The Project Gutenberg EBook of De jongere generatie, by E. D'Oliveira This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: De jongere generatie Gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze literatuur; tevens een enquete naar enkele beginselen in ons nationaal geestelijk leven. Author: E. D'Oliveira Release Date: December 22, 2003 [EBook #10514] Language: Dutch Character set encoding: ISO Latin-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE JONGERE GENERATIE *** Produced by Miranda Van de Heijning, Eric Casteleijn en de PG Distributed Proofreaders. [Transcriber's Note: Spelling, accents, use of quotation marks and hyphenation are terribly inconsistent throughout the source text, and have been left as they were. Only obvious printing errors have been fixed.] "DE JONGERE GENERATIE" door E. D'OLIVEIRA (VERVOLG OP "DE MANNEN VAN '80") GESPREKKEN MET VERTEGENWOORDIGERS VAN DE NIEUWERE RICHTING IN ONZE LITERATUUR; TEVENS EEN ENQUÊTE NAAR ENKELE BEGINSELEN IN ONS NATIONAAL GEESTELIJK LEVEN GEÏLLUSTREERD [Illustratie: LOUIS COUPERUS] TER INLEIDING Toen ik den tweeden druk van mijn "Mannen van Tachtig" de wereld in zond, hoopte ik, in de hier volgende bladzijden een samenvatting te kunnen geven van hetgeen mijn onderzoek naar sommige beginselen van onze nieuwere literatuur mij had opgeleverd. Helaas, het gaat niet! De medewerking van enkele representatieve personen, met name van Mevrouw Henriëtte Roland Holst en van Herman Gorter, werd mij onthouden. Ik zal hier niet beoordeelen in hoeverre hun weigering gemotiveerd is tegenover de algemeen erkende objectiviteit, die ik bij het weergeven van hetgeen anderen mij wilden mededeelen heb betracht, tegenover de onpartijdigheid die bovendien uit den geheelen opzet van mijn werk logisch volgt en--tegenover de opoffering van ... persoonlijke gevoeligheden welke anderen (en geen mindere goden!) zich hebben getroost, toen ze mij te woord stonden. Ik berust. Zelfs in het verbod van Gorter om--wie had 't ooit gedacht!--de redenen van zijn afwijzende beschikking te vermelden. Daar echter de socialistische kunstenaars van deze school een belangrijke functie vervullen in het schema van ons geestelijk leven dat mij voor den geest zweeft, ontbreken mij de gegevens om, althans op grond van dit boek, de ontworpen samenvatting uit te werken. O ja, ik hoor 't al, uit hun _oeuvre_ is voor mijn doel heel veel op te maken, doch, zooals de lezer uit de inleiding van "De Mannen van '80" weet, daar was het mij in dit geval niet om te doen. Men zal mij echter niet het gebruikelijke verwijt kunnen maken, dat ik deze richting in onze literatuur heb willen negeeren. Integendeel, veel van wat ik zoek groepeert zich om die richting--al schat ik in dit geval de persoonlijkheden--wèl te onderscheiden van de individueele hebbelijkheidjes--hooger dan de school.[1] Misschien was ik verder gekomen als ik dit niet had gezegd, maar het toch had gedaan. Intusschen, de lezer, die, behalve een inleiding in het geestesleven en de gemoedshouding van de hier behandelde auteurs, ook een blik op het geheel zoekt, behoeft dit werkje niet teleurgesteld opzij te leggen. Het zal hem weldra duidelijk worden, dat er eenig verschil is tusschen deze "interviews" (sit venia verbo!) en de oudste opstellen in "De Mannen van '80". Wel heb ik mijzelf ook nù op den achtergrond gehouden, al heb ik mijn persoonlijke indrukken hier en daar met een lichteren en slechts in schijn oneerbiedigen toets neergezet. Maar ik heb, waar dit pas gaf, mijn vragen en de verkregen antwoorden in onderling verband beredeneerd, scherper dan voorheen gezegd: waarom ik een bepaald antwoord onvoldoende achtte en in een bepaalde richting heb voortgestuurd. En zoo zal het den opmerkzamen lezer--vlei ik mij--tòch wel duidelijk worden, welke meening ik mij in den loop van het onderzoek over personen, temperamenten, richtingen, heb gevormd. Echter zou ik mijn taak niet volbracht achten, indien ik hier niet kortelijk aanduidde, over welke hoofdpunten de meeste gesprekken loopen en bovendien: wat er vaak nog uit halve en ontwijkende antwoorden is te "halen"; in het algemeen, hoe men naar mijn inzicht de antwoorden heeft te lezen. Wat het eerste betreft, de uiteenzetting van persoonlijke omstandigheden, waarmede de meeste schrijvers hun verhaal aanvangen, is een antwoord op de vraag: hoe en wanneer hun bewust werd dat zij eens als taalkunstenaar, dat is als leidsman, zouden optreden. Dit is een moment van groote psychologische beteekenis: Weet de representatieve persoonlijkheid reeds in zijn eerste jeugd dat hij publicist (in hoogeren zin) zal worden? Wat is in hem primair: een zekere wereldkijk, een bepaalde overtuiging die tot uiting dringt; of wel: een min of meer onbepaald vormgevend, dat is poëtisch vermogen, dat naar een inhoud smacht? Op welke wijze hebben zich Idee en Kunstenaars- aanleg in zijn latere ontwikkeling verstaan? Zijn ze harmonisch versmolten? Trachten ze nog steeds naar een ontmoeting? Stooten ze elkander af? Heeft de een den ander aan zich ondergeschikt gemaakt?--deze elementen (de lezer voelt het) zijn beslissend voor den aard van zijn werk, voor de mindere of meerdere mate waarin hij een eigen stijl zal bereiken en den algemeenen stijl van zijn volk zal leiden. Naast deze vraag van algemeene strekking--en ook in verband met haar--is voor ons doel van belang de speciale vraag: In hoeverre onze schrijvers beïnvloed zijn door de beweging van '80, die, van huis-uit een cultuur- verschijnsel meer dan een literatuur-verschijnsel, voor ons nationaal geestelijk leven het begin is geweest van een nieuwe strooming, die wel eens op iets groots zou kunnen uitloopen--dat dan echter niet veel op zijn verwekker zal gelijken. Hierbij sluit zich direct aan de vraag: hoe men deze beweging definieert. Slechts zij, die in de tijden van twijfel aan hunne blinde gemoedsdrangen den tragen maar veiligen gids van de wijsgeerige scholing hebben toegevoegd, zullen hierop een afdoend antwoord gereed hebben. Hebben zij ook wellicht in de halle van 1880 op menig kronkelpad gedrenteld en gedwaald, zij verlaten haar met opgeheven hoofde door de poort, waardoor zij haar gebukt of wankelend of in een roes voor het eerst betraden. Hierop volgt dan de vraag, of men een eigenlijke levensovertuiging uit de literatuur van '80 heeft kunnen putten en welke levenshouding men daarna heeft veroverd. Hoe staat men tegenover de leuzen van de socialistische kunst, die een tijdlang zoovelen in principe of in feite hebben bekoord--totdat de practijk van den politieken strijd kentering en afscheiding bracht? Deze vraag lost zich op in eene, die ik van wijder strekking acht (en natuurlijk weet ik, dat velen dit niet met mij eens zijn), nl. deze: Is de tot levensleer-vertolker uitgegroeide taalkunstenaar in wezen een voorganger van zijn volk? (Afgezien dus van klasseverhoudingen.) En zoo ja, is het dan niet zijn taak, zijn persoonlijkheid vrij te manifesteeren en al wat hij in kunst geeft te bezielen met zijn hoogere zelf-kennis --welke wereld-inzicht werd, van het oogenblik dat hij had doorschouwd de duistre drangen zijns gemoeds--éven onbetrouwbaar en aanmatigend, even onbewust en beweeglijk als De Massa? Of: moet hij zijn persoonlijkheid "overwinnen" en de gevoelens van de massa vertolken? Of: kan hij meenen dat zijn intiemste innerlijkheid in de belijdenis van het proletariaat bevestiging en volmaking vindt? Of: wenscht hij zijn persoonlijkheid--alsdan voor de verandering "persoonlijk gedoe", oftewel "ik-heidje" gedoopt--te offeren om de massa tot zijne hoogte langs wegen van strijd op te voeren;--in het midden latend of hij geroepen is om de menschheid door rustige ontwikkeling van zijn Ik ook grootere diensten te bewijzen? En, als hij dan klasse-kunst wil geven, miskent hij daarmede niet de mystieke banden, die hem aan taal en oude cultuur van zijn volk binden? om van een proletariaat dat--helaas--nog nauwelijks wat geleende cultuur bezit een "nieuwe philosophie" te leeren? Of gunt hij de massa gaarne alle goeds en draagt daartoe, waar hij mag, vol vreugde het zijne bij (maar het mag niet vaak) tegelijkertijd beseffend dat de ethisch nog verre van bewuste massa (op haar best) onmogelijk de draagster kan zijn van de wijsheid der toekomst? Of gelooft hij, ten slotte, dat Kunst en Massa elkander niet verdragen, en elk een eigen weg hebben te zoeken? Ziehier dan de themata, welke in velerlei nuanceering door deze gesprekken loopen. Ziehier de vragen, die door sommigen volgaarne beantwoord, door anderen ontweken werden. In het laatste geval maken de pogingen van den ondervrager om, binnen de grenzen der beleefdheid, maar een enkel maal met een zorgvuldig beraamde psychologische kunstgreep "het slachtoffer" in zijn baan te brengen, een element van spanning in deze opstellen uit. Overigens is de practische levenswijsheid, dat men altijd veel plaats moet laten voor het onvoorziene, voor "le grand imprévu", hier gaarne toegepast. Maar zelfs indien ik in sommige quaesties niet of slechts ten deele slaagde, zijn de verkregen antwoorden van meer belang dan men oppervlakkig lezend zou vermoeden. Een glimlach, een gebaar, het tempo waarin een kwinkslag wordt voorgedragen zeggen hier en daar meer dan woorden zouden zeggen. Dit is de tweede hoofdzaak die ik wilde toelichten en ik zal dit doen aan de hand van een concreet voorbeeld, dat het toeval mij in handen speelde. Louis Couperus, de meest on-Hollandsche Hollander die ooit bestaan heeft, naar men weet, had mij toegezegd, over mijn vragen van Florence, later van München uit, met mij te correspondeeren. Een "interview" per post, in de achttiende eeuw alledaagsch, in onzen tijd iets pikants. Ik legde hem, op zijn verzoek, mijn vragen voor. Ik geef 't toe, ze zijn niet malsch, en een overigens aller-charmantst beoordeelaar van mijn "Mannen van '80" heeft ze mij dan ook al cadeau gedaan, waarmede ik zeer was ingenomen. Couperus echter werd door ik weet niet welk on-Hollandsch spot-duiveltje gekitteld, en toen schreef hij mij een "Korte Arabeske", waaruit ik, met zijn toestemming, den lezer enkele brokjes zal toonen, nadat ik hem verwezen heb naar het portret met opdracht, aan het begin van dit boekje afgedrukt. "Het is maar goed dat u mij niet in München is komen bezoeken,--vergeef mij, zoo u dit onhoffelijk klinkt, want waarlijk, ik zou aan uw vele, successievelijk te beantwoorden vragen ergens door een geheime deur zijn ontsnapt! Toch wil ik u nu, per brief, wel het een en ander zeggen, ook al lijkt mij een categorische antwoordenlijst op uw vragenlijst wel van meet aan uitgesloten." Ik heb echter niet gezonden een "vragenlijst", maar een papier met eenige vragen er op, en een verzoek, dit te beschouwen als een leiddraad (het staat er nog eens met kapitale letters boven!)[2] Nog veel minder heb ik om een categorische antwoordenlijst gevraagd. Zelfs gezegd--ik ken u, o Couperus--dat ik met een antwoord op enkele vragen, of met korte aanduidingen al wat blij zou zijn. _Conclusie_: Overdreven zwaartillendheid waar het enkele streng-intellectueele formuleeringen geldt, echter door een kwinkslag bewimpeld. Dat was de opgaande krabbel, waarmee de arabesk begint. Nu volgt een kronkelende neerhaal: "Werkelijk, ik heb over de meeste dingen die u mij vraagt nooit nagedacht; eigenlijk denk ik nooit na en laat ik mij leven volgens mijn gevoelens, want ik geloof dat ik meer voel dan denk. Welnu, hoe zal ik dan hierover uitweiden? U vindt alles, wat misschien licht kan ontsteken over mijn persoonlijkheid, in mijn boeken, te meer omdat ik mij in die boeken eigenlijk geheel geef als ik ben en u dus, zoo u ze aandachtig leest, mijn eigen analyse daar vindt en dan in een kunstvoller en eigenaardiger wijze dan ik u nog zou kunnen geven, in brief of zelfs in interview. "Ik zou u dus willen verzoeken, zoo u over mij schrijven wilt, lees mij over, want ik ben ijdel genoeg te denken, dat u mij reeds gelezen heeft." _Conclusie_: Een zich laten drijven op gevoelens, als gewoonlijk slechts volgt op en de consequentie kan zijn van een mislukt trachten naar een wijsgeerige of psychologische levensbeschouwing. Tien tegen een, of de schrijver denkt, terwijl hij dit neerschrijft, reeds aan een definitieve wending in zijn levenslijn. En zoowaar, hier volgt nu de tweede ophaal van de arabesk, scherper, beslister, strakker dan de eerste: "En vindt u dat overlezen een "mer à boire", dan zou ik u willen raden, begin met te lezen mijn feuilletons in het "Vaderland"--reeds in enkele bundels uitgegeven--en zoek daarna in mijn romans den auteur die er zich toch zoo weinig verbergt. Ik ben overtuigd dat u mij vinden zult." De overgang "en vindt u dat overlezen een "mer à boire"" is onwezenlijk. Het komt aan op de onderscheiding, die hier gemaakt wordt, tusschen het oudere werk (hier aangeduid met het woordje "mij") en de feuilletons in "Het Vaderland", die hier en daar aan een doorloopend interview doen denken, en waar Couperus zich _rechtstreeks_ geeft, terwijl hij zich in de romans alleen maar "niet verbergt". _Conclusie_: Hier is inderdaad de wending in de levenslijn die wij voelden aankomen. En nu volgt de tweede neerhaal van de arabesk, een breed gelijnde boog, die aan den eersten neerhaal parallel en in een zachte krul, die het gehéel omslingert, verloopt. "Wanneer u dezen arbeid te zwaar vindt voor het doel, een studie over mij te schrijven ... wel, dan moet ik u antwoorden, dat wat ge van mij vergt nog veel zwaarder arbeid voor mij zou zijn en dat een antwoord op uw vragen mij wel mijn geheele overige leven zou kunnen bezighouden. U zult mij dus vergeven, dat ik u het werk opdraag, dat u mij zoudt willen opdragen, tevens overtuigd, dat, zoo u dien arbeid op u wilt nemen, veel eer tot uw doel zult geraken, het een en ander van mijn innerlijk en zelfs uiterlijk bestaan te weten te komen. En ik hoop hartelijk, dat u dit zeer ernstig bedoelde schrijven niet te veel als die eene geheime deur zult beschouwen." _Conclusie_: De schrijver komt min of meer terug op zijn eerste verklaring. Hij vindt dat hij mij wel heeft beantwoord. Hij laat zich ook niet zoo uitsluitend op zijn gevoelens drijven, want hij weet nu al, dat de beantwoording van mijn vragen--waarover hij niet zou hebben nagedacht--zijn heele overige leven zou kunnen vullen (niet vervullen natuurlijk)--zooveel verschieten openen zich hem, enkel bij de onderstelling dat hij er over zou gàan denken. Hij zou dan een zwaarder taak op zich laden dan de ondervrager zou doen, dien hij om zijn schijnbaar wat mathematische denkwijze lichtelijk in 't ootje neemt. Derhalve: Op het zoeken naar een levensleer is gevolgd een bewust en moedwillig geborneerd zich opsluiten in eigen kring, waarbij echter een ononderbroken "Begriffsdichtung" in de tòch bestaande behoefte aan een geestelijk steunsel komt voorzien. Had ik ongelijk, toen ik hier van een "Korte Arabeske" sprak? Is uit dit antwoord, dat, ik erken het, ik eerst mismoedigd in mijn la liet fladderen, niet veel te leeren dat bij lectuur van Couperus' werk als leid-hypothese zou kunnen dienen? Kortom, al heb ik sommigen, die ik hoogelijk waardeer, niet kunnen bereiken--maar waartoe die lijdensgeschiedenissen hier opgehaald?--al weet ik ook heel goed, dat nòg wel enkele persoonlijkheden, maar dan meer op zichzelf staande figuren, voor opname in deze verzameling zijn aan te wijzen (waar is 't eind'?)--wanneer men dit boekje leest in den geest, dien ik boven heb ontvouwd, dan zal men niet alleen nader komen tot vertegenwoordigers van de voornaamste richtingen, maar ook onopzettelijk overzicht erlangen van de geschiedenis onzer nieuwere literatuur. En ten slotte hoop ik dat de lezer met mij zal gevoelen en steeds beter zal gevoelen, dat de omgang met groote mannen en vrouwen, in zooverre als ze groot zijn, altijd vormend en bemoedigend werkt en niet zonder schâ kan worden ontbeerd. Het is dan ook mijn liefste wensch, dat mijn arbeid in handen moge komen van jongeren die in het leven hoûvast zoeken. D'OLIVEIRA. Hilversum, Oudejaarsavond 1913. VOETNOTEN: [1] De heer Heijermans heeft mij wèl te woord gestaan, maar toen een eerste fragment van het interview in "Den Gulden Winckel" was verschenen, uitte hij aan mijn adres eenige beschuldigingen, die mijn roep van ernstig onderzoeker en getrouw weergever te na kwamen. Een vriendelijk voorstel om over deze beschuldigingen het oordeel van een scheidsgerecht uit te lokken, beantwoordde hij met een epistel dat in cynische onheuschheid zijn wêerga zoekt. Hoewel H's klachten door den heer Simons zijn onderzocht en ongegrond bevonden, druk ik het interview niet af: 1° om te toonen dat ik geen kwade bedoelingen had; 2° omdat ik mijn boek, dat een hoog cultureel doel nastreeft, niet wil blootstellen aan verdere merkwaardigheden van den heer H., die weliswaar eventueel slechts op één hoofdstuk gemunt zouden zijn, maar onvermijdelijk het geheel zouden treffen.--De Ver. v. Letterk. heeft de zaak in handen.-- [2] Woordelijk hetzelfde stuk werd gezonden aan Carel Scharten. En wat zegt deze in den aanhef van zijn brief? JOHAN DE MEESTER [Illustratie: JOHAN DE MEESTER naar een krijtteekening van zijne dochter, Annie de Meester] (* 6 FEB. 1860) Hij is nu heelemaal niet zoo als ik hem mij had voorgesteld: Niet zwaar in zijn bewegingen, niet provinciaal in zijn kleeren, niet melancholiek, niet stroef. Het is een genot bij hem gast te zijn. Zijn Médoc wordt geuriger door de vriendelijkheid waarmede hij ze aanbiedt en de kwistigheid waarmede hij ze zelf geniet, en men kan zijn Henry Clay's niet weigeren, al rookt hij niet mee, want voordat ge dit laatste hebt begrepen, is hij, rad sprekend en druk gesticuleerend, al aan de pointe van een interessante gebeurtenis uit zijn rijke ondervinding. Hij is een geroutineerd gastheer, hij geeft onweêrstaanbaar leiding aan het gesprek. Ik ben gekomen om te luisteren en hij brengt me aan het praten over mijn beroepsbezigheden, over congressen die ik heb bijgewoond. Hij is in de conversatie nooit onverschillig toehoorder. Hij volgt mij zéér oplettend, en zijn vragen, langzaam, aarzelend begonnen,--dan eensklaps uitloopend in een meesleependen woordenvloed, kerven als het ware in het onderwerp, totdat zij het leven er van raken. Zijn stemgeluid doet niet aangenaam aan. Men merkt op, dat hij scherp, heesch spreekt, zich nu en dan al sprekend overspant, afbreekt met een droge kuch, een flinken slok drinkt om zijn keel los te maken. Maar men vergeet dit al spoedig, omdat men vol aandacht is voor het merkwaardige verschijnsel, dat hij in Hollandsche woorden Fransch spreekt, haastig, haastig, een gedachte omspelend met drie, vier zinnetjes die het maar zoo ongeveer doen, dan plots zich bedenkend en het buitengewoon nauwkeurig zeggend, met een Hollandsche _Derbheit_, die mij bijna te machtig zou worden, als ik er niet in voelde een aansturen op niets sparende oprechtheid. Hij denkt snel, hij denkt buitengewoon levendig, en als hij één gedachte uit laat, worden de andere ideeën, weer door nieuwe volgsters opgedrongen, ongeduldig, en hij komt krachten te kort om ze te formuleeren, zoo levendig en roerig als hij ze voelt. Dan neemt hij zijn toevlucht tot stopwoordjes: "Vreeselijk--heel erg--zoo verschrikkelijk," waarop hij langdurig steunt en drukt, om dán met een zétje over te springen op het woord dat hij eigenlijk bedoelt en dat daardoor in het spreken een ongewoon relief krijgt. Het kost hem moeite zich los te maken van een gedachtengang, die hem eenmaal heeft geboeid en ondanks zijn converseertalent kan een onderhoud met hem niet verloopen als een spel van korte vragen en vlotte, kernachtige antwoorden. Het deelt zich in enkele groote vakken in, zware, uitbundig daarheen geworpen woorden-massaas, door voorzichtige vraagjes van mij onderbroken. Nadat hij mij had gedwongen minstens een half uur over mij zelf te spreken, een opzettelijke bescheidenheid van 'm, die mij echter menigen zweetdroppel gekost heeft, omdat ik vreesde nooit tot het onderwerp te zullen komen, verloste hij me uit de onzekerheid, door mij voor te gaan naar zijn kamer: "waar u dat lampje van Betlehem ziet branden". Maar zelfs dáár moest ik ten slotte hem met geweld de leiding ontnemen. Zijn zoon bracht hem toen "wat hij hem gezegd had" en dat bleek een flesch roode wijn te zijn. En bij die gelegenheid nam ik het besluit, niet te dulden dat er nu zou worden gesproken over wijnsoorten--alcohol-- geheelonthouding--en dan verder in die richting, en vroeg hem zonder inleiding, onder welke levensomstandigheden hij was begonnen met schrijven en of hij zich daarmede een bepaald doel had gesteld. Ja kijk, begon hij, ik heb niets van een dichter; ik ben een kerel die voor een dichter wil knielen, maar hetgeen er toen in mij gebeurde kunt u het best vergelijken met de wijze waarop het gedicht uit den dichter zou voortkomen: Ik kreeg behoefte om rekenschap te geven van wat mij was wedervaren, en dat heb ik vreeselijk jong gehad. Ik heb hier nog o.a. staan een ding met verzen, die ik gemaakt heb zoo tusschen mijn dertiende en vijftiende jaar, met Van Rappard, een vriend van mij, die jong gestorven is. Het beteekent natuurlijk niets, maar toen zat al in mij de behoefte om wat ik doorleefde uit te zeggen. Dat zit ook zoo'n beetje in verband met de behoefte aan eenzaamheid die ik altijd gehad heb. Die Rappard was mijn eenige vriend in het groote dorp, waar we toen woonden. We zijn vrienden gebleven tot aan zijn dood. Hij was ook eenzaamachtig, net als ik, en we zaten maar altijd samen in zijn roeiboot. In mijn kindschheid woonde ik in Harderwijk, waar mijn vader burgemeester was. We hadden er een heel groot huis; daar behoeft men in zoo'n stadje niet rijk voor te zijn. Het kamertje waar ik het liefste zat was het zoogenaamde knechtskamertje op de zolder. Daar had vroeger zeker een knecht gewoond. En ik stelde me voor, ik was nog een heel klein kind, dat ik daar op dien eenzamen zolder later _mijn_ huishoudentje zou hebben! Later heb ik vreeselijk gedwéépt met Robinson Crusoe, maar wat ik eigenlijk nooit kon begrijpen was dat men hem zoo te beklagen vond. Ik vond hem veeleer te benijden--zoo lekker alleen op dat prettige eiland. Wanneer je dat in je hebt, dan kom je er vanzelf toe, je altijd rekenschap te geven van wat je wedervaart, en dat is _au fond_ mijn schrijven geweest. Ik geloof dat het bij een dichter net zoo gaat ... niet dat ik zeg dat ik een dichter ben ... ik heb veel te veel bewondering voor een dichter.... Het is dus het overdenken van wat je in je hebt en dat opschrijven. Tusschen 1875 en '77, toen ik 16 jaar was, woonden we in Wageningen. Mijn moeder was erg orthodox en ik ben als kind ook vroom geweest, en nog op mijn dertiende jaar heb ik geld ingezameld voor de zending. Ik was toen als externe op een Christelijke school, waar ik het onderwijs wat was ontgroeid en privaatlessen kreeg. Ook had ik toen veel vrij en maakte groote wandelingen met een kennis die vijf jaar ouder was. Je kunt nergens in ons land zulke verschillende wandelingen maken als daar: De eene keer heb je de hei en de heuvels met mooie vergezichten en de andere keer weer de vruchtbare en vlakke Betuwe. Daar ben ik toen serieus gaan hopen dat ik een dichter zou worden. Het was op een ochtend in den voorzomer en ik zat alleen op een heuvel bij Veenendaal. Aan de Grebbe had ik een jongen man bezig gezien, naakt tot aan den gordel, zich de borst te wasschen in een emmer koud water. Ik had nog al eens last gehad van mijn borst en ik was jaloersch op die kerel. Maar in dat heerlijke lenteweer--zooals we nu ook weer hebben--ga je je sterker en gezonder voelen, en ik kreeg hoop, dat ik ook eens een flinke kerel zou worden. Ik was namelijk een jongen, die overal bang voor was, en ik deed bijv. heelemaal niet aan sport. Maar toen kreeg ik een gevoel: Jesis, je ontgroeit het! En ik zie nog altijd voor me dat aanteekenboekje, waarin ik toen neergeschreven heb die stemming van geluk, van daar op die mooie hei te zitten. Ik heb altijd veel gehouden van natuur met heuvels, in dat opzicht ben ik een echte Geldersman gebleven, en ik ging toen een soort symboliek maken van dat vergezicht in verband met mijn eigen hoop op de toekomst. In dat jaar werd ik door mijn vriend uitgenoodigd een reis te maken door het Schwarzwald, een voetreis die wel zes weken geduurd heeft. Hij zou schilder worden en maakte een reisboek met teekeningen. Ik beschreef thuis mijn reis zonder teekeningen, maar met verzen, en dat werden acht schoolschriften in klad, een lang verhaal, met erg veel citaten, zooals je dat op dien leeftijd doet. Op mijn zeventiende jaar zijn we verhuisd naar Voorst bij Zutphen en toen ben ik gekomen bij de registratie. Dat was iets ontzettends voor me, maar aan den anderen kant wist ik hoe vreeselijk het zou zijn als ik niet doorging. Ik ben uit een ambtenaren-familie, mijn vader en grootvader waren burgemeester, een oom van me is notaris, mijn broer was minister. In zulk een omgeving leer je zekere eischen van _comfort_ en _social standing_ stellen, die je niet gemakkelijk opgeeft. En dan:--ik leefde alleen met mijn moeder en zuster, in een aardig huisje met een mooi strooien dak (later heb ik mij menigmaal voorgesteld dat ik mij daarin zou vestigen). Mijn vader was vroeg overleden en we moesten rondkomen van een f 1200 à f 1400. Mijn studie had al veel gekost aan lessen en dergelijke dingen meer, en ik moest doorzetten, al voelde ik er niets voor. Om mij zelf eenigszins schadeloos te stellen, heb ik er toen dit op gevonden, dat ik wel zou doorwerken, maar intusschen zou schrijven ook. Ik heb toen een klein bundeltje schetsjes gemaakt: "Kleingoed", waarin ik mij braaf accuraat had toegelegd op een keurigen vorm, _enfin_ iets van Potgieter er in, die ik toen druk had gelezen, keurige zinnetjes, maar een beetje luchtiger en leniger dan Potgieter--zoo ver was ik toen al. Ik was 's middags zoo tevreden als ik na kantoortijd weer in de spoor zat naar Voorst. Maar ik had een uur te wachten aan den trein, en daar ontmoette ik iemand die aan de _Zutphensche Courant_ was en mij van zijn baantje vertelde. En een poosje later kreeg mijn moeder de schrikbarende mededeeling, dat ik gesolliciteerd had aan een krant en van de registratie af wilde. Toen was de man die mij geestelijk steunde die Van Rappard. Hij schreef mij onmiddellijk. Hij was jonkheer ridder Van Rappard en zijn vader vond wel goed dat hij schilder werd, maar onder de kennissen vonden natuurlijk velen het een groot bezwaar, dat een jonkheer artiest zou worden. En hij schreef mij: Ik ben er 50% op achteruitgegaan, maar jij zult er 80% op achteruitgaan,--ofschoon je niet van adel bent. Er was toen nog heelemaal geen sprake van, dat je schrijver kon worden zonder een baantje te hebben. Later heb ik mij afgevraagd of het niet beter was geweest, bij de registratie te blijven, om vier uur Harer Majesteits kantoor te sluiten en dan voor me zelf aan het werk te gaan. Toen ben ik al spoedig in Amsterdam gekomen, aan de "Amsterdammer" van De Koo, en ik viel er dadelijk in een milieu van menschen van beteekenis, (onder wie ook Van Deyssel) waardoor ik voelde wat er aan mijn heele vorming ontbrak. Ik ontmoette tijdgenooten, niet alleen van véél meer talent, maar ook veel rijper in levensbegrip. Ik leerde toen ook Tak kennen die was vreeselijk aardig voor me. Hij was mijn chef en ik zei "Meneer" tegen hem, maar als 's nachts de krant klaar was, nam hij mij dikwijls mee naar zijn kamer, waar we dan een toddey dronken. Hij was een idealistisch en vreeselijk ... innig-gemoedelijk man. Ik herinner me nog, hij had een portret boven zijn schrijftafel, van een nichtje van hem, en hij barstte op een morgen in tranen uit toen hij over dat kind sprak. Om die sentimentaliteit van hem hield ik van hem als van een ideëelen ouderen broer. Als ik om twaalf uur met een looden kop op de krant kwam, dan had Tak zijn haren al gewasschen en zat weer lustig te werken. Hij was zeer sterk en ik zwak, en toen ging ik voelen de ellende van de onvrijheid door gemis aan fortuin. Dat gevoel ben ik in de laatste jaren wat kwijt geraakt. Bij mijn huwelijk heeft sterk gegolden het feit, dat mijn meisje aanleg dacht te hebben voor schilderes en zei: Geen huishouden!--Ik dacht, dat gaat gemakkelijk: Jij maakt schilderijen en ik schrijf, en zoo hebben wij geen zorg voor het huishouden. Maar het is anders geloopen.--Ik geloof niet dat ik anders den moed zou hebben gehad een huishouden te beginnen op de journalistiek, waar ik steeds voelde: vrees voor het maatschappelijk leven. Ik ben vreeselijk gauw op mijn teenen getrapt en den omgang met menschen heb ik steeds gevoeld als iets dat meer zorgen gaf dan genot. Dat is wel niet socialistisch, maar ik heb mij ook nooit voor een socialist uitgegeven. Ik heb altijd geleden onder den druk van te moeten omgaan, nu eens met die en dan weer met die--zooals een krantenman dat doen moet. Ik had heel zwaar werk, veel werk, en ik herinner mij uit de Amsterdamsche jaren, dat een vriend toen tegen me zei: "Kerel, sjouw jij zoo zwaar, of ben je verliefd?" Want ik zag er zoo slecht uit. Maar dat kwam van het 's nachts opzitten. Als verslaggever aan de oppositie-krant had ik het hard te verantwoorden en ik wilde weg. De Koo begreep dat niet: Hij bood mij meer geld aan en het tooneel, maar het was de kwestie, dat ik geen verslaggever verkoos te blijven en Holland uit wou. Toen heeft mijn vriend Enklaar, met wien ik samenwoonde, die zelf aan het Buitenland van het "Handelsblad" werkte en mijn angsten en ergernisjes zoo gauw begreep, mij in relatie gebracht met Charles Boissevain. En voor het "Handelsblad" mocht ik naar Parijs. Daar ben ik dan vijf jaar geweest, en ik begon me meer en meer te voelen als de _entretenu_ van Boissevain.... Ik blijf hem altijd dankbaar voor het baantje, maar ... het had zijn bezwaren. Ik wist dat ik altijd in een bepaalden geest moest schrijven. En in dien tijd begon ik Parijs onder een hoe langer hoe cynischer wordend algemeen levensinzicht te bekijken. Ik had een zekere satanische vreugde aan die opvatting van Parijs--maar ik had ook veel tijd om mij in de literatuur te verdiepen en om musea en tentoonstellingen na te loopen, waar ik veel om gaf. Ik moest altijd vroolijke en opgewekte stukjes voor het "Handelsblad" schrijven, zooiets als Van Maurik. Het was een hoogst oppervlakkig werk. Maar u begrijpt, ik deed het als broodwerk, met het vaste voornemen ermede op te houden, als die oom in Australië van me, me eens een half millioen naliet, zooals u uw broodwerk, hoeveel plezier u er ook in hebt, zoudt laten varen als die rijke oom van u in Australië eens kwam te sterven. Maar in dien tijd zag ik in het "Handelsblad" langzamerhand komen uitingen over een kunst, die in ons land aan het ontstaan was, en waarbij namen werden genoemd van goede kennissen van me, o.a. van Van Deyssel, ook van menschen, die ik slechts uit hun werk kende en voor wie ik sympathie voelde. Een daarvan was Couperus. En toen bracht het "Handelsblad" het protest van Den Hertog, den paedagoog, tegen het fatalisme in de werken van Couperus. Daar kon ik toch niet blijven! En toen er open kwam een baantje aan de "Nieuwe Rotterdammer" heb ik, voor een kwart in het besef dat ik het aan het "Handelsblad" niet kon uithouden, en overigens om met mijn vrouw en het kind dat ons geboren was naar Holland te gaan--zij kon in Parijs niet aarden--heb ik het "Handelsblad" verlaten. En een van de eerste dingen, die mij toen gebeurden, was, dat ik had geschreven zesentwintig blaadjes copy over en grootendeels tegen "Een Passie" van Vosmaer de Spie, en toen ik er mede binnen kwam bij mijn chef, scheurde hij die zesentwintig blaadjes meteen doormidden. Een tweeden keer was op de beurs een algemeen gelach opgegaan over een verslag van mij, dat in de krant had gestaan, over Toorop, wiens werk ik mooi had durven vinden. Dat was toch wel al te gek!--Maar in latere jaren zijn hier tentoonstellingen gehouden van Toorop, die met grooten eerbied door het publiek zijn behandeld. Het is een énorme satisfactie voor mij, te zien hoe de geest ook hier is veranderd, allicht ook een beetje dank zij de krant. Maar toen heb ik ook hoe langer hoe meer vrijheid gekregen. Ik ben geen vent om journalist te wezen. Ik houd van de eenzaamheid buiten. Maar ik blijf de krant heel dankbaar, dat hij me vrij heeft gelaten. De vroegere hoofdredacteur, Dr. Zaaijer, heeft mij herhaaldelijk heerlijk verdedigd, ook tegen aandeelhouders, en daardoor heb ik iets in het publiek kunnen doen voor de moderne kunst. Dat is een groote satisfactie voor me geweest. Nadat ik er een poos mee bezig was, is het "Handelsblad" ook begonnen. Maar toen ik aan de "Rotterdammer" kwam, was er geen sprake van, dat Boissevain dat zou gedoogen. Ik geloof dat ik de eerste journalist ben, die voor de nieuwe literatuur en de nieuwe kunst in de journalistiek iets heeft kunnen doen--afgezien van wat door anderen is gedaan in het weekblad "De Amsterdammer", hoewel Van Maurik daar toen in de hoofdredactie zat en de jongeren vaak den voet dwars zette. Toch heb ik in Rotterdam heel moeilijke jaren gehad en van dat zware leven heb ik nogal wat uitgesproken in een bundel verhalen: "Het Leed van den Hartstocht" en ook in "Zeven Vertellingen". Ik woonde toen in een huis, dat ik ook in "Geertje" beschrijf, en als ik 's nachts van de krant thuis kwam en nauwelijks was ingeslapen, kwam mijn achterbuurman, die schipper was, naar huis, en klotste mij met zijn klompen wakker. Langzamerhand, nu mijn kinderen groot zijn, ben ik gaan berusten in het leven en ik hoop van berusting tot Levens-Bejahung te komen. Ik hoop dan nog eens een boek te schrijven, dat zal heeten "Du Sollst"--daar heb ik al heel lang plannen voor. Maar mijn boeken van vroeger, en dat is, geloof ik, een zuiver antwoord op uw vraag--zijn een uiting van het levensinzicht, dat mij deed zeggen: "God, God, moeten er nu nog kindertjes komen?" en dat mij die heele procreatie-drang deed voelen als leed. --Mijn gastheer kuchte droog en nam een grooten slok wijn. Ik dankte hem voor deze oprechte en uitvoerige beantwoording en vroeg hem nu, wat hem dan noopte, dit levensinzicht op deze wijze te uiten. --Ik uitte dat omdat ... ik dacht er niet bij aan anderen, gelijk een dichter die liefdes-sonnetten maakt denkt aan zijn meisje. Neen, ook niet in den zin van wraak willen nemen. Maar ieder mensch heeft in zich de behoefte aan uiting. Je wilt je kracht gebruiken. Door te schrijven verminder ik mijn leed. U hebt dat ook wel eens in uw werk ondervonden: Een burger, die verduiveld nijdig is om een besluit van den gemeenteraad, ontlast zijn toorn door een stuk in de krant te schrijven, dat mijnheer A of B zoo verduiveld leelijk heeft gesproken.--In het begin wilde ik eenvoudig exploiteeren mijn begaafdheid als verteller--maar "De Zonde in het Deftige Dorp" is een boek, waarin ik uit mijn wrok over het schijn-fatsoen van de Hollandsche aristocratie en zoo wat. Het is wel degelijk een boek.... Robbers heeft het genoemd "een boek van haat", en dat is beslist onjuist, maar Coenen heeft het juister gekenschetst in "De Amsterdammer" toen hij zei: Je moet een heel eind boven je levenshaat geklommen zijn, om er zoo uit de hoogte op te kunnen kijken. Dat is de geestelijke groei in mij, dat ik aan dergelijke gevoelens van haat ontstijg, door de dingen uit de hoogte te bekijken. Het "Leed van den Hartstocht" beziet de dingen van dichtbij. Dat is een pijn, die ik vandaag voel, opgeschreven zooals hij is. Maar "Het Deftige Dorp"--dat is de wêerzin die ik heb, van mijn vijftiende jaar, en die nog bestaat, tegen de Hollandsche aristocratie--maar dan bewerkt tot een soort spotlach uit de hoogte. En als u mij nu vraagt: Wat drong je tot schrijven? dan zeg ik: De behoefte van dien man van het ingezonden stuk. Er is dus niet geweest bij mij ooit--ik heb vreeselijken eerbied voor "De Nieuwe Gids", maar in dat opzicht sta ik dichter bij Heijermans en vooral bij Coenen--louter schoonheidsverlangen. Er was bij mij meer menschgevoel dan schoonheidsverlangen. Mij is het vooral te doen om menschelijkheid en levensbegrip, levensgewaarwording. Ik wilde mijn levensgewaarwordingen opschrijven om ze te kristalliseeren tot een zeker begrip. En je bent schrijver om dat te doen in de presentie van de wezens die je je lezers noemt. --Of ik dan mocht zeggen, dat hij schrijft om zijn lezers in te lichten? Maar hij stond driftig op en ging heen en weer loopen in zijn kamer. En met zijn bewegelijke handen gebaren makend, alsof hij uit de lucht muggen pakte en die met al zijn vingers tegen zijn palmen dooddrukte, barstte hij los: --Neen, neen, o neen! Ik ben heelemaal niet paedagogisch. God neen! Maar er is iets anders. Ik weet nog dat ik in Parijs eens opgeschreven heb: Als ieder mensch eens heel oprecht zichzelf neerschreef, dan zou je daardoor krijgen zuiver levensbegrip. Als alle menschen zich gaven, zoo zuiver als ik mij heb gegeven--in mijn boeken--dan stel ik mij voor --dat de menschen er uit konden leeren. Maar als ik schrijf--dan ben ik niet de onderwijzer--maar de man die het openhartig zegt. Ik hecht vreeselijk aan oprechtheid en openhartigheid. Toen ik mijn meisje pas gevraagd had, was net klaar mijn eerste groote boek "Een Huwelijk". Toen zei ik: "Hier heb je een boek, en daar vind je mij zelf in". Dat heeft een deplorabelen indruk gemaakt. Ze vond die mijnheer in dat boek iets verschrikkelijks. Ze vond dat heelemaal geen kunstwerk. Mijn vrouw is een echte idealiste. Een en al schoonheidsverlangen. En het deed mij vreeselijk plezier toen het boek is opgekamd door Van Deijssel, in "De Nieuwe Gids" en "De Amsterdammer". Doch dat maakte alleen indruk op haar hersens. Voor haar eigen gevoel was dat boek _profondément antipathique_. --Die mijnheer Frans Koene uit dat boek (de echte Frans Coenen en ik hebben daar dikwijls om gelachen) daar zit erg veel van me zelf in.... Is er misschien een ijdelheid in, dat je met je indrukken te koop loopt, zooals een coquette vrouw met haar snoet? Het is moeilijk te zeggen. Ik weet het niet. Maar aanvankelijk was dat bij mij heelemaal niet het geval. Toen ik die versjes maakte in Veenendaal, was het niet om te publiceeren, maar om op papier te zien wat er in me omging. Dat is de oorsprong van alle schrijven. En het groote verschil, waardoor ik buiten de "Nieuwe Gids"-beweging sta en pas aansluiting heb gevonden bij Emants onder de ouderen, en bij Coenen, dat is juist dat het ons te doen was om menschelijkheid en levensbegrip--alle talenten-kwestie buiten rekening gelaten--terwijl die anderen, die vol levensliefde zaten, kwamen met schoonheid. Je zou het kunnen vergelijken: den een met bidden en den ander met vloeken. Een levens-verneinend mensch vloekt, een levens-bejahend mensch bidt. Nu is mijn levensproces dit, dat ik door het geluk dat ik vind in mijn gezin, ook doordat ik rijper ben geworden, ben gekomen tot een levensberusting --die echter nooit zegt: Wat is het leven heerlijk. Er is een groote behoefte aan liefde in mij, en het boek dat ik met zeer besliste opzet aan mijn vrouw heb opgedragen, dat is "Geertje", dat men een levens- bejahend boek heeft genoemd,--dat is ook het eerste boek geweest, waarmee ik succes heb gehad.... --Toen kwam de vraag bij mij op, of hij dan niet aan zijn indrukken iets toe deed? Maar hij begreep dat niet aanstonds zoo als ik het bedoelde. --Dat is verschillend, antwoordde hij. In verschillende tijdperken en verschillende werken is dat verschillend. _Geertje_ bijv. is van huis uit dit: We hebben eens gehad een dienstmeid en ik wist wel dat die dienstmeid, voordat ze bij ons kwam, heeft gehad de narigheid die het fundament is geworden van mijn roman. Op een avond, toen ik met mijn vrouw wandelde, het was bij het ziekenhuis hier, vertelde ze me dat en gaf me meer détails en zei: Nu weet je precies hoe het met haar geloopen is, en ik riep: Godallemachtig, daar zit een prachtige roman in--zooals ik vanmiddag, toen u me van uw gemeenteraden vertelde, heb geroepen: Daar zit een prachtig stuk copy in!--Dat mensch is korten tijd daarna van ons weggegaan, omdat ze teringachtig is geworden. Waarom trok me dat nu zoo aan? Omdat ik in oude ontwerpen van verhalen, die dateeren uit mijn vroegsten tijd, twee had gevonden, waarvan het eene nooit uitgewerkt is en het andere als het ware is een omgewerkte Geertje. Een meisje uit den burgerstand, dat een soort van held ziet in iemand die maatschappelijk boven haar staat, en zich heelemaal voor dien man weggooit. Dat heldhaftige er in, dat wilde ik weergeven. Ik heb in een aantal détails, op het slot na, de werkelijkheid trouw gevolgd. En nu is het bezwaar dat men tegen "Geertje" had dit, dat ze door dat uitpluizen van haar sensaties te weinig dienstmeid is gebleven. Ik heb me dan ook later afgevraagd, of ik niet beter had gedaan, haar een kinderjuffrouw te maken uit een beetje hoogeren kring.... U ziet dus, dat in dat boek de werkelijkheid de grondslag is. En meestal is dat bij mij zoo geweest. De schetsen uit "Zeven Vertellingen" en "Het Leed van den Hartstocht" zijn wel verzonnen, maar toch uit toestanden die ik had ervaren, of ergens had gelezen. Een schets uit de "Zeven Vertellingen" is "De Klompjes", een verhaal dat ik in de "Oprechte Haarlemmer Courant" had gelezen--dat dus wel waar zal zijn!--als gebeurd met kinderen in de buurt van Berlijn. En toen heeft aan den eenen kant mijn groot medelijden met de menschen in het algemeen en de kinderen in het bijzonder en aan den anderen kant mijn drang om over de aantrekkingskracht van den Dood te schrijven mij doen zeggen: Daar zit een mooi verhaal in. Kijk, het is mij er met mijn schrijven om te doen, mede te deelen mijn conclusies over wat ik van het leven heb ervaren. Ik moet dus beginnen met te hebben levenservaring en nu ga ik die analyseeren, onder het microscoop bekijken. En nu valt er een heel persoonlijk licht op, dat spreekt van zelf, maar de grondslag is eenvoudig: De uitwerking van een geval dat ik heb waargenomen of vernomen. En nu heb ik de menschen zooveel mogelijk andere neuzen of baarden gegeven en andere jassen aangetrokken, maar ik heb, om tot het deftige dorp terug te keeren, van uit de hoogte willen behandelen Nederlandsche fatsoens- en vroomheidsopvattingen (die in onzen tegenwoordigen tijd weer zoo aardig aan het werk zijn) en ik heb daarvoor genomen toestanden die hebben bestaan. Ik zoek dus naar dingen die aansluiten bij mijn persoonlijke gevoelens. --Zoodat u volstrekt niet behoort bij hen, die ieder stuk werkelijkheid, onverschillig welk, voldoende vinden om er over te schrijven of om het te beschrijven? --O neen, dat kan ik niet, dan komt er niets van terecht. Op het fond ligt altijd wat ook in den lyrischen dichter zit, mijn persoonlijk gevoel. De aangedragen dingen kunnen hoogstens dienen ter illustratie van dat persoonlijk gevoel. Wanneer later van mij dat boek zal zijn verschenen, waarbij de menschen zullen spreken van optimisme, dan zal dat wezen omdat ik werkelijk door levenservaring en door de indrukken die teederheden op mij gemaakt hebben, ben gaan voelen de schatten helderheid die er zitten in de gezinsliefde, en daardoor meer optimist geworden ben, of althans een man van levensberusting. Ja--berusting--dat is eigenlijk het goede woord. "Het Leed" is hier in deze zelfde kamer, aan deze zelfde tafel geschreven, maar als het morgen een broertje krijgt, dan zal dat een heel anderen geest hebben. Ik zoek dus mijn onderwerpen, kleine verhalen en groote werken, zoodanig, dat mijn levensinzicht er zich in kan uiten. --Een realist bent u dus in de opvatting van uw onderwerp nooit geweest? --Neen. --Maar nu wat de uitwerking betreft? --Ja, bij de uitwerking wel. Ik tracht om zoo te zeggen verantwoording af te leggen, tegenover den lezer, van de ervaringen die ik in het leven heb opgedaan. Dus moet ik het leven zoo zuiver mogelijk mededeelen. En hoe kan ik dat anders doen dan realistisch? Maar nu is het verschil tusschen het realisme en mij, dat het realisme de ervaring van zichzelf weglaat. Wanneer u mij vertelt van uw gemeenteraden, dan kan een zuivere realist een schets maken van zoo'n raadzaal, maar ik zal geven de ervaring die ik heb van zoo'n raadzaal. --Maar U deelt die ervaring, of liever dat inzicht, niet afzonderlijk mee. --Natuurlijk niet. Wanneer ik dat deed, zou ik een slecht auteur zijn--(hier kon ik een beweging van tegenspraak niet weerhouden)--ja, want dan maak je tendenz-boeken. Maar ik zit zelf heel sterk in "Geertje".... Hij stond weer vlak voor mij en maakte met zijn handpalmen die eigenaardige grijpbewegingen.... --Ik geef sterk in "Geertje" weer--mijn heel persoonlijke illusies--De Meesters illusies--van vrouwenliefde. Dat is het subjectieve in het boek. En het is voor mijn gevoel het werk van de critiek, uit te maken in hoeverre ik, bij dat subjectieve, zuiver heb weten te houden de teekening van de figuren. Dat laatste is natuurlijk de kunst. Van Deijssel heeft naar aanleiding van "Geertje" geschreven: De Meester is in onze generatie de man die hart in zijn werk legt.--Toen mijn vrouw mij vertelde van die dienstmeid--toen zei ik dadelijk: Dat mensen voldoet aan de verlangens, die ik als jongen van achttien jaar had van vrouwenliefde. Nu kwam de werkelijkheid vóor mij te staan en gaf mij zoo'n ideale figuur te aanschouwen. Ik had maar te copiëeren--maar ik deed het met de vreugde van iemand die heeft gevonden zijn ideaal.... Ik kan u dit misschien nog duidelijker maken door u te zeggen, dat mijn lievelings-auteurs ook menschen waren die als het ware geestelijk werkten. Vòor mijn vijftiende jaar al Multatuli, en daarna nog veel meer Rousseau. Dat zijn geen zuivere vertellers en geen zuivere schoonheidsmenschen. Dat zijn menschen die steeds hun inzicht in het leven geven. Daarna ben ik komen te lezen pessimistische literatuur, die aan mijn levensinzicht beantwoordde. Het is altijd geweest: mijn philosophie ... of neen, ik heb niets van een wetenschappelijk man ... mijn levensoverpeinzingen een vorm te geven door er vertellingen van te maken ... dàt is mijn eigenlijk werk. --En vindt u niet, dat onze literatuur juist den anderen kant uitgaat? --Neen, ik zou juist zeggen, dat er in den laatsten tijd stroomingen komen, die veel meer dien kant uit gaan. Scharten heeft naar aanleiding van "Geertje" o.a. dit geschreven, dat de romanliteratuur in de toekomst zoo zal zijn, dat er een soort van romantiek gaat door het realisme. Ik geloof dat de menschen bij ons hoe langer hoe meer, o.a. ook geleerd door uw vriend Goethe, komen tot het weer terug willen hebben van het Levensinzicht als basis van alle literaire kunst. En als ik iets als onbelangrijk voel--als een ding dat me niet interesseert--dan is 't het realisme, dat aan de loutere beschrijving zonder meer van een brok werkelijkheid z'n volle kracht geeft. Dat zou ik nooit kunnen doen. Vandaar dat mij terecht zoo vaak is verweten dat in mijn boeken de plastiek schraal was. Die heeft mij altijd weinig geïnteresseerd. Om u een voorbeeld te geven. Een figuur van wie ik altijd ontzettend veel gehouden heb is geweest mevrouw Bosboom-Toussaint. Ik heb gedweept met haar "Huis Lauernesse". Maar nu weet u wel, er zijn in het begin een zestal pagina's waar het kasteel wordt beschreven. En tot op den huidigen dag heb ik die niet kunnen lezen, terwijl ik het heele boek wel twintig maal gelezen heb!... Ik weet geloof ik wat u vragen wilt. Wanneer u in mijn huis een zeker streven naar schoonheid opmerkt,--o, niets bijzonders,--maar een zeker pogen om door een beeldje hier en een kleedje daar wat schoonheid te brengen, dan komt dat, doordat mijn vrouw die in mijn leven heeft gebracht en heeft doen waardeeren. Mijn ideaal is het ideaal van Schiller: een kamer met wit gekalkte muren en de meest eenvoudige schrijftafel. En dat sluit aan bij mijn behoefte aan eenzaamheid, om van een minimum te leven in den meest grooten eenvoud, en dan te schrijven.... Dat ik dat niet gedaan heb, zit hem in mijn groote behoefte, in allerlei opzichten, aan een vrouw. Het geestelijk element van dat verlangen heb ik trachten te uiten in "Geertje", en het andere element, het lichamelijk element en het leed daarvan, in de "Zeven Vertellingen" en "Het Leed van den Hartstocht". Toen ik naar Parijs zou gaan, had ik nog dat huisje in Voorst, waarvan ik u straks vertelde, en daarin woonde mijn zuster alleen, en toen dacht ik: Als ik nu maar hier bleef!--Maar het idee dat je van de boeken zou kunnen leven was toen zoo veraf liggend, dat bij het beetje geld dat ik dan zou hebben alle mogelijke ideeën van te kunnen trouwen waren uitgesloten. Zoo is de intree in de maatschappij voor mij bepaald geweest niets dan dwang. Deze uitlating bracht me er toe, hem te vragen naar zijn meening over het socialisme, niet de politieke richting die zoo heet, maar meer in het algemeen de geestelijke strooming, die het maatschappelijke, ook in de kunst, zoo sterk op den voorgrond stelt. --Het socialisme, antwoordde hij, laat mij vrijwel onverschillig. Ik vind het heel mooi, maar het lost voor mij de levensvragen niet op. Als de socialistische maatschappij er is, dan stel ik mij voor, dat die, zoo niet aan me zelf dan toch aan onze kinderen, zou brengen een vergemak- kelijking van het leven. Maar--ik behoor ook tot de proletariërs--ik stel mij voor, dat de levensvragen dan precies even bloot en onopgelost voor ons zouden liggen.... --Wilt u meteen duidelijk zeggen wat die vragen zijn? --Die vragen zijn dan het gevoel dat het leven geen doel heeft, geen reden en geen oorzaak heeft, waar ik "ja" op zeggen kan. En dat ik in het leven zie voor iedereen veel leed en veel meer wreedheid dan lust. Zoodat het _fond_ van mijn bestaan is een volstrekt ongeloof, het tegendeel van godsdienstigheid, en ik alleen door menschenliefde ben gaan berusten. Maar daarom nog niet zie in het socialisme, hoewel dat natuurlijk ook op menschenliefde gebaseerd is, een ding, waarmede dat zelfde leven wordt gemaakt tot een blij iets. Daar zou ik met veel plezier over doorpraten als u het goedvindt.... --Ik zal u wel waarschuwen als u voor mijn doel te ver gaat. ... Wanneer ik dan lees "Pan" van Gorter, dan voel ik, dat ik het werk mislukt vind als geheel, maar er _magnifique_ dingen in vind, en een streven dat mij _sympathique_ is. Ik vind Gorter een erge kraan ... we spreken hier natuurlijk van mensch tot mensch ... maar op den bodem van "Pan" ligt een levensblijheid, een levensvreugde ... een geloof in het leven ... die ik bijna kinderlijk naïef vind. Ik voel me zelf als iemand die nooit een kind is geweest. Daartegenover voel ik een man als Gorter als iemand die altijd een kind is gebleven.... Wanneer nu morgen het socialisme komt, dan zou daarmee o.a. zijn weggenomen de ... godvergeten ... groote ... onnoodige ... wréédheid van de armôe. Maar als het socialisme morgen kwam, dan zou niet de wereld met al het andere dat nog zou zijn goed te maken zooveel verder zijn gebracht. U hebt alles noodig, niet waar? Ik geef u een paar schoenen en dat is heel wat voor u waard. Maar wanneer uw kind doodelijk ziek lag, wanneer u voor goed gebrouilleerd was met uw vader en moeder ... wat hebt u dan aan die schoenen van mij?... _Au fond_, groote god, ga ik met de socialisten heelemàal mee, maar ik vind niet dat hun strijd gaat tegen de dingen waar ik tegen strijden zou--als ik streed. Maar ik strijd niet, omdat ik geloof dat alle strijd daartegen nutteloos is. Het eenige dat ik doe--is mijn leed er over uiten. --En dit nu in verband met de kunst? met die heele serie begrippen die men thuis brengt onder de benaming "gemeenschapskunst"? --De eenige deugd, die ik aan mijn schrijverij toeken, is de deugd die Van Oort er in heeft gezien, de oprechtheid. Ik geef me zelf in volledige oprechtheid. Ik heb niets anders te geven. Iets anders doe ik niet. De gemeenschapskunst is alleen voor menschen die het leven liefhebben. Wat zullen we gaan wandelen--als we niet van wandelen houden? Natuurlijk, als we gaan wandelen, dan spreken we af dat we meenemen een paar schoenen, een veldflesch en een kaart.... Maar ik zeg dikwijls: Jesus, vader en moeder, waarom heb je me gemaakt? Ik kan met de menschen onmogelijk die plannen meemaken voor die wandelreis. Ik blijf liever thuis.... Het verschil tusschen Kloos en mij is, dat hij de Onbewustheid lief heeft, en ik er bang voor ben. Op den grond van alles voel ik de natuur als een zich niet aan ons openbarende, even wreede als prachtige macht. Ik heb in later jaren twee regels van Leconte de Lisle leeren kennen, die voor mij een levensleus inhouden: La nature se rit des souffrances humaines Ne contemplant jamais que sa propre grandeur. Aan den eenen kant die schoonheid van de natuur--aan den anderen kant dat ze daar alles aan opoffert. Kloos is in zijn hart een godsdienstig man. Ik ben godsdienstig opgevoed, maar mijn levensvrees was altijd te groot. Ik zei u al, ik kom uit Harderwijk, een stadje van zesduizend inwoners. Het stadje van de kolonialen, die er een groot _air_ van triestheid aan gaven, iets vreeselijks.... Aan den eenen kant die wreed calvinistische visschersbevolking, die niet tevreden was of de dominé moest elke week van hel en verdoemenis preeken, aan den anderen kant die exploitatie van de kolonialen, die in het stadje werden gehouden om er hun geld te verteren. Na mijn vader's dood is mijn moeder daar nog enkele jaren blijven wonen, in die eenzaamheid. En zij ging er natuurlijk vreeselijk onder gebukt, dat ze zoo jong weduwe was geworden. Maar ik dacht: Wanneer de broers het huis uit zijn, dan ga ik met moeder wonen in Ermelo, omdat ik iets wilde dat nog veel stiller was dan Harderwijk! En dat was nog vóor mijn negende jaar. Ik kende nooit die dankbaarheid voor het leven, die vrome menschen moeten voelen. Misschien voelt zoo'n calvinist wel de toorn van den oud-testamentischen god, maar een vroom mensen moet god voelen als een liefhebbend vader. Ik was nooit blij. Ik was geen vroolijk kind. Ik was bang voor alle menschen. Ik was een lamme jongen op school. De jongens hadden allemaal de pest aan me. Pas die vriend die ik u straks genoemd heb heeft van mijn eenzelvigheid gemaakt een eenzelvigheid _à deux_.... En toch, misschien dreef mij _au fond_ wat een godsdienstig man drijft.... Er zijn natuurlijk wel godsdienstige socialisten, maar ik meen dat in den regel iemand zich niet aan het socialisme zal geven als hij met den godsdienst niet klaar is gekomen. Het socialisme is toch _au fond_ een maatschàppelijk streven.... --Zit in dat gevoel van u niet een zekere vrees voor wat men noemt de domme menigte, die u in deze pessimistische zelfbeschouwing zou storen en u haar inzichten zou willen opdringen? --Ik heb een verdomde--Hàat--de mij eigen lichtgekwetstheid brengt mee een zòo gemakkelijk medelijden met andere menschen, dat ik, hoezeer ik als _artiste_ voel voor figuren als Napoleon, ze _au fond_ godvergeten --Hàat. In zooverre zijn mijn boeken zuiver democratisch ... willen dat tenminste zijn. Wat de toekomst zal brengen weet ik niet. Ik zou bijna zeggen: Het kan mij geen.... --_Bijna_ zeggen, of _helemaal_ zeggen, mijnheer De Meester? --Het kan mij natuurlijk wel schelen. Omdat ik kinderen heb. Daarin zit het zwakke punt van mijn heele zijn. Maar ik heb niet zooveel eerbied voor het leven, dat het geestelijk leven mij veel kan schelen. Dat kan ik met alle mogelijke kniebuigingen nooit meevoelen met uw vriend Goethe en ook niet met de talentvolste onder mijn tijdgenooten, die ik juist wel eens heb gemeden, omdat er zooveel blije geestdrift was in hun streven naar schoonheid en dergelijke dingen meer. Dat waren dingen die mij ... pas in de tweede plaats konden schelen. --Dat komt dus neer op het gebrek aan een levensgeloof, dat voor mij een van de kenmerken van onzen tijd is. --Als ik levensgeloof had, dan was ik misschien een partijganger geworden, natuurlijk lang zoo kranig niet als Jet Holst, maar wel even fel. Is het nu gebrek aan levensmoed, dat mij niet levensgeloovend maakt--of is gemis aan levensgeloof de _fond_ van mijn geheele wezen? Dat weet ik natuurlijk niet. Dat kun je niet zeggen. En in zooverre sta ik nog veel nader tot de socialisten dan u, die tegenover hen staat. Want ik sta niet onverschillig maar _blank_ en u heeft een zekere aversie. Ik voel in dat "Pan" van Gorter: Goddome, als je zoo het leven bekijkt, dan begrijp ik dat je het leven lief hebt. Maar de natuur is heelemaal niet zoo te bewonderen als "Pan" dat doet. --Wanneer ik u zoo hoor spreken, wanneer ik u zie gesticuleeren en druk door uw kamer zie loopen, dan krijg ik toch de gewaarwording dat in uw heele optreden flink wat levensmoed steekt. --Van Deijssel heeft eens tegen mijn vrouw gezegd: Wat je man heeft, dat is dat hij zijn zenuwen verwerken kan door ze te uiten. Daar is misschien wel iets van aan. Dat is dat _exubérante_ in me. Dat was er al voordat ik naar Parijs ging, maar dat is door het leven in Parijs sterker geworden. Vandaar dat een oude dame eens tegen me zei: Vous ne serez jamais un Parisien, mais vous avez tout l'air d'un Marseillais. Ik kan dagen lang gesloten zijn en dan ook eenzaam leven. Je vindt dat o.a. ook bij _célibataires._ Als die los komen dan zijn ze luidruchtiger dan andere menschen. Op de krant ben ik de minst gezellige van de collega's, en ik voel ook wel dat het niet aardig is. Mijn aard is om naar niemand zijn gezelschap te verlangen. Maar bén ik eenmaal in gezelschap, dan ben ik de luidruchtigste. Verleden jaar heb ik ter wille van mijn dochters (anders kom ik nooit in een vergadering) dat congres van letterkundigen bijgewoond. Van Deijssel heeft toen een toast gehouden op mijn vrouw en mij, en toen heb ik geantwoord in een erg uitbundigen toast, waaruit de menschen wel heelemaal niet den indruk hebben gekregen van een vent die liever in z'n eentje zit in een dorp als Ermelo. Dit heb ik misschien van mijn geboorte. Mijn moeder was een zwakke vrouw, getrouwd met haar neef, en ik was een nakomertje, acht jaar na de anderen geboren. Mijn twee broers zijn flinke kerels. Van mij werd altijd gezegd dat ik schoolziek was, en toen heeft een meester aan de school van de Hernhutters eens gezegd: Neen, hij is niet schoolziek, maar hij heeft gebrek aan physieken moed. Dat heeft mij erg getroffen en ze moesten me thuis precies uitleggen wat dat was. Zoo iets résonneert in je ziel, en zoo ontstaat literatuur. --Dat moet toch ongezonde, ziekelijke literatuur zijn? --Ja, dat spreekt van zelf. Ik zou bijna zeggen, dat menschen die dergelijke boeken schrijven gezonde menschen aller-innigst moeten haten. Gezonde menschen--dat zijn de forsche, sterke, de wreede typen van levenslust, met alle hardheid die daar inhaerent aan is.... --U zegt inhaerent? --Met alle hardheid die daar inhaerent aan is. En daar staan licht gekwetste menschen, die bang voor het leven zijn, natuurlijk fel tegenover. Waarom leeft een mensch die aan het leven het land heeft, voort? Omdat het leven sterker is dan jij bent. Als ik daar ooit een voorbeeld van heb gezien, dan was het wel de autobandiet Dieudonné, de felle revolutionnair, die een kniebuiging heeft gemaakt voor het Gezag, met tranen in de oogen, toen hij vernam dat hij mocht blijven leven in dien vorm, dat hij voor z'n heele leven naar de galeien ging. Dat prefereert zoo'n stakker boven het momentje van den dood!... Het leven is de sterkste en dat is voor menschen als ik ben een moeilijk proces, om daarin te blijven berusten. Het is misschien verdomd egoïst, dat je de moeite die je dat kost niet voor je zelf houdt, maar er boekjes van maakt. Maar er staat tegenover dat je het doet in het besef, dat er heel veel menschen zijn, die hetzelfde voelen als jij. Ik heb altijd een gevoel dat de literatuur, zooals ik ze maak, is voor een kleine minderheid. En nu heeft mij erg bevreemd: Ik heb hier voor een kring van dames, die mij door een vriendelijke dame waren toegestroomd, gelezen over de _Névrose_ in de nieuwe Fransche letteren. En toen is tot mijn groote verbazing dit gebeurd, dat, nadat ik die vier lezingen had gehouden voor negentig dames, er nog zoo velen waren die het ook wilden hooren, dat ik ze herhaald heb voor een kring van meer den tachtig dames. Ik beweer heelemaal niet dat ze met sympathie over die _Névrose_ hebben hooren spreken. Maar ze wilden het toch maar weten. Dat blijft het tegenstrijdige van den levens-verneiner, dat je meeleeft in en zelfs meedoet aan dat overbodige dat heet--de literatuur!-- Het was diep in den nacht, toen De Meester mij naar mijn hotel geleidde--over het fel belichte asfalt van Nêerlands eerste koopstad. Hij sprak in harde, stekelige woorden over het lot van de veile schepseltjes, die in den prachtigen zomernacht over het asfalt zwierven. En juist toen voelde ik dat ons gesprek mij hem nader had gebracht. BIBLIOGRAPHIE: Kleingoed (schetsjes)--Een Huwelijk (roman)--Parijsche Schimmen--Zeven Vertellingen--Deemoed--Allerlei Menschen--Louise van Breedevoort (roman)--Het Leed van den Hartstocht--Geertje (roman)--Aristocraten (roman)--De Zonde in het deftige Dorp (roman)--Op weg naar Transvaal (Kinderboek)-- Voorts de brochures: De Menschenliefde in de werken van Zola--Een ongewoon meisje (Marie Baykirtsef)--Iets over de literatuur onzer dagen. KAREL VAN DE WOESTIJNE [Illustratie: KAREL VAN DE WOESTIJNE naar een teekening van zijn broer, Guust van de Woestijne] (* 1878) Ik had dien middag "op den buiten" bij Brussel doorgebracht, en, toegevend aan een gril, in een landelijke herberg mijn maal gedaan van brood met "platte keis" (een soort zure room) en rammenas. Een paar mannen uit den omtrek dronken lambiek en schoten met handbogen pijpen van een hoogen staak. Onder het genot van een potje witachtig bier, 't soort dat op zeepsop gelijkt, trachtte ik me weer in te leven in de Vlaamsche sfeer, waar ik welhaast tien jaren geleden thuis was. Het gelukte maar half: de stemming van on-critische, goedmoedige onbewustheid, die ik op de gezichten van de boogschutters las, kon ik niet meer bereiken. Totdat een gesprek met een boschwachter, wien ik naar den weg vroeg, en die geen Fransch verstond maar mijn hoog-Nederlandsch voor een Italiaansch dialect scheen te houden, mij in de gewenschte lijn-looze soezerigheid bracht. Zoo bereikte ik het huis van mijn slachtoffer, gelegen aan een dreef met veel pleiziertuinen: "melkerijen", waar menschen met roode gezichten, smeulende oogen en luide stemmen krentebrood met harde eieren gebruikten, en glazen dunne melk lieten staan.... ... En plotseling leidde de blozende Vlaamsche meid mij in een kamer, waar de raadselachtige scheemring met bloedkleur doortrokken scheen. In mijn breede, vleezige hand legden zich de heel slanke, bleeke vingers van den poëet. Ik had nooit gedacht dat een zoo smalle hand mogelijk was. Zijn heele gestalte trouwens is van een opmerkelijke, aristocratische fijnheid, wat vooral uitkwam als hij met vele overbodige, doch rustige bewegingen door 't roode half-duister van zijn kamer schreed, aan de strak tegen 't lijf gedrukte armen de handen rechthoekig opgebogen. En ik kreeg, in deze vergeestelijkte omgeving te plotseling overgeplant, de sensatie, dat de bleeke dichterhanden zouden gaan wapperen als ik mijn adem niet inhield..... Doch nu zit hij tegenover mij, aan de schrijftafel, waar vele groene en oranje bandjes Fransche philosophie van Alcan en Flammarion mij treffen, en ik bespeur op dit indrukwekkende, starende baard-gezicht trekken, die mij doen denken dat 't voorwaar! tot schooner dingen leidt, van den wijn, van den hartstocht en den zinnenroes te zingen, dan er van te léven. Mijn geoefend oog gaat opmerken. Ik bestudeer zijn ranke bewegingen en zijn mimiek, ik blijf letten op het spottende in den glimlach van sensueele lippen en helle puntige tanden, en het kost me moeite, van de min of meer medische beschouwing naar de ideëele beschouwing van dezen persoon terug te keeren. Doch de wijn rukt aan, "het kan geen kwaad" meent hij, en ik krijg hem aan 't praten, zoodat ik, noteerend en vragend, geen gelegenheid meer heb om mijn ontleding van zijn uiterlijk voort te zetten. Van jongs af, zoo vertelt hij, ben ik geweest tweevoudig. Ik heb geleefd binnen in mijzelf, en dàn met een groote fantaisie. Toen ik een kleine jongen was, heb ik heelemaal in mijzelf geleefd, en daarbij kwam veel atavism, zal ik maar zeggen. Mijn vader was een man die heelemaal naar binnen gekeerd was, maar langs den kant van mijn moeder had ik een grootvader, die was heelemaal fantaisie. Hij sprak alles op rijm en maakte om te kunnen rijmen de zonderlingste gedachtensprongen. Hij was architect, maar hij deed niets aan zijn vak, want hij kon gemakkelijk leven. Hij was als gemoedsmensch een echt artiest. De groote ernst in mij kwam van mijn vader. Hij zou ingenieur worden, maar op een zeker oogenblik is hij gedwongen geweest in de nijverheidszaken van zijn eigen vader te gaan. Zoo lang ik hem gekend heb, hij is maar tweeënveertig jaar geworden, hield hij zich heel den tijd bezig met wiskunde en mechanica. Hij heeft verscheidene uitvindingen gedaan. Een voorbeeld kon hij niet voor mij zijn, ik was maar twaalf jaren toen hij stierf, maar zijn aard bleef er in. Ik heb heel veel van hem gehouden, hoewel hij mij nooit veel liefde betoond heeft. Dat lag in zijn aard niet. Toen mijn vader dood was, stond mijn moeder aan het hoofd van een groote nijverheidszaak in Gent. Zij had veel werk, en veel innigheid heb ik niet kunnen genieten. Een eenzame van nature, ben ik heel jong gaan lezen. Aan kinderspelen heb ik nooit gedaan, want mijn andere broers, die jonger waren, hadden gezelschap aan de dienstboden. Ik had slechts mijn bibliotheek, een van de zotste dingen die bestaan hebben, waar bijv. Homeros naast Jules Verne stond. Het was een samenhooping van boeken, duizenden en duizenden. Wij hadden in Brussel een familielid en die was boekhandelaar. Wanneer mijn vader en moeder of mijn grootvader hem kwamen bezoeken en iets interessants bij hem zagen, namen zij het maar mee. Dat werd een kamer vol, literatuur, encyclopedieën, woordenboeken, atlassen.... Ik kon lezen sedert mijn derde jaar. Ik heb op een zeer bijzondere manier leeren lezen. Vlak over de deur hadden wij een jong onderwijzer wonen, die het heel slecht had en in de vacantie lieten mijne ouders, toen ik pas twee jaar was, hem les komen geven. Meer voor hem, dan voor mij. Ik zal u zijn naam niet noemen, want hij heeft een zekere bekendheid gehad in Nederland. Dat is voor mij het ergste geweest, dat mij kon gebeuren. Want ik leerde heel vlug, met een echte koorts. Toen ik een jaar of zeven was, had ik al een heele bibliotheek verslonden. Toen ik een jaar of twaalf was, las ik ter zelfder tijd Pascal en Paul de Kock. Ik herinner het mij zeer bepaald. Dat moet voor mijn ontwikkeling veel belang gehad hebben. De vage drang naar oneindigheid en de geniepige, gevreesde sensualiteit die aangestoken werden door zulke lectuur, hebben mij heelemaal voorbereid tot wat ik geworden ben, mag ik wel zeggen. Toen mijn vader stierf had ik al gedichten gemaakt in het gebrekkigste Vlaamsch dat men zich denken kan en dat dank ik weer aan dien zelfden huisonderwijzer. Hij was toen leeraar geworden en zelf een dichter, zonder veel beteekenis trouwens. Ik kende heel weinig Vlaamsch. Mijn opleiding was in een privaatschool, die niets te maken had met de gemeentescholen, waar nog iets Vlaamsch geleerd wordt. Niemand wist, dat ik die verzen maakte. Een paar jaar later zijn zij verschenen in een kindertijdschriftje. Het eerste gedicht, dat ik waarlijk gevoeld heb als gedicht, maakte ik op den eersten verjaardag van den dood van mijn vader. Toen was ik een goede dertien jaar. Intusschen waren een heeleboel andere verzen van mij verschenen onder allerlei pseudoniemen, die ik zelf niet meer ken. Intusschen was ik op het athenaeum gekomen en daar ben ik waarlijk een flamingant geworden, onder den invloed van een paar leeraren, die mij veel goed en ook veel kwaad gedaan hebben. Het was in '93 en de eerste "Van nu en straks" was verschenen. Dat heeft een enormen invloed op mij gehad. Dat is een punt van belang en men weet dat in Holland eigenlijk zoo niet. "De Nieuwe Gids" heeft invloed gehad op de generatie die onmiddellijk vóor de mijne gekomen is, die van Vermeylen, De Bom en Hegenscheidt. Die hebben waarlijk den invloed van de "Nieuwe Gids" ondergaan. Maar de man die, de eerste, eene eigenlijke vernieuwing in Vlaanderen gebracht had, Van Langendonck, heeft dien invloed niet gehad. Wel stond hij onder den invloed van Fransche dichters, onder den invloed van de "Jeune Belgique", die baudelairiaansch was. Wel heeft hij verzen geschreven die Kloosiaansch schijnen, maar dit voordat Kloos ooit in Vlaanderen gelezen werd; verzen, die geschreven waren bijv. in '82 en '83, vóor het verschijnen van de "Nieuwe Gids". Onze generatie kende de "Nieuwe Gids" nog niet. Wij waren volop aan het dichten onder den invloed van Pol de Mont en Hélène Swarth, toen wij door bemiddelling van "Van nu en straks" de "Nieuwe Gids" leerden kennen. Maar het was Van Langendonck vooral, die voor ons de openbaring was. Ik mag gerust zeggen, dat de invloed van "De N.G." niet groot geweest is. Toen ik zeventien, achttien jaar was, heb ik veel genoten van Kloos, veel meer nog dan van Gorter, maar echten invloed heeft hij op mij nooit gehad, niet meer dan bijv. Lamartine of Musset, en bepaald minder dan De Vigny. Ik admireerde Kloos, omdat ik een zoo groote individualistische personaliteit in hem vond. Wij zijn nu in '94 of '95. Ik was toen volop aan het dichten. Toussaint heeft van mij geschreven, dat ik toen reeds een beroemdheid was onder de athenae-jongens en studenten. Veel vroeger had Pol de Mont mij een postkaart gestuurd, een postkaart, stel je voor, over een paar verzen van mij in een tijdschrift. In die postkaart stond: "Tu Marcellus eris."[3] Ik heb er trouwens niet op geantwoord. Want ik voelde wel, dat verzenmaken was toen niet meer dan een bedrevenheid van mij, anders niet. In '93 echter maakte ik kennis met "Van nu en straks" en de anarchistische beweging in Frankrijk en België, waaruit de geest van "Van nu en straks" gedeeltelijk was ontstaan. Ik mag u verzekeren, ik was na den dood van mijn vader nog meer vereenzaamd en die opstandelijke beweging heeft mij waarlijk gevormd. Wij gingen heelemaal in die beweging op, en ik heb op het punt gestaan buiten de deur van het athenaeum te worden gezet om mijn revolutionnaire ideeën. Van toen af kon ik mij met niets meer tevreden stellen dan na rijp onderzoek, en sindsdien ben ik een opstandeling gebleven, of zeg: laat ik mij niet gaarne bedwingen. Daarvan heb ik in Gent prachtige voorgangers gehad, die tegenwoordig beroemd zijn, bijv. George Minne, een groot beeldhouwer, en De Sadeleer, een bekend schilder. Die gingen zoo ver dat zij wilden stelen om d'arme menschen hetgeen hun diefstal opbracht te gaan uitdeelen. Zij gingen ook dagbladen op straat verkoopen en bij iederen "Fakkel" dien zij verkochten, kregen zij een slag op hun kop. Dat wil wat zeggen voor den zoon van een patriciër, zooals die beeldhouwer was. Het was geestelijk een prachtige tijd. Mijn eerste verzen in "Van nu en straks" verschenen in '96. Victor de Meyere had mij gevraagd mee te werken. Dat waren ook de eerste verzen die onder mijn eigen naam verschenen. Ik ben een van de zeer weinigen, die den geest van "Van nu en straks" getrouw zijn gebleven. Ik zei het U: het is een van de gronden van mijn karakter gebleven, weinig gezag te dulden. Gezag draag ik heel moeilijk, tenzij natuurlijk moreel gezag. Hiermede heb ik u dus een paar voorname factoren van mijn aanleg opgenoemd: de vereenzaming van het kleine kind, vooral na het sterven van mijn vader, die het gemoed verdiept heeft en leidde tot al te vroeg ontwaakte sensualiteit; en den oneindigen dorst naar kennis. En dan, mijne fancy. Ik heb het niet altijd gemakkelijk gehad in het leven, maar ik heb altijd een grooten en blijden onafhankelijkheidsdrang gehad in mij, en ik geloof dat ik dat te danken heb aan voorouders van moederlijken kant. De ooms en de vader van mijn moeder waren allemaal geestelijk vrij, ik bedoel vrij van kommer, en allemaal waren zij rijmelaars. Zij waren met een zevental en praatten altijd op rijm met elkaar. Van hen heb ik waarschijnlijk het vermogen, mij zoo gemakkelijk boven de werkelijkheid te plaatsen en den geestigen, persoonlijk-humoristischen kant van de dingen te zien, een optimisme waarbij ik mij telkens kan opwippen. Ik ben altijd godsdienstig van aard geweest, juist vanwege het naar binnen gekeerde leven, hoewel ik thuis van godsdienstig leven weinig gewaar ben geworden. Als ik 's Zondags, toen ik dertien à veertien jaar oud was, naar de mis moest,--het museum lag toen naast de kerk--: voelde ik telkens een strijd in mij of ik het museum, dan wel de kerk binnen zou gaan, en het museum won het dan bijna altijd van de kerk, al voelde ik er innig leed bij. Het godsdienstig gevoel is levendig in mij gebleven, maar het gebeurt toch ook wel vaak nog, dat het museum het wint. Daar komt altijd bij mijn afkeer voor al wat gezag is. Moreel gezag neem ik natuurlijk aan, dat is van veel sterker werking, dat is mijn eigen gezag, dat ik in mijzelf voel en waarvan ik niet afwijk. Daardoor ben ik dan ook werkelijk onmaatschappelijk. Ik sta dan ook tegenover de proletarische poëzie als een onverwoestbare individualist. Door natuur en door opleiding ben ik individualist. Maar in dit begrip zelf is nog een onderscheiding te maken. Is het zuivere individualisme waarlijk het impressionisme van 1880 en van de "Nieuwe Gids"? Dat moet ik absoluut tegenspreken. Om te beginnen, ik zeide het u reeds, hebben wij den invloed van 1880 niet rechtstreeks ondergaan. Ik behoor tot een andere generatie. De mannen die bij ons den invloed van de "Nieuwe Gids" ondergingen zijn, zooals ik reeds zei, Vermeylen en De Bom, en ik behoor tot het volgend geslacht, dat dus als het ware van de "Nieuwe Gids" heeft gehad een tweede afkooksel. Wat ons opviel in de "Nieuwe Gids" was het impressionisme. Mijn individualisme is van geheel anderen aard. Het is niet het onmiddellijk reageeren op zintuigelijke indrukken, het is veel meer het opnemen van een algemeen wereldgevoel in de personaliteit. En dan zal poëzie worden de weerspiegeling van een algemeen wereldgevoel door het individu. Het is dus een tegenstelling van het zuivere impressionisme, het picturaal impressionisme, zooals Van Deyssel en Gorter het hebben geleverd. Tegenover de zintuigelijke gezichtsmenschen stel ik mij als innerlijk gehoorsmensch, die meer in zich zelf hoort dan hij buiten zich ziet, als muzikaal vertolker van de wereld. --U stelt hier gezicht en gehoor tegenover elkaar. Zoudt u niet beter zintuigelijk en gedachtelijk tegenover elkaar stellen? --Neen, gedachtelijk is een verkeerd woord. Zie hier wat ik bedoel. Stel u voor, dat Gorter zou zijn een geslepen staalplaat, waar de zonnestralen en wat zij meebrengen onmiddellijk op afketsen. Als hij een indruk krijgt, bedoelt hij den indruk onmiddellijk terug te kaatsen. Dat is het schoone van zijn kunst en hij is eenig daarin: Zoodra ontvangen, geeft hij den indruk terug.--Bij mij nu is het anders. Het is alsof de straal dringt door de stalen plaat heen en komt op het gevoels-vlak. Het is niet meer een zuivere impressie, maar een impressie die een verwerking heeft ondergaan, een verwerking door het gevoel. Dat is in den grond het bezinken van de impressie. Stel u voor een laag doorschijnend ijs die op het water ligt. Als er een zonnestraal op valt, dan wordt hij door de dikte van het ijs gebroken en dan komt hij onder het ijs weer uit en ondergaat er aan kleur, aan wezen, aan wat weet ik al, een nieuwe vervorming. Zoo is het gevoel bij veel dichters. Inplaats van onmiddellijk af te ketsen op het waarnemingsvlak, dringt de indruk door tot in het diepst van hun ziel en als hij dan, verwoord, weer buiten dringt, is hij heel iets anders geworden. Dus mijn individualisme gaat meer uit naar dat van de Fransche symbolisten, maar is toch weer heel iets anders. De eigenlijke symbolisten, die ingeleid zijn door Henri de Régnier, systematiseeren. Zij herleiden eiken persoonlijken indruk tot een beschouwingsvlak. Zij deelen de verschillende indrukken in in sommige vakken. Dat is toch het eigenlijke symbolisme, niet waar? Men moet onder een teeken een zekere reeks van gedachten kunnen indeelen. Dat heb ik altijd verkeerd gevonden. Dat wordt in den grond zoo iets als een wetenschap. Ik wil--voor zoover "willen" bij 't half-bewuste dichten te pas komt--eenvoudig mijn eigen indrukken inleiden tot algemeene menschelijkheid en ze algemeen begrijpelijk maken, ze dus eerst laten bezinken tot eigen gevoel, en dat eigen gevoel daarna toetsen aan het algemeen menschelijk gevoel, dat ik terugvind niet alleen bij de menschen die mij omringen, niet alleen bij de lezers, maar bij de dichters door de eeuwen heen. Dat is natuurlijk niet vanzelf gekomen. Dat ware onmogelijk, het kan niet vanzelf komen. Als men begint te dichten heeft men zijn eigen indrukken, al waren ze nog zoo klein en al waren ze nog zoo pervers, zoo lief, dat men ze wil weergeven in de aller-individueelste expressie. Maar er komt een tijd, dat die liefde voor de aller-individueelste expressie afslijt. Men wordt meer algemeen, het kleine détail gaat weg, men gaat alleen de groote lijnen betrachten en zoo komt men tot wat ik durf noemen: een neo-classicisme. Door het individualisme heen komen wij tot het neo-classicisme, een nieuwen classieken tijd, een periode van menschen die zich heelemaal bewust zijn en zich in volkomen oprechtheid uiten, maar daarbij alles laten wegvallen wat in hun persoonlijk geval te sterk-persoonlijk, te zeer bijzonder zou zijn. Ik heb in de "Groene" gesproken van menschen die op de hoogten wonen en elkaar herkennen. Zij wonen op verschillende heuvelen, zij zien elkaar niet, maar de een begint te zingen, de tweede hoort hem zingen, de derde ook, en zoo vernemen zij allemaal den zang van den eerste en herkennen allen in dezen eenen zang hun eigen zang en leeren elkander onderling kennen. Dat is voor mij de gemeenschapskunst. Gij ziet, gemeenschapskunst kan heel iets anders zijn dan maatschappelijke kunst. En dit zegt alles: Dit legt u ook uit wat ik gevoel tegenover de socialistische kunst. Ik kan mij geen dichter voorstellen, die zou dichten op iets dat niet berust op eigen diepe gronden maar alleen op een theorie. Daarom is Gorter mij soms zoo hinderlijk, in dezen zin, dat hij eerst en vooral toch is een impressionist, dat zijn schoonste werk altijd blijft impressionistisch,--en dat hij dan ineens overslaat op theoretiseeren en propageeren. "Pan" vind ik een magnifiek gedicht, maar telkens als hij aan de propaganda komt is het mis, dan is het geen poëzie meer. De goede gedeelten zijn eenvoudig impressionistische poëzie en zoodra hij daar buiten gaat wordt het gezanik, heel eenvoudig. Het wordt propagandistische proza, afgesneden op een vijfvoetige maat. Daarentegen heeft Mevrouw Roland Holst, zij als vrouw, omdat zij vrouw is, alles verwerkt. Zij heeft het socialisme en de democratie inderdaad heelemaal in zich opgenomen. Bij haar is het heelemaal liefde en leven geworden. Het is individualisme geworden en daardoor juist kan zij waarlijk proletarische poëzie maken. Het is bij haar niet meer geestelijk of gedachtelijk, het is doorvoeld, en juist daarom is zij de socialistische dichteres in Holland. Neem Adama van Scheltema. De eenvoudige liedjes, die hij misschien voor de minste houdt in zijn werk, die voor den gewonen lezer ook wel minder zijn, neem een socialistischen marsch, die zoo echt is van rythmus, zoo meegevoeld, zoo meegestapt, zou ik haast zeggen, dat is echte proletarische poëzie, in tegenstelling met werk, waar heel wat diepere en ingewikkelde bedoelingen achter zitten, maar dat juist daarom geen poëzie kon worden. Wat betreft de mogelijkheid van proletarische poëzie kan ik dus zeggen, dat die geheel afhangt van persoonlijkheid. Als in Holland honderd dichters kunnen gevonden worden, die tegelijk proletarisch voelen, dan hebt gij natuurlijk honderd proletarische dichters. Maar dat is nog geen proletarische poëzie, niet waar, u begrijpt me. Mevrouw Roland Holst en Adama van Scheltema maken proletarische poëzie als zij waarlijk proletarisch voelen, niet denken. Maar van het oogenblik af dat men proletarisch denkt maakt men geen poëzie meer, omdat men dan denkt en niet leeft. Gorter heeft in de "School der Poëzie" geschreven van de burgerlijke kunst, waar hij uit wilde. Heel de "Nieuwe Gids" is volgens hem burgerlijk. Daar had hij groot gelijk in. Zoo was het. De "Nieuwe Gids"-dichters waren burgerlijk, omdat het impressionistische gevoel rechtstreeks straalde uit het burgerlijk leven. Er kon dus werkelijk sprake zijn van een op haar uiterst levende burgerlijke poëzie. De meeste menschen in dien tijd en ook de meeste dichters leefden en teerden op sommige begrippen die heelemaal burgerlijk waren. Zij leefden voort op de begrippen van 1848. En toen kon er sprake zijn van een algemeen burgerlijke poëzie. Maar tegenwoordig kan er geen sprake zijn van een algemeen socialistische poëzie, omdat de proletarische begrippen nog niet zijn doorgedrongen in de menigte, omdat de proletarische gevoelsdichters nog uitzonderingen zijn. Daaruit volgt, dat er volgens mij natuurlijk een tijd kan komen van proletarische poëzie, gelijk er in 1900 sprake mocht zijn van burgerlijke. Ik geloof zelfs, dat die tijd er misschien komt, mijn eigen idealen er natuurlijk buiten gelaten. Maar als het zoover komt, dan ben ik overtuigd, dat er ook reactie komt, anarchistische of aristocratische reactie komt, waarin de individualisten zullen spreken tegenover de meerderheid der maatschappelijke gemeenschaps- dichters. En zoo gaat het voort. In Gent noemt het volk dat "den contour van de wereld", het draait altijd zoo maar rond. Maar waar blijft, als de proletarische begrippen zijn doorgedrongen, eigenlijk de poëzie? Is een socialistische toekomst wel vereenigbaar met uw opvattingen van wat poëzie eigenlijk is? --Er zullen altijd dichters zijn. Denk eens aan den tijd van de predikanten-poëzie, waar Kloos het over heeft. Die tijd was zoo duf, zoo vermolmd, dat men zich moeilijk kan denken dat er toch nog dichters waren. En nu is de laatste daad van Kloos juist geweest, deze dichters op te delven. Beets en De Génestet waren geen groote dichters, maar zij hadden het in zich. Beets met zijn "Camera" mag er toch wezen, en hij leefde toch heelemaal in de Protestantsch burgerlijke Hollandsche wereld.... Ik stel mij voor, dat er moeilijk iets kleiners is te vinden dan deze wereldbeschouwing. Toch heeft hij er iets van gemaakt. Ik stel mij voor, dat het ook zoo zal gaan in den socialistischen staat, wanneer die er eenmaal komt. Er zullen dan ook menschen zijn, die dichter in hun hart zullen zijn. Wij weten natuurlijk niet of het groote dichters zullen worden, maar zij zullen den geest van hun tijd uitdrukken, gelijk de individualisten hun tijd uitgedrukt hebben. En dat brengt mij weer op mijn eigen begrip van individualistische poëzie. Er is waarlijk iets dat boven den tijd staat. Dat is het menschelijk leven, het menschelijk aanvoelen, het menschelijk begrijpen, het leven, het léven ... dat is alles. Vermeylen heeft gezegd, dat men de grootheid van een dichter meet aan de ruimte van zijn ziel. Kunt gij ruim begrijpen, kunt gij ruim voelen en kunt gij ruim mededeelen, dan zijt gij een groot dichter, maar dan staat gij buiten de onmiddellijk u omringende maatschappij. Men zegt wel eens dat de hypertrophie van het gevoel een teeken is van decadentie. Daar moet over gesproken worden. Wat is decadentie? Dat is toch verslapping, nietwaar, en die is gewoonlijk het gevolg van overspanning. En nu is het maar de vraag: kunnen wij deze in het tegenwoordige individualisme vaststellen? Neen, dat kunnen wij niet meer. Wij konden het in den tijd van Kloos. Zoo'n verslapping van de zenuwen komt altijd voor, na een periode van groote inspanning. Zoo hebben wij bijv. gezien bij Alfred de Musset, die dichter is tien jaar van zijn leven, en daarna uit, juist omdat hij kwam na de groote Napoleontische periode; en bij Baudelaire, die maar een korten tijd dichter was, juist in het tweede Keizerrijk, na een oogenblik van groote spanning. Kloos in Holland blijft maar een jaar of vijf, zes, eigenlijk dichter. Hij volgt op het kwijnen-gaan van de burgerlijke opvatting die stond tegenover de nieuwe levensbeschouwing: het Socialisme. Kloos is een burgerlijk dichter geweest. Was hij zenuwsterk genoeg geweest, dan had hij zich kunnen laten opslorpen door, of had weerstand kunnen bieden aan de nieuwe beweging. Hij stond met zijn zintuigelijkheid tegenover de verouderde wereld en kon geen stand houden. Wij hebben in Vlaanderen ook zoo'n voorbeeld, wij hebben Van Langendonck, die niet mee wilde in den opstandelijken strijd en bleef bij zijn burgerlijke opvatting. Hij was daardoor te zeer gedwongen, in zichzelf in te keeren, en heeft zich niet meer kunnen uiten. Daartegenover kan dit gesteld worden: boven die levensomstandigheden uit, boven die maatschappelijke omstandigheden uit, rijst de algemeene menschelijkheid van de menschen die op de kimmen wonen, die boven de andere menschen uitreiken, die de groote menschelijkheid vertegenwoordigen, die classiek van gevoel zijn. En die vind ik in alle tijden terug, hoewel die in hun tijd meer dan waarschijnlijk ook uitzonderings-dichters waren. Mijn opvatting is dus niet anti-maatschappelijk, zij is a-maatschappelijk. Zij staat er buiten, zij is a-socialistisch, a-moreel, maar anti- is zij niet. Het is heel goed mogelijk, dat de sociaal-democratische staat er zou zijn en dat ik in dien staat heelemaal mee kon voelen, dat ik dan een socialistisch dichter zou zijn. Maar voor iedereen acht ik het onmogelijk, dat van nu af aan eene socialistische poëzie geheel volledig in het leven zou worden geroepen. Die poëzie zou heelemaal hersenwerk, uit de gedachten zijn, dus onpoëtisch. Daarom heb ik juist zoo een grooten eerbied voor Mevrouw Roland Holst, omdat zij dit alles heelemaal doorwerkt heeft, en kan ik geen eerbied hebben voor een Gorter, als socialistisch dichter, omdat bij hem alles stelsel, gedachte, organisatie blijft. Dat laatste woord komt in zijn gedichten telkens terug en dat maakt een mensch kriegel. Eerst geeft hij een prachtig brok poëzie, en dan zegt hij: zóó is nu de socialistische organisatie. Dat is best mogelijk, mijnheer, maar ik wil alleen poëzie hebben en heb niets te maken met uw socialisme. En dat is nu juist het verkeerde van de poëzie in Holland tegenwoordig, dat zij zoo weinig geeft om het onmiddellijke, spontane leven, dat zij alles laat gaan door den geest en alles distilleert op eigen manier. Dat is bijv. de kwade invloed geweest van Verwey, die de gewaarwordingen en het gevoel heeft willen filtreeren door de idée. Daardoor zijn er een heeleboel jonge menschen in Holland op verkeerde banen geraakt. En zou u wel willen gelooven, dat ik niet veel vertrouwen heb in de poëzie van Holland.... Ja, ja, ja, u hebt gelijk, ik bedoel dan de _toekomst_ van de poëzie in Holland. Ziet u, ik wil niet onvriendelijk zijn.... Deze hebbelijkheid vindt men zelfs bij de besten, Boutens bijv., iemand waar ik grooten eerbied voor heb. Hij is de gevoeligheid-zelve, gevoelig tot de meest gespannen mystiek toe. Maar er is dit bij, dat hij Hollander is, en daardoor weer dit, dat hij, die uitgaat van het impressionisme, geheel intellectueel is geworden, dat hij waarlijk weer alles herleidt tot een intellectueel plan, even goed en misschien meer nog dan Gorter. Stel u voor een Boutens, die even kinderlijk gebleven was als Annie Salomons. Stel u voor wat dat zou zijn. Het is natuurlijk belachelijk, zulke namen naast elkaar te stellen, want, niet waar, Annie Salomons is nu nog niet bepaald wat men een groote dichteres noemt. Dus ik zeg dit met allen eerbied voor Boutens, dien ik een zeer groot dichter acht. Maar hoe doen de dichters in Holland? Zij hebben b.v. eenen indruk, dien ik zal noemen: blank. Wat doen zij nu? In plaats van argeloos maar dien indruk uit te zingen, nemen zij, zeer bedacht, wat wit, en zetten daarnaast voorzichtig een klein beetje rose, en daarnaast behoedzaam weer een klein beetje geel en maken daarvan de veertien regels van een sonnet. Dat is heel fijn, het is een genot dat te lezen, maar welk genot? Genot voor den geest. Het is geestelijke analyse geworden: een synthetische gemoedsbeweging geeft het niet. Dan nog maar veel liever de proletarische poëzie, waar tenminste nog een menschelijk gevoel in zit. --U vindt het dus wel een vreemd verschijnsel, dat de proletarische opvattingen binnen gehaald worden door de dichters die eigenlijk de grootste individualisten moesten zijn en zijn? --Ja, maar dat is een speciaal Hollandsch vreemd verschijnsel, en wat ook speciaal Hollandsch is, is dat deze dichters uitgaan niet naar menschenliefde, niet naar het christelijk begrip van broederliefde, maar naar de organisatie. Dat heeft mij altijd zoo verwonderd. In "Opwaartsche Wegen" kan men dat zoo goed zien. Daarin stond een zeer schoon sonnet, dat men met genot las, tot bij het laatste terzine, waarin de dichteres ineens zegt: dàt is nu het proletariaat,--waardoor het heele gedicht kapot wordt gemaakt. Gorter maakt een prachtig beeld van een jong meisje en onmiddellijk daarop zegt hij: dàt is nu de organisatie,--of zoo iets. Dat is speciaal Hollandsch. Een Franschman heeft eens gezegd: "Le Hollandais, c'est le Monsieur qui veut se rendre compte et ... il se rend compte." Dat is waar. Zij willen altijd weten waar het om gaat. Gorter, ik ben er overtuigd van, is een prachtig mensch, als dichter wordt hij in oprechtheid door niemand overtroffen; en ook in zijn liefde voor het proletariaat niet, dat valt niet te betwisten. Maar als hij gaat denken, en als hij dan, al denkende, gedichten gaat maken over het proletariaat, dan is hij "le monsieur qui veut se rendre compte", dan gaat hij bedenken wie de voorzitter zal zijn van de organisatie, en wie de secretaris zal zijn, en hoe hij dien optocht zal inrichten, en wie de meeste stemmen zal halen bij de verkiezing. En dat heet dan poëzie. Zoo zijn zij haast allemaal. Al overdrijf ik hier natuurlijk met opzet, duidelijkheidshalve. Kortom, een proletarische poëzie zal mogelijk zijn als de proletarische staat er is, waar de gedachte vleesch is geworden. Maar dan komt de reactie, dat kan niet anders, gelijk ook voor twintig jaar in de burgerlijke poëzie een reactie is gekomen. Als de proletarische- gemeenschappelijke stijl bestaat, dan komt er natuurlijk een aristocratisch -anarchistische beweging. Dat spreekt van zelf. Dat kan anders niet. BIBLIOGRAPHIE: Het Vaderhuis (1903)--De Vlaamsche primitieven, hoe zij waren te Brugge (1903)--Laethemsche brieven over de Lente (1902)---Verzen [_Het vaderhuis, De Boomgaard der vogelen en der vruchten, Vroegere gedichten_ (1905)]--Janus met het dubbele voorhoofd (1908)--De gulden schaduw (1910) [_De rei der maanden: het Huis van den Dichter; Poëmata_] Homeros Ilias, prozabewerking (1910) Afwijkingen (1910)--Kunst en geest in Vlaanderen (1911)---Interludiën (1912) Het tweede boek der Interludiën (ter perse)--De bestendige aanwezigheid (t.p.)--Het licht der kimmen [_Het gelaat des dichters; De geestelijke woonst; De acht verblindingen_] (in voorbereiding)--Omzettingen (i.v.) VOETNOTEN: [3] P. Vergili Maronis "_Aeneidos_", lib. VI, 883. (Zeer vrij vertaald): Gij zult nog eens de eerste van uw geslacht zijn. JOSINE A. SIMONS-MEES (* 1863) Toen ze mij na lange aarzeling ontving, was zij dermate onder den indruk van haar afkeer, als publiek persoon te worden ondervraagd naar het intieme van haar besloten zelf, dat het gesprek voor ondervraagde zoowel als voor ondervrager nu en dan pijnlijk werd. Achteraf meende zij, dat allerlei zaken niet tot haar recht waren gekomen en gaf mij in overweging het interview niet te doen verschijnen. Op mijn verzoek heeft mevrouw Simons-Mees mij echter gemachtigd, enkele uitlatingen uit het gesprek met haar en haar echtgenoot, die mij met het oog op mijn geheel belangwekkend voorkwamen, in mijn eigen woorden weer te geven. Het schrijven was haar van begin af een zelf-bevrijding. Zij is heel gereserveerd en uit zich moeilijk. Vandaar dat ze trachtte, dit in haar werk te doen. Al vrij jong had zij verwantschap gevoeld met Heine en met Multatuli. Hun anti-conventionalisme, hun speelsch vernuft, hun afkeer van dwang vonden weerklank bij wat leefde in haar zelf. Zoo had de beweging van '80 haar geen bevrijding te brengen, noch naar wezen, noch naar vorm. De rhetorica van de vóor-tachtigers, hun zwaar-op-de-handheid, hun moraliseer-behoefte had zij voor zichzelf overwonnen. Zoo was veel in de beweging der '80-ers haar zelf eigen. Alleen hun "woordkunst" is haar altijd vreemd gebleven. Zij zelf voelde meer voor stijl "_in_ de natuurlijkheid". Vandaar dat men in de natuurlijkheid van haar dialoog ook wel "onnatuurlijks" kon aanwijzen. Het echte naturalisme was haar nooit eigen. Dat gevoel voor "stijl" hangt wel samen met haar liefde voor de meest "stijlvolle" aller kunsten, de Bouwkunst. Geen kunstwerk, zelfs niet de muziek, geeft haar zulke ontroeringen als een mooi gebouw. Op reis is, naast de natuur en de romantiek van het landschap, architectuur wat zij het liefste zoekt. En hier komt de tweeheid van haar wezen uit, gelijk die zich heeft geopenbaard in haar dramatische motieven en conflicten: Ordening en moralisme tegenover ongebondenheid; stijl-zin tegenover vrije romantiek; joie de vivre tegenover zwaarmoedigheid, pessimisme, sociaal meegevoel en zelfontzegging. Behoefte aan genieting en liefde voor het eenvoudige. Zelftucht en punctualisme tegenover afkeer van dwang; hollandsche nuchtere werkelijkheidszin tegenover behoefte aan een verbeeldingswereld. Een zekere hereditaire liefde voor de wijsbegeerte heeft zich bij haar geopenbaard in een vaak onbewuste behoefte om de "idee" in haar kunst te verwezenlijken, en in een sterke neiging tot psychologisch analyseeren, die, samen met haar mede heriditaire, nauwgezetheid en behoefte om van alles rekenschap te geven--in de menschen en situaties, die zij teekent--tot het uitspinnen leidt in haar werk (van welk defect zij zich volkomen bewust is) zoowel als tot het meest drie tot vier malen omwerken van een stuk eer zij het doet spelen of verschijnen. Het zijn die tegenstellingen in en om haar zelf, dat worstelen tusschen "het moet" en het "ik wil", die vooral de groote drijfveeren geworden zijn voor haar arbeid, en den dramatischen vorm, met zijn conflicten, in hoofdzaak bepaald hebben. Waarbij het feit dat het drama meer dan de roman op "structuur" berust, en de personen onmiddellijk en buiten den schrijver om zichzelf doet uitleven, die voorkeur voor dezen vorm wel mede bepaald zullen hebben. Zij voelt er zich althans meest in thuis; al denkt zij er ook over, den roman in brieven of dagboek eens te beproeven, om af te zijn van tooneelpremières met hun emoties, veelvuldige ontgoochelingen en "onmiddellijk hevig de publieke aandacht trekken". Doordat zij, evenals Ibsen, uit een zekere puriteinsch-moralistische omgeving spruit, zich evenals deze aangetrokken voelt tot de problemen van het moreele leven en zich kant tegen de frase (vgl. Zijn Evenbeeld, St. Elisabeth, Een Paladijn en Een Kasbloem) is wel eens de schijn ontstaan, dat zij gewerkt heeft onder diens invloed. Indien dit zoo mocht zijn, dan stellig niet bewust. Het is daarbij geenszins haar streven, als voorlichtster van het publiek op te treden. Ze tracht haar figuren zoo onpartijdig mogelijk voor zichzelf te laten leven, het aan het publiek overlatend, zelf een conclusie te trekken. De taak van den kunstenaar--aldus mevr. Simons-Mees--is: De menschen door het kunstwerk in staat te stellen, beter in zich zelf en in de wereld te zien. Elk kunstwerk moet de menschen leiden naar meer levensinzicht en levenswijsheid. Als het tenminste echt is. Daar kunst volgens haar eenvoudig ontstaat door en uit emoties in den kunstenaar, onverschillig of die gedragen worden door een maatschappelijk ideaal, of waardoor die gewekt zijn, acht zij onzen hevig-geëmotioneerden tijd voor het ontstaan van kunstwerken zeer gunstig: "Hoe meer emotie, hoe meer kunst". BIBLIOGRAPHIE: Voor 't Diner, [blijspel in 1 bedrijf. Gespeeld te Rotterdam 1889. Uitgaaf T.B.] 1911.--Droomleven, [tooneelspel in 3 bedrijven. Gespeeld door het Rotterdamsch Tooneelgezelschap in 1890. Nooit gedrukt.] --Ouders, tooneelspel in 2 bedrijven (samen met L. Simons). [Gespeeld door de Tooneelvereeniging te Amsterdam (+/- 1895). Verschenen in het tijdschrift _Nederland_.]--Ontgoocheld, tooneelspel in 2 bedrijven (samen met L. Simons). [Gespeeld in den Tivolischouwburg te Rotterdam (± 1896). Nooit gedrukt.]--Koningsbruid, sprookjesdrama in 7 tafereelen (1898). [Gespeeld door de Tooneelvereeniging te Amsterdam in 1911?. Nooit gedrukt.]--Twee geslachten, tooneelspel in 3 bedrijver. [Onder pseudoniem Dr. A.C.A. Kosters gedrukt in _Nederland_ 1902.]--Twee Levenskringen, een ernstig stuk in 3 bedrijven. [Onder pseudoniem I.N.A. in de _Gids_ 1902. Later onder eigen naam in bundel bij G. Schreuders te Amsterdam (thans Mij. v. Goede en Goedkoope Lectuur)].--Van Hoogten en Vlakten, een stuk in 3 bedrijven. [Voor het eerst verschenen in de _Gids_, 1903, onder zelfde pseudoniem. Later in zelfden bundel als vorige.]--Zijn Evenbeeld. Tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen in _Groot-Nederland_. Daarna in den 1sten bundel Tooneelspelen 1905.]--Een Moeder, tooneelspel in 3 bedrijven. [Gespeeld door 't Nederlandsch Tooneel te Amsterdam in 1905. Gedrukt in _Groot-Nederland_ in 1905. Later in den 2den bundel, bij de mij. v. Goede en Goedkoope Lectuur.]--De Veroveraar, een spel van stemmingen in 5 bedrijven. [Gespeeld voorjaar 1906 door het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam. Gedrukt in _Nederland_ 1906. Daarna in de Ned. Bibliotheek (1906).] --Atie's Huwelijk, tooneelspel in 4 bedrijven. [Gespeeld a.v. in 1907. Gedrukt in _Groot-Nederland_. Daarna in de Ned. Bibliotheek in 1907.]--Sint Elisabeth, tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen in _Groot-Nederland_ 1907. Later opgenomen in den 2den bundel Tooneelspelen.]--Kasbloem, tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen in _Groot-Nederland_ 1908. Later opgenomen in den 2den bundel Tooneelspelen.]--Een Paladijn, blijspel in 4 bedrijven. [Gespeeld door het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam. Uitgaaf in de N.B.]---Het Liefdesvers, blijspel in 1 bedrijf. [Gespeeld op het Letterkundig Congres te Antwerpen in 1912. Niet uitgegeven.]--De Nimf, satyriek tooneelspel in 4 bedrijven. [Gespeeld door het Rotterdamsch Tooneelgezelschap in 1913. Verschenen in de T.B. 1913.]-- CYRIEL BUYSSE [Illustratie: CYRIEL BUYSSE] [Illustratie: Op het balkon van zijn werkhuis] (* 1859) Toen ik te Gent uit d'n Sint-Pieters-Statie stapte, werd ik aangesproken door een zeer reusachtigen, blozenden, jovialen schoolknaap met opgestreken blonde knevels en zware Amerikaansche rijglaarzen:--Cyriel Buysse in zijn sportpak. Hij geleidde me naar zijn beroemde auto, liet zijn armen in een paar wijde handschoenen glijden en weg tuften wij. Wij gingen langs "het familiebuiten"; niet er in. Een zevental kilometers verder ligt zijn werkhuis, in de wandeling "de kooi", "la maison à pattes", of wel "de meulen" genaamd. Langs een omweg bereikten wij den top van een breeden heuvel en daar stond op een getimmerte van balken, te midden van laag gewas, een viertal meters van den beganen grond een houten gebouwtje met twee balkons. Men noemt het huisje "de molen", omdat op dien heuvel ook een molen staat, vele eeuwen oud, die, tusschen haakjes, nog steeds maalt. Het bevat een keukentje, een slaapkamer voor een dienstbode en een vrij ruime, doch primitieve werkkamer met groote openslaande vensters. Niemand zou hier een schrijver als Buysse gezocht hebben. Een lang ganzenroer lag op het bed naast mijn brief, een handvol patronen over de schrijftafel verspreid. Terwijl hij mij rondleidde en me de kasteelen in den omtrek toonde, moest ik denken aan een grondbezitter in de Kempen, die jaren geleden mij en een vriend door twee gewapende boschwachters deed aanhouden, omdat we over zijn terrein liepen teneinde een stuk weg af te snijden, en die ons minstens had laten opsluiten als hij had geweten dat we hadden gezwommen, bovendien, in zijn beek. Ik ben maar liever zijn gast, overwoog ik, tot Cyriel Buysse terugkeerend. Deze legde een twaalftal half uitgebrande toebakspijpen opzij, zoodat ik op zijn tafel kon schrijven, en keek met gefronsde wenkbrauwen over me heen toen ik met mijn vragen aankwam. Het: "Ge zult niets uit 'm krijgen!", dat enkele uren te voren een artiest mij had toegevoegd, spookte mij door het hoofd. "Ik ben de zoon van een fabrikant,"--begon hij--en wachtte: Als u 't hebt opgeschreven, waarschuwt u me wel. Dat was een grappige vergissing. Ik beduidde hem, dat hij zich aan mij niet moest storen en toen ging het vlot. Hij zette zijn gewone joviale gezicht en vertelde: --Ik ben de zoon van een fabrikant. Mijn vader had een fabriek een paar uur hier vandaan, en het idée was, dat ik hem op zou volgen als industriëel. Toen ik een jaar of vierentwintig was, werd ik voor zaken naar Amerika gestuurd, met het idée om daar misschien wel enkele jaren te blijven. Daar had ik vreeselijk te lijden van heimwee. Ik kon er absoluut niet wennen en ik geloof dat werkelijk door het lijden van het heimwee ik ben gaan zoeken: wat zal ik doen, ik moet iets anders doen. En toen ben ik voor eigen pleizier een dingetje begonnen te schrijven, iets van niemendal, het heette "Guustje en Zieneken", een boerenverhaaltje. Dat liet ik lezen aan mijne tante, Virginie Loveling, een zuster van mijne moeder. Die vond er iets in en zeide mij: met een klein beetje er aan te veranderen kan het gepubliceerd worden, en ik zou u aanraden om door te werken. Dat werd gepubliceerd in "Het Nederlandsch Museum", dat toen in Gent werd uitgegeven, en verscheen daarna als een afzonderlijk boekje. En van dat oogenblik af ben ik doorgegaan bijna zonder onderbreking. Mijn eerste werk van beteekenis was "De Biezenstekker", een groote novelle, die verscheen in "De Nieuwe Gids". Heel kort daarna kwam "Het Recht van den Sterkste". Ik geloof, dat ik daardoor in Holland bekend ben geworden. Wat zal ik u verder zeggen? de lijst van mijn werken is heel lang, er zijn er in de twintig, ieder jaar is er een nieuw boek geweest. Ik heb ook voor het tooneel gewerkt, een stuk uit den boerenstand "Het Gezin van Paemel", dan nog een ander stuk, getrokken uit "De Biezenstekker", "Driekoningenavond"; verder "Maria", getrokken uit Het "Recht van den Sterkste"; en verder "Een sociale Misdaad", getrokken uit een novelle van Wildstroopers. Een bedoeling heb ik met mijn werken nooit gehad. Ik geloof werkelijk, dat er bij mij heel weinig achter zit. U moet mijn werk nemen zooals het is, zonder bijbedoeling. Wel getrokken uit dingen die om mij heen gebeurd zijn--ik zit hier midden in mijn onderwerpen--maar zonder de bedoeling om met het schrijven iets te bereiken. Ik geloof, dat op mij wel toepasselijk is de formule van "l'art pour l'art". De menschen hebben er wel eens politieke bedoelingen in gezien. Eén ding is waar, ik ben heelemaal niet een vriend van de clericalen. Die hebben telkens veel aan mijn werk af te keuren gehad en van hen heb ik een geweldige tegenkanting ondervonden. Ik ben voor mijn globale werken in den ban geslagen. Mijn naam is om zoo te zeggen in den ban. --Hoe komt het, dat gij u bijna altijd bezighoudt met die plattelandsmenschen? --Ten eerste omdat ik die het best ken. Ik ben een buitenmensch. Ik ben heelemaal wat men kan noemen "un terrien", een man van den grond. Wat buiten gebeurt interesseert mij doorgaans meer dan wat in de stad gebeurt. Ik ben heelemaal geen stadsmensch. Ik kom alleen in de stad om sigaren te koopen of om mijn automobiel in orde te laten maken. Het is heel eigenaardig, ik denk bijna nooit aan de stad. Ik heb wel sommige dingen geschreven die gedeeltelijk in de stad plaats hebben, maar meestal komt er dan nog heel veel buitenleven bij. Ik voel mij absoluut als uit den grond gegroeid. Ik word heelemaal niet aangetrokken door het moderne leven in de stad. Dat lijkt mij dikwijls ziekelijk, en ik voel veel voor het gezonde. --Maar is dan in het algemeen de schrijver niet een mensch met niet-gezonde zenuwen, zooals men het wel eens heeft geformuleerd? --Neen, dat vind ik niet. Ik geloof meer aan het "mens sana in corpore sano",--altijd wat mij betreft. U kunt mij beschouwen als een geweldig individualist. Ik sluit mij heel moeilijk aan bij een ander. Ik ben wel lid van enkele vereenigingen, maar ik kom er nooit. Ik sta in alle opzichten heelemaal alleen. --Dus u gelooft niet aan de uitspraak: hoe zieker zenuwen, hoe beter kunst? --Neen, voor mij is dat absoluut niet zoo. Je kunt wel heel goed en scherp voelen en toch een heel gezond mensch zijn. Ik heb nooit de behoefte gevoeld mij ziek te maken om te werken. Vroeger kon ik alleen 's ochtends werken, maar nu kan ik een beetje werken wanneer ik wil. Dat gaat mij nu gemakkelijker af dan in het begin. Ik ben op het oogenblik bezig met een nogal eigenaardig boekje. Ik noem het "mijn zomerdagboek". Het zijn korte noteeringen van elken dag van mijn leven hier in de natuur. Van wat ik zie en gevoel. Allerlei kleine dingetjes dikwijls. Zeer afgewisseld. Een innig doordringen tot het landelijk leven in zijn détails. En het is ongelooflijk wat gij kunt afleggen als gij iederen dag werkt. Een-en-twintig Maart, den eersten dag van de Lente, ben ik begonnen, en wilt ge wel gelooven dat ik met iederen dag een paar bladzijden te schrijven, een boekje heb gekregen van meer dan driehonderd pagina's? Ik heb het tot nog toe volgehouden en nog geen enkelen dag overgeslagen van 's avonds iets neer te schrijven. Dat boek zal iets heelemaal aparts zijn in mijn productie. Ik zal het eindigen met den dag dat ik hier weg ga. Ik ga hier altijd weg als de laatste blaadjes gevallen zijn, en dan sluit ik meteen mijn dagboek. --Hoe is eigenlijk de verhouding tusschen u en uw onderwerpen? Dat is de verhouding van iemand, dien zij denken heelemaal tot hun gemoedsleven te behooren. Die menschen weten vagelijk dat ik schrijver ben. Zij weten het maar heel onduidelijk. Zij weten niet wat het is een schrijver te zijn. Ik praat met de boeren, ga in hun herbergen, tracteer de lui en praat met de herbergiers. Zij beschouwen mij heelemaal als van hun soort. Dat wil niet zeggen dat ik intiem met hen omga. Ik blijf voor hen altijd de mijnheer, maar toch een mijnheer die hun leven begrijpt. Het is wel gebeurd dat sommige menschen zeiden: mijnheer Buysse heeft over ons geschreven. Maar dan werd er weer aan getwijfeld, omdat sommige dingen niet precies klopten. Je componeert je boeken, nietwaar? je neemt iets van die en neemt iets van een ander, en daarvan maak je je personages. De menschen in mijn boeken zijn niet heelemaal integraal zooals zij langs de wereld loopen. En zoo herkennen de menschen zich meestal niet in mijn werk. Als gij hier moest rondgaan en vragen: wat doet die mijnheer Buysse toch, zij zouden u zeggen: Mijnheer Buysse is een mijnheer die op zijn goed leeft en niets uitvoert. Ik weet niet of u al gelezen hebt wat thans van mij in "Groot-Nederland" is verschenen: "Van Hoog en Laag", de eerste van een serie van waarschijnlijk drie romans onder den gemeenzamen titel van "Hoog en Laag". Het eerste heet "Het eerste levensboek", en speelt hier. Het is het landschap dat u hier om u heen ziet. Het leven op dit kasteel en dat kasteel en dat van de dorpsmenschen zoo door elkaar. U zult er waarschijnlijk wel dingen min of meer in herkennen. Natuurlijk met de transformatie die een artiest aan de werkelijkheid geeft. Wij behoeven toch niet te praten over de quaestie van het realisme? "Un coin de nature vu à travers un temperament" is een niet kwade formule. De beschrijving van een realiteit is toch heel iets anders dan die realiteit.... Het grond-motief van dit boek vereenigt zich met een ander: ik zit hier namelijk hoog op een heuvel en ginder is nog een heuvel met een kasteel er op en daaronder liggen de menschen van het dorp hier.... --Laat ik u even vasthouden. U zegt, dat een beschrijving van de werkelijkheid anders is dan de werkelijkheid zelf. Moet ik dit zoo verstaan, dat u iets aan de werkelijkheid toevoegt? --Als de artiest niets aan de werkelijkheid toevoegde zou hij geen artiest zijn. Het beschrijven van détails zonder meer, zooals Van Deyssel wel eens heeft gedaan, daar voel ik niets voor. Dat kan ik niet mooi vinden. "L'âme des choses", zooals de kunstenaar die voelt, moet uit zijn werken spreken. --Maar _wat_ voegt gij dan aan de werkelijkheid toe? --Ik zie de werkelijkheid vóór mij en op de werkelijkheid, die als beeld in mijn hoofd zit, ga ik bouwen. Maar er komt zooveel bij en er gaat zooveel af. In mijn werk is het gedeelte van de verbeelding zeer groot. --Welke zijde van de werkelijkheid trekt u dan het meeste aan? --Ik weet niet of ik het ooit zal gebruiken, maar àl wat ik zie interesseert mij. Alle verschijnselen van het leven zijn vol belang voor mij. Van het grootste tot het kleinste vind ik alles belangrijk. --Welke voorgangers hebben op uw eerste werk invloed gehad? --Ze hebben mij dikwijls vergeleken met De Maupassant, en ik zie zelf ook wel, dat ik op hem lijk in sommige dingen, doch dat is een toevallige gelijkenis. Vroeger heb ik bepaaldelijk onder den invloed van Zola gestaan. Hij heeft invloed op mij gehad, gelijk op alle joncheren van dien tijd. Wie heeft niet onder zijn invloed gestaan, twintig of vijfentwintig jaar geleden? "Het recht van den Sterkste" is bepaaldelijk onder den invloed van Zola geschapen. Ik bedoel natuurlijk niet, dat ik geïmiteerd heb, maar wel dat het procédé, de visie van Zola, is toegepast op deze lui en deze toestanden. Ik voelde daar veel voor in dien tijd, nu minder.... Maar aan de wetenschappelijke tendenz, bijv. aan de quaestie van de herediteit, die bij Zola zoo op den voorgrond treedt, hecht ik heelemaal niet. Dat is mij veel te gewild. Wat ik mooi vind, dat is de gang die in zijn werk zit, het lyrisme in een boek als "Germinal", de kolossale beweging van de massa's, het epos van een boek als "l'Assommoir". --Hoe denkt u dan over de uitspraak dat het naturalisme dood is? --Waarom zou het dood zijn? Er is niets dood. Het heeft zijn tijd gehad. Maar wie belet iemand met groot talent een heel mooi naturalistisch boek te schrijven? Laten zij het maar probeeren als zij kunnen. Wat hebben wij al nieuwe modes gezien in de literatuur. Waar is nu de mode van het symbolisme en het mysticisme? In sommige landen is het nog een beetje gaande, maar bijna overal heeft het afgedaan. Ik hecht niets aan al die dingen, absoluut niets.... O neen, ik geef mij geen rekenschap.... Zegt u maar gerust, dat alles bij mij direct gebeurt, spontaan en intuïtief, dat ik niet weet te zeggen waarom of hoe. Ja, de Hollanders zitten altijd met hun deductievermogen bezig en vragen altijd hoe het gekomen is en waarom het gebeurd is, maar ik weet het heusch niet. Ik geloof dat ik daarvoor te eenvoudig, te gezond in mijn natuur sta, om mij daarom bezorgd te maken. --Dus dan heeft u geen bepaalde voorliefde voor een of andere richting? --Als ik een mooi schilderij zie of een mooi boek lees, dan denk ik niet aan de richting. Dan kan het mij ook heelemaal niet schelen van welke richting of het is. Bijvoorbeeld: hoever sta ik niet af van een man als Maeterlinck? En toch bewonder ik zijn werken meestal enorm. --Ik kom nu aan de verhouding tusschen kunstenaar en maatschappij. Heeft volgens u de schrijver een taak ten opzichte van de gemeenschap, moet hij bijv. de menschen iets leeren...? --Ik wil niets leeren aan de menschen. Ik schrijf eenvoudig omdat ik niet anders kan. Ik zou heel ongelukkig zijn als ik niet kon schrijven. En waarom publiceer ik? Omdat hier en daar toch wel iemand is die met je meevoelt. Ik ken slechts de behoefte om wat ik sterk voel mee te deelen. Als je voor een mooi tafreel staat, dan heb je een kreet, dan zeg je: wat is dat mooi! En wanneer je als schrijver iets ziet dat mooi is, dan werk je het uit en geeft het aan de menschen te zien. Ik heb niet één van mijn werken herlezen. Ik zou het niet kunnen. Eenmaal als het geschreven en gedrukt is, is het absoluut dood. Het gaat zoover, dat ik heelemaal niet meer weet wat in mijn vorige werken gebeurd is. Een boek dat eenmaal geschreven is, is een ding dat gebloeid heeft en daarna is dood gegaan, een vrucht. Ik heb nooit het publiek voor oogen als ik iets doe. Ik ken mijn publiek niet. Wie leest mijn boeken? Ik weet het niet. --Met andere woorden: voor het streven naar gemeenschaps-kunst voelt u niets. --Dat gaat geheel buiten mij om. Absoluut. Daarvoor ben ik veel te sterk individualist. Ik sta alleen op de wereld. Ik begrijp niet wat bedoeld wordt met gemeenschaps-kunst. Wat is gemeenschaps-kunst.... Ik meen dat alles onbewust moet gebeuren en dat de gemeenschap naar de kunst moet komen, aangetrokken door wat wel aardig is en wat zij mee kan voelen. Ik kan mij niet voorstellen een gemeenschaps-kunst, een soort vooropgestelde kunst om de gemeenschap te behagen of ten nutte te zijn.... Ik weet het niet, ik kom er niet bij. Ik ben bang, dat het dikwijls heel minderwaardige kunst zou zijn op die manier.... Nu zult u mij natuurlijk herinneren aan sommige van mijn tooneelstukken en aan mijn relaties met de socialisten. Och, ik beschouw die menschen als veel meer ontwikkeld dan de burgerij hier. Zij staan er bepaald ver boven, wat intellectueele ontwikkeling betreft. En daardoor hebben zij meer mijn sympathie gehad dan de anderen. Maar denkt u er om dat ik heelemaal buiten de politiek sta en dat ik geen actief deel neem in geen enkele partij. Ik ben zelfs geen kiezer, ik ga nooit naar de verkiezingen. Het is toevallig, dat mijn kunst beter begrepen wordt door de socialisten en beter in hun geest kwam. U zult zeggen "Het gezin van Paemel" is een socialistisch stuk, de socialisten spelen het voortdurend en spelen het goed, maar ik verzeker u dat het toevallig is en het zou net zoo goed kunnen gebeuren dat ik een stuk schreef dat anti-socialistisch was. Maar aangezien de mindere klassen menschen zijn die veel onrecht wordt gedaan in de maatschappij, voel ik mij daartoe meer aangetrokken. Er is veel meer van te zeggen dan van de andere standen, die bevoordeeligd zijn door de maatschappelijke verhoudingen. Ik ken de geheele opkomst van de Gentsche socialisten, hun economischen en socialen strijd, en ik vind het bewonderenswaardig, ik kan het niet helpen. Iederen keer dat ik voor "Vooruit" kom, bewonder ik wat zij gedaan hebben en hoe die menschen zich trots alles ontwikkeld hebben. Als de proletarische kunst goed is, dan vind ik ze goed. Maar ik vind ze wel eens leelijk. In de tooneelzaal van de socialisten te Gent hangen schilderijen, symbolische voorstellingen van kapitaal en arbeid, die ik niet kan bewonderen. Is dat gemeenschapskunst, dan zou ik zeggen: ik zie liever salonkunst als het mooi is. Roland Holst en Gorter zijn twee echt mooie artiesten, die ook zonder hun richting heel mooie dingen maken. Ik ben overtuigd, dat zij het socialisme niet noodig hebben om prachtige kunstwerken voort te brengen. Kortom, ik meen dat een artiest volkomen onafhankelijk moet willen zijn ... of liever, hij "moet" het niet "willen" zijn, hij _is_ het, hij is absoluut vrij aan alle kanten, want als hij denkt dat hij het "moet" zijn, dan is het ook al weer niet zuiver.... --En we tuften terug. De boeren die tegen 't land werkten stonden op om hem te groeten. De zon scheen over den akker en hij wees mij op de kleur van den grond: rose, met een gouden weerschijn, heelemaal niet zwart, zooals een befaamd Hollandsch journalist, over Streuvels schrijvend "den vetten Vlaamschen bodem" genoemd heeft. Nu kwamen wij op "het familiebuiten". Ik vond het verschrikkelijk jammer dat ik geen _smoking_ bij mij had, maar het was nu eenmaal niet anders. Hij had een flink aantal logé's--hij beweert tusschen haakjes dat men in Holland van "louché's" spreekt--met klinkende vaderlandsche namen en we gingen bijna terstond aan tafel. En terwijl een van zijn dochters mij vertelde, dat hij de slaaf is van zijn louché's, hoorde ik uit een gesprek, dat aan het andere eind der tafel gevoerd werd, dat men hem in zijn huis "de artiest" noemt. Een grappige bijzonderheid, die boekdeelen spreekt, zoowel over den man als over zijn omgeving. Met een goedhartig snuit liet hij met zich sollen en één keer liep hij, groot en naïef in zijn sportpak, van tafel om een exemplaar van zijn "Per auto" te halen, waarin hij voor een "louchée" een opdracht schreef.... Ik moest er vooral bij vermelden dat hij dit met een zeer defecte vulpen deed.... En in één adem liet hij er op volgen: "Hebt u 't al gehoord? Mijnheer de interfiefer (dat was ik) vindt mij een heel eenvoudig man!" Met bewonderenswaardigen tact bracht de gastvrouw het gesprek op een ander onderwerp. Hij had mij gaarne enkele dingen in den omtrek in verband met zijn werk laten zien, doch het ging dien middag niet, want een paar jonge dames die bij hem "loucheerden" moesten een bezoek afleggen in het Zuiden, en daar hij de chauffeur is van de heele familie, was hij dien middag bezet. BIBLIOGRAPHIE: Het Recht van den Sterkste(1893)--Sursum Corda (1894)--Wroeging(1895)--Mea Culpa (1896)--Op 't Blauwhuis (1897)--Schoppenboer (1898)--Uit Vlaanderen (1899)--Te Lande (1899)--'n Leeuw van Vlaanderen (1900)--Van Arme Menschen (1901)--Daarna (1903)--Tusschen Leie en Schelde (1904)--Rozeke van Dalen (1905)--'t Bolleken (1906)--Lente (1907)--In de Natuur (1907)--Het Volle Leven (1908)--Ik Herinner Mij (1909)--Het Ezelken (1910)--De Vroolijke Tocht (1911)--Stemmingen (1911)--De Nachtelijke Aanranding (1912)--Per Auto (1913)--Van Hoog en Laag (1913). _Tooneel_: De Plaatsvervangende Vrederechter, satire.--Het Gezin van Paemel, drama.--Maria, drama.--Driekoningenavond, drama.--Een sociale Misdaad, drama. FRANS BASTIAANSE [Illustratie: FRANS BASTIAANSE Jeugdportret] [Illustratie: Foto Brok--Hilversum FRANS BASTIAANSE (eind 1913)] (* 1868) Onlangs ontmoette ik een dame, die al zijn verzen van buiten kent, zoo vaak had ze die, bewonderend, gelezen. Kort daarop sprak ik die dame weer. Ik heb hem gezien, zei ze, maar hij is mij bitter tegengevallen: hij is zoo'n gewoon mannetje.... Mij is het juist andersom gegaan. In een plaats als Hilversum, waar het meerendeel van de menschen tot een allerbanaalst type behoort, valt een echte persoonlijkheid spoedig op, en zoo had ik allang het mijne gedacht van een niet kleinen maar ineengedrongen mijnheer met norsch starend gelaat, die in mijn buurt woonde. Hij was steeds bijzonder goed gekleed, maar blijkbaar liefhebber van een soort rustieke deukhoeden, die, vergeleken bij zijn overige kleedij, welhaast bizar zijn. En als hij mij traag voorbijpeddelde of met afgemeten passen langs mij schreed, telkens gaf hij mij de sensatie van een opgesloten en eenigszins beschaafden leeuw, van wien men nooit zeker kan weten, of hij niet op klaarlichten dag doodkalm zijn klauw, tusschen de traliën van zijn kooi door, in de spieren van den toeschouwer zal slaan. De lezer begrijpe goed: Niet de uiterlijke verschijning van dien mijnheer had gelijkenis met een leeuw, maar zijn innerlijk, dat ik raadde, had voor mij iets ontembaars. Toen ik nu ontdekte dat die mijnheer Frans Bastiaanse heette, was ik niet verwonderd. Ik aanvaardde de ontdekking gemakkelijk. Een onafwijsbaar licht ging mij op over zijn verzen, nu ik wist dat de dichter "van buiten ijs, van binnen gloed" was. In een huisje, niet ver van het mijne, met een ruim uitzicht over de hei en dat hij, tot mijn verbazing zonder ironische bedoelingen, "De Vlakte" heeft genoemd, woont deze idealist, die zich grimmig gelaten beweegt in de burgerlijke positie van leeraar aan een burgerschool. En voor zoover hij niet reeds uitteraard ongenaakbaar is, wordt hij dit met behulp van zijne vrouw, die met een gezicht, zoo zonnig dat men het nog aangenaam vindt op den koop toe, de bezoekers op een afstand houdt en zoo zijn weinige vrije uren bewaakt. De lezer zal wel begrepen hebben dat Bastiaanse mij, toen de kennismaking ondanks alles een feit was geworden, op sommige punten maar weinig nieuws had te vertellen. Hij was daar trouwens niet toe geneigd, want hij had een zeldzaam grimmige bui--dat zégt wat, niet waar?--en ik was al dra een beetje afgetrokken. Want zelden heb ik zoo sterk het verschijnsel waargenomen, ja getast, dat twee gedachtegangen (die van Bastiaanse en de mijne dus, in dit geval) elkander ik zou bijna zeggen rakelings voorbijgaan, zonder elkaar te ontmòeten. Nu was dit verschijnsel vooral merkwaardig, omdat ik hier zoowaar te doen had met iemand van academische opleiding, die reeds vele jaren docent is, en nog wel o.a. in de geschiedenis, en die dus ongetwijfeld groote oefening en vaardigheid bezit in het waardeeren van andermans meening. En toch, nu het ging om het innigste, het eigenaardig-persoonlijke, kreeg hij het gevoel dat ik vroeg om te strijden, en heel-even stonden we als blazende katers tegenover elkaar; om het daarna glimlachend op te geven en ons te verdiepen in de beschouwing van een mooie teekening. Want we hadden de scheidingslijn geraakt. Doch ik loop vooruit. Hoor hem eerst van zijn jeugd vertellen, woordkarig, zoo langzaam dat men aan het eind van ieder woord vreest dat hij er genoeg van krijgt, en blij als hij gelegenheid heeft het een of ander te verpletteren onder een zwaar woord, waar een languitgehaalde, dikke _l_ uit rolt: "Ik ben uit een vo_l_komen ondichter_l_ijk milieu voortgekomen. Bij mij thuis waren alleen te vinden wat Aurora's, de Heidelbergsche catechismus, en Motley's "De opkomst van de Nederlandsche republiek". En als ik iets aan mijn omgeving te danken heb, dan zou ik zeggen dat het aan mijn vader is, een man van groot doorzettingsvermogen, die zich uit de lagere standen door energie en intellect had opgewerkt. Die liet mij ook volkomen vrij, en toen hij begreep dat ik niet in den handel wilde, mocht ik het vak van mijn keuze kiezen. Maar hij waarschuwde mij er voor, schoolmeester te worden: dat was het jammerlijkste vak dat ik kiezen kon.... Op de lagere school, toen ik een jaar of tien was, begon ik de verhaaltjes die wij moesten schrijven, in plaats van die in gewoon proza na te vertellen, in verzen, natuurlijk prulverzen, na te vertellen. Dat is het begin geweest. Ik ben ook een tijdlang op kostschool geweest in Oosterbeek en daar heb ik bijzonder veel aan het natuurleven gehad, hetgeen dan op mijn denken en gevoelsleven wel invloed heeft geoefend. Op de burgerschool in Utrecht, op mijn zestiende of zeventiende jaar, ben ik weer gaan schrijven. Dat kwam spontaan. Tusschen mijn allervroegste prematuur ontwaken en mijn eigenlijk gezegd bewust optreden als dichter liggen dus een jaar of zes, zeven. Het begon toen met prullaria: Ik herinner mij een gedicht op een historisch gegeven: De slag op de Catalaunische velden. Ik had nog geen metriek geleerd en voelde dat er aan mijn Alexandrijnen iets ontbrak. Ik kon er maar niet achter komen wat. Later, het gedicht overlezend, zag ik dat de caesuur op de verkeerde plaats viel.... Maar toen kwam een gewichtig oogenblik in mijn leven. Doordat mijn vader mij nogal vrij liet, kon ik vrij wat boeken bestellen, en zoo was ik ook op "De Gids" geabonneerd. Ik kwam toen bij mijn boekhandelaar, die mij zeide: Er is ook een ander tijdschrift, wilt u het eens inzien? Dat was "De nieuwe Gids". Ik ben ermede naar huis gegaan en heb de aflevering in één stuk doorgelezen. Direct begreep ik, dat dat nu was wat ik eigenlijk moest hebben. Men heeft wel eens opgemerkt: er staan in de "Nieuwe Gids" van die dingen waar je eerst aan moet wennen en dan pas kon je achter de schoonheid komen, maar ìk voelde het direct. Het was in den tijd dat Van Deyssel zijn critieken schreef en Kloos zijn prachtige verzen, die zijn opgenomen in het "Boek van kind en God". Daar had ik terstond een groote bewondering voor, en dat is ongetwijfeld van invloed geweest op mijn vorming. Meer invloed moet ik nog toekennen aan de theorieën van Kloos, zooals die in het begin van die periode telkens verschenen in zijn literaire kronieken. Het is mij vaak gebeurd dat ik van een schrijver niet veel las, maar uit een aantal verzen mij de gevoelswereld, waarin hij zich bewoog, eigen maakte. Dan ging ik weer mijn eigen gang. Zoo ook toen. Ik zat in de vierde of vijfde klas van de H.B.S. en ging weer mijn eigen verzen maken, doch die leken aanvankelijk wat veel op die van de "Nieuwe Gids". Ik heb ze dan ook onrijp gevonden en ze later allemaal achtergehouden.... In dien tijd kwam ik met de afleveringen van de "Nieuwe Gids" op school, ik liep er mede door de gangen en droeg zorg dat de leeraren het zagen. Zij vonden dat, naar ik dacht, een huiveringwekkend gezicht. Toen ik eind-examen had gedaan, besloot ik na eenige aarzeling, in de literatuur te gaan studeeren. Ik had van letterkunde, zooals die aan de academie wordt onderwezen, geen goed begrip; ik dacht dat ik aan de academie "de literatuur" zou hooren. Ik deed eind-examen gymnasium, en ging in de Nederlandsche letteren studeeren. Ik was spoedig teleurgesteld en heb ook lang overwogen, er maar den brui van te geven en eenvoudig literator te worden. Maar mijn neigingen brachten mij volstrekt niet tot realisme, en ik begreep wel, dat iemand die niets anders deed dan verzen maken, om te kunnen leven in de een of andere slavernij moest vervallen. Toch heeft het lang geduurd, voordat ik mij resigneerde om te blijven studeeren: Anderhalf jaar heb ik geen college geloopen. Ik nam mijn besluit juist in den tijd, toen het mis ging met de "Nieuwe Gids". Het wegvallen van het geestelijk milieu in ons land deed me pijnlijk aan. Want, niet waar, je leeft als individuen naast elkaar en je hebt in de sfeer waarin je leeft wel eenige aanknoopingspunten noodig. Dat maatschappelijk bankroet, dat ik in het ineenvallen van de "Nieuwe Gids" proeven kon, heeft mij gedeeltelijk tot inkeer gebracht, en heeft bij mij het voornemen doen rijpen om af te studeeren, zoodat ik niet een maatschappelijk afhankelijk persoon zou worden, dat ik mij zelf kon redden en daar bovenuit kunstenaar kon zijn.... Nog iets anders heeft daartoe meegewerkt. Max Nordau heeft een boek geschreven: "Ontaarding"--een van de meest abjecte boeken die ik ken. Hij beweerde o.a. dat de groote dichters als Goethe complete menschen waren, maar bovendien nog kunstenaars, en dat de tegenwoordige dichters incomplete menschen waren. Goethe was overcompleet, zei hij zoo ongeveer, die had ergens een compartiment in zijn bestaan waar «en volkomen burger in zat, en dat heb jullie niet. Ik vond dat dat heelemaal onjuist was, en toen dacht ik: Ik zal die paar examens doen, dan kan ik het maatschappelijk werk dat te doen is ook op mij nemen, dan toon ik ook een overcompleet mensch te zijn. Ik beschouwde die maatschappelijke taak wel niet als het schoonste, maar toch als een noodzakelijke plicht. Ik besloot een gewoon mensch in de cultuur te worden, waarvan ik in mijn eerste jeugd een hartgrondigen afkeer had gehad. Ik ging toen een poosje naar buiten, en begon te werken voor mijn candidaatsexamen. In den tusschentijd had ik eenige verzen geschreven, die in enkele jaargangen van den Utrechtschen Studentenalmanak waren verschenen. Eenigen daarvan zijn door Van Eeden beoordeeld, die tot de conclusie kwam, dat Boutens, die toen ook verzen publiceerde, en ik misschien weleens zouden weten van ons leven, wat een goed vers is. Een van die gedichten is "Middag aan den heuvelrand", later opgenomen in "Natuur en Leven". Van Deyssel heeft daar later over geschreven. Ik was toen 23 jaar. Wat voor den pianist de vingeroefeningen zijn, dat was voor mij het schrijven van mijn vroegste gedichten. Zoo goed als ieder ander kunstenaar heeft de dichter grondig zijn métier te leeren. Wat nu mijn levenshouding betreft--ik sta hoofdzakelijk op het standpunt van den aristocratischen eenling. Ik vind dat het geestes-aristocratisme steunen moet op een bijzonder groote mate van kennis en op het diepste menschelijk gevoel. Een gevoel echte