Project Gutenberg's De Zoon van Dik Trom, by Cornelis Johannes Kieviet This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: De Zoon van Dik Trom Author: Cornelis Johannes Kieviet Release Date: November 16, 2007 [EBook #10971] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN DIK TROM *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ De Zoon van Dik Trom Door C. Joh. Kieviet Twaalfde, Goedkoope Druk Amersfoort--Valkhoff & Co. Eerste Hoofdstuk. Dik heeft een plan, en zijn vader vindt, dat hij een bizonder kind is, en dat is-ie. 't Was met den kruidenierswinkel van den ouden Trom uitstekend gegaan. Dat was geen wonder, want Vrouw Trom was eene zindelijke vrouw, die er voor zorgde, dat alles in den winkel er keurig netjes uitzag. De koperen weegschalen waren zoo prachtig geschuurd, dat zij haast wel van goud schenen, de toonbanken zagen er brandhelder uit, en de koopwaren waren van de beste kwaliteit. Elken morgen spande Dik zijn mooien hit voor den wagen, om de klanten, die buiten het dorp woonden, te gaan bedienen. Zijn paard was altoos helder geroskamd, zijn wagen zag er proper uit, en wat hij leverde was prompt in orde. Nooit vergat hij te doen, wat hij beloofd had, en tegen wat extra werk zag hij niet op, als hij een van zijne klanten er mede gerieven kon. Geen wonder dus, dat hij steeds méér verkocht, er telkens nieuwe klanten bijkreeg en er zelden of nooit een verloor. In enkele jaren was de winkel van Jan Trom de voornaamste van het dorp geworden, en 't was een lust te zien, hoe vol het er somtijds wezen kon. Vooral op Zaterdagavond was het er verbazend druk. Dan stond de winkel opgepropt met menschen, die inslag voor de volgende week kwamen doen, en hadden Vader en Moeder Trom, benevens Dik, geen handen genoeg, om de klanten te bedienen. Maar al moesten dezen wat wachten, dat hinderde niet erg, want allen luisterden graag naar de vroolijke grappen van Dik, die zijn praatje steeds klaar had. De oude Trom deed niet veel. Hij was niet sterk genoeg om lang achter de toonbank te staan, en als het hem al te druk werd, trok hij zich op zijn stoeltje in een hoek van den winkel terug en keek met innig welbehagen de drukte aan. En dan luisterde hij naar de gesprekken der vrouwtjes, die het wel gezellig vonden, als zij niet dadelijk geholpen konden worden, omdat zij dan nog een poosje konden babbelen,--maar het meest genoot hij van de grappen en kwinkslagen van zijn zoon Dik, dien hij soms langen tijd achtereen met de grootste bewondering kon zitten aanstaren. En menigmaal, als hij zag, hoe graag de menschen door Dik geholpen werden, mompelde hij zacht voor zich heen: "Die Dik,--o, dat is toch een bizonder kind,--en dat is-ie!" Trom werd er niet sterker op, en meer en meer begon de winkel hem te zwaar te worden, vooral overdag, als Dik de klanten afreed, en Moeder het huiswerk verrichtte. Want de winkelschel liet hem bijna nooit met rust, van den morgen tot den avond. "Klingelingeling!" ging het, als Trom zijn ontbijt gebruikte. "Klingelingeling!" als hij 's middags aan tafel zat. "Klingelingeling!" als hij zijn middagdutje wilde doen, waaraan zijn zwak lichaam zooveel behoefte had. Den geheelen dag was het voortdurend: "klingelingeling!" en dat hield niet op, voordat 's avonds laat de winkeldeur op het nachtslot werd gedaan. De oude man beefde soms over al zijn leden van vermoeidheid als hij eindelijk in zijn bed gestapt was, en van overspanning kon hij dan dikwijls in geen uren den slaap nog vatten. Eindelijk begrepen Moeder Griet en Dik beiden, dat het zoo niet langer ging,--dat er verandering moest komen. En die verandering kwam. Het huisje naast den winkel kwam te huur. 't Was een allerliefst huisje, wel klein, maar keurig net. 't Was een huisje voor een paar oude menschen, die rustig hun ouden dag wilden doorbrengen. Zoodra Dik hoorde, dat het te huur was, zei hij op een avond, toen de winkel op het nachtslot was: "Hoor eens, Vader en Moeder, weet u, dat het huisje hiernaast te huur komt?" "Is 't waar?" vroeg moeder Trom. "Neen, dat weet ik niet." Trom zei niets. Hij keek Dik aan en streek met zijn hand langs zijn dunne bakkebaardjes. "Ja," zei Dik,--"'t is zoo, en nu had ik gedacht, dat het juist een huisje voor u beiden zou zijn." "Ja," zei Trom, "dat denk ik ook, en dat doe ik." "'t Is een lief huis," ging Dik voort. "Niet te groot en erg gemakkelijk in 't bewonen. En als u mij dan den winkel verhuurde, zou u een rustigen ouden dag kunnen hebben. 't Wordt Vader toch wel wat erg zwaar in den winkel." "Ja, dat doet het--en dat doet het," zei Trom. "En wou jij dan alleen in den winkel gaan wonen, Dik?" vroeg vrouw Trom met een glimlachje. Dik lachte ook. "Neen Moeder, dat is nu juist mijne bedoeling niet. Als u en Vader het goedvinden, zou ik wel willen trouwen. Anneke en ik hebben elkander al gekend van onze vroegste kinderjaren af, en wij houden veel van mekaar. Dus,--wat dunkt u er van?" Moeder Trom stond op, sloeg haar armen om Dik's hals, gaf hem een kus op elke wang, en zei: "Mijn zegen er op, Dik!" Trom trok zoo hard aan zijn bakkebaardjes, dat hij er de vlassige haartjes van in de hand hield, en zei: "Ja, ja, zoo is het goed, en dat is het. Griet, onze Dik is toch een bizonder kind,--en dat is-ie!" Tweede Hoofdstuk. De belangrijkste dag uit het leven van Dik Trom. Het ging al gauw als een loopend vuurtje door het dorp: "Dik Trom gaat trouwen met Anneke, en zijn ouders gaan het huisje bewonen naast den winkel." En alle menschen vonden het erg best. "'t Was net een spannetje, dat bij elkaar hoorde," zei men. "Allebêi zijn ze vroolijk, allebêi jong, allebêi dik," en dat was waar, want Anneke evenaarde in gezetheid haar aanstaanden man. Zij zag er door en door gezond uit, had een paar blozende wangen en keek iedereen altoos vroolijk en opgeruimd aan. En zij vond het wàt prettig om met Dik te trouwen. Van hun vroegste jeugd af hadden zij elkander gekend en veel van mekaar gehouden, en niemand vond het vreemd, dat zij man en vrouw zouden worden. Eigenlijk hadden de menschen het al lang gedacht. Op een mooien dag in de maand Juni werd de bruiloft gevierd. Dik was 's morgens al vroeg opgestaan en den tuin achter zijn huis ingestapt. Het zonnetje scheen zoo vroolijk, de vogels zongen zoo blijde, de bloemen in de perkjes geurden zoo heerlijk, en Dik voelde zich zóó gelukkig, dat hij van louter plezier een liedje begon te zingen. En met zijn zakmes sneed hij de vroege rozen af en de seringen en de vogelkers, en bond ze te zamen tot een welriekenden ruiker, dien hij zelf aan zijne bruid ging brengen. Overal zag hij de vlaggen uitsteken ter eere van hem en van Anneke. Piet van Dril was de eerste, die zijn vlag uit het zolderraam stak, en toen volgde Jan Vos, en daarna Van Dijk, de molenaar, en Vrouw van Aken, en Teun de visscher, en de meester, en de ontvanger, en de burgemeester. Ja, zelfs uit het huisje van Kee, de heks van den Achterweg, wapperde een klein, verschoten vlaggetje uit het boven-zijraampje, want zij hield dolveel van Dik en verheugde zich in zijn geluk. Weldra was er geen huis meer, waar de vlag niet uithing, wat wel een bewijs was, dat de bruid en de bruidegom geliefde personen waren op het dorp. Dik vond het heerlijk te zien, dat alle menschen hem en Anneke een blijk van vriendschap wilden geven. Hij had een glimlach van geluk op de lippen, en zijne oogen tintelden van blijdschap. De menschen, die hem tegenkwamen, hielden hem staande om hem geluk te wenschen en de hand te drukken, en Piet van Dril stak zijn zwarte gezicht buiten de deur van de smederij, toen Dik daar voorbijkwam, zwaaide met zijn vette, glimmende petje, en riep driemaal: "Hoezee! Leven Dik en zijne bruid!" Voor het huis van Anneke wachtte hem eene verrassing, want daar was een mooie, groote eerepoort opgericht met sparregroen en papieren bloemen. Bovenin prijkte een schild met de namen van de bruid en den bruidegom, en er hingen lampions met kaarsen, die 's avonds een schitterend licht zouden geven. Dat hadden zijn vrienden en kennissen gedaan onder leiding van Piet van Dril, zijn boezemvriend. En onder de poort stond Anneke, die maar niet begrijpen kon, dat die poort ter harer eere was opgericht, en ze lachte en schreide tegelijk van blijdschap en zei, dat ze zoo gelukkig was en zooveel eer niet verdiende. En zij dankte Dik voor zijn mooien ruiker, en wist bijna niet, wat zij doen zou van vreugde. Toen ging Dik naar huis terug, om alles voor de bruiloft in orde te brengen. Er werden in de schuur, die in gewone tijden voor pakhuis diende, groote tafels en stoelen geplaatst voor de gasten. En hij versierde de wanden met vlaggedoek, en nog was hij daarmee niet gereed, toen de deur openging, en Piet van Dril en Jan Vos verschenen, die een wagen met sparregroen meebrachten en hem hielpen aan de versiering. De schuur was weldra haast niet meer te herkennen, zoo mooi werd zij. Vader en moeder Trom konden hun oogen bijna niet gelooven, toen zij even binnen kwamen om een kijkje te nemen. Zij sloegen de handen van verbazing in elkaar, en Trom mompelde: "Wat een feest,--wat een feest! 't Heele dorp vlagt, en dan die schuur! O, die Dik is een bizonder kind, en dat is-ie!" Moeder Griet was dat volkomen met hem eens, maar zij gunde zich den tijd niet om lang te kijken, want zij had het nog meer dan druk om alles voor het feest in gereedheid te brengen. De beste spullen moesten uit de kast, en alles werd zorgvuldig geschuierd en opgeknapt. Trom had het vreeselijk druk met zijn hoogen hoed, denzelfden nog, waarop Dik was gaan zitten, toen deze nog een kleine jongen was. Trom poetste de stugge haartjes glad en liefkoosde hem wel honderdmaal met de mouw van zijne lakensche jas. De man zag er wàt deftig uit, heelemaal in 't zwart en met dien hoogen hoed op. 't Model van zijn costuum was wel wat ouderwetsch,--want 't was zijn eigen trouwpak nog, dat hij maar zelden had aangehad,--en zijn hoed was wel wat hoog van bol en breed van rand, maar dat hinderde niet. "Die hoed is nog mooi, en dat is-ie," zei Trom, "en mijn pak kan ook nog best meê, en dat kan het." Dik was van top tot teen in 't nieuw. Hij had ook een lakensch pak laten maken en een hoogen hoed gekocht. Zelf vond hij wel, dat hij er met den hoed erg gek uitzag, maar Trom zei, dat hij hem deftig stond, en dat deed-ie. Dik's nieuwe laarzen kraakten bij elken stap, zoodat men hem in de verte al kon hooren aankomen. Dik had er een hekel aan, maar zijn vader vond dat ook al erg deftig. "Alle laarzen van deftige menschen kraken, en dat doen ze," zei hij wijs. Eindelijk werd het tijd om naar het huis van de bruid en vervolgens naar het gemeentehuis te gaan, waar het huwelijk zou worden voltrokken. Het drietal begaf zich daarom op weg. Dik zag wel wat tegen de plechtigheid op, en hij voelde zich in zijn mooie zwarte pak, in zijne krakende laarzen en onder zijn hoogen hoed verre van lekker. Hij was in het geheel geen mensch voor zooveel moois en plechtigs. Maar 't moest nu eenmaal gebeuren, en hij besloot daarom zoo goed mogelijk door den zuren appel heen te bijten. Vader en moeder Trom keken met gepasten ernst naar al de vlaggen, die ter eere van hun zoon waren uitgestoken, en vonden zich verbazend gewichtig. Moeder Griet zag er ook zeer feestelijk uit. Zij had hare zijden japon aan, waarover een met palmen doorgewerkte omslagdoek, die haar in den vorm van een gelijkbeenigen driehoek over den rug hing met de punt naar beneden, een zijden hoedje op met groote keellinten, en aan haar arm een karbies, welke in sterke mate de aandacht trok van de kinderen, die den kleinen stoet omringden en steeds in aantal toenamen. Een van de grootste jongens begon al spoedig te zingen: "Bruid, bruid, strooi wat uit!" Maar de anderen legden hem het zwijgen op met de opmerking, dat de bruid nog niet aanwezig en hij dus met zijn liedje te vroeg was. De jongens en meisjes zagen er zeer opgewekt uit en het ontbrak hun niet aan de noodige luidruchtigheid. Zoo bereikte het drietal de woning van de bruid, waar de gasten, die voor het feest genoodigd waren, zich reeds verzameld hadden. Met een krachtigen handdruk werd Dik ontvangen, die onhandig met zijn hoogen hoed omsprong en voortdurend het vervelende kraken van zijne laarzen hoorde. 't Was nu hoog tijd om naar het raadhuis te gaan. De stoet stelde zich dus op. Jan Vos en zijn verloofde openden de rij, daarop volgden Dik en Anneke, daarachter de wederzijdsche ouders en verdere familieleden, en eindelijk de vrienden en kennissen, die genoodigd waren. Piet van Dril en zijn jonge vrouw, want Piet was al sedert een jaar getrouwd, waren de laatsten van den stoet. De meisjes en vrouwen hadden allen een groote karbies, tot groote vreugde van de jongens en meisjes, die zich vol blijde verwachting voor het huis hadden opgesteld. Nauwelijks waren de bruiloftsgasten zichtbaar, of daar klonk uit wel honderd kelen: "Bruid, Bruid, Strooi wat uit! Bruid, Bruid, Strooi wat uit!" 't Was een verschrikkelijk gejoel en lawaai, maar de karbiezen bleven potdicht. Eerst moest het jonge paar getrouwd zijn; zoolang dat niet gebeurd was, werd er niet gestrooid. In lange rij trok de stoet door het dorp en bereikte ongestoord het raadhuis. Daar werden de groote deuren geopend door den veldwachter, die bij trouwpartijen dienst deed als concièrge, en men nam plaats in de trouwzaal, waar vele dorpelingen aanwezig waren om van de plechtigheid getuige te zijn. Spoedig verscheen de burgemeester, en nu werden Dik en Anneke in den echt verbonden. De burgemeester deed nog een hartelijke toespraak en drukte het bruidspaar de hand. Pas kwam de stoet weer buiten het raadhuis, of daar galmde het weer, nu wel uit tweehonderd monden: "Bruid, Bruid, Strooi wat uit! Bruid, Bruid, Strooi wat uit!" De lieve straatjeugd drong geweldig op om dicht bij de karbiezen te komen, die de begeerde lekkernijen bevatten. En thans bestond er tegen het openen daarvan geen enkele hinderpaal meer. "Dààr dan, jongens, grabbelt maar!" riep Anneke, die tijdens de plechtigheid erg bleek had gezien, maar nu hare frissche kleur langzamerhand terugkreeg, en zij tastte diep in de karbies en strooide de bruidssuikers onder de menigte. Haar voorbeeld werd door Moeder Trom en de andere vrouwen en meisjes gevolgd. Het regende als het ware links en rechts suikergoed, zoodat de jongens op en over elkander buitelden, om toch maar zooveel mogelijk bijeen te grabbelen. 't Was een allerdolst schouwspel. De kinderen hadden nergens meer oog voor, dan voor de uitgestrooide lekkernijen, en zij waren zoo verwoed aan het grabbelen, dat zij den heelen bruidsstoet uit elkaar duwden. Een van de jongens kwam vlak voor de voeten te liggen van Vader Trom, zoodat het weinig scheelde, of deze viel voorover op de straat. Zijn hooge hoed rolde wel twee meter ver voor hem uit en kwam onder een paar jongens terecht, die aan het vechten waren om een suikerboon, waarop zij beiden recht meenden te hebben. De arme hoed kreeg het kwaad te verantwoorden en leek al spoedig meer op een waterhoozer uit een lekke roeiboot, dan op een deftigen hoogen hoed. Piet van Dril gaf den vechtenden jongens een paar klinkende oorvijgen, die hun met verbazenden spoed het hazenpad deden kiezen. Den hoed bracht hij zooveel mogelijk weer in zijn fatsoen, en zette hem den ouden man op het hoofd. Van het gemeentehuis wandelde de stoet, steeds vergezeld door de straatjeugd, die met ijzeren volharding het "Bruid, Bruid, strooi wat uit" galmde, naar de kerk, waar het huwelijk ingezegend werd, en van daar naar de versierde schuur. Den geheelen dag heerschte er groote vreugde. Dik rookte uit een lange Goudsche pijp, die met groen en bloemen was versierd, en de bruid dronk uit een kopje, waarvan het oortje met een rozeknopje en een paar rozeblaadjes prijkte. 't Was een heerlijk feest. 's Middags kwamen vele vrienden en kennissen gelukwenschen, en ook de oude heks van den Achterweg kwam binnen, om bruid en bruidegom de hand te drukken. En in een klein mandje bracht zij zes kippeneitjes meê, als een klein blijk van hare vriendschap en dankbaarheid, want zij was maar een arme, oude vrouw en wilde toch ook zoo graag wat geven. Dik kreeg het er bijna te kwaad onder, zoo aardig vond hij dat van de goede ziel, en hij pakte het oudje beet en danste met haar in het rond tot groote pret van alle bruiloftsgasten. 's Avonds kwamen twee muzikanten met violen, en toen konden de jongelui dansen naar hartelust, wat zij dan ook deden. 't Was al zeer laat in den avond, en nog was er niemand naar huis gegaan. De oude molenaar was de eerste, die opstond om te vertrekken, en hij klopte Trom op den rug en zeide: "Dat was nog eens een echte, mooie bruiloft, niet waar?" En Trom antwoordde, aan zijne bakkebaardjes plukkende: "Ja, dat is het,--en dat doet het,--maar Dik is ook een bizonder kind,--en dat is-ie!" Derde Hoofdstuk. Dik wordt vader, en vrouw Smul begraaft haar neus in een roomtaart. 't Bleef met den winkel onder leiding van Dik en Anneke uitstekend gaan, zoodat men gerust kon voorspellen, dat zij nog eens in goeden doen zouden komen. Nu, Dik werkte dan ook met den grootsten ijver, en als hij de boeren afreed met boodschappen, verving Anneke hem op uitstekende wijze in den winkel. En zij was een zuinig vrouwtje, naar de meening van Dik haast wel een beetje al te zuinig. "Hoor eens, Anneke," zei hij meer dan eens, "daar moet je toch voorzichtig meê wezen. Zuinig is goed, best zelfs, maar àl te zuinig is verkeerd. Komen de vrouwtjes om een pondje van dit of van dat, dan moet je niet bang wezen, dat de schaal even doorslaat. 't Is beter overwicht te geven, dan te klein gewicht. Daar hebben de menschen een hekel aan, en dan gaan ze al gauw naar een anderen winkel, waar de maat wat ruimer is. Heusch, een klein toegiftje doet geen schade, maar voordeel. En komen er kinderen boodschappen halen, geef ze dan een balletje of een pepermunt, of een stukje zoethout, of een vijg. Dat hebben ze graag en dan koopen ze liever hier dan bij een ander." Anneke gaf aan dien raad gehoor, maar zuinig van aard bleef ze toch, en dat was goed. In den winkel zag het er keurig netjes uit, en hij was van alle gemakken voorzien. Daar zorgde vader Trom wel voor. Nu hij niets meer te doen had, was de oude liefhebberij voor het timmervak weer bij hem ontwaakt, en liep hij altoos te passen en te meten, te schaven en te hameren. 't Was dan ook, eer een jaar verloopen was, een pracht van een winkel geworden, en Trom was daar erg trotsch op. Jammer voor den braven man, dat hij den laatsten tijd zoo doof werd. Kort na Dik's bruiloft was het begonnen, en 't nam met den dag toe, zoodat hij eindelijk bijna niet meer te beschreeuwen was. 't Was voor Griet een verbazende last, want zij hield erg veel van een praatje. Een paar jaar na Dik's huwelijk had er eene groote gebeurtenis plaats. Dik werd namelijk vader van een zoontje, en hij was daar erg blij om. Toen hij op een avond met paard en kar thuis kwam, vond hij den kleinen kerel al in de wieg liggen, en grootvader en grootmoeder Trom zaten er op een stoel naast en keken met de grootste belangstelling naar hun pasgeboren kleinkind. Grootmoeder Griet vond het een allerliefst schattig kindje, maar grootvader zei geen woord. Hij was blijkbaar in gedachten verdiept, en staarde met open mond den kleinen schreeuwer aan. Want een scheeuwer was het. De oude Trom had een klein, pasgeboren kindje nog nooit zóó hooren schreeuwen. Grootvader vond het erg verwonderlijk, en soms sloeg hij zijne oogen even op en staarde grootmoeder aan met een blik, waarin zoowel verbazing als bewondering opgesloten lag. 't Was hem aan te zien, dat hij in het kind iets gewichtigs zag. "O, o, wat was Dik blij, toen hij zijn zoontje zag. Zijne ouders feliciteerden hem recht hartelijk, en hij drukte moeder Anneke, die te bed lag, een kus op elke wang. En toen ging hij weer dadelijk naar de wieg, om zijn zoontje in oogenschouw te nemen. "Wel verschrikkelijk, wat schreeuwt dat kind!" zei Dik, die ook in de grootste verbazing naar het geluid van den nieuwen huisgenoot luisterde. "Moeder, heb ik ook zoo geschreeuwd, toen ik pas in de wereld was?" "Neen," zei grootmoeder Trom, "jij schreeuwde nooit, dan alleen als je honger hadt." "Maar dan heeft dat ventje ook honger!" riep Dik met beslistheid uit. "Hei baker, waar zit je? Geef dat kind wat eten!" Op zijn geroep kwam de baker uit de keuken te voorschijn 't Was vrouw Smul, die ook Dik nog gebakerd had. Zij was nu eene oude vrouw geworden, met bijna geen tand meer in haar mond, en een puntige, vooruitstekende kin. Dik hield in het geheel niet van haar, maar daar zij de eenige baker op het dorp was, moest hare hulp wel ingeroepen worden. Met een vriendelijk lachje feliciteerde zij den gelukkigen vader, en zij haalde het kleine kereltje uit de wieg, en hield hem Dik voor, die nu in de gelegenheid kwam, zijn zoon goed te bezien. Ten tweeden male wekte het ventje zijn groote verbazing, want zoo dik als hij zelf geweest was, toen hij op de wereld kwam, zoo smal en dun was de kleine. En schreeuwen, schreeuwen dat het kind deed, neen maar, 't ging Diks verwachting verre te boven. Ook grootmoeder en grootvader keken het wichtje met verwondering aan, want zoo dun en mager hadden zij nog nooit een kind gezien. Dik sloeg van verbazing de handen ineen, en riep uit: "Neen maar, wat een wonderlijk mager kind is dat! 't Is veel te dun!" "Maar 't is toch een erg lief kindje," zei Anneke met moedertrots. "En wat schreeuwt het!" ging Dik voort, "'t Schreeuwt als een speenvarken. Toe baker, geef dat kind dadelijk wat te eten, want zulk geschreeuw is niet uit te houden. Een mensch krijgt er hoofdpijn van." Grootvader Trom had nog geen woord gesproken, maar eindelijk ging hij naar zijn vrouw, en driftig aan zijn bakkebaardjes plukkende, zei hij op gewichtigen toon: "Griet, 't is een bizonder kind,--ik zeg een bizonder kind,--en dat is-ie!" "Ik geloof het ook," zei Dik lachend. "Zoo dun,--en dan dat geschreeuw. 't Is wél bizonder!" Inderdaad bleken deze twee eigenschappen van den kleine op den duur wèl wat bizonder te zijn, want het kind schreide van den morgen tot den avond, en van den avond tot den morgen. Alleen als hij sliep, was hij stil. Hij dronk de eene flesch melk na de andere, maar bleef even dun en mager. En hij schreeuwde om er wanhopig onder te worden. Kreeg hij geen flesch, dan maakte hij een ijselijk misbaar om de aandacht op zich te vestigen, en had hij de flesch leeggedronken, dan vond hij dàt weer een reden om zijne stem te verheffen. Maar hij groeide best, al was het alleen in de lengte. Dik vreesde, dat zijn wieg hem gauw te kort zou worden, en hij ergerde zich den ganschen dag aan de aanwezigheid van de baker. Daar had hij trouwens zijn goede redenen voor, want in den winkel was veel te snoepen, en daar hield vrouw Smul van. Telkens zag Dik, dat zij tersluiks iets in den mond stak, als zij even in den winkel moest wezen, en dat kon Dik niet uitstaan. Eens zag hij, dat zij bij de kistjes vijgen stond en er een handjevol uitnam, en hij besloot haar dat eens en voor goed af te leeren. Baker had hem niet gezien, en schrok dus niet weinig, toen hij eensklaps achter haar stond. Dik nam een grooten bak met stroop, dien zij onmogelijk met éen hand kon vasthouden en zei: "Toe baker, help me even. Houd dien bak eens vast." Maar dat kon baker niet doen, want dan zou Dik zien, dat zij een hand vol vijgen had. Haastig draaide zij zich dus om en stak de vijgen met eene behendige beweging in haar mond, maar ongelukkig konden ze daarin haast niet geborgen worden, zooveel had zij er wel uit het kistje genomen. Zij moest den mond dus stijf dicht houden, wilde zij zich niet verraden. Toen greep zij den stroopbak met beide handen aan. Haar mond zat als 't ware volgepropt, tot groot vermaak van Dik, die een vriendelijk praatje met haar begon. "Wel baker," vroeg hij, "hoe zou het toch komen, dat de kleine Jan",--want zijn zoon heette Jan, naar zijn grootvader,--"dat de kleine Jan altijd zoo schreeuwt? Wat kan daar toch de reden van wezen?" Maar baker kon niet antwoorden vanwege de vijgen, die zij in den mond had. En er waren er te veel, dan dat zij ze had kunnen doorslikken. Kauwen durfde zij ook niet, want dan zou zij zichzelve dadelijk verraden hebben. Zij verkeerde nog in de heilige overtuiging, dat Dik niets van hare snoeperij had gemerkt. Zij zeide dus niets, maar haalde alleen de schouders op, ten teeken dat de reden van Jantjes geschreeuw haar totaal onbekend was. Doch met dat gebaar was Dik niet tevreden. "Neen baker, haal nu de schouders niet op," zei hij op ernstigen toon, "maar zeg mij liever kort en goed, wat er de oorzaak van is. Hij moet toch ergens met zooveel volharding om schreeuwen!" Baker haalde nogmaals de schouders op, en Dik keek haar ernstig aan. "Scheelt er wat aan, baker? U trekt zoo'n raar gezicht," ging hij voort. "Heeft u pijn of zoo iets?" Baker schudde ontkennend met het hoofd, maar het angstzweet brak haar uit, want de vijgen in haar mond begonnen haar verschrikkelijk zwaar te liggen, en zij kon haar mond bijna niet meer dicht houden. Zij kneep de lippen wanhopig stijf op elkander en liet den zwaren stroopbak haast vallen. Dik had de grootste pret, en ging plagend voort: "Heeft u kiespijn, baker?" Baker schudde alweer van neen. "Of buikpijn?" Nogmaals hetzelfde gebaar. "U lijkt wel stommetje te spelen, baker. Ik geloof, dat ik den dokter voor u moet halen." De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van een dokter weten. Zij schudde heftig van neen. "Maar zèg dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van te worden. Of kan u niet spreken?" De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder. "Doe uw mond eens open, baker," ging Dik zonder medelijden voort, en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim. Maar nu werd het baker te erg, en zij begreep, dat Dik heel goed had gezien, dat zij van de vijgen gesnoept had. Zij zette den stroopbak haastig neer en verliet in allerijl den winkel, terwijl Dik het uitschaterde van pret, omdat hij haar zoo geducht te pakken had gehad. Zij dorst den "baas" den geheelen dag niet meer aankijken van schaamte, en zij had nog grooter hekel aan hem dan vroeger, toen hij haar klompen vol water had geschept. Maar haar snoeplust leerde zij er niet meê af. Die kwaal was bij haar te veel ingekankerd. Dat bleek Dik, toen zijn zoontje een dag of acht oud was. In den winkel, achter een van de toonbanken, was een luik, waaronder zich de kelder bevond. Dik was in dien kelder, toen de winkelschel ging, maar de baker wist niet, dat Dik daar was. Zij kwam in den winkel en zag daar den loopjongen van den banketbakker, die eene heerlijke roomtaart kwam brengen, een geschenk van Piet van Dril en diens vrouw. Ha, de neusvleugels van vrouw Smul trilden van begeerte. Na haastig om zich heen gekeken te hebben, of zij wel alleen was, lichtte zij behendig het deksel van de doos en genoot van den heerlijken aanblik, dien de verrukkelijke taart opleverde. Dik kwam langzaam en onhoorbaar naderbij. "Als zij gaat snoepen, zal ik het haar eens en voor altijd afleeren," dacht hij. En jawel, vrouw Smul moest toch eventjes proeven. Met haar vinger streek zij er wat room af en stak het in den mond. Wat smaakte dat heerlijk! Zij smakte met de tong. En wat rook die taart lekker. Wacht, zij moest ook eventjes ruiken. Zij bracht de doos wat omhoog, haar neus naar omlaag, en genoot van den heerlijken geur.... Maar Dik was meer dan kwaad, want hij dacht, dat vrouw Smul er van snoepte. En in zijne boosheid gaf hij een geduchten duw tegen den bodem van de doos, zoodat neus en kin van de baker in een oogwenk tot in het hart van de taart doordrongen. En toen vrouw Smul die lichaamsdeelen weer uit hun ontijdig graf had opgedolven, zaten zij dik in de room. Zij leken wel roomhorentjes. Vrouw Smul kon zich in het eerste oogenblik maar niet begrijpen, wat er gebeurd was, zoo snel was het in zijn werk gegaan, en zij gaf een gil van den schrik. Doos en taart liet zij op den vloer vallen, en zij vluchtte op een draf den winkel uit en de huiskamer in, waar Anneke in een schaterlach uitbarstte, zoo mal zag baker er uit. En zij kon haast niet tot bedaren komen, toen Dik haar vertelde wat er eigenlijk gebeurd was, al vond zij het meer dan jammer van de heerlijke taart. "En wat zullen Piet van Dril en zijne vrouw het akelig vinden, als zij het hooren," zei Anneke. "Die zullen het niet hooren," zei Dik. "Ik ga dadelijk een nieuwe taart bestellen, precies eender als deze, en wij noodigen Piet en zijne vrouw een avondje bij ons op de koffie, om haar te helpen opeten. Dan hooren zij er nooit iets van. Baker zal er haar mond wel over houden,--en wij praten er natuurlijk ook niet over." Zoo geschiedde. Piet en zijn vrouw smulden er heerlijk van en vonden het prettig, dat de taart Dik en Anneke zoo lekker smaakte, maar zij hebben nooit geweten, dat het de hunne niet was. De baker wilde den heelen avond niet binnen komen. Zij bleef stil in de keuken. Maar Anneke zorgde toch, dat zij haar deel van de lekkernij kreeg. Want zij paste uitstekend op den kleinen Jan, en dat waardeerde Anneke bizonder. Een paar dagen later ging de baker voor goed heen. Vierde Hoofdstuk. De eigenschappen van den kleinen Jan en het geduldige busje van de orgelvrouw. De kleine Jan groeide zeer voorspoedig op, dat wil zeggen alleen in de lengte, want hij bleef broodmager, tot groote verbazing van Dik en Anneke, die elken dag opnieuw in de gelegenheid werden gesteld om zijn eetlust te bewonderen. "Hij is precies een hazewindhond," zei Dik meer dan eens. "Hoeveel hij ook eet, hij blijft altijd even dun. 't Is verwonderlijk!" Overigens was de kleine Jan een zeer voorlijk kind. Hij lachte al, toen hij nog maar enkele dagen oud was, en zijne tandjes kwamen zeldzaam vroeg. Hij kroop veel gauwer over den vloer, dan nog ooit eenig kind gedaan had, en kreeg mazelen, kinkhoest en waterpokken, toen andere kinderen van zijn leeftijd de gedachte daaraan nog niet in hun hoofd voelden opkomen. Zijn grootvader hield daarom staande tegenover iedereen die het hooren wilde, dat de kleine Jan een bizonder kind was, en dat was-ie. Jan was met zijn grootvader al spoedig goede maatjes. Toen hij nog heel klein was, wilde hij altoos op diens knieën zitten en paardje-rijden, zoodra hij hem maar zag, en als Grootvader zijn zin niet dadelijk deed, zette hij het zoo geweldig op een schreeuwen, dat zelfs Grootvaders gehoorvliezen er pijn van gingen doen. En dan haastte de oude man zich, om zijn kleinzoontje tevreden te stellen. Zoodra Jantje loopen kon, en dat kon hij heel vroeg, liep hij grootvader overal na. Anneke was daar eerst wel wat ongerust over, omdat grootvader zoo erg doof was, maar toen haar Jantje altoos weer gezond en wèl terugkeerde in de ouderlijke woning, begon zij daar spoedig aan te wennen. Als Jantje zoek was, dacht ze al dadelijk: "O, hij zal wel weer bij grootvader wezen." Toen Jantje zag, dat grootvader bijna altoos aan het timmeren was, schreeuwde hij net zoo lang, tot hij ook een hamer kreeg, en van dat oogenblik af deed hij niet anders dan hameren. Hij sloeg er meê tegen de toonbank, dat de weegschalen er van rinkelden, klopte op de vijgenmand met zooveel kracht, dat de pitjes uit de vruchten te voorschijn kwamen, hamerde een melkkan aan scherven en sloeg een barst in de winkelruit. Dat gebeurde alles op één dag, tot grooten schrik van Anneke, die hem den hamer afnam, toen het te laat was. Grootvader had er niets van gemerkt, en toen Anneke hem op de verwoesting attent maakte, keek hij die eenigen tijd in verbazing aan, tot hij eindelijk mompelde: "Zie je wel, Anneke, dat Jantje een bizonder kind is?--En dat is-ie." Dat bleek ook uit het feit, dat Jantje het geweldig op een schreeuwen zette, toen Anneke hem den hamer had afgenomen. Hij kon echter zoo hard niet schreeuwen, dat zijne Moeder hem dien teruggaf. Grootvader was bezig de stijfsellade te herstellen, die niet meer goed heen en weer kon schuiven. Jantje zat schreeuwend achter hem op den vloer, tot het twaalf uur werd en Grootvader naar huis moest om te eten. Grootvader legde den hamer in den spijkerbak en vertrok. Nauwelijks was hij verdwenen, of Jantje greep den hamer en zette de werkzaamheden voort. Hij sloeg draadnagels in de verschillende winkelladen, waar zij schots en scheef in terecht kwamen, timmerde Grootvaders rooden, katoenen zakdoek, dien hij vergeten had mede te nemen, als een vlag aan de toonbank vast, en ging naar het petroleumvat, om ook daar een paar draadnagels in te slaan. Maar toen viel zijn aandacht op de kraan, die in het vat zat, en Jantje sloeg er net zoo lang op met zijn hamer, tot de kraan uit het vat vloog en de petroleum in een breeden stroom op den vloer en op Jantjes beenen terecht kwam. Ha, dat vond Jantje pas mooi. Hij hield er den hamer onder, waardoor de stroom een bizonder mooien vorm kreeg en de droppels hem om de ooren spatten, en hij keek met innig welbehagen de gevolgen van zijn bemoeiingen aan. De petroleum bedekte weldra den geheelen vloer, en Jantje was zoo nat als een gedrenkte spons. Zijne Moeder had er geen erg in, want zij was in de keuken, tot zij opeens een geweldig geschreeuw vernam, zóó hevig, dat zij van schrik opsprong en naar den winkel ijlde. Maar nauwelijks had zij de deur geopend, of zij bleef als verstomd staan en keek met open mond naar de petroleum, die den geheelen vloer bedekte tot aan den drempel toe, waarop hare voeten stonden, en naar Jantje, die uit alle macht schreeuwde en met zijn hamer op het vat sloeg. De tranen sprongen Anneke in de oogen, en zij was in één woord radeloos. Zij wist niet, wat ze beginnen moest. Ze kon niet eens bij haar zoontje komen, zonder door de petroleum te plassen, wat ze op hare pantoffeltjes onmogelijk doen kon. En Jantje schreeuwde uit alle macht, niet om hetgeen hij gedaan had, ook niet omdat hij met de beentjes rechtuit in de petroleum zat, maar eenvoudig om. het feit, dat er geen petroleum meer uit het vat stroomde. Hij was er meer dan kwaad om, dat de stroom opgehouden had te vloeien, en hij meende net zoo lang te schreeuwen, tot het weer begon. Bedroefd en niet wetende wat zij beginnen moest, snelde Anneke de achterdeur uit, om Grootvaders hulp in te roepen. Schreiende kwam zij daar binnen, en zij vertelde onder snikken en tranen, wat Jantje gedaan had. "Wat is er?" vroeg Grootmoeder, toen zij Anneke zoo bedroefd zag staan. Grootvader stond ook van zijn stoel op en vroeg: "Wat is er, Anneke? Wat scheelt er aan?" De goede man voelde al naar zijn zakdoek, om haar de tranen van de wangen te vegen, want hij hield veel van Anneke. Maar hij vond zijn zakdoek nergens. Hij kon ook niet vermoeden, dat die als een vlag aan de toonbank wapperde. "O, o," zei Anneke, "daar heeft Jantje me de kraan uit het petroleumvat geslagen...." "Den haan uit het kippenhok doodgeslagen?" vroeg Grootvader ontsteld. "Hoe komt het kind er bij." "Neen, neen," zei Anneke met haar mond aan Grootvaders oor, "de kraan uit het petroleumvat geslagen, en nu is alle petroleum uit het vat geloopen, en Jantje zit er midden in. Ik weet niet, wat ik beginnen moet...." Grootvader had nu goed verstaan. Hij trok zijn klompen aan en stapte den winkel binnen, waar Jantje nog zijn uiterste best deed, om petroleum uit het leege vat te laten vloeien. Hij schreeuwde als 't ware moord en brand. Grootvader keek ook niet weinig verschrikt, evenals een paar vrouwtjes, die juist kwamen aanloopen om boodschappen te halen. Trom plaste op zijn klompen door de petroleum en pakte Jantje op, dien hij regelrecht naar de keuken bracht. "Hier Griet, kleed hem maar dadelijk uit en stop hem in de tobbe," zei hij tegen zijn vrouw, die van schrik bijna niet spreken kon, toen zij de ramp in oogenschouw nam. Daarna haalde Grootvader eene tobbe uit het schuurtje, benevens een paar dweilen, en begon den vloer op te dweilen. Hij schudde daarbij echter bedenkelijk met het hoofd, want hij begreep zeer goed, dat de zaak zoo gemakkelijk niet in orde kwam. Jantje schreeuwde intusschen honderd-uit, want hij werd door Moeder en Grootmoeder naakt uitgekleed en in een warm bad gestopt. Zijn kleeren waren onbruikbaar geworden. Dat laatste was ook het geval met den winkelvloer. Trom besloot dan ook dadelijk de handen uit de mouwen te steken De geheele vloer werd opgebroken en door een nieuwen vervangen, wat den ouden man heel wat werk bezorgde, 't Is te begrijpen, dat Dik verbaasd opkeek, toen hij 's avonds thuis kwam en hem het gebeurde verteld werd. "Die kleine hazewindhond, hoe krijgt hij 't in zijn hoofd," zei hij eindelijk. En Grootvader zei: "Ik zeg, dat hij een bizonder kind is, Dik, net als jij, en dat is-ie." Sinds dien dag werd het petroleumvat zoo geplaatst, dat Jantje er niet meer bij kon. En de kleine kerel kreeg van zijn vader een houten hamertje, waar hij niet veel kwaad mee kon doen. Hij timmerde nu den geheelen dag en hielp Grootvader op zijn manier bij al diens werk. Hij liet zich daarbij door niets storen, of het moest door een draaiorgel zijn. Dat vond hij zoo verrukkelijk mooi, dat hij er zelfs zijn eten voor liet staan, wat hij anders voor geen geld ter wereld zou doen. En nog mooier vond hij het busje, waarin de vrouw van den orgeldraaier het geld ophaalde. De orgeldraaier en zijne vrouw woonden op het dorp en kwamen vast elken Dinsdag met het orgel rond. Dat was erg lastig voor Anneke, want die had dan altoos waschdag, en moest toch al elk oogenblik haar waschgoed in den steek laten, om de klanten in den winkel te helpen. Eens op een Dinsdagmorgen had zij het daarmede erg druk gehad, toe het geluid van het orgel al van verre tot haar doordrong. Ook Jantje had het gehoord. Hij was toen een jaar of drie en kon dus de deur al zelf opendoen. 't Geluid van het orgel kwam naderbij, en Jantje was in de voordeur gaan staan, om van de muziek zooveel mogelijk te genieten. Eindelijk was het orgel tot voor den winkel gekomen en verscheen Mietje, de vrouw van den orgeldraaier, die Klaas Touw heette, aan de deur. Jantje haastte zich naar de keuken, en zei: "Moedel, daal is Klaas Touw met het olgel." De r kon hij nog niet zeggen, zoodat hij gemakshalve daar maar een l voor nam. "Hè, wat een gezeur van morgen," zei Anneke, wie de zweetdroppels op het voorhoofd parelden van de drukte. "Er ligt wel een cent in de toonbanklade, Jantje, je weet wel." "Ja moedel," zei Jan, en weg was hij. Hij greep een handjevol centen en begaf zich naar Mietje. Hij legde een cent in het bakje en zag hem met de grootste belangstelling door de gleuf verdwijnen, want dat vond hij iets zeer geheimzinnigs. Toen de cent weg was, legde hij er een tweeden in, die op dezelfde eigenaardige wijze in de diepte verdween. Daarna een derde, en een vierde, en een vijfde. Dat ging zoo voort tot Jantjes handje leeg was. Mietje was blijkbaar een heel geduldig vrouwtje en zij streek Jantje liefkoozend over zijn kopje. "Wacht even, ik zal del nog meel halen," zei Jantje, en hij voegde de daad bij het woord. De toonbanklade was nog lang niet uitgeput en Jantje vond het heel aardig, dat het orgel zoo lang bleef draaien, en dat de centen zoo mooi in de bus verdwenen. "Flap," daar viel er weer een naar beneden, tot groote pret van Jantje, die er hardop om lachen moest. "Flap," weer een, en nog een, en nog een, tot zijn handje alweer leeg was. En tot zijn groote vreugde draaide het orgel nog maar steeds door, en bleek Mietje vriendelijk genoeg om voor zijn plezier nog een poosje te blijven staan. "Wacht even," zei Jantje, "ik zal del nog meel halen. El zijn del nog genoeg." Nu, dat was waar, en hij kwam al spoedig weer met een handjevol terug. "Flap," ging het alweer, en "flap, flap, flap," volgden de andere. Anneke was zoo druk aan het wasschen, dat zij het heele orgel vergeten was. Gelukkig, dat er nu eens een poosje geen klanten kwamen.... Jantje liep geregeld heen en weer van Mietje naar de lade, en van de lade naar Mietje, wier geduld onuitputtelijk bleek. Jantje vond haar erg zoet, dat ze zoo lang blijven wou en dat hij zoo prettig met het busje mocht spelen. Maar eindelijk was de voorraad centen uitgeput, en daarom begon Jantje met de dubbeltjes, die hij in de lade vond. Gelukkig kwam er juist een meisje den winkel binnen om een half pond suiker te halen en toen ze zag, wat Jantje deed, zei ze: "Zeg, stoute jongen, dat mag je niet doen." Zij nam Jantje de dubbeltjes af, die hij in de hand had, en riep luid: "Vollek!--Vollek!" Opeens bleek Mietje haast te krijgen. Zij wenkte Klaas, die onmiddellijk den slinger van het orgel in rust bracht, en samen vervolgden zij met meer dan gewonen spoed hun tocht. Zij liepen zelfs zonder te spelen verscheidene huizen voorbij, en verdwenen in een achterbuurtje. Jantje was echter boos en begon luidkeels te schreeuwen. Maar zijn Moeder was nog boozer, toen zij van het meisje vernam wat er gebeurd was, en zij gaf Jantje voor zijne broek en zette hem in de woonkamer met bevel, dat hij daar den geheelen middag blijven moest. Klaas Touw en Mietje kregen, toen zij weer met het orgel kwamen, een geducht standje van haar en mochten in geen vol jaar meer aankomen. "Je hebt wel voor een jaar genoeg gehad," zei Anneke boos, "en 't is een schande, dat je het geld aangenomen hebt. Als je fatsoenlijke menschen waart, zou je mij gewaarschuwd hebben." Of Mietje al zei, dat het zoo erg niet geweest was, en dat Jantje maar een cent of vijf in het busje had gedaan, 't hielp haar niets. "Je hebt voor een jaar genoeg gehad, en daarmede is het uit," zei Anneke beslist. Boos deed ze de deur voor Mietje's neus dicht. Vijfde Hoofdstuk. Jantje en de school. Jantje bleef zeer voorspoedig opgroeien. De gewone kinderziekten had hij al lang achter den rug, verkouden was hij nooit, en voor koorts scheen hij geen aanleg te hebben. Hij was buitengewoon levendig van natuur, waarvan het gevolg was, dat zijne Moeder hem zelfs met geen stok in huis kon houden. Eerst had zij daartoe wel alle middelen, die haar ten dienste stonden, in 't werk gesteld, maar tevergeefs. Toen hij nog erg klein was, volgde hij steeds zijn Grootvader als diens schaduw, en dan timmerde hij den geheelen dag, maar toen hij een jaar of vier werd, vond hij daar niet veel pleizier meer in. Hij ging toen liever de buurt op, en was bijna altoos op de smerigste plaatsen te vinden, die er bestonden. Hij zag er daardoor gewoonlijk ontoonbaar uit. De modder zat hem dikwijls tot in de haren, zijne broek was bijna altoos hier of daar gescheurd, en zijn handen zagen zoo zwart als roet. Wel tienmaal op een dag greep Anneke hem bij den arm, nam hem mêe naar de keuken, en boende hem met groene zeep schoon, waarbij de kleine patiënt gewoonlijk een erbarmelijk geschreeuw deed hooren, zoo erg, dat de klanten, die in den winkel kwamen, soms dachten, dat er iemand vermoord werd. In die meening werden zij dan nog versterkt door de noodkreten van Jantje, die op zijn gewonen huilerigen toon niets anders deed, dan schreeuwen: "Ik wou, dat ik dood was! Ik wou, dat ik dood was! Ik moet ook altijd maar gewasschen worden!" Zijn moeder toonde echter niet het minste medelijden en hield niet op, voordat Jantje vanwege de groene zeep blonk als een spiegeltje. 't Was maar jammer, dat het slechts voor zoo korten tijd hielp. Geen tien minuten later zat Jantje weer in de modder te baggeren. Zijn voeten waren meestal kletsnat, want hij bewoog zich graag aan de slootkanten, om naar de kikkers te kijken en watertorren te vangen. Toen hij vier jaar oud was, kwam hij voor het eerst met een nat pak thuis. Hij had kopje-onder in het water gelegen. Dat gaf een schrik bij Anneke, en zij besloot kort en goed hem voortaan in huis te houden. Zij sloot hem in den tuin op. Maar dat beviel haar nog veel minder, want tot haar schrik zag zij hem 's morgens om negen uur al op de vorsten van het schuurtje zitten, en even later kwam hij naar beneden tuimelen. Anneke zag het juist gebeuren, en zij dacht, dat hij wel dood zou zijn. Zij zat als met lamheid geslagen op haar stoel en was niet bij machte om op te rijzen en Jantje te gaan helpen. Dat bleek echter ook niet noodig te zijn, want Jantje sprong dadelijk overeind en klom weer tegen het schuurtje op. Een poosje later zat hij weer op de vorsten. Eerst was hij wel een beetje bleek van den schrik, maar dat werd spoedig beter. Anneke besloot hem niet meer op te sluiten, zoodat Jantje 's middags weer in de buurt rondwandelde. Toen Dik het 's avonds hoorde, moest hij er braaf om lachen, en hij zei: "Wel, wel, kan die hazewindhond zóó klimmen? Kijk Anneke, dat is nu iets, wat ik in mijn jeugd nooit heb kunnen doen, omdat ik zoo dik was. Ik vind het wel aardig." Anneke vond het dat niet, en zij klaagde zóó over de zorg, die zij van den vroegen morgen tot den laten avond over Jantje had, dat Dik besloot hem voortaan, als het goed weer was, maar meê te nemen op den wagen. Dat was een kolfje naar Jantjes hand. Ha, wat vond hij het prettig om naast Vader op den bok van den wagen te zitten. Soms mocht hij de leidsels vasthouden of met de zweep klappen. Van slaan was geen sprake; dat wilde Dik volstrekt niet hebben. Zelf deed hij het ook alleen in bizondere omstandigheden. Het was dan ook werkelijk niet noodig, want de hit van Dik kon verbazend hard loopen. Dat beweerde Dik niet alleen, maar alle menschen op het dorp zeiden het. Die hit was eigenlijk een harddraver en Dik kende geen hit, uren in den omtrek, die zoo hard loopen kon als de zijne. Eén ding was maar jammer. De hit had namelijk wel eens koppige buien, eene kwaal, die ook andere hitten wel met hem gemeen hebben. Als hij in zoo'n booze bui was, bleef hij vierkant op den weg staan met de pooten wijd uit elkander. Dan was er geen beweging in hem te krijgen. Eerst had Dik zijne toevlucht wel eens genomen tot de zweep, hoewel hij daar een geduchten hekel aan had, maar 't had hem totaal niets geholpen. Eindelijk was Dik op 't idée gekomen om hem een klontje suiker voor den bek te houden, en als de hit het pakken wilde, hield hij het weer een eindje verder. Dat hielp goed, want de hit hield veel van klontjes, en liep zijn meester dan dadelijk na. En onder het smullen vergat hij zijn koppige bui, zoodat Dik weer op den bok kon gaan zitten. Als de hit weer eens niet voort wilde, nam Dik dadelijk een klontje suiker, en dan was de zaak in orde. Maar de hit was slim, en telkens als hij trek kreeg in een klontje, bleef hij midden op den weg staan en ging niet verder, vóór hij zijn zin gekregen had. Dat gebeurde spoedig wel al een keer of tien op een dag, zoodat Dik begreep, dat het niet langer ging. Hij gaf den hit geen enkel klontje meer, al bleef hij ook een half uur op den weg staan. Zoo leerde het beest langzamerhand zijn snoeplust weer af. Maar de koppige buien kwamen telkens terug. Wel niet dikwijls, maar toch te veel naar Dik's zin. 't Was overigens een prachtige hit, die zijns gelijke niet had in het loopen. Dik hield dan ook bizonder veel van hem, en Jantje vond het wát heerlijk, als het lieve paardje zoo lustig voor den wagen draafde. En Dik vond het prettig, als de kleine Jan naast hem op den bok zat. Als 't mooi weer was, mocht Jantje altoos met hem mee, en dat gaf Anneke heel wat rust. Deze had het trouwens al druk genoeg met den winkel. Eindelijk werd Jantje vijf jaar en toen moest hij naar school. Maar daar had hij in 't geheel geen zin in. Het vrije leventje en de toertjes met zijn vader bevielen hem veel te goed, en hij hield stijf en strak vol, dat hij nooit en nooit naar school wilde. Toch moest het gebeuren, en Dik bracht hem er zelf heen. Och, och, wat schreeuwde de kleine baas, en wat deed hij eene moeite om los te komen. Maar dat lukte hem niet, want zijn vader hield hem stevig vast. Hij schreeuwde nog, toen hij door de Juffrouw in ontvangst werd genomen, en hoeveel moeite zij ook deed om hem tot bedaren te brengen, 't hielp haar niets. De andere nieuwelingen keken hem met de grootste verbazing aan. Zulk schreeuwen hadden zij blijkbaar nog nooit gehoord. De Juffrouw werd er zenuwachtig van, en wist eindelijk geen raad meer met het kereltje. 't Was haar onmogelijk iets te beginnen, want Jantje overschreeuwde haar stem wel tienmaal, zoodat niemand haar kon verstaan. Maar opeens kwam hij tot bedaren, tot groote verwondering en even groote blijdschap van de Juffrouw. Hij veegde zijne oogen af met de mouwen van zijn jasje, en stak toen parmantig den vinger op. De Juffrouw lachte hem vriendelijk toe, en vroeg: "Wel kleine man, wat is er?" "Juffrouw, wanneer begint de groote vacantie?" vroeg Jantje. De Juffrouw schoot in een lach, en zei: "O hé, dat duurt nog een heelen tijd, Jantje. Dat duurt nog wel eene maand of drie." "Vandaag nog niet?" vroeg Jantje, wiens lippen weer zenuwachtig begonnen te beven. "Neen, vandaag nog niet, Jan. Maar dat hindert niet. 't Is hier in de school ook wel prettig." Jantje was dit echter in 't geheel niet met haar eens, wat duidelijk bleek uit het feit, dat hij het weer verschrikkelijk op een schreeuwen zette. Er kwam geen einde aan. Jantje kreeg zelfs al spoedig gezelschap, want een paar andere nieuwelingen werden door zijn verdriet dermate aangestoken, dat zij ook hunne stem verhieven, en met Jantje om 't hardst schreeuwden. Jantje keek even om, ten einde te zien, waar die nieuwe geluiden vandaan kwamen, en zette daarna de zaak op den ouden voet voort. 't Was eindelijk langer niet uit te houden, en de Juffrouw besloot hare toevlucht tot krachtige maatregelen te nemen. Zij stapte op Jantje af, greep hem bij den arm, en zette hem in den hoek. Maar Jantje schreeuwde daardoor niet harder of zachter. De zaak liet hem volkomen koud. Daarom zette de juffrouw hem in een klein kamertje, dat als boekenkast gebruikt werd, en zij deed de deur achter hem dicht. Eerst had zij geducht op hem gebromd. "Dáár dan, stoute jongen," had ze gezegd. "Als jij niet naar verbieden wilt luisteren, moet je maar heelemaal alleen in de boekenkast zitten. Daar mag je schreeuwen, zoo hard je maar wilt." Jantje volgde dat bevel echter in 't geheel niet op. Hij vond het in die boekenkast heel vreemd, want zóoveel boeken had hij nog nooit bij elkaar gezien. En in den achtermuur was een raampje, dat bij mooi weer opengezet werd, omdat er anders zoo'n vunzige lucht in de kast kwam. Toen Jantje de boeken bekeken had, wat niet lang duurde, deed hij het raampje open en klom behendig naar buiten. Ha, daar in de vrije natuur vond hij het pas heerlijk. Hij veegde de laatste tranen van zijn gezicht, stak zijn handen in de broekzakken, en zakte zingende op huis af. Anneke keek wát gek op, toen zij hem om half elf binnen zag komen. "Mocht jij naar huis toe, Jan?" vroeg ze. "Ja, Moeder," zei Jan, "de Juffrouw bracht me zelf in een kamertje, waar een raam was om er uit te kruipen. O Moeder, dat was zoo'n mooi kamertje, allemaal boeken, wel honderd millioen drie honderd duizend en nog veel meer." "In een kamertje met boeken, en een raam, waar je door moest kruipen? Dat begrijp ik niet, kind," zei Anneke. "Enfin, 't is al half elf. Blijf nu maar thuis." Dat deed Jantje met het meeste genoegen. Maar de juffrouw, die na eenige minuten wachtens merkte, dat er geen geluid meer uit de boekenkast kwam en daarom besloot Jantje maar weer in de klasse te halen, schrikte geducht, toen zij de kast ledig vond. "Als het kind maar geen ongeluk gekregen heeft!" zuchtte ze. En ze stuurde dadelijk een jongen uit de hoogste klasse naar zijn huis, om te vragen, of hij daar was. "Ja, hier ben ik," zei Jantje, nog voordat zijn Moeder gelegenheid had gehad iets te antwoorden. "En ik wil nooit meer naar school.--Vast niet!" Juist op dit oogenblik kwam Dik binnen, die even naar de smederij van Piet van Dril was geweest, om zijn hit te laten beslaan. "Wat is er aan de hand, Anneke?" vroeg hij. En nauwelijks had hij gehoord, wat Jantje gedaan had, of hij pakte hem bij zijn arm en bracht hem weer naar school, waar Jantje onder een vervaarlijk geschreeuw zijn intocht deed. "Juffrouw," zei Dik, "als hij niet ophoudt met schreeuwen, mag hij nooit meer mee uit rijden. Dat zèg ik en dat méén ik." Die bedreiging hielp dadelijk. Jantje deed zijn mond dicht en gaf geen kik meer, tot groote vreugde van de Juffrouw. Voor Jantje was er geen zwaardere straf te bedenken dan dat hij niet meer met zijn vader uit rijden mocht. Toen hij eenmaal tot bedaren gekomen was, zette hij zich met ijver aan de studie, en het bleek weldra, dat hij de vlugste van de geheele klasse was. Hij kende de letters al, als hij ze nog maar eenmaal gezien had, hij schreef het mooist, en hij rekende beter dan iemand anders. De Juffrouw vond hem bepaald een vluggertje. Maar omdat hij altoos 't eerst met zijn werk gereed was, had hij ook steeds tijd over, en dan werd hij ondeugend. 't Duurde dan ook maar kort, of de Juffrouw zei altoos, als ze van hem sprak: "De jongen heeft drie bijzondere eigenschappen: hij is de vlugste, de ondeugendste en de magerste jongen van de geheele school." En dat was ook zoo. Hij deed altoos kattekwaad, als hij zijn werk afhad. Naast hem zat Karel van Dril, de zoon van den smid. Jan kende hem al lang voor hij naar school ging, omdat hunne ouders zeer bevriend waren en dikwijls bij elkaar op visite kwamen. Karel kon vrij goed leeren, maar met het rekenen had hij het eerste jaar nog al moeite. Hij verwarde altijd de 3 met de 8 en de 6 met de 9, waardoor de uitkomst natuurlijk niet goed kwam. Ook gelukte het hem maar zelden, om een leesbare 5 te schrijven. Als Jantje zijn werk al afhad, was Karel nog niet op de helft. En toch deed hij erg zijn best. Hij hoorde dan niet eens, wat Jantje hem toefluisterde, en eigenlijk hoorde hij zelfs niet, dat er wat tegen hem gezegd werd, zoo verdiept was hij dan in zijn werk. Die rekensommen kostten hem menigen zweetdroppel, en hij kon er bij zuchten als een stoommachine. Jantje was dan niet in de mogelijkheid om een gesprek met hem aan te knoopen, en moest zich dus op andere wijze zien te vermaken. In den knikkertijd speelde hij met zijn knikkers, die hij dan zoo dikwijls telde, tot ze eindelijk met groot lawaai op den grond terecht kwamen. Dan was Holland in last. Hij raakte zijne knikkers kwijt en kreeg nog straf op den koop toe. Eens in den toltijd had hij zijne tollen zitten bekijken, die hij onder de tafel in de handen hield. Eindelijk haalde hij zijn tolsnoer te voorschijn en ging er op zijn manier mee zitten hengelen. Dan verbeeldde hij zich, dat hij tuk kreeg, en als hij dan ophaalde, zag hij er snoeken of karpers aan. Toen hij visch genoeg gevangen had naar zijn zin, bedacht hij een ander spelletje. Hij slingerde het touw om zijn rechterbeen en om het linkerbeen van Karel, die zoo in zijne sommen verdiept zat, dat hij er niets van merkte. En Jantje bond de beenen stijf aan elkander. Toen diepte hij zijne tollen weer op, om ze voor de honderdste maal nog eens te bekijken. De Juffrouw zag, dat hij zat te spelen, en verbood het hem, maar zij was zoo druk bezig met hier en daar een achterlijk kind voort te helpen, dat zij niet veel aandacht aan Jantje kon wijden. Maar inwendig was zij toch wel boos op hem, want zijne lei was al eens met een harden smak op den grond gevallen, en nu kwamen plotseling weer al zijn tollen op den vloer terecht, tot groot vermaak van de andere jongens, waarvan er eenige hardop begonnen te lachen. Nu werd de wanorde de Juffrouw toch wel wat al te groot. Met forsche schreden stapte zij op Jantje toe, greep hem driftig bij den arm en wilde hem de bank uittrekken. "Allo, ondeugende jongen, vóór de klasse! Direct!" En zij trok zoo hard, dat Jantje wel mee moest. Maar o wee, zijn rechterbeen zat aan het linker van Karel vast, zoodat Kareltje óók mee moest,--tot zijn groote verbazing. "O Juffrouw! Mijn been! Mijn been!" schreeuwde Karel. "Houd jij je mond!" riep de Juffrouw boos, en zij trok nog harder aan Jantjes arm. Jantje viel half de bank uit, en Kareltje volgde zijn voorbeeld. "O Juffrouw, mijn been!--Mijn been zit vast!" "'t Kan me niets schelen,--vooruit bengel!" riep de Juffrouw. Maar Jantje kon niet verder. Het blok aan zijn been was te zwaar, en de Juffrouw begon eindelijk te begrijpen, wat er aan de hand was. Toen werd zij nog veel boozer, vooral toen de andere kinderen hun lachen niet konden inhouden. Zij nam haar zakmesje en sneed het touw in verscheidene stukken. Jantje werd in den eenen hoek gezet, en Kareltje, die dood-onschuldig was aan 't geheele zaakje, in den anderen. Maar Karel protesteerde. Hij wou geen straf hebben, omdat hij niets gedaan had, en toen de Juffrouw eindelijk goed op de hoogte kwam van het gebeurde, vond zij ook, dat hij geen straf had verdiend. Hij mocht dus weer gaan rekenen, maar Jantje moest schoolblijven, was zijn tolsnoer kwijt, en zag ook zijne tollen, die de Juffrouw hem afgenomen had, in de kast verdwijnen. Toen hij 's middags om half een verlof kreeg om naar huis te gaan, vroeg hij met een deemoedig gezicht, of hij asjeblieft zijn tollen terug mocht hebben. Maar daar was geen denken aan. "Met Nieuwjaar!" zei de Juffrouw kortaf. En daar was de zaak meê afgeloopen. Jantje had niet erg veel plezier van de grap, want nu kon hij 's avonds niet meer met de andere jongens meedoen, als zij potje-tolden. En dat deed hij juist zoo graag. Hij was trouwens een liefhebber van alle mogelijke spelletjes. Was het in den toltijd, dan vond hij dat het prettigste spel van de wereld, was het in den knikkertijd, dan vond hij dát weer 't mooist. En zoo ging het met alle spelen, die door de jongens werden gedaan. Maar 't állerprettigst vond hij toch den sneeuwtijd. Iets heerlijkers was er volgens hem niet te bedenken. Zijn grootvader had voor hem een slee gemaakt, en daar gleed hij elk vrij uurtje mede van een hoogen dijk af. Ha, wat ging dat echt. En zoo vlug! 't Was net of hij naar beneden viel, maar 't liep altoos erg best af. Hij moest wel oppassen, dat hij in zijne vaart niet in een sloot terecht kwam, die langs den dijk liep, maar Jantje wist zich met zijne klompen zoo netjes te sturen, dat hij altoos vlak langs de sloot zijn draai kon nemen. Dat mislukte hem nooit. Op de speelplaats van de school vermaakte hij zich met het gooien van sneeuwballen. Ieder, dien hij maar raken kon, kreeg er een tegen zijn muts of in zijn hals, en dan had Jantje de grootste pret. Maar dan kreeg hij ook rijkelijk zijn portie terug, want de andere jongens lieten zich niet ongestraft bekogelen. Toch hadden zij het tegen Jantje altijd kwaad te verantwoorden, want hij was zeldzaam vlug in zijne bewegingen en kon best mikken. Bovendien zorgde hij er steeds voor, een goeden voorraad sneeuwballen in zijn broekzakken te hebben, zoodat hij ze, als de nood aan den man kwam, maar voor het grijpen had. Dan vlogen de kogels den jongens als het ware om de ooren, en meestal eindigde het gevecht met een smadelijke vlucht van zijne tegenstanders. Eens op een avond echter, om vier uur, toen hij uit de school naar huis ging, kreeg hij onverwachts met zooveel kracht een sneeuwbal achter in zijn nek, dat hij niet kon nalaten au te roepen. 't Deed hem dan ook geducht pijn, want 't was een verbazend harde sneeuwbal geweest, veel harder, dan hij ze ooit gooide. 't Was eigenlijk een valsche streek, en toen hij omkeek, zag hij dat een jongen uit de buurt de dader was. Die jongen heette Klaas Zwart, en stond niet al te gunstig onder zijne kameraadjes bekend. Jan zag, hoe Klaas er om lachte, dat hij hem zoo geducht geraakt had, en hij werd er erg boos om. "Dat is valsch, leelijkerd," riep hij Klaas toe. "Jij gooit met sneeuwballen, waar een steen in zit. Maar ik zal het je betaald zetten, wacht maar!" "'t Is nietes!" riep Klaas terug, zich op een eerbiedigen afstand houdende, "er zat geen steen in." "Kom op als je durft!" schreeuwde Jantje hem toe, wiens nek prikkelde van de pijn. Het koude water liep hem langs zijn ruggestreng. Maar Klaas durfde niet. Hij bleef op eenigen afstand staan, gereed om te vluchten. "Lafaard!" riep Jantje. "Kom op, als je durft.--Je durft niet, hè, daar ben je te bang voor! Leelijke gluiperd!" Hij keerde zich verontwaardigd om en liep naar huis. Maar den volgenden morgen ging hij vroeg naar de speelplaats, maakte een flinken voorraad sneeuwballen, die hij als kogels op elkander stapelde, en stopte toen ook nog zijn broekzakken vol sneeuwballen voor het geval, dat Klaas op de vlucht mocht slaan, en hij hem dus achtervolgen moest. Zoo gewapend wachtte hij de komst van zijn vijand af. Zijne broekzakken puilden wijd uit van de sneeuwkogels, en hij kon er veel in zijn zakken bergen, want hij had wijde broekspijpen, en zijne dunne beentjes namen niet veel plaats in. Eindelijk verscheen Klaas op de speelplaats. Maar hij was op zijn hoede, want hij vertrouwde Jantje niet erg. Hij kreeg hem dan ook al spoedig in het oog, en meende hem door een vriendelijk praatje wat zachter te stemmen. Er waren nu al verscheidene jongens op het plein. "Zoo Jan," riep hij zijn vijand toe, "ga je van middag mee op mijn slee?" "Op je gezicht kun-je krijgen," riep Jantje terug. "Kom op, als je durft, dan zullen wij sleden!" "Hij durft niet!" riepen de andere jongens lachend, toen zij zagen, dat Klaas bleef staan. "Hè, wat een bangerd! Kijk hem nu eens staan, zoo'n hufter!" "Toe dan, Klaas, kom op!" tartte Jantje. Hij nam een sneeuwbal van zijn stapel, en wierp hem Klaas vlak in 't gezicht. Zijn neus zat dik onder de sneeuw, en Klaas kreeg er sterretjes van voor zijne oogen. "Lekker zoo! Goed zoo!" riepen de jongens. "Geef hem zijn portie, Jan!" "Flap!" Daar kreeg Klaas den tweeden, ditmaal tegen zijne muts, die hem van het hoofd vloog, tot groote pret van de jongens, die in het rond sprongen van pleizier. Want zij hielden niet erg van Klaas. Maar Klaas werd nu toch woedend, en hij vergat zijne vrees. Vlug bukte hij zich om een sneeuwbal te maken, doch voordat hij daarmede gereed was, kreeg hij er een van Jan tegen zijn linkeroor. Toen wierp Klaas er Jan een tegen zijn schouder, maar hij kreeg er dadelijk wel drie voor terug. "Houd-je goed, Jan, toe maar!" schreeuwden de jongens. 't Werd een verwoed gevecht, en Klaas verweerde zich dapper, maar hij verkeerde in veel ongunstiger omstandigheden dan Jantje, daar deze de ballen al gereed had liggen. Jantje nam er een stuk of vier in zijne hand, en vloog op Klaas af. Maar dat was Klaas te veel, en hij zette het op een loopen. Jan hem achterna. "Daar gaat hij loopen!" schreeuwden de jongens. "Houd-je goed, Jan!" Klaas liep, wat hij loopen kon, en Jan volgde hem op de hielen. Telkens voelde Klaas een sneeuwbal tegen zijn achterhoofd of in zijn nek terechtkomen, en 't huilen stond hem nader dan het lachen. Tot opeens Jantje misgooide, en zijn sneeuwbal in een ruit van de school terecht kwam. De scherven vielen rinkelend naar beneden, en op 't zelfde oogenblik kwam de hoofdonderwijzer naar buiten, die Jantje bij zijn kraag pakte en hem in een hoek van de school zette, niet ver van de kachel. "Jij blijft om twaalf uur wachten, hoor baasje!" zei de meester. "Ik moet je dan eens vragen, hoeveel geld je wel in je spaarpot hebt. 't Is er nu te laat voor, want de school gaat aan." Inderdaad werden de deuren geopend en de kinderen binnengeroepen. De Juffrouw kwam naar Jantje toe en bromde ook op hem. "Stoute jongen," zei ze, "moet jij hier de glazen ingooien? Je bent niet bij je moeder thuis." "Daar mag ik het ook niet doen, Juffrouw," zei Jan op deemoedigen toon, en de Juffrouw begreep, dat zij zich niet al te juist had uitgedrukt. "Houd je mond, brutale jongen," zei ze. Ze ging voor de klasse staan en begon met hare werkzaamheden. Jantje vond het niet prettig in dien warmen hoek bij de kachel, want hij leerde veel liever met de andere leerlingen mêe, en bovendien was hij al erg warm van het sneeuwballen zoodat hij het bij de heete kachel bijna niet kon uithouden. Deze stond dan ook rondom gloeiend, want ze was nog niet lang geleden aangelegd, en het lokaal moest eerst door en door verwarmd worden. Jantjes handen begonnen al gauw te tintelen, zoo erg, dat hij er bleek van werd. Maar dat ging spoedig over, en Jantje voelde zich al weer wat lekkerder worden, toen hij opeens een onaangenaam gevoel langs zijne beenen kreeg. 't Was net, of er een straaltje koud water langs liep. Eerst begreep hij niet, wat dat wezen kon, maar toch voelde hij het duidelijk. 't Liep langs zijne dijen, passeerde zijne knieën en kwam eindelijk in zijne kousen terecht. Al spoedig snapte hij, wat er aan de hand was. 't Waren de sneeuwballen, waarmede hij zijne broekzakken had gevuld, die bij de heete kachel langzaam begonnen te smelten. Hij voelde, dat zijne kousen nat werden, en hij begreep, dat het zaakje leelijk voor hem kon afloopen. Hij hoopte echter, dat de sneeuwballen niet zóóveel water zouden geven, dat het de aandacht van de Juffrouw zou trekken. Doch onophoudelijk liepen kleine straaltjes water langs zijne dunne beentjes naar beneden, en toen hij zijne voeten even verzette, merkte hij, dat zijne kousen al kletsnat waren. Angstvallig hield hij zijn blik op zijne voeten gericht. En waarlijk, daar zag hij tot zijn grooten schrik, dat er zich rondom zijne voeten een klein meertje begon te vormen, dat langzaam maar zeker grooter werd. 't Nam steeds in omvang toe, zoodat Jantje zich hoe langer hoe minder op zijn gemak voelde. Gelukkig was de Juffrouw met zooveel ijver aan het werk, dat zij Jan geheel vergeten was. Eindelijk was de plas rondom Jan zóó groot geworden, dat hij de aandacht trok van Klaas Zwart, wiens haren nog druipnat waren van de sneeuwballen, waarop Jan hem had getracteerd. Nauwelijks had hij hem gezien, of hij stak met veel bombarie zijn vinger op, en riep: "Juffrouw! Juffrouw! Jan Trom heeft wat op den grond gedaan!" Die tijding gaf eene heele opschudding in de klasse. De kinderen gingen half in de banken staan en rekten de halzen, om goed te kunnen kijken. En de Juffrouw keerde zich om en keek heel vies naar de plaats, waar Jantje stond met beschaamde kaken. Hij zag rood tot achter zijne ooren. "Vieze jongen!" riep de Juffrouw hem toe. "Waarom heb je me niet gewaarschuwd?" "'t Is niet waar, Juffrouw!" riep Jan, huilend van verontwaardiging "Ik had sneeuwballen in mijn zak, en die zijn bij de heete kachel gesmolten." En om te bewijzen, dat hij de waarheid sprak, stak hij zijn handen in de zakken, en dolf er de half gesmolten kogels uit op. De Juffrouw schoot in een geweldige lachbui, en de kinderen moesten ook zoo lachen, dat zij bijna niet tot bedaren konden komen. Jantje mocht naar huis om droge kleeren aan te trekken. Zijn vader keek hem eerst heel boos aan, toen hij hem zoo tusschentijds zag binnenkomen, maar toen hij hoorde, wat er gebeurd was, moest hij er ook smakelijk om lachen, en hij vertelde het aan alle klanten, die dien dag in den winkel kwamen. Toen Jan 's middags weer naar school ging, gaf zijn vader hem de opdracht om eerst naar den glazenmaker te gaan en hem te verzoeken, de gebroken ruit door een andere te vervangen. Zoo liep dat zaakje voor Jantje nog al goed af. Maar op Klaas Zwart was hij meer dan boos, want hij vond hem een valschen jongen en een laffen klikspaan. Zesde Hoofdstuk. Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux. Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau van hem zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau dat was, en hij hield niet op met zeuren. Zijn Vader wilde het echter niet zeggen. "Morgenochtend zul-je het wel zien," zei Dik. "Is het mooi?" vroeg Jantje. "Erg mooi," was het antwoord. "Erg prachtig mooi?" hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van nieuwsgierigheid. "Ja," lachte zijn Vader, "erg prachtig mooi. Zóó mooi, zóó mooi, dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is." "Waar lijkt het op?" vroeg Jan polsend. "Op onzen hit," zei zijn vader. "O, zeker een paardje op wieletjes?" zei Jantje met een opgetrokken neus. "Dát is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig. Toe Moeder, zegt u me maar, wat het is.--Toe." "Neen Janneman, dat zeg ik niet," zei zijne moe. "Morgenochtend zul je 't wel zien." Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen op eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een beproefd middel was. Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje bij zijn kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje doodbedaard onder den grond. "Zie zoo, kereltje," zei Dik, "daar mag je schreeuwen, zoo lang en zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar." Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde: "Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!" "'t Is nog maar half zes!" zei zijn vader. "'t Doet er niet toe, 'k wil tóch naar bed, dan is het veel gauwer morgenochtend!" schreeuwde Jantje. "Ook al goed!" zei Dik. Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later sliep hij als eene roos. Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan zijn cadeau. "Vader!" riep hij zoo hard hij kon,--"Vader, wat krijg ik nu van u? Ik ben jarig!" "Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt," zei Dik, die het lang niet prettig vond, dat hij wakker gemaakt werd. "De nacht begint pas. Ga maar weer slapen." Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook waarlijk in, maar 't duurde slechts kort. 't Was nog vóór twaalven, toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen, dacht hij. Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus. "Hei, ho, wat is dat?" riep Dik verschrikt uit, want hij vond het een vreemde manier om gewekt te worden. "Vader, ik ben jarig!" riep Jantje hem toe. "Welk cadeau krijg ik nou van u?" Maar zijn vader werd terdege boos. "Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor, krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo, pak je weg, naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?" Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei knorrig: "Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?" Neen, dat kon Jantje in 't geheel niet bekoren, en hij maakte gauw, dat hij weer in zijn bed kwam. Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten, en vond, dat de nacht vreeselijk lang duurde. "Er komt nooit een einde aan," mompelde hij zacht. "Weet je wat, ik ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan altijd vanzelf in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij helpt het niet. Zeventien, achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje wezen? Ik denk van een bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig, negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd hè, hè, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en een, honderd en twee, hè, ik wou dat ik een zak met tachtig knikkers kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, hò, dat is fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig, en een heele poos geleden was ik al bij honderd,--dan maar van voren af: een, twee, drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol, knikkers, zes, drie, zeven, ... twee, jarig, zes..." Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken. Hij nam een touwtje, wond den tol op, en trok hem af. Hà, wat stond hij prachtig, en er kwam muziek uit, precies als uit het orgel in de kerk of het draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging bovenop den kop van den tol zitten, en draaide uit alle macht in de rondte. Jongen, wat ging dat mooi, 't werd hem geel en groen voor de oogen, en de tol wist niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren, zoodat Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond.... Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen was, en dat het nog al geen dag werd. Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven. "Neen," zei hij zacht, "'t is bepaald al lang dag, en 't is hier alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt zich zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen, zóó stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als dan de zon naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd opkijken." Zoo gezegd, zoo gedaan. Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den poot van de tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen. "Au!" riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker van. Deze draaide zich in zijn bed om. Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken. Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik, en duwde het open. Maar 't bleef donker in de kamer; het was tot zijne groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van een diepen zucht, maar weer naar zijn bed terug te keeren, doch op den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel, zoodat dit voorwerp met veel lawaai op den grond terecht kwam, en in scherven uit elkander spatte. Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest, vlogen in hun bed overeind. Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn vaders beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te pakken, en riep: "Jongen, ben je nu alwéer uit je bed?" Maar Jantje had zich zoo vlug als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder de dekens. "Neen Vader," zei hij, "ik ben hier." Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet. "Ja, nú ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht wakker. Als ik je wéér hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!" "Opeten, Vader?" vroeg Jantje verschrikt. "Kan het dan opgegeten worden?" "O ja," zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, "'t Smaakt wat lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van." "En 't lijkt op een hit?" zei Jan spijtig. "Dat heeft u zelf gezegd." "Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!" riep Dik terug. "Maar ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren." Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg, of een zak met knikkers. "Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?" dacht hij. De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe, en sliep werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker. Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat het nog altijd nacht was. "Moe,--Moeder!" riep hij zacht. Maar er volgde geen antwoord. "Moeder!--Moeder!" klonk het wat harder. Moeder sliep door. "Moeder!--Moeder!--Is het nóg nacht," riep Jantje met luider stem. Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos. "Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!" riep hij uit. "Wat wil je toch?" "De nacht duurt zoo lang!" huilde Jantje. "Wil u de luiken vast openzetten? 't Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter." "En de zon zeker ook," zei Dik. "Ga lekker slapen, jongen, dan is het morgen vóór je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond houden, hoor." "Wel te rusten," zei Jantje met een snik en een zucht. Nu kon hij echter den slaap in 't geheel niet meer vatten, en hij verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot duizend te tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen. Eerst stak hij zijn voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen. "Nu is het een hooge berg," dacht hij. "Wacht ik zal er een man boven op zetten, dan kan hij ver zien." Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar de man viel telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn hoofd te liggen. Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg instorten, zoodat de man geheel bedolven werd. "Nu is hij morsdood," zei Jan. "Wacht, ik zal stil een stoel in mijn bed halen. Dat is veel leuker." Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt. Hij legde den stoel voorover, en ging er op zitten. "Huup hit," zei hij. "Nu draven, zoo hard je kunt." Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven was. Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap op de sporten. "Au," zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af, omdat de pijn daardoor gauwer beter werd. Toen zette de hit het op een loopen. Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop langs den weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens begon hij te steigeren. "Ha," mompelde Jantje, "hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht, ik zal hem leeren!" Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver, greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in de hoogte. O, o, wat steigerde dat beest woest! "Huupla," schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn bed. Hij werd er half wakker van. Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje verbeeldde zich, dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje met hit en al uit zijn bed op den grond. Dat gaf een lawaai! "Heeremenschen!" gilde Anneke, die verschrikt opvloog. "Daar valt het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er onder. Hoor me dat kind eens gillen!" Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag hij? Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was. En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst, want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor zijn broek zou geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan. Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen. "Wat voer je toch uit, jongen?" vroeg hij. "Je doet niet anders dan spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker." "O Vader," schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje, dat zijn Vader hem straffen zou, "ik was aan 't paardje-rijden op onzen hit, en toen steigerde hij zoo,--o, o, o, en toen vielen we alle twee het bed uit." Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit meê. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed. "Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen, als het dag wordt. Wel te rusten." "Wel te rusten," zei Jantje. "Maar dit weet ik wel, dat een nacht véél en véél langer duurt, dan een dag." Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt. "Vader!--Vader!" hoorde hij roepen. "Jongen, wat verveel je me vannacht," was zijn antwoord. "Wat is er nu weer?" "Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?" vroeg Jantje met iets twijfelmoedigs in zijne stem. "Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt." "Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?" "Neen, nog nooit," zei Dik met een zucht. "Kijk maar door het raam. 't Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje geslapen hebt, is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen." "Ja Vader," zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend te tellen. Maar 't hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij stilstond. Hoe hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch ging de klok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer. Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed. "Vader," riep hij luid, "nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe Vader, wat krijg ik nu van u?" "Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben je echt jarig, en ik feliciteer je wèl." Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet minder hartelijk pakte. Dik kleedde zich spoedig aan, en zei: "Kom meê, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je bevallen zal." Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid. "Kan ik het echt opeten?" vroeg hij. "Neen, dat was maar gekheid," zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur, en stapte met zijn zoontje binnen. En wat zag Jan daar? Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit, stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op zijn kop en een lange sik aan zijn kin. "Die bok!" riep Jantje verrukt uit. "Is die bok voor mij?" "Ja, die bok is voor jou," zei Dik lachend, en hij zag met innige blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte. Jan sprong als een kleine dolleman in 't rond, en hij klapte in de handen. "O, dank u, dank u!" riep hij uit. "O, o, wat een mooie bok is dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!" "Ja, hè?" zei Dik. "En een sik!" ging Jan voort. "Bè, bè, bè-è-è-è!" blaatte de bok. Jantje's vreugde kende geen grenzen. "O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem," riep Jan opgetogen. In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet van gediend, want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig tegen Jans smalle buikje, dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam. "O, dat mag hij wel doen," zei Jantje, die in zijn bok allerminst eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop hij schielijk overeind en maakte zich uit de voeten. "Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?" vroeg hij, want dáár kon de bok hem niet tegen een muur stooten. "Wel zeker," zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving. Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd, behalve aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht daar soms wel eens graag hengelen. Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem staan, en streelde hem met zijne hand langs den nek. Hij was méér dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan, ook toen Jan hem zijn arm om den hals sloeg. "Wat is hij mak, Vader," zei hij. "Ja, daar heb ik hem ook op gekocht," zei Dik. "'t Moet een mak beest zijn, en een flink looper." "Hè ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben," zei Jantje begeerig. "Wat zou ik rijden." Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok scheen het in 't geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten. "Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?" vroeg Jantje. "Wel ja, ik denk het wel," zei Dik. "Hij is sterk genoeg, en zal niet in tweeën breken." Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn achterpooten in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog. Vader Dik schaterde het uit van de pret. "Houd je goed, Jantje", riep hij zijn zoontje toe. "Laat je niet van de vliegen steken!" "Be, bè, bè-è-è-è!" schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje toch haast van zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen holde hij het bleekveld over. 't Ging vliegensvlug, en Jantje vond 't razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen. De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens pardoes in de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren èn bok èn berijder onder 't water verdwenen. Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar daar zag hij niets. Ja toch, er verscheen een hoofd boven water.... Helaas, 't was de kop van den bok. 't Kroos zat hem aan de groote kromme horens. "B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" blaatte hij angstig. "Jantje! Jantje!" schreeuwde Dik. Daar verscheen ook Jantje's hoofd boven de oppervlakte. "Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!" Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren. "B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" schreeuwde de bok. Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend van het water. "O Vader, m'n bok! M'n bok!" jammerde Jantje. Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den bok. 't Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest op den wal te krijgen, doch het gelukte hem toch. Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken, en de bok moest in den stal. Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,--want dat alles gebeurde zeer vroeg in den morgen--en hielp Jantje aan droge kleeren. De kleine vent stond te bibberen van de koû, maar hij was toch erg blij met zijn bok. "B-b-b-b-b--wat een b-b-b-b--mooie b-b bok, Moeder," zei hij opgetogen, terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen. En zijn spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon. "Dat was me daar 'n mooie geschiedenis!" zei Dik binnenstappende. "Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me dat beest pardoes in de sloot. 't Was een bespottelijk gezicht." "Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?" vroeg Jantje. "Of hij!" zei Dik. "Zou hij b-b-b-b--niet dood--b-b-b-b gaan?" vroeg Jantje, niet zonder eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad kon hebben gedaan. En hij vervolgde: "Hè b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben ik koud." "Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dik, "Je gaat ook direct weer naar je bed, om goed warm te worden, door en door warm." Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar werd hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar dekens extra bijgedaan. Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten, om weer naar zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij zeggen wou: "Dat was een rare geschiedenis, hè Jan?" Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem. "He," dacht hij, "als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had ik vast maar een wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me wel aan helpen.--Wacht, daar hoor ik Grootvader in zijn tuintje. Ik ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zoo'n mooien bok heb gekregen." Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en féliciteerde hem met zijn verjaardag. En ze zei: "Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin." "En o, Grootmoê," zei Jan, "ik heb zoo'n prachtigen bok gekregen van Vader en Moeder, toch zòò mooi, o zoo mooi!" Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar. "Een bok?" riep zij opgetogen uit. "Een echte, levende bok?" "Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij van kwaadheid de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?" "Dat je in de sloot gelegen hebt?" "Neen, dat ik een bok heb," lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin in, naar Grootvader. Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet. "Dag Jan, wèl geféliciteerd met je verjaardag." "Dank u, Grootvader!" schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader hem anders niet verstond. "Ik heb een bok gekregen! O, zoo mooi. Gaat u mee kijken?" "Wat moet jij met eene klok doen, kind?" vroeg Grootvader, die zich hield, of hij hem niet verstaan had. "Neen, neen, geen klok, maar een bok!" schreeuwde Jantje. "Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?" ging Grootvader plagend voort. "Ik zou hem maar aan den slager verkoopen!" Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan. "Dat nooit!--Nooit, hoor Grootvader!" riep hij uit. Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs zijn neus. Eindelijk zei hij: "Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar eens mee naar 't schuurtje." "Dat zou mooi wezen, Grootvader," zei Jantje blij. De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waar een prachtige bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt had. O, o, wat lachten Grootvader en Grootmoeder ondeugend. "Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?" Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet te gelooven. "Of ik het mooi vind?" stamelde hij met bevende lippen, "'t Is prachtig mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!" En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek er bijna onder. Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk moesten zien. "Had ik nu nog maar een tuig," zei Jantje, "dan was ik heelemaal klaar. Ha, wat zou ik rijden!" "In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen," zei z'n moeder. "Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen wil, nog wel een goed tuigje van te maken." "Oude riemen?" zei Jantje, "hebben wij nog oude riemen? Die zouden mij goed te pas komen." Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken. In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk van zijne moeder. Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon als een dolle door de kamer te springen. "Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!" klonk het. Dat kwam van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig bevestigd waren. "Hoor eens! Hoor eens!" riep Jantje verrukt. "O, o wat mooi. O, ik weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen, Vader! Laten we hem dadelijk inspannen!" Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte in. "Waar is mijn zweep?" vroeg hij. "Hier," zei Dik. "Maar één ding mag je nooit vergeten: sla den bok niet, als het niet noodig is." "Slaan, Vader?" vroeg Jantje. "O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep is alleen maar voor 't mooi. Huup bok! Allo!" Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders keken hem lachend na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf. "Als hij maar niet in de sloot rijdt!" zei zijne moeder, die wel een beetje bezorgd was. "Laat hem maar begaan," zei Dik met vadertrots. "Hij is mans genoeg, de kleine baas. Wat is 't een mooi stelletje, hè?" En grootvader zei: "Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,--en dat is-ie." "Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou," lachte Dik. Zevende Hoofdstuk. Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een dwaze vertooning maakte. Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg, met den kop fier opgeheven, en Jantje hield de leidsels in de eene en de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden sierlijk heen en weer, en de bellen rinkelden zoo mooi, dat het een lust was om te hooren. Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die keek zijne oogen uit naar 't mooie spannetje. Hij was er jaloersch op, maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie span te bewonderen. "Dat is een prachtig stelletje, Jan!" zei hij, nadat hij Jantje gefeliciteerd had. "De bok is mooi, de wagen is mooi, het tuig is mooi, en het koetsiertje is ook mooi." "Alleen een beetje mager," zei Jan Vos, de metselaar, die juist voorbij liep. "Mag ik met je meerijden?" vroeg Karel. "Toe zeg, schik een eindje om, dan kom ik naast je zitten." Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder. Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of zij ook eens een eindje mochten rijden. "Toe Jan, mag ik ook eens?" vroeg de een. "Neen zeg, laat mij dan liever," zei een ander. Jan antwoordde niet veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was. Hij kon alle jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen. Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee te loopen. "Huup sik! Huup sik!" riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met krachtigen tred verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen. Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen met diens vriendje Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet met hen om, want 't waren twee vervelende jongens. Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig bij de menschen aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang hij hem kende, omdat hij een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij was een verwaarloosde ruwe jongen, die geen moeder had en met zijn vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indië geweest, en leefde van een pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf, veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de bedden op. Om de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel veel wist te vertellen van zijn heldendaden in Indië, maar die er zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans jokte ook niet zoo'n beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde geval verkeerde, liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds. Zoodra zij den bok van Jan in 't oog kregen, kwamen zij haastig toeloopen, elk met een stok in de hand. "Wel heb ik van m'n leven!" riep Frans uit. "Kijk Jan Trom eens geuren! Huup Sik, allo, vooruit!" Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan. "'t Is het bokje wèl!" ging Frans voort. "Hij loopt niet harder dan een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen, dan zal hij wel beter voortmaken." "Hij loopt hard genoeg," zei Jan. "Toe bok, vooruit!" "'t Is een oud, afgeleefd beest!" zei Klaas Zwart smalend. "Hij heeft de rumathiek in zijn pooten." "Als jij maar niet de rumathiek hebt," gaf Jan beleedigd ten antwoord. "Hij kan harder loopen dan jij." "Ha, ha!" lachte Klaas. "Zoo'n stijve huut. Je moet hem smeren met machine-olie; zijne botten zijn wat stijf." "Met stok-olie!" zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een klap met zijn stok op den rug gaf. De bok ging op zijn achterpooten staan. Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei: "Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met datzelfde houtje je portie geven." Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen werd op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten, vooral voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was. Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte haar Jan uit de handen. "Wat denk jij wel, magere sprinkhaan," zei hij sarrend. "Denk je soms, dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes als jij. Ho, bok, ho!" De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo hard zij konden tegen. Jan keerde zich driftig om. "Laat je de kar los!" riep hij hun toe. "Laat los, zeg ik je, of ik sla er op!" De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar stappen. Maar Jan hield hem tegen. "Hier," zei hij, "houd jij de leidsels even vast." Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene vlugge beweging rukte hij hem de zweep uit de hand, en in 't volgende oogenblik had Frans een geduchten striem dwars over zijn gelaat te pakken. Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem een tweeden striem te geven. "Laat de kar los, zeg ik je!" riep hij Frans toe. "Dat zal ik," antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter te kunnen verweren. "Geef hem zijn portie, Frans!" schreeuwde Klaas Zwart uit de verte. "Als je 't alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen." "Daar moest je 't hart eens toe hebben," riep Karel van Dril terug. "Dan krijg je 't met mij te doen." De twee jongens waren geducht met elkaar aan 't worstelen, en iedereen dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat hij zooveel ouder en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig tusschen Frans' armen door te glippen, liet zich vliegensvlug op zijne knieën vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een ommezien een buiteling maken. Daar lag Frans lang-uit op den grond, tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag van harte gunden. "Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!" riepen ze juichend. "Waar blijf je nu met je praats?" Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop, en beenen maakte. Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret. Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van plan den strijd op te geven. Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei: "Huup bok! Vooruit maar weer.--Dat viel Frans Thor niet meê, hè Karel? Wat heeft hij gehad!" "En wat buitelde hij lekker over den grond," grinnikte Karel vroolijk. "Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren." Dat had hij echter mis. Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden. "Magere sprinkhaan!" schreeuwde Frans. "Panlat!" smaalde Klaas. Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een eindje voor den bok uit. "Hij is zoo oud als je grootvader!" schreeuwde Klaas. "Verkoop hem aan den slager!" zei Frans. "Die kan misschien nog worst van hem hakken." "Niets terugroepen, Jan," raadde Karel aan. "Dan hebben zij er het minste pleizier van." De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn rug wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje genoot méér, dan hij zeggen kon. 't Verveelde hem echter geducht, dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op, den gek met zijn bok te steken, wat hem erg griefde. Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend: "Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!" De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. 't Scheen wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield. "Bè-è-è-è! Bè-è-è-è! schreeuwde Klaas plagend. "O, wat heb ik 'n rumathiek in mijn pooten. Bè-è-è-è!" De bok schudde den kop, en riep ook: "Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!" "Zie je wel, hij is het met mij eens!" grinnikte Klaas, die met kromme beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep. Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar sloegen. Daarop sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zoo'n geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover op den weg tuimelde. "Au, au, au, o, wat is dat!" schreeuwde Klaas. "Bom!" daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in den rug. "Au, au, o, o, au!" jammerde Klaas. Op handen en voeten poogde hij zich te redden. "Bom!" De bok drukte hem nogmaals plat op den grond. Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen, en schreeuwde moord en brand. Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, 't Was dan ook een bespottelijk gezicht. Klaas wist geen raad van angst en pijn. "Help!" riep hij. "Frans, help,--help! Hij maakt me dood!" Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas het er zóó wel meê doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om, en stapte bedaard verder in de richting van Jan's huis. Dat was maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te ontbijten. 't Was al over achten, en om negen uur begon de school. Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle figuur van Klaas dachten. "Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is, en dat hij nog kracht in zijne horens heeft," meende Jantje, en dat was Karel volkomen met hem eens. En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde. "'t Is bepaald een verstandige bok," zei hij tegen Jan. "Hij begreep wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan zal Klaas Zwart hem wel uit de voeten blijven." "Dat denk ik ook," zei Jan. Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn grootvader voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden leerling aan hem, wat hij niet van hem gewoon was. 't Scheelde dan ook maar een beetje, of hij had zoowel 's morgens als 's middags school moeten blijven. Bij 't rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij 't lezen wist hij niet, waar hij beginnen moest. De meester werd eindelijk knorrig op hem. "Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden." Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet aankijken, zonder te lachen. "Heb je nog pijn in je rug?" vroeg hij fluisterend. Klaas keek hem aan als een nijdige spin. "Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?" plaagde Jantje. "Magere sprinkhaan! Panlat!" siste Klaas tusschen de tanden, en telkens voelde hij aan z'n rug, die geducht pijn deed. "Stilte daar!" gebood de meester. "Ik geloof, dat er een paar jongens zijn, die graag willen nablijven." Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar huis. Karel holde met hem meê, dat spreekt van zelf. Kwart over vieren stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig als 's morgens, en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen wapperden. De jongens vonden het prachtig, en zij reden het heele dorp door. 't Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar stapten, om naar een vink te zoeken, die zij hoorden fluiten in het riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen ging hij een weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten. Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans grootvader vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen, want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk zelf. Er lag dan ook altoos vóór dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad, en op die balken gingen de jongens dikwijls spelen. Menigeen had daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat pak. Want die balken waren maar losjes aan elkander verbonden, en het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over liepen. Er behoorde dan ook heel wat behendigheid toe, om geheel droog te blijven, als zij er op speelden. Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel: "Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker." Daar had Jantje wel zin in. "Zou de bok blijven staan?" "Wel ja,--de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we hem toch gemakkelijk genoeg inhalen." "Dat is zoo," zei Jan. De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide. "Daar staat hij heerlijk!" zei hij. Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars hals geslagen op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder water zonk. Maar vóórdat het water hun voeten bereikte, sprongen zij vlug naar het hooger gelegen deel van den balk. En dan lachten zij luidkeels van de pret. Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde, want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden. Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig was en nog nooit een ongeluk had gehad. "Ik moet een beetje voorzichtig wezen," zei hij wijs tegen Karel. "Waarom?" vroeg deze. "Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik van morgen vroeg kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie pak weer in 't water viel, zou Moeder me zien aankomen, dat begrijp je. Jongen, wat zou ik er van lusten!" "Nou, dat snap ik," zei Karel. En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen. Met een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar door den schok kantelde deze ook. Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef. "O wee!" schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij had zijn arm nog om den paal geslagen. Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in 't volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. 't Water droop hem uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden. Karel schaterde het intusschen uit van pret. Maar Jantje lachte in 't geheel niet. Hij stapte zonder een woord te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend naar zijn natte broek. Karel kwam bij hem. "Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!" zei hij lachend. "Ik wou, dat je het gezien hadt." "Ik vind het heelemaal niet koddig!" zei Jantje. "Ik kan me niet begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik durf zoo niet naar huis toe, hoor." "O, ik weet wel raad," zei Karel. "Trek allebêi je broeken uit en je kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere, en we draaien in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er uit, en dan is het dadelijk droog." "Is het waar?" vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen. "Stellig!" zei Karel. "Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit." Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst de onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar rechts. En zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer met een stok in de hand en niet veel goeds in den zin. Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos waren over de nederlaag, die zij 's morgens hadden geleden, besloten zij wraak te nemen. Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de bok rustig stond te grazen. Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden met een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens hem met hunne stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden: "Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!" De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem geen sprake meer, hij holde voort als een wild paard. "Koesssss! Koesssss!" schreeuwden Frans en Klaas hem na. "Dát is gemeen!" riep Jan verschrikt en verontwaardigd uit, en zonder te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn bok na. Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen. De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te kijken. 't Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien hollen, met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl de leidsels langs de kar zwierden, maar nog veel maller was het Jantje te zien, die zonder broek zijn bok naholde. Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het niet, en dat de menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte hij, dat hij op hem won, en dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt. Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok bij den teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn vader was. "Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?" riep Dik zijn zoontje toe, die hijgend bij den bok stond. "De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader," zei Jantje, die zijn vader een beetje uit de voeten bleef. "Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?" ging Dik voort. Jantje zweeg. "Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en je klompen?" "O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ..." "Ik had en ik was en ik was en ik had!" viel zijn Vader in. "Ik was een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker zeggen, hè?" Jantje deed een paar stappen achteruit. "Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?" "Ik was in 't kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen..." "En toen?" "Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd..." "En toen ben jij den bok achterna gehold?" vroeg Dik, en opeens begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een koddige geschiedenis. "Dat is tweemaal vandaag, Jantje!" zei hij. "Pas maar op, dat je er niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de kar en haal je kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je gaat direct naar huis, hoor." "Ja Vader," zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. "Maar van Frans en Klaas is het een gemeene streek." "Dat is het," zei Dik. Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk aan, en reed naar huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als Vader Dik, maar omdat Jantje jarig was, liep alles nog al goed voor hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen gedroogd was, maar met den bok mocht hij dien avond niet meer rijden. Achtste Hoofdstuk. Jantje krijgt het met Flipsen te kwaad, en dankt aan zijne magere leden zijne redding uit een dreigend gevaar. Hoe ouder Jantje werd, des te meer gingen zijne kameraden van hem houden. Dat was volstrekt geen wonder, want hij was een aardige jongen met een goed hart. Van alles wat slecht en leelijk was, had hij een afkeer, en als sommige jongens nog wel eens iets deden, waarvan groote menschen last of schade ondervonden, deed hij nooit meê. Eénmaal had hij appelen gestolen in den tuin van Wobbe, waar de jongens dikwijls heengingen om vruchten weg te nemen, want Wobbe had een grooten boomgaard, waarin heel veel lekkers groeide. Jantje had er nog nooit aan meêgedaan, maar eindelijk liet hij zich overhalen om ook meê te gaan. 't Was op een herfstavond en ruw weer. De jongens slopen stilletjes naar de boerderij van Wobbe, die een eindje buiten het dorp lag, en sprongen na elkander over de sloot. Zoo kwamen zij in den boomgaard. Maar Wobbe had zich met een paar knechts verdekt opgesteld, want dat appelen stelen begon hem geducht te vervelen. Hij had Flipsen, den veldwachter, wel gewaarschuwd, maar die werd een dagje ouder en maakte er niet veel werk van. "Als je een van de dieven snapt, breng je hem maar bij me, dan zal ik hem wel mores leeren," had hij gezegd. En hij had er aan toegevoegd: "zelf zal ik ook wel een oogje in 't zeil houden." Wobbe was daarom besloten, zelf de handen uit de mouwen te steken, en had zich met zijne knechts op verschillende plaatsen in den boomgaard verscholen. Zij hadden er nog niet lang gezeten, toen zij de jongens hoorden komen. Zij merkten duidelijk, hoewel zij nog niemand zagen, dat de jongens over de sloot sprongen. Wobbe en zijne knechts bleven, waar zij waren. Hunne afspraak was, de jongens tot midden in den boomgaard te laten komen, en hen dan plotseling van drie kanten tegelijk te bespringen. Jantje voelde zich in 't geheel niet op zijn gemak, en toen alle jongens al over de sloot waren, stond hij nog weifelend op den weg. "Pssst! Pssst!" hoorde hij zacht roepen, 't Was de stem van Karel van Dril. "Kom maar hier, Jan, alles is veilig." "O ja," zei een ander, "kom maar gerust. Bij Wobbe brandt het licht in de huiskamer. Er is niet het minste gevaar." Jan kwam nader en sprong ook over de sloot. De jongens gingen behoedzaam verder den boomgaard in. "Hier!" riep er een. "Kijk eens, wat een prachtige appelen! De boom zit propvol!" "Hier ook," riep Karel van Dril een eindje verder. "Kom hier, Jan, hier zijn peren." Eerst waren de jongens bang en keken schuw rond, of er geen gevaar dreigde, maar toen alles stil bleef, steeg hun moed, en liepen zij brutaal tot midden in den boomgaard. Frans Thor en Klaas Zwart waren de brutaalsten. De jongens gingen weinig of nooit met hen om, maar soms sloot het tweetal zich ongevraagd bij hen aan, en dan waren zij moeilijk te weren. Frans had een stok bij zich en sloeg er mede tegen de takken. De appelen vielen naar beneden. Maar hij kreeg geen tijd om ze op te rapen, want opeens werden zij van drie kanten tegelijk besprongen. "Voorwaarts! Grijpt de dieven!" klonk de stem van Wobbe. Deze was een groote, sterke boer met harde handen. Verschrikt vlogen de jongens uit elkaar. De een ijlde hier-, de ander daarheen. Klaas Zwart haastte zich zoo, dat hij in de sloot viel. Tot aan zijn hals toe zakte hij in het water. Karel van Dril sprong over de sloot, Frans Thor ook, Gerrit Kikke en Piet Vos kwamen er met natte voeten af, maar Jantje, die eerst niet wist, wat er gebeurde, liep den verkeerden kant op, en vloog precies boer Wobbe in de armen. "Loopen! Loopen, jongens!" riep Frans Thor. Een van de knechts sprong over de sloot, en riep: "Wij zullen eens zien, wie 't hardst kan loopen, kereltje!" En hij liep Frans zoo hard hij kon achterna. Dat werd een wedren van belang, want Frans was vlug ter been, maar de knecht nam veel grootere stappen. Frans hoorde zijne stappen hoe langer hoe dichter achter zich. Eindelijk voelde hij zich bij den kraag van zijn jas grijpen. Hu, wat kneep die knecht. Frans werd bijna geworgd maar toch wrong hij zich nog als een aal, om los te komen. Dat gelukte hem echter niet. De knecht gaf hem een geducht pak slaag, en joeg hem voor zich uit, terug naar de boerderij. Daar beleefde Jantje intusschen ook geen prettige oogenblikken, want Wobbe trok hem aan zijne ooren in de hoogte, tot zijn gezicht vlak voor dat van den boer gekomen was. Jantje gierde van de pijn! "Ha zoo, kereltje, wat ben jij licht!" zei de boer met een boozen lach. "Jij bent te dun om appelen te eten, manneke. Hoe heet jij?" "Au, au!" schreeuwde Jantje, die spartelde als een mager varken. "Heet jij au-au?" lachte de boer. "Magere langbeenige mug!" "Au! Au!" huilde Jantje. "Heet jij au-au?" herhaalde de boer driftig. "Neen, au neen, ik heet Jan Trom! Au, au, laat me los asjeblieft!" "Zoo, heet jij Jan Trom," zei de boer. Hij liet Jantje weer zakken, tot hij op den grond stond, legde hem toen over zijne knie, en gaf hem een geducht pak voor zijn broek. 't Werd een warme geschiedenis voor Jantje, want de handen van den boer waren nog veel harder, dan hij ze zich voorgesteld had. Zoo'n pak slaag had hij nog nooit van zijn leven gehad, en hij vreesde, dat er geen stuk van hem heel zou blijven. Eindelijk liet Wobbe hem los. "En maak nu, dat je wegkomt!" bulderde Wobbe hem toe, "of ik breng je nog bij Nero in het hondenhok. Die houdt wel van kluifjes, al zijn ze mager." Dat liet Jantje zich geen tweemaal zeggen. Hij liep wat hij loopen kon, en 't viel hem meê, dat het nog zoo goed ging, want hij dacht niet anders, of de boer had hem zijne beenderen stuk geslagen. Hij haastte zich zoo om over de sloot te komen, dat het maar zus of zoo scheelde, of hij kwam in het water terecht. Maar dat liep gelukkig nog goed af. En toen vloog hij naar het dorp terug. Zijn rooftocht was hem bitter slecht bevallen. Even later hoorde hij de noodkreten van Frans Thor, die door den boer en zijn knecht onderhanden werd genomen. Jantje liep dientengevolge nog harder. "Hij lust er ook van!" mompelde Jantje, die in ijlende vaart voortholde, "hu, wat slaat die boer hard. Hoor Frans eens schreeuwen." Na een poosje haalde hij Klaas Zwart in, die zoo hard niet loopen kon, omdat hij tot aan zijn hals toe in de sloot gezeten had. Klaas huilde, want hij stelde zich de ontvangst thuis ook niet erg vriendelijk voor. Jantje ging regelrecht naar huis met het stellige voornemen nooit meer appelen of peren te stelen. En 's avonds wreef hij meermalen over zijn broek, omdat hij zoo'n pijn had. De zaak was echter nog niet uit, want Wobbe vertelde den volgenden dag aan Flipsen, den veldwachter, welk eene gelukkige vangst hij had gehad, en gaf hem de namen der schuldigen op. Zoo kwam het, dat Flipsen den winkel van Trom binnenstapte, waar Dik juist bezig was een paar klanten te helpen. Flipsen had altoos nog een kijkje op Dik, want hij was nog niet vergeten, wat Dik in zijn jeugd voor streken had uitgehaald. "Goeden avond, Dik!" zei hij. "Dag Flipsen," was het antwoord. "Wat is er van je dienst?" "Niet veel moois, man. Ik kom je waarschuwen, dat je wel wat beter op je zoontje mag passen, want 't is erg, zooals hij op het dorp huishoudt." "Zoo, zoo," zei Dik verwonderd en ook een beetje ongeloovig want hij had nog nooit gemerkt, dat Jantje veel kwaad deed. "Is het zóó erg, Flipsen? Wat heeft hij uitgevoerd! Jantje is anders zoo kwaad niet." Dik werd wel een beetje boos over den lompen uitval van Flipsen. "Dat zeggen alle vaders en moeders van hunne kinderen," hernam Flipsen. "Van hun eigen kinderen kunnen zij nooit kwaad hooren, vooral wanneer ze zelf ook nooit gedeugd hebben." Dik werd nu erg boos. "Wou je zeggen, dat _ik_ nooit gedeugd heb?" vroeg hij driftig, en hij zwaaide zoo heftig met den strooplepel,--want hij was juist bezig een vrouwtje aan een pond stroop te helpen,--dat Flipsen een flinken lik van dat goedje op de mouw van zijn jas kreeg. "O, neem me niet kwalijk, dat is bij ongeluk," zei Dik. "Bij ongeluk! Bij ongeluk!" schreeuwde Flipsen verontwaardigd. "'t Is een schandaal! En ik zal proces-verbaal tegen je opmaken, wegens beleediging van een politieman in dienst!" Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn om de stroop weg te vegen, en maakte de zaak daardoor nog veel erger. De stroop kwam nu bijna over de geheele mouw. En Flipsen was altijd zoo keurig netjes op zijn uniform. "Asjeblieft, juffrouw," zei Dik. "Wenscht u nog iets?" "Neen," zei de vrouw, die haar lachen haast niet kon houden. "Ik zeg," schreeuwde Flipsen, "dat je wel wat op je lieve Jantje mag passen, of hij raakt nog in 't hok. Gisterenavond heeft hij appelen en peren gestolen in den boomgaard van Wobbe, en dat zal wel niet de eerste keer geweest zijn, denk ik.--Die akelige, ellendige stroop zit er zoo vast op, dat mijn heele jas bedorven is. 't Is meer..." "Alleen de mouw maar," zei Dik. "Ik dank je voor de boodschap, Flipsen. Ik zal er mijn zoontje over onderhouden." "Zoo vader, zoo zoon," zei Flipsen nijdig, want hij dacht, dat Dik hem voor den gek hield. Met groote stappen liep hij den winkel uit. Toch waren die woorden Dik ernst geweest. Hij herinnerde zich nog best, hoe hij in zijne jeugd ook vruchten gestolen had, en hoe hij tot inkeer gekomen was. 's Avonds vertelde hij aan Jan, wat er in zijn kinderjaren gebeurd was, en hoeveel spijt hij er later over had gehad. En Jantje beloofde hem, dat hij het nooit, nooit weer doen zou. Dik was er blij om toen hij hoorde, dat het Jantje's eerste strooptocht geweest was, en hij vertrouwde er stellig op, dat het ook de laatste zou geweest zijn. Na dien dag keek Flipsen den zoon van Dik Trom nooit meer vriendelijk aan. Hij had een hekel aan Dik gehad, zoolang hij hem had gekend, en dat sloeg nu op Jantje over. Dat kon deze zeer goed merken. Als hij met zijn bok uit rijden was en hier of daar even uitstapte, wat nog al dikwijls gebeurde, zoodat zijn bok gelegenheid kreeg om wat gras of klaver van den berm te eten, kwam Flipsen, zoodra hij dat zag, op hem af, en gaf een geducht standje. "Die bok màg daar niet loopen, en nog veel minder van dat gras eten. Dat gras is immers niet van jou? Of heeft je vader misschien den berm gepacht?" "Neen Flipsen, dat geloof ik niet." "Ik weet het zeker. Dat gras is van Geurs, en je bok moet er afblijven. Als ik het weer zie gebeuren, zal ik er proces-verbaal van opmaken, hoor je. Denk jij, dat je maar doen moogt, wat je wilt? Ik zal je dat wel anders leeren. 't Is gewoon diefstal, maar daar storen jullie je niet aan, hè? Jij niet,--en je vader niet! Pas op je tellen, mannetje, of je loopt er nog eens geducht tegen." Zijn vader lachte er om, toen Jan het hem vertelde. "Gekheid, jongen, maak je maar niet ongerust. Als je geen grooter kwaad doet, is het nog al zoo erg niet, en zal Flipsen je wel met rust laten. 't Is een nijdige kerel, die het allen menschen lastig maakt. 't Is ook al erg, dat die bok daar een mondje gras of klaver eet. Dat doet mijn hit immers elken dag ook? En de menschen, die het gras van de publieke wegen pachten, weten immers vooruit, dat zulke dingen niet te keeren zijn. Daarom betalen zij ook minder pacht. 't Is te gek om er van te praten, Jan, en maak je maar niet ongerust. 't Zal zoo'n vaart niet loopen." Na dien tijd liet Jan zijn bok gewoon z'n gang gaan, of Flipsen het zag of niet. Dat begon Flipsen geducht te vervelen, en eindelijk maakte hij er werkelijk proces-verbaal van op. "Jij heet Jan Trom, hè?" zei hij, zijn zakboekje te voorschijn halende. "Ja," zei Jan. "Hoe oud ben je?" "Tien jaar," zei Jan. "Zoon van Dik Trom, hè?" "Ja wel." "En je erkent, dat je bok hier gras en klaver van den berm eet?" "Ja," zei Jan, "dat kan ik niet ontkennen." "Mooi zoo," zei Flipsen, die zijn boekje met een flap dichtsloeg, "daar zal je wel meer van hooren, manneke. Jullie doet maar, of er geen overheid bestaat. Maar 't zal je berouwen." Toen Jan het aan zijn vader vertelde, haalde deze glimlachend de schouders op. "Wat bezielt dien man toch," zei hij. "Maak je maar niet ongerust, 't is een storm in een glas water. We hooren er hoogstwaarschijnlijk nooit meer iets van." Dat was ook zoo. Toen Flipsen met zijn proces-verbaal bij den burgemeester kwam, lachte deze den veldwachter hartelijk uit. "Ben je dwaas, Flipsen," zei hij. "Denk je, dat we met zulke nesterijen bij den Officier van Justitie kunnen komen?" "Maar burgemeester, 't is toch diefstal?" zei Flipsen knorrig. "Dat beschouw ik niet als diefstal," was het antwoord. "Op die manier zou een jongen zelfs geen konijntje meer kunnen houden, als hij niet een beetje gras van den berm mag snijden. 't Is te mal om er van te praten." Hiermede kon Flipsen vertrekken, maar Jantje keek hij nooit meer vriendelijk aan. En dat zou nog erger worden, geheel buiten Jan's schuld. Op een avond waren Jan en Karel met nog een paar andere jongens aan het spelen op de markt, toen zij opeens een eigenaardig puffend geluid hoorden. Verwonderd keken zij in het rond, om te zien, waar dat geluid vandaan kwam. En tot hun groote verbazing ontdekten zij een wagen zonder paard er voor, die met groote snelheid langs den weg vloog. "Boe!--Boe!--Boe!" klonk het geluid van een grooten horen. In den wagen zaten heeren en dames, die zich vreeselijk mal toegetakeld hadden. Zij droegen groote stofbrillen voor de oogen, en zagen er uit als ijsberen. 't Vreemde rijtuig was een automobiel, en wel de eerste automobiel, die het dorp, waar Jan woonde, met een bezoek vereerde. "Kijk, kijk!" riepen de jongens, "wat een gekke wagen!" "Zij lijken wel van den Noordpool te komen," merkte Jan op. "'t Is een wagen vol ijsberen. Kijk, daar houdt hij stil voor de herberg van De Vries. Gaan jullie mee kijken?"