaan, waarmee hij de gebeurtenissen gevolgd heeft. Reeds werd er hierboven op gewezen, dat in _Kongsemnerne_ de gedachte aan een in broederschap vereenigd Skandinavie herkend kan worden in Hakons groote koningsgedachte. Maar er bestaan ook veel directer aanduidingen. Reeds in 1849 schreef Ibsen naar aanleiding van den eersten Sleeswijkschen oorlog een 'oproep aan de Noorsche en Zweedsche broeders' onder den titel _Vaagner, Skandinaver!_, waarin onder anderen gewezen wordt op het gevaar, dat ook hen bedreigt (Efterladte Skrifter I, 31). In 1851 bracht hij Denemarken hulde in een gedicht ter gelegenheid van een Deensch-Noorsch studentencongres (_For Danmark_, Efterladte Skr. I, 87). In 1863 riep hij in een welsprekend gedicht, _En Broder i Nod_, zijn landgenooten op, om de zijde van Denemarken te kiezen, voor het te laat is. Dan valt de slag, en Ibsen verlaat Noorwegen. Een gedicht van 1864 uit Rome: _Troens Grund_ (De Grond van het Geloof) bericht op sarcastische wijze van een ervaring op die reis. De dichter had, zoo zegt hij, zijn oproep (d.i. _En Broder i Nod_) over zijn volk geslingerd; hij ging op reis. In de kajuit converseerden de passagiers over den val van Dybbol, over de jonge Noorsche vrijwilligers. Inderdaad, van een was een neef weggeloopen, een ander miste zijn handelsbediende; men had dus belang bij de zaak. Op de sofa zat een oude dame, flink en ferm; velen troostten haar of spraken bezorgdheid uit over haar eenigen zoon. Maar vol vertrouwen knikt zij; over _hem_ is zij gerust. De dichter bewondert haar en vindt, dat zijn volk toch nog leeft in het geloof der vrouw. Tot het blijkt, wat de grond van haar zekerheid is. Haar zoon was krijgsman in het Noorsche leger. Interessant is het gedicht _Til de Medskyldige_ (Aan de Medeschuldigen), een inleidende groep strofen bij de fragmenten van den epischen _Brand_,--een voorstudie voor het drama, dat denzelfden titel voert,--die na Ibsen's dood het licht zagen. Hier ontmoeten wij een positieve breuk met de nationale romantiek. 'Medeschuldig' noemt hij zijn landgenooten; de ware schuldigen echter zijn de dichters, is hij zelf ook. Het volk was dood, maar de dichters hebben het lijk met bloemen getooid en gedaan, of het levend was. In den nacht van het heden hebben zij gezongen over den dag van het verleden, maar zij hebben verzuimd, deze vraag te stellen: "Kan den med Rette tage Arvens Skat, som fattes Haanden, der skal Arven lofte?" (Kan hij met recht den schat van het erfgoed zich toe-eigenen, die de hand mist, welk het erfgoed moet opnemen?) Niet alleen de gedachte is van Welhaven; ook de woorden herinneren direct aan deze verzen uit Norges Daemring: "Ti Glandsen, der i Ahne-Hallen braender, kan ei fortabes, er en hellig arv, der falder renterig til Folkets Tarv, naar det kan haeve den med voxne Haender!" (Want de glans, die brandt in de hal der voorvaderen, kan niet verloren gaan, is een heilig erfgoed, dat rentegevend het volk ten goede komt, wanneer dit het met volwassen handen kan opnemen). In de situatie en in de stemming bestaat echter dit verschil, dat Welhaven in 1834 zich ergerde over leege blufferij, terwijl de daden nog op zich laten wachten, maar de hoop uitspreekt, dat het eenmaal anders zal worden. In 1864 is het Noorweegsche volk werkeloos gebleven, waar handeling vereischt werd. Ibsen verklaart het volk voor dood. Het zou lang duren, voor Ibsen de indrukken van 1864 kon vergeten. Pruisen blijft voor hem het land van bruut geweld. In 1870 laat hij zich daarover scherp uit in zijn _Ballonbrev til en svensk dame_, waaruit ik alleen deze twee verzen citeer: "Thi mod skonhed hungrer tiden, Men det ved ei Bismarck's viden." (Want naar schoonheid hunkert de tijd; maar dat weet Bismarck's wijsheid niet). En nog eenmaal geeft hij zeer scherp lucht aan zijn gevoelens in 1872 naar aanleiding van eene rede van Bjornson. Ook deze dichter had de gebeurtenissen van 1864 met spanning gevolgd. Ook hij had aansporingen uitgezonden, om Denemarken te hulp te komen, en na den val van Dybbol klaagde hij: _Da Norge ikke vilde hjaelpe_. In 1870 was men in Skandinavie zeer gespannen. Men wachtte van eene Fransche overwinning herstel voor Denemarken. De eerste berichten omtrent Duitsche overwinningen wilde men niet gelooven. Maar toen Frankrijk verslagen was, kwam Bjornson tot de overtuiging, dat men 'de signalen moest veranderen'. En hij werd Pangermanist. Pangermanisme was slechts een verbreed Skandinavisme, datgene, waarop men af moest sturen, was een zelfstandig Noorwegen in Skandinavie en een zelfstandig Skandinavie in een groot Germanie. Hij ging zoover, daarover in Kopenhagen voordrachten te houden. Deze omslag van Bjornson, door hem zeker eerlijk bedoeld, maar van weinig inzicht getuigend, veroorzaakte een levendigen pennestrijd. Ibsen nam daaraan tegen zijn gewoonte deel en schreef _Nordens Signaler_ (later opnieuw uitgegeven in Samlede Vaerker X, 567), een gedicht vol vlijmenden spot: "Der er omslag ivente! klem paa med talerne! Vejrhanen paa flojen har forandret signalerne." (Er is omslag te wachten! Zet door met de toespraken! De weerhaan op den vleugel heeft de signalen veranderd). _Brand_ verscheen in 1866. Wie dit gedicht leest, zonder de invloeden te kennen, waaronder het ontstaan is, zal niet terstond bemerken, dat de Sleeswijksche oorlog daarvoor een zoo overwegende beteekenis gehad heeft. Wel bevat 'Brand' nog een aantal directe toespelingen; vooral de monoloog in het vijfde bedrijf is hier en daar tamelijk doorzichtig. Maar het drama zou niet de beteekenis voor de wereldlitteratuur hebben, die het heeft, indien de dichter het niet boven de gebeurtenissen van den dag verheven had. Het stuk speelt in Noorwegen, en de menschen, waarmee Brand te doen heeft, zijn Noorweegsche menschen, maar gelijke ervaringen had Brand overal kunnen opdoen. Brand is een idealist pur-sang, en hij wil de menschen in zijne omgeving tot idealisten maken, die als hij alles offeren aan een denkbeeld. Hij geraakt met allen in conflict en wordt uitgestooten. Dat het conflict van religieuzen aard is, is in zeker opzicht bijkomstig; immers het is niet de keuze van het ideaal, maar de trouw daaraan, waarover het stuk loopt. Er zijn personen, die trekken geleverd hebben voor de figuur van Brand. Maar dit betreft toch het uitwendige. Toevallige gebeurtenissen als deze, dat de predikant Lammers de staatskerk verliet, zijn niet de diepere grond voor het ontstaan van Brand. Evenmin als Agnes haar ontstaan er aan te danken heeft, dat Ibsen eens in werkelijkheid getroffen is door een repliek, die hij later aan Agnes in den mond legt. Een reden, om Brand tot een religieuzen held te maken, is zeker wel geweest, dat het religieuze leven in Noorwegen zulk een rol speelde, dat men uit zoo vele monden de phrases kon hooren, waarmee Brand ernst maakt. Er was zeker geen gebied, waar de tegenstelling tusschen woord en handeling met meer klem kon worden duidelijk gemaakt, dan het religieuze. Brand is een heele persoonlijkheid, en hij maakt op echt Ibsensche wijze zijn ideaal tot werkelijkheid. Niet door ook maar een proseliet te maken, maar door voor dat ideaal te leven en zijn leer met zijn dood te bezegelen. Wat hij zoekt, is Gods genade, maar hij is overtuigd, dat deze alleen door offers te verkrijgen is. Brand's laatste verzoeking, nadat de menigte hem met steenen verdreven heeft, bestaat in het visioen van Agnes, die hij verloren heeft. De verschijning wil hem overtuigen, dat zijn strijd vergeefsch is, dat hij haar terug zal krijgen, wanneer hij afziet van zijn eisch: 'alles of niets'. Maar hij erkent in het visioen een list van Satan, en hij wijst het terug. Nu eerst kan hij weenen en juichen; nu klinkt, wanneer de lawine hem bedekt, de mystieke stem: 'Hij is deus caritatis'. Ibsen zegt in een zijner brieven (Breve I, 254), dat _Kaerlighedens Komedie_ een voorlooper van _Brand_ is. Hij heeft op deze plaats het oog op de kritische zijde van beide stukken en zegt, dat hij in het eerste geschilderd heeft 'de in onze sociale verhoudingen heerschende tegenstelling tusschen de werkelijkheid en den idealen eisch in alles, wat liefde en huwelijk aangaat'. Uit den samenhang blijkt, dat in 'Brand' dezelfde tegenstelling op religieus gebied wordt aangetoond,--natuurlijk niet in de hoofdpersoon, maar in de overigen. Maar de samenhang bestaat ook in de levensopvatting en karakterontwikkeling der helden. Brand's 'eeuwig bezit men slechts het verlorene' herhaalt Falk's 'nu heb ik je voor dit leven verloren, maar ik heb je gewonnen voor de eeuwigheid'. Slechts is de uitdrukking nog praegnanter geworden. De kristalliseering der gedachte tot woorddiamant heeft plaats gehad. Op _Brand_ volgt in 1867 _Peer Gynt_. Nog heeft Ibsen met zijn volk niet afgerekend. Ditmaal echter zendt hij niet een boetepredikant onder hen, maar hij voert het volk zelf ten tooneele in een typischen representant. Peer Gynt is niet een Noorweger, maar het Noorweegsche volk, zooals de dichter het ziet. Zijn voornaamste eigenschappen zijn neiging tot grootspraak en karakterloosheid. Hij redeneert veel over het begrip, 'zich zelf te zijn', maar in zijn devies heeft hij, zonder het te bemerken, achter het woord 'zelf' het woord 'genoeg' geschreven. Hij is zich zelf genoeg, een egoist in plaats van een persoonlijkheid. Zijn levenswandel getuigt daarvan, en daarom wordt ook aan het einde verklaard, dat hij zich zelf heeft uitgewischt. De hoofdoorzaak van zijne geestelijke lamheid is gebrek aan gevoel voor de werkelijkheid. Hij is een fantast, die leugen en waarheid niet onderscheiden kan. Dit komt van zijne opvoeding; zijne moeder heeft hem opgevoed met sprookjes, die gebruikt werden met hetzelfde doel, waarmee een ander brandewijn gebruikt,--om de zorgen te vergeten. Hier wordt de romantiek rechtstreeks veroordeeld als de geestesrichting, die het Noorweegsche volk in een droomwereld heeft doen verdwalen. (Men vergelijke het hierboven geciteerde gedicht: 'Aan de Medeschuldigen'). In gelijke mate als van _Brand_ geldt van _Peer Gynt_, dat de dichter de stof boven den strijd van den dag verheven heeft. Het nationale geeft de toonsoort aan, waarin het stuk gestemd is, maar het menschelijke overweegt; in _Peer Gynt_ kan ieder zich zelf terugvinden. De grootere afstand in den tijd van de dingen, die den dichter ontstemd hadden, heeft ook zekere verzachting meegebracht. De spot is scherp, maar het beteekent toch al een verandering, dat er gespot en niet gevloekt wordt. Naast den spot treedt ook--in tegenstelling met _Brand_ een element van meegevoel op. Daaraan hebben wij te danken, dat Peer Gynt een levend individu is geworden. Misschien is dit wel de hoofdverdienste van het dichtwerk. Hierover zou veel te zeggen zijn; ik moet mij echter beperken en verwijs daarom naar hetgeen ik hierover in 1919 in het tijdschrift Neophilologus geschreven heb. Het is treffend, dat dit stuk, waarin Ibsen voorgoed afscheid neemt van de romantiek, in zeker opzicht het meest romantische van al zijn drama's is. Het wemelt er van onwerkelijke wezens, van figuren uit de sprookjeswereld, heksen, trold, dovregubben en zijn dochter; doode voorwerpen als het standbeeld van Memnon, de sphynx van Gizeh zijn tot personen gemaakt; inwendige stemmen krijgen gedaante. Het is, of de dichter er vermaak in geschept heeft, met al deze figuren, voor hij ze vaarwel zeide, nog eens naar hartelust te sollen. Ook het metaphysische slot is zoo onwerkelijk mogelijk. Van beteekenis is het, dat al deze wonderlijke figuren nog iets anders beteekenen, dan wat zij schijnen. Een trold is alleen voor het uiterlijk de reus uit het volksgeloof, in waarheid beteekent hij den egoist; Memnon is de wijsheid der eeuwen, die aan Peer Gynt raadselen opgeeft; de vreemde passagier is het ontwakend geweten. De weg van romantiek naar realisme voert hier over symboliek en allegorie. HOOFDSTUK III. DE TAALBEWEGING EN DE OUDSTE SCHRIJVERS IN LANDSMAAL. Gelijk in het eerste hoofdstuk reeds meegedeeld werd, was de taal, die in het begin der negentiende eeuw in Noorwegen geschreven werd, van Deensch nauwelijks te onderscheiden. Sommige schrijvers mogen in bescheiden mate woorden gebruikt hebben, die in het Deensch niet gangbaar waren, deze afwijking was niet grooter, dan ook het geval kon zijn, wanneer een gewestelijk schrijver woorden uit zijn dialect aanwendt. De gesproken taal, ook voorzoover zij Deensch-Noorsch was, stond verder van die van Denemarken af. De uitspraak en de accentuatie waren Noorsch, en de algemeene woordenschat bevatte ook een zeker aantal uitsluitend Noorweegsche woorden, die in de geschreven taal, waarvoor het Deensch eenigszins de norm aangaf, niet gebruikelijk waren. De sterke ontwikkeling van het nationale bewustzijn na 1814 bracht nu van zelf mee, dat zich ook in de taal een streven naar zelfstandigheid openbaarde, dat op den duur tot groote veranderingen zou voeren. Dit streven toont zich in twee richtingen, die parallel gaan: de vernoorsching van het Deensch-Noorsch en het scheppen van een eigen geheel-Noorsche taal. De eerstgenoemde beweging is uit den aard der zaak de oudste. Zij begint met het hierboven genoemde opstel van J.A. Hjelm en de daardoor geinspireerde pogingen van Wergeland. Dan volgen de sprookjes van Asbjornsen en Moe, die een blijvenden invloed gehad hebben. De vernoorsching betreft hier vooral den woordenschat en den stijl. Sedert het midden der eeuw treedt ook de spelling op den voorgrond. Deze was hier niet uitsluitend eene zaak van uiterlijk. De tot nu toe gebruikelijke schrijfwijze gaf de Deensche uitspraak weer, die in belangrijke punten verder van den ouden toestand was afgeweken dan de Noorweegsche. De spelling drukte dus niet een klankstelsel uit, dat verouderd was of daarvoor werd aangezien,--integendeel, zij gaf uiting aan veranderingen, die men niet erkende, en de wijziging, die nu gewenscht werd, bestond voor een belangrijk deel in archaiseering. Wanneer men tot dusverre schreef _lade, rige, lobe_, dan sprak men _late, rike, lope_, met harde consonanten, die van ouds in deze woorden gestaan hadden, en die het Deensch eener vroegere periode ook gekend had. Men begint nu op deze wijze te schrijven en brengt door deze archaiseering de spelling nader bij de uitspraak. En zoo deed men ook in andere gevallen. De wetenschappelijke leider van deze grammatische beweging was K. Knudsen, die schreef _Haandbok i dansk-norsk Sproglaere_ (1856). Tevens werd de strijd tegen de vreemde woorden voortgezet. Hier is het belangrijkste werk, van denzelfden schrijver _Unorsk og Norsk_(1879-81). De andere taalbeweging, de Noorsch-Noorsche, begint in dezelfde jaren, waarin Asbjornsen en Moe optreden. Naarmate het platteland deel begon te nemen aan het cultuurleven, ontstond de gedachte, dat Noorwegen tweetalig is. Het verschil tusschen de taal van het platteland en van de stad is hier niet hetzelfde als in andere landen, waar de schrijftaal en de dialecten tegenover elkander staan als zusters, van welke eene door het gebruik eene bijzondere positie gekregen heeft. Hier is de algemeene taal niet eene zuster, maar eene nicht der dialecten; zij stamt uit een ander gezin, en haar gezag wordt daarom, zoodra men over die verhouding gaat nadenken, minder bereidwillig erkend. Nu staan er mannen op, die ontkennen, dat het Deensch-Noorsch Noorsch is, die deze taal provincie-Deensch noemen, en die den eisch stellen van eene geheel Noorweegsche, d.w.z. in Noorwegen geboren, taal voor Noorwegen. De moeilijkheid, om aan zulk een wensch te voldoen, bestond niet hierin, dat een geheel Noorweegsche taal niet bestond; zij was er, en zij werd gesproken. Maar het ontbrak haar aan eenheid; zij leefde alleen in dialecten, en de dialecten weken onderling sterk af. De eenige taal, die in alle deelen des lands gehoord werd, was het Deensch-Noorsch. Hetgeen te doen stond was, uit de dialecten eene taal te maken, die autoriteit kon doen gelden, en deze te gebruiken als schrijftaal. Dat dit gelukt is, is wel een der merkwaardigste dingen, die het cultuurleven der negentiende eeuw heeft zien gebeuren. Wat men ook van kunstmatige talen mag zeggen--deze kunstmatige taal is eene levende geworden. Er dient echter bijgevoegd te worden, dat zij slechts tot op zekere hoogte kunstmatig, en dat zij niet in alle opzichten levend is. Zij is uit levende dialecten opgebouwd en heeft daarom niet de starheid, die aan de schematische schepselen van een dorre berekening eigen is, maar gesproken wordt zij eigenlijk nergens. Zij is een in verschillende streken eenigszins uiteenloopende schriftelijke representant van de eenheid der Noorweegsche dialecten. Men moet de energie der menschen bewonderen, die dit tot stand gebracht hebben. Maar niet alleen hun energie,--niet minder hun genie. Want het verbazingwekkend succes, dat het landsmaal gehad heeft, is zeker voor het grootste deel hieraan toe te schrijven, dat kort na haar ontstaan een paar schrijvers van den allereersten rang het tot voertuig hunner gedachten gemaakt hebben. De schepper van het landsmaal is eigenlijk een man geweest, Ivar Aasen, een boerenzoon uit Zuid-More (een landschap op de Westkust), die zijn jeugd in groote armoede heeft doorgebracht en als zoovele beroemde Noorweegsche schrijvers zich door ontberingen een weg heeft moeten zoeken. Aasen was een grammatisch genie. Als autodidact kwam hij zonder hulp van anderen tot de ontdekking, dat het dialect, dat hij sprak, de voortzetting was van die taal, die eeuwen geleden in Noorwegen gesproken _en geschreven_ werd, en die eene schoone letterkunde had voortgebracht. Eerst schreef hij van dat dialect eene grammatica (1841); daarna stelde hij zich een breedere taak, namelijk het bewerken eener spraakkunst van de Noorweegsche volkstaal: _Det norske Folkesprogs Grammatik_ (1848, in tweede uitgave van 1864 betiteld _Norsk Grammatik_), waarop een woordenboek volgde: _Ordbog over det norske Folkesprogs_ (1850; later _Norsk Ordbog_ 1873). Hierin is ook de woordenschat der andere dialecten opgenomen. Nu ontbrak er nog maar aan, uit die dialecten eene algemeene taal te scheppen, waarin wel het Westlandsch overwoog, maar toch ook uit andere dialecten zou worden opgenomen, wat algemeen verstaan kon worden. Zulk een taal heeft Aasen geschapen en in zijn geschriften gebruikt. Anderen volgden zijn voorbeeld; er ontstonden vereenigingen voor 'maalstraev' (_straev_, het streven, werken voor iets), en het doel werd op den duur, deze taal te maken tot de eenige, die in Noorwegen burgerrecht had, en haar het Deensch-Noorsch te laten verdringen. Het is natuurlijk gekomen tot een strijd tusschen de aanhangers van het landsmaal en het bymaal ('stadstaal'). De invloed van dien strijd op het bymaal is geweest, dat ook deze taal zich in een nog sneller tempo in nationale richting ontwikkeld heeft, dan misschien anders het geval zou zijn geweest. De tegenstelling is daardoor een gansch andere geworden dan die, welke een paar tientallen jaren vroeger bestond in den boezem van het toen alleenheerschende Deensch-Noorsch. De vraag was toen: aansluiting bij Denemarken of eigen ontwikkeling? Thans willen beide talen Noorsch zijn, maar de aanhangers van een van beide talen ontkennen het Noorsch karakter der andere, terwijl die der andere (van het bymaal) den nadruk leggen op het willekeurige, dat er in eene gemaakte taal is. Van tijd tot tijd ontstaat een compromis; weldra ontbrandt de strijd dan opnieuw. De taal, die de meeste concessies doet, is het bymaal; de laatste concessie bestaat in een overeenkomst omtrent gelijkheid in spelling voor de beide talen. Maar sommige flexievormen uit het landsmaal zijn tegelijk toegelaten. Het landsmaal is van het project van een man, die bij velen voor een zonderling doorging, geworden tot eene taal, door de regeering erkend en beschermd, die in scholen onderwezen en van vele kansels en in meer dan een theater gehoord wordt. De ontwikkeling van het landsmaal is gegaan in de richting van nader aansluiting aan de gesproken taal. De blik van Aasen was door zijn taalhistorische studien in hooge mate gericht op het Oudnoorsch. Hij heeft eene voorliefde