The Project Gutenberg EBook of Het portret van Dorian Gray, by Oscar Wilde This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Het portret van Dorian Gray Author: Oscar Wilde Release Date: December 22, 2003 [EBook #10512] Language: Dutch Character set encoding: ISO Latin-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET PORTRET VAN DORIAN GRAY *** Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe. HET PORTRET VAN DORIAN GRAY door OSCAR WILDE Vertaald door MEVROUW LOUIS COUPERUS 1919 I. Het atelier was vol rijken geur van rozen, en zoodra de lichte zomerwind in de boomen van den tuin trilde, kwam er door de opene deur een zware adem van seringen, eene fijnere aroom van den roze-bloeienden meidoorn binnen. Uit den hoek van een Perzischen divan, waarop hij naar gewoonte ontelbare cigaretten lag te rooken, kon Lord Henry Wotton juist den glans zien der honig-zoete en honigkleurige bloesems van gouden regens; de trillende takken schenen nauwlijks dien last van vlammend mooi te kunnen dragen. Fantastische schaduwen van vogels in vlucht schoten over de lange tussore-zijden gordijnen, die voor het groote raam hingen; zij deden er iets van een Japansch effect; zij herinnerden aan de anemieke schilders van Tokio, die, trots eene zoo noodzakelijke onbewegelijke kunst als de hunne, idee van snelheid en beweging trachteden te beelden. Het doffe gegons der bijen, die schuurden door het hooge ongemaaide gras of, met eentonig geduld, cirkelden om de stoffig gouden horens van den strengelenden kamperfoelie, scheen de stilte nog zwaarder te maken. Het vage gebruis van Londen was als de bastoon van een ver orgel. In het midden van de kamer, geklampt op een ezel, stond, ten voeten uit, het portret van een jongen man van bizondere schoonheid; op eenigen afstand zat de schilder zelve; Basil Hallward, wiens plotselinge verdwijning eenige jaren geleden zoo eene algemeene nieuwsgierigheid verwekte en aanleiding gaf tot menig vreemd vermoeden ... Nu de schilder naar de gracieuze gedaante keek, die hij zoo knap in zijne kunst had weêrspiegeld, kwam er een lach van genot over zijn gelaat; lang bleef die daar glanzen. Maar plotseling hief hij zich op, en, de oogen dicht, drukte hij met de vingers op dier leden, als zocht hij een vreemden droom, waaruit hij ontwaking vreesde, in zijn brein vast te houden. --Het is je mooiste werk, Basil. Het beste wat je ooit gedaan hebt, zei Lord Henry slapjes. Je moet dat het volgende jaar bepaald naar den Grosvenor zenden. De Academy is te groot en te algemeen. Wanneer ik daar ook kwam, waren er òf zooveel menschen, dat ik de schilderijen niet zien kon,--en dat was vervelend,--òf zooveel schilderijen, dat ik de menschen niet kon zien, en dat was nog vervelender. Heusch, de Grosvenor is de eenige plaats. --Ik denk niet, dat ik dit ergens naar toe zal zenden, antwoordde Basil, terwijl hij zijn hoofd met dat vreemde gebaar achterover wierp, waarom zijne vrienden in Oxford gewoon waren hem uit te lachen. Neen, ik zend het nergens naar toe. Lord Henry trok zijne wenkbrauwen op en keek hem verbaasd aan door de dunne blauwe kransjes van rook, die grilligjes van zijn opiumcigarette opkrulden. --Nergens naar toe? Beste jongen, waarom? Heb je daar een reden voor? Wat zijn jullie schilders toch malle kerels. Je doet alles ter wereld om naam te maken; zoodra je naam hèbt, verlang je niets liever dan hem te verliezen. Het is mal van je, want er is maar één ding in de wereld slechter dan bepraat te worden; dat is: niet bepraat te worden. Zoo een portret zoû je stellen boven alle jonge schilders in Engeland en het zoû de oude jaloersch maken, als oude menschen nog zoo een emotie konden ondervinden. --Ik weet, dat je het dwaas van me zal vinden, antwoordde Basil; maar, waarlijk, ik kan het niet expozeeren; ik heb er te veel van mij in gelegd. Lord Henry strekte zich op den divan uit en lachte. --Ja ik wist wel, dat je zoû lachen, maar het is toch zoo ... --Te veel van jou! Waarlijk Basil, ik wist niet, dat je zoo ijdel was, en ik kan heusch geen gelijkenis zien tusschen jou, met je ruw gezicht, vol rimpels, en je zwart haar, en dezen Adonis, die er uit ziet of hij uit ivoor en rozeblâren gemaakt is. Beste Basil! hij is een jonge god! en jij--nu je ziet er intelligent uit en zoo al meer, maar schoonheid, heusche schoonheid eindigt waar een intelligente expressie begint. Intellect is in zichzelve een soort van overdrijving en verstoort de harmonie van elk gezicht; zoodra iemand gaat zitten om te denken, wordt hij een en al neus of voorhoofd of iets ander leelijks. Kijk naar alle mannen, die beroemd zijn in geleerdheid; hoe verschrikkelijk leelijk zijn ze; natuurlijk niet in de kerk, maar in de kerk denken ze niet. Een bisschop zegt, als hij tachtig is, nog precies wat hij moest zeggen toen hij achttien was en, als een natuurlijk gevolg, ziet hij er altijd even stralend uit. Jouw geheimzinnige jonge vriend, dien je mij nog nooit genoemd hebt, maar wiens portret me bepaald betoovert, denkt nooit; daar ben ik zeker van. Hij is een mooie jongen zonder hersens, die hier altijd in den winter moest zijn, als we weinig bloemen hebben om naar te kijken, of in den zomer, als we ons verstand wat willen afkoelen. Vlei jezelven maar niet; Basil, je lijkt niet het minst op hem! --Je begrijpt me niet, Harry, antwoordde de schilder. Natuurlijk lijk ik niet op hem, ik weet dat heel goed; en ik zoû niet gaarne op hem willen lijken. Je gelooft me niet? Ik zeg je de waarheid. Er rust een noodlot op alle fyzieke en intellectueele distinctie, het zelfde noodlot, dat op vorsten schijnt te rusten. Men moet niet verschillen van zijn evenmenschen. Leelijken en dommen zijn het best af in de wereld. Zij zitten op hun gemak en kijken naar de pret. Weten zij niets van succes, zij kennen ook geen teleurstelling. Zij leven zooals wij allen moesten leven, ongestoord en onverschillig en zonder onrust. Zij brengen nooit ellende over anderen en krijgen die ook nooit van anderen. Jij, door je rang en rijkdom, Harry; ik, door mijn hersens en kunst, wat die dan ook waard zijn; Dorian Gray, door zijn mooi gezicht, we moeten allen lijden door wat de goden ons geven, verschrikkelijk lijden. --Dorian Gray? Heet hij zoo? vroeg Lord Henry. --Ja, zoo heet hij. Ik was niet van plan het je te vertellen. --Waarom niet? --O, ik weet het niet. Als ik veel van iemand hoû, zeg ik nooit zijn naam. Het is of ik dan iets van hem weggeef. Ik heb me aangewend van mysterie te houden. Het schijnt het eenige wat het moderne leven interessant of bizonder maakt. Het gewoonste wordt mooi als je het maar verbergt. Als ik uit de stad ga, geef ik nooit mijn adres op; als ik dat deed, zoû ik nooit pleizier hebben. Het is zeker een gekke gewoonte, maar het geeft iets romantisch' aan je leven. Ik geloof, dat je me erg dwaas vindt. --O neen, antwoordde Lord Henry, volstrekt niet, waarde Basil. Je schijnt te vergeten, dat ik getrouwd ben, en de eenige bekoring van het huwelijk is, dat het een leven van voor-den-gek-houden noodig maakt voor beide partijen. Ik weet nooit waar mijn vrouw is, en mijn vrouw weet nooit wat ik doe. Als we elkaâr ontmoeten--we ontmoeten elkaâr nu en dan op een diner of bij den Hertog--dan vertellen we elkaâr de onzinnigste histories met de ernstigste gezichten. Mijn vrouw kan dat heel goed, bepaald veel beter dan ik; zij vergist zich nooit in haar datums, en ik altijd; maar als zij dat ontdekt, maakt zij er nooit een scène van; soms woû ik wel dat ze dit deed, maar ze lacht me alleen uit. --Ik hoû er niet van zooals je over je huwelijksleven praat, zei Basil Hallward, en hij ging naar de tuindeur. Ik geloof, dat je heusch een goed man bent, maar dat je je bar schaamt over je eigen deugden. Je bent een bizondere kerel: je zegt nooit iets goeds en je doet nooit iets kwaads. Je scepticisme is maar een poze. --Natuurlijk te zijn is ook een poze, en de vervelendste, die ik ken, lachte Lord Henry. Zij gingen den tuin in en lieten zich behagelijk op een rieten bank neêr, in de schaduw van een hoogen laurierboom. Het zonlicht slipte over de gepolijste bladeren. In het gras trilden witte madelieven. Na eene pooze haalde Lord Henry zijn horloge uit. --Ik denk, dat ik gaan moet, Basil, zei hij zacht, en voor ik wegga, woû ik nu wel, dat je mij antwoordde op de vraag, die ik je zoo even deed. --Wat dan? vroeg de schilder, turende naar den grond. --Dat weet je heel goed. --Neen, werkelijk niet, Harry. --Nu, dan zal ik ze nog eens herhalen. Ik woû dat je nu zei, waarom je het portret van Dorian Gray niet wilt expozeeren. Ik wil de werkelijke reden weten. --Die heb ik je al gezegd. --Neen, dat heb je niet. Je zei: omdat er te veel van jou in was. Nu, dàt is kinderachtig. --Harry, zeide Basil Hallward, hem recht in de oogen ziende; een portret, dat met gevoel is geschilderd, is een beeld van den artist, niet van hem, die er voor gezeten heeft. Het model is louter toeval en bij-omstandigheid. Dàt wordt hier geopenbaard door den schilder, maar de schilder openbaart zichzelven op het doek. De reden, dat ik dit portret niet wil ten toon stellen is: dat ik bang ben het geheim van mijn eigen ziel er in te toonen. Lord Henry lachte. --En wat is dat geheim? --Ik zal het je zeggen, zei Hallward, maar iets van verlegenheid gleed over zijn gelaat. --Ik ben een en al verwachting, Basil! --Och, het is in een paar woorden gezegd, Harry, en ik denk, dat je het niet eens begrijpen zal. Misschien, geloof je het ook niet. Lord Henry glimlachte, en, zich buigende, plukte hij een roodbladig madeliefje uit het gras, en keek er naar. --Ik ben overtuigd, dat ik het begrijpen zal, sprak hij, en hij bleef aandachtig het goud-en wit-stralige zonnetje in zijne hand bezien; en wat gelooven aangaat, ik kan alles gelooven, als het maar heel ongelooflijk is. De wind schudde wat bloesems van de boomen af, en de zware seringentakken, vol trossen van sterretjes wiegelden heen en weêr in de zwoele lucht. Een sprinkhaan tjirpte bij den muur, en als een blauwe draad vloog eene lange, dunne libel voorbij op bruinig gazen vleugels. Lord Henry meende Basil Hallwards hart te hooren kloppen; hij was nieuwsgierig wat er komen zoû. --Het is eenvoudig dit, zei de schilder na een oogenblik. Twee maanden geleden ging ik naar een receptie bij Lady Brandon. Je weet, wij arme artisten moeten ons van tijd tot tijd in gezelschap vertoonen om het publiek te herinneren, dat wij geen wilden zijn. Met een rok en een witte das, heb jij eens gezegd, kan iedereen, zelfs een aannemer, zich de reputatie maken een man van de wereld te zijn. Nu, toen ik tien minuten binnen was, en gepraat had met dikke, opgekleede douairières en vervelende Academisten voelde ik in eens, dat iemand naar mij keek. Ik draaide mij half om en zag Dorian Gray, voor de eerste maal. Toen onze oogen elkaâr ontmoetten, voelde ik, dat ik bleek werd. Een curieus gevoel van angst kwam over me. Ik wist, dat ik stond tegenover iemand, wiens persoonlijkheid alleen al zóó een charme was, dat, als ik mij niet tegen ze verzette, mijn geheele natuur, mijn ziel, mijn kunst zelfs zich in ze zoû oplossen. Ik wilde geen invloed van buiten op mijn leven. Je weet, Harry, hoe onafhankelijk ik van natuur ben. Ik ben altijd mijn eigen baas geweest; ten minste: tot ik Dorian Gray ontmoette. Toen--maar ik weet niet hoe het je uit te leggen. Iets zei mij, dat ik stond op de grens van een geweldige crizis in mijn leven. Ik had een vreemd voorgevoel, dat het Noodlot bizondere genietingen en bizonder verdriet voor mij klaar hield. Ik werd bang en woû de kamer uitgaan. Het was niet mijn geweten, dat mij hiertoe dwong, het was een soort lafheid. Het was een onwillekeurige aandrang om te vluchten. --Geweten en lafheid is heusch precies het zelfde, Basil. Geweten is maar de naam, die de firma in den handel aanneemt. Dat is het eenige verschil. --Daar geloof ik niets van, Harry, en jij ook niet. In ieder geval, wat er mij ook toe dwong--misschien een soort trots, want ik was vroeger heel trotsch--dit is zeker: ik probeerde de deur uit te gaan. Maar ik bonsde natuurlijk juist tegen Lady Brandon aan: --U is toch niet van plan nu al weg te gaan, Mr. Hallward? riep zij. --Je kent haar schelle stem. --Ja, ze is in alles een pauw, behalve in schoonheid, zei Lord Henry, terwijl hij het madeliefje met zijne lange, zenuwachtige vingers aan stukken trok. --Ik kon niet van haar afkomen. Zij prezenteerde me aan koninklijke personen, en be-Starde en be-Kousenbande menschen en oude dames met reusachtige tiara's en kakatoe-neuzen. Ze sprak over me als over een intiemen vriend. Ik had haar maar eens ontmoet, maar ze had het er op gezet me te lanceeren. Ik geloof, dat er toen juist een schilderij van mij nog al succes had gehad; er was tenminste over geschreven in couranten van een penny; je weet, het negentiend'eeuwsche boek van onsterfelijkheid. Op eens kwam ik vlak bij den jongen. Wij stonden naast elkaâr en raakten elkaâr bijna aan. Wij keken elkaâr in de oogen. Het was roekeloos van me, maar ik vroeg Lady Brandon mij aan hem voor te stellen; misschien was het toch niet gewaagd, het was eenvoudig onvermijdelijk; wij zouden met elkaâr gesproken hebben, ook zonder presentatie, ben ik zeker van. Dorian vertelde mij dat later; voelde ook, dat wij voorbestemd waren elkaâr te kennen. --En hoe beschreef Lady Brandon dat jonge wonder-mensch? Ik weet, dat zij gaarne van al haar gasten een vlug doopceel licht. Ik herinner me, dat ze me bracht naar een woesten, ouden meneer met een rood gezicht en heelemaal behangen met plaques en lintjes en siste toen, met een tragisch gefluister, dat volmaakt hoorbaar voor de geheele zaal moet geweest zijn, de verwonderlijkste détails in het oor. Ik ging er van door: ik hoû er van zelve mijn menschen uit te vinden, maar Lady Brandon behandelt haar gasten als een afslager zijn waren behandelt. Zij pluist ze of heelemaal uit, of vertelt alles van ze, behalve dàt wat men juist van ze zoû willen weten. --Arme Lady Brandon. Je bent hard voor haar, Harry, zei Hallward lusteloos. --Mijn beste jongen, ze probeert een salon te houden en houdt alleen een restauratie: hoe kan ik haar bewonderen? Maar zeg nu, wat zei ze van Mr. Dorian Gray? --O, zoo iets van: lieve jongen; zijn arme beste moeder en ik waren onafscheidelijk; ik ben heelemaal vergeten wat hij uitvoert; ik ben bang, dat hij niets doet. O ja, hij speelt piano, of is het viool, beste Mr. Gray? Wij moesten allebei lachen, en werden dadelijk vrienden. --Lachen is volstrekt geen kwaad begin voor vriendschap en het is zeker het beste einde er voor, zei de jonge lord, terwijl hij een andere madelief plukte, Hallward schudde het hoofd. --Je weet niet wat vriendschap is, Harry, of wat vijandschap is. Je houdt van iedereen, ik meen je houdt van niemand. --Wat ben je verschrikkelijk onrechtvaardig, zei Lord Henry. Hij zette zijn hoed achterover en keek naar de wolkjes, die als uiteengerafelde strengen glanzend witte zijde dreven door het gewelfde turkoois van de zomerlucht.--Ja, verschrikkelijk onrechtvaardig. Ik maak een groot verschil tusschen menschen: ik kies mijn vrienden voor hun mooie gezichten, mijn kennissen voor hun goede karakters en mijn vijanden voor hun goede hersenen. Men kan niet te moeielijk zijn in de keuze van zijn vijanden. Ik heb er geen een, die dom is; zij zijn allen mannen van ontwikkeling en bijgevolg apprecieeren ze me allemaal. Is dat heel ijdel van me? Ik geloof wel, dat het dàt nog al is ... --Dat geloof ik ook Harry, maar, naar je verdeeling, schijn ik dus maar een kennis te zijn. --Mijn beste oude jongen, je bent veel meer dan een kennis. --En minder dan een vriend; een soort broêr, denk ik. --O broêrs, ik geef niets om broêrs; mijn oudste broêr wil niet dood gaan, en mijn jongere broêrs doen niet anders. --Harry! riep Hallward met een frons uit. --Mijn beste jongen, ik spreek niet heelemaal in ernst, maar ik kan het niet helpen, dat ik een hekel heb aan mijn familie. Ik denk, dat het komt omdat we niemand uit kunnen staan, die onze zelfde fouten heeft. Ik voel volkomen sympathie voor de woede van de Engelsche demokraten tegen wat ze de ondeugden van de hoogere klassen noemen. Het volk voelt, dat dronkenschap, stomheid en onzedelijkheid hun eigen privaat bezit behooren te zijn en dat, als iemand van ons zich vergooit, hij zich op hun terrein waagt. Toen die arme Southwark voor het Hof van Echtscheiding kwam, waren zij prachtig verontwaardigd, en toch geloof ik, dat geen tien percent van het proletariaat netjes leeft. --Ik ben het in geen woord met je eens, Harry, en buitendien jijzelf ook niet. Lord Henry streek over zijn bruine puntbaardje en tikte aan de punt van zijn verlakte laars met zijn ebbenhouten stokje met kwasten. --Wat ben je door en door Engelsch, Basil! Het is de tweede maal, dat je die opmerking maakt. Als je een idee meêdeelt aan een goed Engelschman, en dat is al een onvoorzichtig ding!--dan komt het niet bij hem op te overwegen of het idee goed of kwaad is. Het eenige, waaraan hij hecht, is, of je het zelf gelooft. Nu, de waarde van een idee heeft niets ter wereld te maken met de oprechtheid van hem, die het verkondigt. Hoe minder hij het meent, des te meer kans heb je, dat de opinie van eenige waarde is, want in dat geval hebben noch zijn behoeften, noch zijn wenschen of vooroordeelen er eenigen invloed op gehad. Daarbij, ik heb in het geheel geen plan politiek, sociologie of metafyzica met jou te bepraten. Ik hoû meer van menschen dan van principes, en ik hoû het meest van alles van menschen zonder principes. Vertel nog het een en ander van Mr. Dorian Gray. Zie je hem dikwijls? --Iederen dag. Ik zoû niet gelukkig kunnen zijn, als ik hem niet iederen dag zag. Hij is mij een behoefte geworden. --Hoe vreemd! Ik dacht, dat jij nooit om iets anders dan om je kunst zoû geven. --Hij is nu geheel mijn kunst voor mij, zei de schilder met ernst. Ik denk wel eens, Harry, dat er maar twee oogenblikken zijn van eenig gewicht voor de wereldgeschiedenis. Ten eerste: de geboorte van een nieuwe kunstmanier; ten tweede: de geboorte van een nieuwe persoonlijkheid voor de kunst. Wat de uitvinding van schilderen in olieverf was voor de Venetianen, was het gelaat van Antinous voor latere Grieksche beeldhouwkunst, en zal het gezicht van Dorian Gray ook eens voor mij zijn. Het is niet alleen, dat ik naar hem schilder, teeken of schets. Natuurlijk heb ik dat alles gedaan. Maar hij is mij meer dan een model. Ik zeg niet, dat ik ontevreden ben met wat ik van hem gemaakt heb, of dat zijn mooi niet door kunst kan worden uitgedrukt. Er is niets, dat kunst niet kan teruggeven, en ik weet, dat mijn werk, sinds ik Dorian Gray ontmoette, knap is, het beste, dat ik ooit doen zal. Maar ik ben benieuwd of je me begrijpen zal? Zijn persoonlijkheid heeft mij een geheel nieuwe manier ingegeven. Ik zie de dingen anders, ik denk anders over die dingen. Ik kan nu het leven herscheppen op een manier, die mij vroeger verborgen was. Een droom van lijnen in dagen van gedachten, wie heeft dat ook weêr gezegd? Ik weet niet meer, maar dàt is het wat Dorian Gray voor mij is. Niets dan het uiterlijke bijzijn van dien jongen--want voor mij is hij nog een jongen, hoewel hij toch over de twintig is--niets dan zijn uiterlijke bijzijn--oh! begrijp je wat dat in zich heeft? Zonder te weten, opent hij mij een nieuwe school, een school, waarin heel de passie van den romantieken geest, en heel de volmaaktheid van den Griekschen geest is. Harmonie van ziel en lichaam--hoeveel is dat niet! Wij, in onze dwaasheid hebben ze van elkaâr gescheiden en hebben een realisme uitgevonden, dat vulgair en een idealisme, dat hol is.--Harry, als je weten kon wat Dorian Gray voor mij is! Herinner je je dat landschap van me, waar Agnew zooveel voor bood, maar waar ik niet van woû scheiden? Het is een van mijn beste werken. En waarom? Omdat, terwijl ik het schilderde, Dorian Gray naast mij zat. Een subtiele invloed ging van hem over op mij, en, voor het eerst in mijn leven, zag ik in het eenvoudige boomlandschap dàt, wat ik altijd zocht, en altijd miste. --Basil, dat alles is bepaald interessant. Ik moet dien Dorian Gray eens zien. Hallward stond op, liep den tuin op en neêr. Na een korte poos kwam hij terug. --Harry, zeide hij. Dorian Gray is niets dan een motief in mijn kunst. Jij zoû niets in hem zien. Ik zie alles in hem. Hij is nooit meer in mijn werk, dan wanneer zijn wezen niet om mij is. Hij is, zooals ik zei, een suggestie van iets nieuws. Ik vind hem terug in de rondingen van zekere lijnen, in de lieflijkheid en fijnheid van zekere kleuren. Dat is alles. --Maar waarom wil je dan zijn portret niet expozeeren? vroeg Lord Henry. --Omdat, zonder het te willen, ik er iets in heb gelegd van deze curieuze artistieke idolatrie, waar ik natuurlijk met hem nooit over gesproken heb. Hij weet daar niets van. Hij zal er ook nooit iets van weten. Maar de wereld mocht het eens raden, en ik wil mijn ziel niet bloot geven aan hun domme nieuwsgierige oogen. Mijn hart zal nooit onder hun microscoop komen. Daar is te veel van mijzelven in dat doek, Harry,--te veel van mijzelven! --Dichters zijn niet zoo teêrgevoelig als jij. Zij weten best hun passies te gebruiken om naam te maken. Een gebroken hart geeft tegenwoordig telkens nieuwe uitgaven. --Ik haat ze daarom! riep Hallward uit. Een artist moet mooie dingen scheppen, maar er niets van zijn eigen leven in leggen. We leven in een eeuw waarin kunst als een soort autobiografie beschouwd wordt. Wij hebben het abstracte idee van schoonheid verloren. Eens zal ik de wereld toonen wat dat is, en daarom zal de wereld ook nooit mijn portret van Dorian Gray zien. --Ik geloof, dat je ongelijk hebt, Basil, maar ik wil niet met je kibbelen. Intellectueel verloren is iedereen, die redeneert. Zeg eens, is Dorian Gray erg op jou gesteld? De schilder dacht even na. --Hij houdt van me, zei hij toen; ik weet, dat hij van mij houdt. Natuurlijk vlei ik hem vreeselijk. Ik vind er een vreemd genoegen in hem dingen te zeggen, waarvan ik later spijt heb. Over het algemeen, is hij heel aardig tegen me, en kunnen we heel gezellig over allerlei dingen zitten praten in mijn atelier. Maar nu en dan is hij erg onnadenkend en schijnt hij er pleizier in te hebben mij pijn te doen. En Harry, dan voel ik, dat ik mijn heele ziel gegeven heb aan iemand, die ze beschouwt als een bloem, om in zijn knoopsgat te steken. --Misschien zal het jou nog eerder gaan vervelen dan hem, Basil, murmelde Lord Henry. Het is treurig, maar genie duurt ongetwijfeld altijd langer dan schoonheid; daarom jagen we allemaal zoo naar overbeschaving. In onzen strijd voor het bestaan zoeken we naar iets, dat stand houdt, en daarom vullen we onze hersens op met nonsens en met feiten, in de dwaze hoop dàn te zullen blijven staan. Een man, die van alles op de hoogte is, dat is het moderne ideaal. En de hersens van zoo een man zijn een vreeselijke chaos; het is er net als in een galanteriewinkel; niets dan stoffige prullen, geprijsd boven de eigenlijke waarde ... O ja, hij zal jou het eerste gaan vervelen. Op een goeden dag zal je je vriend aanzien en hem niet goed van lijn of leelijk van kleur vinden, of iets dergelijks. Je zal het hem in je binnenste erg verwijten, en heusch vinden, dat hij je slecht behandeld heeft. Den volgenden keer, dat hij bij je komt, ben je koud en onverschillig. Het zal jammer zijn, want het zal jou ook heelemaal veranderen. Wat je mij vertelde is een roman; je zoû kunnen zeggen: een roman van kunst en het nadeel van elken roman is, dat het jezelven zoo geheel en al onromantisch achterlaat. --Harry, spreek zoo niet. Zoolang ik leef zal de persoon van Dorian Gray mij domineeren. Jij kan niet voelen, wat ik voel. Je bent te veranderlijk. --Wel, mijn beste Basil, daarom juist kan ik dat voelen. Die getrouw zijn, kennen alleen den trivialen kant van de liefde, de ontrouwen alleen kennen de liefdedrama's. En Lord Henry streek een lucifer af op zijn kleine zilveren doos, en begon eene cigarette te rooken met een zelfbewust en zeer tevreden gezicht, als had hij de wereld in één woord samengevat. Er was een geritsel van trirpende spreeuwen in de groen verlakte bladeren van den klimop, en blauwe wolkschimmen schaduwden elkaâr na over het gras, als zwaluwen. Hoe heerlijk was het in den tuin ... En wat waren de emoties van anderen toch aangenaam! veel aangenamer dan hunne gedachten, vond Lord Henry. Je eigen ziel, en de passies van je vrienden--dàt waren de bekoringen van het leven. Hij stelde zich met een stil genot de vervelende lunch voor, die hij was misgeloopen door zoo lang bij Basil Hallward gebleven te zijn. Was hij naar zijne tante gegaan, hij zoû daar zeker Lord Goodbody hebben ontmoet, en het geheele gesprek zoû geloopen hebben over armen eten geven en over de noodzakelijkheid van modelslaapplaatsen. Iedereen zoû geredeneerd hebben over de belangrijkheid van deugden, die in zijn leven niet waren. De rijke zoû uitgevaren over de spilzucht, de luiaard welbespraakt geworden zijn over het goede van arbeidzaamheid. Het was zalig dat alles misgeloopen te hebben. Terwijl hij aan zijne tante dacht, schemerde iets door hem heen. Hij wendde zich tot Hallward en zei: --Mijn beste kerel, ik herinner me daar juist iets. --Wat dan, Harry? --Waar ik den naam van Dorian Gray hoorde. --Waar was dat? vroeg Hallward met een lichten frons. --Kijk toch zoo boos niet, Basil. Het was bij mijn tante Lady Agatha. Ze zei me, dat ze een voorbeeldig jongmensch gevonden had, die haar in East End zoû helpen, en dat hij Dorian Gray heette. Ik moet bekennen, dat ze me nooit gezegd heeft hoe hij er uitzag. Vrouwen kunnen daar trouwens niet over oordeelen, tenminste, brave vrouwen niet. Ze zei, dat hij zeer ernstig was, en een prachtig karakter had. Ik stelde me dadelijk voor; een wezen met een bril op, sluik haar, veel sproeten en ontzettend groote voeten. Ik woû, dat ik geweten had, dat hij een vriend van jou was. --Ik ben heel blij, dat je dat niet wist, Harry. --Waarom? --Ik wil niet, dat je hem ontmoet. --Wil je niet, dat ik hem ontmoet? --Neen. --Mr. Dorian Gray is in het atelier, meneer! zei de knecht, die in den tuin kwam. --Nu moet je me wel aan hem voorstellen! schaterde Lord Henry. De schilder wendde zich tot den knecht, die in de zon stond te knipoogen: --Vraag Mr. Gray even te wachten, Parker, ik kom dadelijk. De knecht boog en ging het pad terug. Toen keek Basil naar Lord Henry. --Dorian Gray is mijn beste vriend, hernam hij. Hij is een eenvoudig naïef kind. Je tante had gelijk, toen zij zooveel goeds van hem zei. Bederf hem niet. Probeer niet hem te influenceeren. Je invloed zoû slecht zijn. De wereld is ruim, en interessante menschen zijn er genoeg te vinden. Ontneem mij niet de eenige persoon, die aan mijn kunst alle bekoring geeft, die ze bezit: mijn leven als artist hangt van hem af. Denk er om Harry; ik, ik ... reken ... op ... je ... Hij sprak zeer langzaam en de woorden schenen tegen zijn wil uit hem gewrongen te worden. --Wat een nonsens zeg je toch! zei Lord Henry, glimlachend, en Hallward bij den arm nemend, drong hij hem bijna het huis binnen. II. Toen zij binnenkwamen zagen zij Dorian Gray. Hij zat voor de piano, met zijn rug naar hen toe en hij bladerde in een deel van Schuberts Waldscenen. --Je moet ze me leenen, Basil! riep hij uit. Ik wil ze leeren, ze zijn allerliefst. --Dat zal er heelemaal van afhangen hoe je vandaag pozeert, Dorian! --O, ik ben moê van dat pozeeren, en ik heb geen levensgroot portret van mij noodig, antwoordde hij, op den muziekstoel omdraaiende met de ongeduldige beweging van een bedorven jongen. Toen hij Lord Henry in het oog kreeg, tintte een flauwe blos zijne wangen en schrikte hij op. --Pardon Basil, maar ik wist niet, dat je iemand bij je hadt. --Lord Henry Wotton, Dorian, een oud vriend uit Oxford. Ik heb hem juist verteld hoe uitstekend je pozeerde, en nu bederf je alles. --Maar u bederft niet mijn genoegen om u te ontmoeten, Mr. Gray, zei Lord Henry, terwijl hij nader kwam en zijn hand uitstak. Mijn tante heeft mij dikwijls over u gesproken; u is een van haar lievelingen en, naar ik vrees, ook een van haar slachtoffers. --Ik sta tegenwoordig in een zwart blaadje bij Lady Agatha, antwoordde Dorian, als een kind, dat stout is. Ik beloofde verleden Dinsdag met haar naar een liefdadigheidsvoorstelling in West End te gaan, en ik vergat het heelemaal. Wij zouden samen een quatre-mains gespeeld hebben, drie quatre-mains', geloof ik. Ik weet heusch niet hoe ze me ontvangen zal; ik ben veel te bang haar nu een visite te maken. --O, ik zal bij tante wel een goed woordje voor u doen; ze is dol op u, en ik denk niet, dat het er toe deed of u er was of niet. Het publiek zal wel gedacht hebben, dat het een quatre-mains was; als tante Agatha voor de piano zit, maakt ze leven voor twee. --Dat is een affront voor haar en geen compliment voor mij, antwoordde Dorian lachend. Lord Henry zag hem aan. Ja, hij was waarlijk buitengewoon mooi, met zijne fijn besneden lippen, zijne open blauwe oogen en zijn goud kroeshaar. Er was iets in zijn gezicht, waarom men hem dadelijk vertrouwde. Alle openhartigheid van jeugd, en alle jeugdige hartstochtelijkheid: toch voelde men iets of hij zich onbezoedeld van de wereld had gehouden. Geen wonder, dat Basil Hallward hem vergoodde. --U heeft te veel charme om aan filanthropie te doen, Mr. Gray, veel te veel ... De schilder was bezig geweest zijne kleuren te mengen en schikte zijne penseelen klaar. Hij zag er moê uit; toen hij Lord Henry's opmerking hoorde, zag hij hem aan, aarzelde even, en zei: --Harry, ik zoû vandaag graag dit portret af maken. Vindt je het erg onbeleefd van me, als ik je vraag weg te gaan? Lord Henry glimlachte en keek naar Dorian Gray. --Moet ik gaan, Mr. Gray? vroeg hij. --O toe, neen, Lord Henry. Ik merk, dat Basil in een van zijn vervelende buien is, en ik kan hem niet uitstaan, als hij zoo saai is. Buitendien ik woû, dat u mij vertelde waarom ik niet aan filanthropie moet doen. --Ik geloof niet, dat ik het u vertellen zal, Mr. Gray. Het is zoo een vervelend onderwerp, dat ik er ernstig over zoû moeten spreken. Maar ik zal zeker niet weggaan, nu dat u mij gevraagd heeft te blijven. Het kan je immers zooveel niet schelen, Basil? Je hebt me dikwijls gezegd, dat je het aangenaam vond, als je modellen met iemand konden praten. Hallward beet zich op zijn lip. --Als Dorian het gaarne heeft, kan je natuurlijk blijven. Dorians grillen zijn voor iedereen wetten, behalve voor hemzelven. --Je meent het goed, Basil, maar ik moet heusch weg. Ik heb een afspraak om iemand te ontmoeten bij Orleans. Adieu, Mr. Gray, kom eens op een middag bij me in Curzon-street. Om een uur of vijf ben ik meestal thuis. Schrijf mij als u komt. Ik zoû u niet gaarne missen. --Basil! riep Dorian Gray; als Lord Henry weggaat, ga ik er ook van door. Jij maakt geen mond open als je aan het schilderen bent, en het is afschuwelijk vervelend op een estrade te staan en lief te moeten kijken. Vraag hem te blijven. Ik wil het. --Blijf, Harry, om Dorian pleizier te doen en om mij pleizier te doen, zei Hallward, met een strakken blik naar de schilderij. Het is waar, ik spreek nooit als ik werk en ik luister dan ook niet, en dat moet heel vervelend zijn voor mijn ongelukkige modellen. Ik verzoek je vriendelijk te blijven. --Maar hoe dan met mijn afspraak? De schilder lachte. --O, dat komt wel terecht. Ga weêr zitten, Harry. En Dorian, ga jij nu weêr op de estrade, beweeg je niet en luister niet te veel naar Lord Henry. Hij heeft op al zijn vrienden een slechten invloed, behalve op mij. Dorian Gray stapte op de verhevenheid met het gezicht van een jongen Griekschen martelaar en trok een moue van verveling tegen Lord Henry, tot wien hij zich, in eens, getrokken voelde. Lord Henry was zoo heel anders dan Basil; zij waren een aardig contrast. En hij had zoo een aangename stem. Na eenige oogenblikken: --Heeft u waarlijk zoo een slechten invloed, Lord Henry, zooals Basil beweert? --Er bestaan geen goede invloeden, Mr. Gray. Iedere invloed is immoreel, immoreel uit een psychologisch oogpunt. --Waarom? --Omdat, zoodra men iemand influenceert, men dien persoon iets van zijn eigen ziel geeft. Hij denkt niet meer zijn eigen gedachten, hij voelt niet meer zijn eigen passies. Zijn deugden zijn niet de zijne. Zijn zonden, als er zoo iets bestaat, zijn geleend. Hij wordt de echo van een anders muziek, de acteur van een rol, die niet voor hem geschreven werd. Het levensdoel is zelfontwikkeling, zooveel mogelijk zichzelve te zijn; daarvoor bestaat men. Tegenwoordig zijn de menschen bang voor zichzelven. Zij hebben den hoogsten plicht vergeten, den plicht jegens zichzelven. O ja, zij zijn barmhartig genoeg. Zij voeden de hongerigen en kleeden de bedelaars. Maar hun eigen zielen verhongeren en zijn naakt. Er is geen moed meer in ons geslacht. Misschien hebben we dien ook nooit gehad. Vrees voor de menschen; de bazis van alle moraliteit; vrees voor God: het geheim van den godsdienst--zijn de twee dingen, die ons regeeren. En toch ... --Draai je hoofd een beetje meer naar rechts Dorian, zei de schilder, verdiept in zijn werk, zich slechts bewust, dat over Dorian's gelaat eene uitdrukking kwam, die hij daar nooit te voren gezien had. --En toch--ging Lord Henry voort met zijne zachte stem vol muziek, en met die bevallige wuiving van hand, die zoo karakteristiek in hem was, al van Eton af--toch geloof ik, dat als iemand eens zijn leven geheel en volkomen woû leven, als hij oor gaf aan ieder gevoel, uiting aan iedere gedachte, werkelijkheid aan iederen droom--de wereld een frissche wind van genot over zich zoû voelen waaien en wij al onze middeneeuwsche ziekelijkheden zouden vergeten om terug te keeren tot het Helleensche ideaal of ... misschien tot iets mooiers, rijkers, dan het Helleensche ideaal. Maar de moedigste van ons is bang voor zichzelven. Het aan banden leggen van den wilde in ons wordt ons tragisch door een zelfontzegging, die het leven verbittert. Wij worden gestraft voor onze zelfmartelingen. Iedere impulsie, die wij trachten te smoren, kankert voort in onzen geest en vergiftigt ons. Het vleesch zondigt ééns en dan is het gedaan, want actie is een soort van reiniging. Daarna blijft er niets over dan de herinnering aan een genot of de weelde van een verdriet. De eenige manier om aan een verleiding te ontkomen, is er aan toe te geven. Strijd er tegen en je ziel krijgt een ziekelijk verlangen naar de dingen, die ze zich ontzegd heeft, een wensch naar alles, wat onze slechte wetten slecht en onredelijk hebben gemaakt. Men zegt, dat de groote wereld- gebeurtenissen plaats grijpen in de hersens van de menschen. Het is ook in die zelfde hersens, en ook alleen dáárin, dat de groote zonden van de wereld gebeuren. Uzelf, Mr. Gray, met uw jonge jeugd, uzelf heeft al passies gekend, die u angst hebben aangejaagd, gedachten, die u schrik gaven; droomen, als u sliep, en droomen, als u wakker was en waaraan de herinnering alleen u doet blozen ... --Schei uit! stamelde Dorian Gray, schei uit! U overstelpt me. Ik weet niets te zeggen. Er _is_ een antwoord op alles wat u gezegd heeft, maar _ik_ kan het niet vinden. Spreek niet. Laat mij denken. Of neen, laat ik liever niet nadenken ... Lang stond hij daar, bewegingloos, de lippen half open, de oogen vreemd glanzend. Hij was zich flauw bewust, dat geheel nieuwe invloeden in hem werkten. Toch scheen het hem of alles waarlijk uit hemzelven kwam. De enkele woorden, die Basils vriend tot hem gezegd had,--woorden, bij toeval geuit, grillige paradoxen--ze hadden eene geheime snaar geraakt, die nooit te voren beroerd was geworden ... Muziek had dien zelfden invloed op hem. Muziek had reeds dikwijls hem zóó getroffen. Maar muziek kon niet spreken. Ze schept niet een nieuwe wereld, maar een nieuwe chaos in ons. Maar woorden! Woorden! Hoe vreeselijk waren ze! Hoe klaar, hoe vol van het leven, hoe wreed! Men kon ze niet ontvluchten. En toch, wat subtiele tooverkracht school in ze! Ze schenen een plastischen vorm aan vormlooze dingen te geven, en een geluid te bezitten, even zacht als van een viool. Louter woorden! Bestond er iets reëelers dan woorden? Ja, er waren dingen, die hij als jongen nooit begrepen had. Hij begreep ze nu! Het leven schitterde eensklaps als purper om hem heen. Het was hem of hij midden door vuur liep. Waarom had hij het nooit te voren gevoeld ...! Lord Henry bestudeerde hem met een fijnen glimlach. Hij wist op het juiste psychologische moment te zwijgen. Zijn studie interesseerde hem. Hij was getroffen door de plotselinge uitwerking zijner woorden, en, zich een boek herinnerend, dat hij op zijn zestiende jaar gelezen had--een boek, dat hèm veel geopenbaard had,--vroeg hij zich af of Dorian Gray nu een dergelijk oogenblik doorleefde. Hij had een enkele pijl afgeschoten. Had die getroffen? Hallward schilderde voort met de breede, krachtige streek, die hem eigen was, fijn en delicaat van toets, de streek, die men te danken heeft aan kracht. Hij merkte de stilte niet op. --Basil, ik ben moê van dat staan, riep Dorian Gray eensklaps uit. Ik kan niet meer, ik ga wat in den tuin zitten. Het is hier om te stikken. --Arme jongen, het spijt me. Als ik aan het werk ben, denk ik aan niets anders. Maar je hebt nooit beter gepozeerd. Je was doodstil. En ik heb juist de uitdrukking getroffen, die ik hebben woû, die lichtschittering in de oogen. Ik weet niet wat Henry je heeft zitten vertellen, maar dit is zeker, dat hij je gezicht in de juiste plooi heeft gebracht. Hij heeft je zeker complimentjes gemaakt. Geloof er maar geen woord van. --Het waren alles behalve complimentjes. Misschien geloof ik juist daarom niets van alles wat hij me verteld heeft. --U weet heel goed, dat u àlles gelooft, zei Lord Henry, met een blik van droomerige oogen. We zullen samen wat in den tuin gaan. Het is hier ontzettend warm. Basil, geef ons eens iets koels te drinken, iets met aardbeien. --Zeker Harry, bel maar even, en als Parker komt, zal ik hem zeggen wat te brengen. Ik moet den achtergrond nog wat bijwerken, ik kom later wel bij je. Dit wordt mijn meesterstuk. Trouwens, het is het nu al, zooals het daar staat. Lord Henry ging den tuin in; hij zag hoe Dorian Gray het gezicht begroef in de volle, koele seringen-trossen en koortsachtig den geur ervan indronk, als ware die wijn. Hij kwam vlak bij hem en legde de hand op zijn schouder. --Dat is heel goed wat u daar doet, fluisterde hij. De ziel geneest het best door de zinnen, evenals de zinnen door de ziel. De jongen schrikte en trok zich terug. Hij was blootshoofds, en de bladeren hadden het gouddraad van zijn haar verward. Vrees was in zijn oogen, zooals bij iemand, die in eens wakker is gemaakt. Zijne dunne neusvleugels trilden en een geheime zenuw deed zijn lippen beven. --Ja, herhaalde Lord Henry, dat is een van de groote mysteries van het leven: de ziel te genezen door de zinnen en de zinnen door de ziel. U is een vreemd amalgama. U weet meer dan u zich bewust is, en u weet minder dan u wilt weten. Dorian Gray fronste zijn wenkbrauwen en wendde het hoofd om. Maar hij kon niet nalaten sympathie te voelen voor dien grooten, gracieuzen jongen man, met zijn romantisch, olijfkleurig gezicht, waarover vermoeide uitdrukking waasde. Er was iets zeer aantrekkelijks in zijne zachte, matte stem; zelfs zijne koele, witte handen, fijn als bloemen, hadden vreemde betoovering in zich. Zij bewogen zich, wanneer hij sprak, als muziek en schenen zelve taal uit te drukken. Maar toch was Dorian bang voor hem en hij schaamde zich dien angst. Waarom had een vreemde hem aan zichzelven moeten openbaren? Hij had Basil Hallward maanden gekend: die vriendschap zoû hem nooit veranderd hebben. Plotseling was er iemand gekomen, die hem het mysterie van het leven had ontdekt. En waar was hij nu bang voor? Hij was toch geen schooljongen, toch geen meisje? Dwaas was het bang te zijn. --Laat ons wat in de schaduw gaan zitten, zei Lord Henry. Parker heeft iets te drinken gebracht en als u hier nog langer in de zon blijft, verbrandt u en zal Basil u nooit meer schilderen. U moet u niet zoo laten verbruinen. Dat flatteert niets! --Wat kan dat schelen? riep Dorian Gray lachend, terwijl zij achter in den tuin gingen zitten. --Het moet u juist heel veel kunnen schelen, Mr. Gray. --Waarom toch? --Omdat u een bewonderenswaardigheid van jeugd heeft en jeugd is het eenige op de wereld, de moeite van het bezitten waard. --Dat voel ik zoo niet, Lord Henry. --Neen, nu niet. Maar later, als u oud en gerimpeld en leelijk geworden is, als er lijnen zijn gekomen over uw voorhoofd door het denken en uw lippen geschroeid zijn door het vuur van afschuwelijke passies, dàn zal u het voelen, het intens voelen. Overal waar u nu gaat, palmt u de wereld in. Zal het altijd zoo zijn?... U heeft een buitengewoon mooi gezicht, Mr. Gray. Fronst niet. Het is zoo. En schoonheid is een soort van genie, zelfs hooger, want geen uitlegging is er bij noodig. Het is een van de groote principes van de wereld, evenals de zon of het voorjaar. De menschen zeggen soms, dat schoonheid oppervlakkig is; dat is mogelijk, maar ze is tenminste niet zoo oppervlakkig als gedachte. Schoonheid is voor mij het grootste wonder, dat er bestaat. O, geniet van uw jeugd zoolang u ze heeft. Leef. Leef het leven, dat in u is. Laat niets verloren gaan. Zoek altijd naar nieuwe sensaties. Wees nergens bang voor ... Dorian Gray luisterde verwonderd met open oogen. Het takje seringen viel uit zijne hand op het grint. Een bij kwam en gonsde er een oogenblïk om heen. Toen kroop ze over die bestarrelde globe van kleine bloemen. Dorian zag er naar met die vreemde belangstelling in kleinigheden, die wij aan den dag leggen, als iets belangrijks ons vrees aanjaagt, als een nieuw gevoel in ons trilt, waarvoor wij geene woorden kunnen vinden; als eene gedachte vol schrik eensklaps beslag legt op onze hersenen en ons dwingt toe te geven. Na eene pooze vloog de bij weg. Hij zag haar toen kruipen in den getijgerden kelk van een Tyreensche convolvulus. De bloem scheen even te sidderen, toen wuifde ze zachtjes heen en weêr. De schilder verscheen aan de deur van het atelier en wenkte om te komen. Zij zagen elkaâr aan en glimlachten. --Ik wacht! riep hij. Komt binnen. Het licht is uitstekend, en je kan je glazen meêbrengen. Zij stonden op en volgden langzaam het pad. Twee wit-en-groene kapellen fladderden om hen rond; in den pereboom in den hoek van den tuin begon een merel te zingen. --Doet het u plezier mij ontmoet te hebben, Mr. Gray? vroeg Lord Henry, hem aanziende. --Ja, nu wel. Zal ik het altijd blijven? --Altijd! Dat is een verschrikkelijk woord. Ik krijg een huivering als ik het hoor. Vrouwen gebruiken het zoo dikwijls. Ze bederven iederen roman door hem _altijd_ te willen laten voortduren. En het is een woord zonder eenige beteekenis. Het eenige verschil tusschen een gril en een levenslange passie is, dat de gril een beetje langer duurt. Terwijl zij het atelier binnentraden, legde Dorian Gray zijn hand op Lord Henry's arm. --Als dat zoo is, laat onze vriendschap dan een gril zijn, fluisterde hij, kleurende over zijn eigen vrijmoedigheid; toen stapte hij op de estrade en nam zijne poze aan. Lord Henry wierp zich in een groten rieten stoel. De op-en neêrstreek van het penseel over het doek was het eenige geluid, dat de stilte brak, tenzij Hallward een paar passen achteruit ging om zijn werk op een afstand te bezien. In de schuine stralen, die door de opene deur naar binnen stroomden, dansten de stofatoompjes en zij waren als goud. De geur der rozen scheen zwaar over alles te drijven. Na een kwartier hield Hallward op met schilderen, zag Dorian Gray lang aan, beet op een van zijne lange penseelen, rimpels in zijn voorhoofd. --Het is klaar! riep hij ten laatste en zich bukkend, schreef hij zijn naam met lange vermiljoenen letters in den linkerhoek van het doek. Lord Henry stond op en bezag de schilderij. Het was zeker een wondervol stuk van kunst, wondervol van gelijkenis. --Kerel! ik feliciteer je van harte! sprak hij. Het is het mooiste moderne portret, dat ik tot nu zag. Komt eens hier, Mr. Gray, en bekijk uzelven. De jongen schrikte op, als uit een droom. --Is het waarlijk klaar? murmelde hij, van de estrade stappend. --Geheel en al! zei de schilder. En je hebt vandaag uitstekend gezeten, dat moet ik zeggen. --Dat heb je aan mij te danken, viel Lord Henry daarop in. Niet waar, Mr. Gray? Dorian antwoordde niet en langzaam, zonder belangstelling, ging hij voor het portret staan. Toen ging hij een paar passen terug en een rood van plezier kwam over zijne wangen. Glans van vreugde kwam in zijne oogen, als zag hij zich voor het eerst. Hij stond daar stil en verwonderd, zich flauwtjes bewust, dat Hallward tot hem sprak, maar de beteekenis zijner woorden niet vattend. Het wezen zijner schoonheid kwam over hem als eene openbaring. Nooit te voren was dat zoo geweest. Basil Hallwards complimenten hadden hem steeds toegeschenen als de lieve overdrijvingen van hun vriendschapsgevoel. Hij had ze aangehoord, over ze gelachen en ze weêr vergeten. Zij hadden niets op hem uitgewerkt. Toen was Lord Henry gekomen met zijne vreemde panegyrie over jeugd; dit had hem een oogenblik getroffen en nu, terwijl hij stond te kijken naar de afschaduwing van zijn eigen mooi, nu flitste de waarheid door hem heen. Ja er zoû een dag komen, dat zijn gezicht oud en gerimpeld zoû zijn, zijn oog dof en zonder kleur, de gratie van zijn lichaam gebogen en misvormd. Het rood zoû van zijn lippen verbleeken, het goud uit zijn haar verdwijnen. Het leven, dat zijne ziel was, zoû zijn lichaam slijten. Hij zoû leelijk worden, afschuwelijk onsmakelijk. De gedachte hieraan doorstak hem als met de pijn van een mes en deed iedere zenuw van zijn delicaat wezen sidderen. Zijn oogen diep-blauwden tot amethyst en er kwam een waas van vocht over. Het scheen of eene ijzige hand op zijn hart was gelegd. --Vindt je het niet mooi? riep Hallward, een beetje geprikkeld, door het stilzwijgen van den jongen, dien hij niet begreep. --Natuurlijk vind hij het mooi, zei Lord Henry. Wie zoû het niet mooi vinden?! Het is een van de mooiste, knapste dingen in moderne kunst. Ik geef je alles wat je er voor vraagt, ik moet het hebben. --Het is niet van mij, Henry. --Van wien dan? --Van Dorian natuurlijk! antwoordde de schilder. --Hij is wel af! --Hoe vreeselijk! murmelde Dorian Gray, starend op het portret. Hoe vreeselijk! Ik zal oud, leelijk, afzichtelijk worden. Maar dit portret zal altijd jong blijven. Het zal nooit ouder zijn, dan zooals het nu is, op dezen dag, in Juni ... O, was het maar omgekeerd! Was _ik_ het maar die altijd jong bleef, en werd het portret maar ouder! Daarvoor ... dáárvoor! zoû ik alles geven. --Daar zoû jij dan toch wel tegen zijn, Basil! riep Lord Henry lachend. Het zoû niet erg flatteus zijn voor je werk. --Daar zoû ik zeer zeker op tegen hebben, Henry, zei Hallward. Dorian Gray wendde zich om en zag hem aan. --Ja, dat geloof ik ook, Basil. Je hebt je kunst meer lief dan je vrienden. Voor jou ben ik niet meer dan een bronzen beeld. Niet eens zooveel misschien. De schilder zag hem met verbazing aan. Het was niets voor Dorian zoo te spreken. Wat was er gebeurd? Hij scheen zeer boos, zijne wangen gloeiden. --Ja, ging hij voort. Voor jou ben ik nog minder dan die ivoren Hermes of die zilveren Faun. Van die dingen zal je altijd blijven houden. Hoe lang van mij? Tot ik mijn eersten rimpel heb, zeker! Ik weet nu, dat als je leelijk wordt, je daarmeê ook alles en alles verliest. Je schilderij leerde me dat. Lord Henry Wotton heeft volkomen gelijk. Jeugd is alles. Als ik merk, dat ik oud word ... maak ik me van kant. Hallward werd bleek en pakte zijne hand. --Dorian! Dorian! riep hij; spreek zoo niet. Ik had nooit een vriend zooals jij, en nooit zal ik een ander zoo hebben. Je bent toch niet jaloersch van dingen van materie, jij, die mooier bent dan wat ook! --Ik ben jaloersch van alles wat mooi is en mooi blijft, altijd mooi blijft. Ik ben jaloersch van dat portret, dat je van mij gemaakt hebt. Waarom zal dàt altijd behouden, wat ik verliezen moet! Ieder moment, dat voorbij gaat, neemt iets van mij weg, en geeft het aan dat portret. O, was het dan toch omgekeerd! Veranderde dat portret maar, en bleef ik altijd, die ik nu ben! Waarom heb je het geschilderd? Eens zal het mij bespotten, verschrikkelijk bespotten! Heete tranen kwamen in zijne oogen; hij trok zijne hand weg, gooide zich op den divan, verborg het gezicht in de kussens, als bad hij. --Dat is jouw werk, Harry, zei de schilder bitter. Lord Henry haalde de schouders op. --Het is de ware Dorian Gray, dat is alles. --Dat is het niet. --Als het niet zoo is, wat heb ik er meê te maken? --Je hadt weg moeten gaan, toen ik het je vroeg, mompelde Basil. --Ik bleef, toen jij me dat ook vroeg, was het antwoord. --Harry, ik kan niet op het zelfde oogenblik met mijn twee beste vrienden kibbelen, maar jullie met je beiden hebt me mijn mooiste werk leeren haten en ik zal het vernietigen. Wat is het anders dan een doek met wat kleuren? Ik wil niet, dat het iets leelijks wordt in onze drie levens. Dorian Gray hief zich op uit de kussens; met een bleek gezicht met betraande oogen zag hij naar Basil: hij ging naar de schildertafel voor het hooge raam. Wat deed hij daar? Zijne vingers rommelden tusschen tinnen tubes en droge penseelen, als zochten zij iets. Ja, zij zochten het lange schildersmes met het dunne lemmet van fijn staal. Eindelijk vond hij het. Hij zoû het doek doorrijten ... Met een onderdrukten snik sprong de jongen van de bank, vloog op Hallward toe, wrong hem het mes uit de hand en slingerde het in een hoek van het atelier. --Niet doen, Basil, niet doen! kreet hij, het zoû een moord zijn!! --Ik ben blij, dat je eindelijk mijn werk op éénige waarde stelt, Dorian, zei de schilder, koelweg. Ik dacht niet, dat je dat nog doen zoû. --Op waarde stellen? Maar ik ben er verliefd op, Basil. Het is een deel van mijzelven. Dat voel ik. --Nu ... zoodra je droog bent, zal ik je laten vernissen, encadreeren en thuis zenden. Dan kan je met je eigen doen wat je wilt. En hij ging naar een hoek van de kamer om voor de thee te bellen. --Jij drinkt natuurlijk thee, Dorian, niet waar? En jij Harry? Of heb je een diepe minachting voor zoo een onschuldig genot? --Ik hoû heel veel van onschuldige genoegens. Maar ik hoû niet van scènes, behalve op het tooneel natuurlijk. Wat een dwaze kerels zijn jullie toch allebei! Wie heeft ook weêr gezegd, dat een mensch een beredeneerd dier was! Het is het voorbarigst oordeel, dat ik ooit gehoord heb. Een mensch is een heele boel, maar beredeneerd; alles behalve! Eigenlijk, ben ik er blij om, maar ik woû, dat jullie nu nooit meer kibbelden over dat portret. Je moest het mij maar geven, Basil. Het kan dien flauwen jongen eigenlijk niets schelen, en mij wel. --Als je het aan iemand anders geeft dan aan mij, Basil, vergeef ik het je nooit! riep Dorian Gray, en ik geef niemand permissie mij een flauwen jongen te noemen. --Je weet, dat het portret van jou is, Dorian. Ik gaf het je, nog vóór het bestond. --En u weet heel goed, dat u een heel klein beetje flauw geweest is, en dat u het eigenlijk ook zoo heel naar niet vind er aan herinnerd te worden, dat u nog zeer jong is. --Ik zoû het van morgen wel degelijk heel naar gevonden hebben, Lord Henry. --O van morgen! U heeft "geleefd" na dien tijd ... Een klop op de deur en de butler kwam binnen met een beladen theeblad; hij zette het neêr op een Japansch tafeltje. Daar was een gerinkel van kopjes en schoteltjes en het sissen van een geribden zilveren ketel. Twee porceleinen schalen werden door een knechtje binnen gebracht. Dorian Gray ging naar het tafeltje en schonk thee. --Laat ons van avond naar de komedie gaan, zei Lord Henry. Daar zal ergens wel wat moois gegeven worden. Ik heb wel een afspraak om in White te komen dineeren, maar het is een oud vriend; ik kan hem dus wel telegrafeeren, dat ik ziek ben, of dat ik verhinderd ben te komen door een latere afspraak. Mij dunkt, dat is nogal een aardig succes; het zoû de verrassing van openhartigheid hebben. --Het is zoo vervelend je in een rok te steken, mompelde Hallward. En als je hem eens aan hebt, ben je afschuwelijk. --Ja, antwoordde Lord Henry; ons toilet van de 19de eeuw is heel leelijk. Het is zoo somber, zoo saai. Zonde, dat is eigenlijk het éénige wat een kleurtje geeft aan het moderne leven. --Je moet werkelijk zulke dingen niet zeggen, als Dorian er bij is, Harry! --Welke Dorian? Die daar voor ons thee schenkt of die van het portret? --Voor geen van beiden. --Ik zoû wel met u naar de opera willen gaan, Lord Henry, zei de jongen. --Dat is heel goed: jij gaat toch ook meê, Basil? --Neen, ik kan niet, waarlijk liever niet. Ik heb nog een boel te doen. --Nu, dan zullen wij samen gaan, Mr. Gray. --Dat vind ik heel prettig. De schilder beet zich op de lippen en ging met zijn kopje in de hand voor de schilderij staan. --Ik zal bij den waren Dorian blijven, sprak hij weemoedig. --Is dat de ware Dorian? vroeg het origineel bij hem komend. Lijk ik daar heusch op? --Ja precies. --Hoe wreed, Basil! --Ten minste uiterlijk. Maar dàt zal nooit veranderen! zuchtte Hallward. Dat is tenminste iets. --Wat een drukte maken de menschen toch over trouw! riep Lord Henry uit. Lieve hemel! zelfs in de liefde is het niets dan een fyziologisch verschijnsel. Het heeft niets met onzen wil te maken. Jonge lui willen trouw zijn, maar blijven het niet; oude lui willen ontrouw zijn, maar kunnen niet; dat is alles wat je er van zeggen kan. --Ga van avond niet naar de opera, Dorian! zei Hallward. Blijf bij mij dineeren. --Ik kan niet, Basil. --Waarom niet? --Omdat ik Lord Henry Wotton beloofd heb met hem meê te gaan. --Hij zal niets meer van je houden, omdat jij je belofte trouw bent. Hij verbreekt altijd de zijne. Ik verzoek je niet te gaan. Dorian Gray lachte en schudde het hoofd. --Ik smeek je. De jongen aarzelde en zag naar Lord Henry, die hen met een glimlach vol vermaak opnam. --Ik moet heusch gaan, Basil, antwoordde hij. --Heel goed, zei Hallward, en hij zette zijn kopje op het blad neêr. Het is al laat en daar je je nog kleeden moet, mag je wel gaan. Dag Harry. Dag Dorian. Kom weêr eens gauw bij mij. Kom morgen. --Goed. --Zal je het niet vergeten? --Neen, natuurlijk niet! riep Dorian. --En ... Harry! --Ja, Basil. --Denk aan hetgeen ik je vroeg, vanmorgen, in den tuin. --Ik ben het vergeten. --Ik vertrouw op je. --Ik woû, dat ik mezelven kon vertrouwen, lachte Lord Henry. Kom, Mr. Gray, mijn coureuse is voor en ik kan u even thuis afzetten. Adieu Basil. Ik heb een interessanten middag gehad. Terwijl de deur achter hen dicht sloeg, wierp de schilder zich op zijn bank; een trek van smart kwam over zijn gelaat. III. Den volgenden morgen, om half een, wandelde Lord Henry Wotton van Curzonstreet naar Albany om zijn oom op te zoeken, Lord Fermor, een joviale, wel wat ruwe oude vrijer: de wereld noemde hem egoïst, omdat zij geen voordeel van hem trok, maar onder zijne kennissen had hij den naam vrijgevig te zijn, omdat hij de menschen, die hem amuzeerden, te eten gaf. Zijn vader was onze ambassadeur in Madrid geweest, toen Isabella nog jong was en er aan Prim niet gedacht werd, maar hij had zich uit de diplomatie teruggetrokken in een haastig oogenblik van ontevredenheid, omdat men hem de ambassade te Parijs niet had aangeboden, een post, waarop hij alleen aanspraak meende te hebben, op grond van: zijne geboorte, zijne indolentie, het goede Engelsch van zijne telegrammen, en zijn dolle passie voor genot. De zoon, die de secretaris van zijn vader was geweest, had tegelijkertijd zijn ontslag ingediend, dat wel wat dwaas werd gevonden, en toen hij eenige maanden later den titel van hem erfde, had hij zich gewijd aan een ernstige studie van de groote aristocratische kunst, om absoluut _niets_ te doen. Hij had twee groote huizen in de stad, maar gaf er de voorkeur aan op kamers te wonen, omdat dit minder last gaf; hij at meestal in zijn club. Hij bemoeide zich een beetje met de exploitatie zijner kolenmijnen in het Graafschap Midland en waschte zich schoon van de smet dezer industrie met de bewering, dat het eenige voordeel van het bezit van kolen was, dat men met fatsoen hout kon branden in zijn eigen huis. In de politiek was hij een Tory, behalve wanneer de Tories de bovenhand hadden, want dan maakte hij ze kalm uit voor een hoop Radicalen. Hij was een held voor zijn knecht, die hem op den kop zat, en een schrik voor de meeste zijner familieleden, die hij weêr op zijn beurt op den kop zat. Alleen Engeland kon hem hebben voortgebracht, en toch, hij beweerde altijd, dat Engeland op de flesch ging. Zijne principes waren van voor den zondvloed, maar er was veel te zeggen voor zijn vooroordeelen. Toen Lord Henry de kamer binnen kwam, vond hij zijn oom, in een dik jachtbuis, met een cigarette, brommende over de Times. --Zoo Harry, sprak de oude heer, wat kom jij zoo vroeg doen? Ik dacht, dat jullie dandies nooit opstonden vóór tweeën en niet zichtbaar waren vóór vijven. --Pure familie-affectie, dat verzeker ik u, oom George. Ik moet wat van u hebben. --Geld natuurlijk, zei Lord Fermor met een leelijk gezicht. Nu, ga zitten en vertel de kwestie. Tegenwoordige jongelui denken, dat geld alles is. --Ja, antwoordde Lord Henry, de bloem in zijn knoopsgat wat vaster zettend; en als ze ouder worden, dan weten ze het zeker. Maar ik kom niet om geld. Alleen menschen, die hun rekeningen betalen, hebben dat noodig. Krediet is het kapitaal van een jongeren zoon en je leeft er heel goed van. Buitendien ben ik altijd bij de leveranciers van Dartmoor en die laten me met rust. Wat ik noodig heb is informatie: geen nuttige natuurlijk, informatie zonder nut. --Nu, ik kan je alles vertellen wat er staat in een Engelsch Blue-Book, hoewel de lui tegenwoordig een hoop nonsens schrijven. Toen ik bij de diplomatie was, was het veel beter. Maar ik hoor, dat ze ze tegenwoordig examens laten doen. Wat kan je daar dan ook van verwachten. Examens, meneer, zijn niets dan humbug van het begin tot het eind. Is iemand een heer, dan weet hij meer dan genoeg, en is hij het niet, dan is alles wat hij ook weet of kent, slecht voor hem. --Mr. Dorian Gray behoort niet tot de Blue-Books, oom George? vroeg Lord Henry kwijnend. --Mr. Dorian Gray? Wie is dat? vroeg Lord Fermor, zijn zware witte wenkbrauwen fronsend. --Dat kom ik juist van u hooren, oom George, of liever, ik weet wie hij is. Hij is de kleinzoon van den laatsten Lord Kelso. Zijn moeder was een Devereux. Lady Margaret Devereux. Ik woû, dat u me wat van zijn moeder vertelde. Wat was ze voor een vrouw. Met wien is zij getrouwd? U heeft iedereen uit uw tijd gekend, dus haar zeker ook wel. Ik ben nogal geïnteresseerd in Mr. Gray voor het oogenblik. Ik heb hem pas ontmoet. --Een kleinzoon van Kelso, herhaalde de oude heer. Een kleinzoon van Kelso!... Natuurlijk ... Ik heb zijn moeder heel goed gekend. Ik geloof, dat ik bij haar doop was. Zij was een pracht van een meid, Margaret Devereux, en zij heeft alle mannen dol gemaakt door weg te loopen met een jongen zonder een cent, meneer, een onderofficier bij de infanterie of zoo iemand. Wel ja, ik herinner me de heele geschiedenis, alsof het gisteren gebeurd was. De arme kerel werd een paar maanden na zijn huwelijk te Spa in een duel doodgeschoten. Dat was een leelijke historie. Ze zeggen, dat Kelso een gemeenen avonturier, een Belgischen schurk, heeft opgedragen zijn schoonzoon in het publiek te beleedigen--en hem ervoor betaald heeft, meneer, betaald heeft om het te doen; dat de kerel hem moest doorsteken alsof hij een hond was. De zaak is toen gesust geworden, maar, voor den donder, Kelso heeft een heelen tijd in de club alleen kunnen eten. Hij heeft zijn dochter weêr in huis genomen, heb ik gehoord, maar ze heeft nooit meer tegen hem gesproken. Ja, ja, het was een leelijke boel. En het meisje is ook gestorven binnen het jaar. En ze heeft dus een zoon nagelaten? Zoo, dat was ik vergeten. Wat is hij voor een jongen? Als hij op zijn moeder lijkt, is hij een knappe vent. --Hij ziet er heel goed uit, bevestigde Lord Henry. --Ik hoop, dat hij in goede handen valt, ging de oude man voort. Hij moest een hoop geld te wachten hebben, als Kelso voor hem gedaan heeft wat recht was. Zijn moeder had ook geld. Al het fortuin van de Selby's kwam ook aan haar, door haar grootvader. Haar grootvader had een haat aan Kelso, vond hem een gemeenen kerel. Nou, dat was hij ook. Is te Madrid geweest, toen ik er was. Waarachtig, ik schaamde me voor hem. De koningin vroeg me altijd naar dien Engelschman, die altijd standjes had met de koetsiers over hun fooien. Ze hadden er een heele legende van gemaakt. Ik heb me een maand lang niet aan het Hof durven vertoonen. Ik hoop, dat hij zijn kleinzoon beter behandelde? --Dat weet ik niet, antwoordde Lord Henry. Ik geloof, dat hij er goed in zit. Hij is nog niet meerderjarig. Hij heet Selby, dat weet ik. Dat vertelde hij mij. En ... was zijn moeder zoo mooi? --Margaret was een van de mooiste vrouwen, die ik ooit gezien heb, Harry. Wat haar ooit bezield heeft zoo iets te doen, begrijp ik nog niet. Zij kon iedereen gehad hebben, die zij woû. Carlington was gek op haar. Maar, ze was zoo romantisch uitgevallen. Trouwens, dat waren al de vrouwen uit die familie. De mannen waren niet veel bizonders, maar de vrouwen waren prachtig. Carlington is voor haar op zijn knieën geweest. Hij heeft het me zelf verteld. Ze lachte hem uit, en daar was geen meisje in Londen, dat niet op hem vlaste. A propos, Harry, over malle huwelijken gesproken, wat is dat toch voor een praatje van je vader, dat Dartmoor met een Amerikaansch meisje wil trouwen. Zijn de Engelsche meisjes niet goed genoeg voor hem? --Het is mode tegenwoordig Amerikaansche meisjes te trouwen, oom George. --Ik hoû het op de Engelsche vrouwen, Harry, donderde Lord Fermor en sloeg met de vuist op de tafel. --De Amerikaansche zijn toch het meest gewild. --Ze houden niet lang vol, hoor ik, mompelde zijn oom. --Een lang engagement sloopt ze wel af, maar in een steeplechase zijn ze van staal. Ze doen de dingen vliegend. Ik geloof niet, dat Dartmoor er nog af zal kunnen. --Ziet ze er aardig uit? --Ze doet of ze heel mooi is. Dat doen de meeste Amerikaansche vrouwen. Het is het geheim van haar charme. --Waarom kunnen die Amerikaansche vrouwen niet in hun eigen land blijven? Ze zeggen altijd, dat het daar het Paradijs voor vrouwen is. --Dat is zoo. Maar dat is ook de reden, waarom ze, evenals Eva, er zoo vreeselijk graag uit willen, zei Lord Henry. Adieu, oom. Ik kom te laat voor de lunch als ik langer blijf. Dank voor de inlichtingen. Ik weet graag _alles_ van mijn nieuwe vrienden, en liefst niets van mijn oude. --Waar ga je lunchen, Harry? --Bij tante Agatha. Ik heb er mezelven geïnviteerd, met Mr. Gray. Hij is haar laatste protégé. --Hm, zeg aan je tante Agatha, Harry, dat ze me niet meer komt zaniken met haar weldadigheidsinschrijvingen. Ik ben er wee van. Wel, het goede mensch denkt, dat ik niets te doen heb dan wissels in te vullen voor haar bevliegingen. --All right, oom, ik zal het haar zeggen, maar het zal niet geven. Filanthropische menschen verliezen alle idee van menschelijkheid. Dat is hun grootste karaktertrek. De oude heer bromde goedkeurend en belde voor de knecht. Lord Henry kwam door den lagen portiek in Burlingtonstreet en richtte zijne schreden naar Berkely Square. Dat was dus de geschiedenis van Dorian Gray's afkomst. Rondweg verteld, had ze hem toch getroffen door den vreemden, bijna modernen roman, die er achter school. Een mooie vrouw, alles opofferend voor een dolle passie. Een paar weken van hartstochtelijk geluk, onderbroken door een lage, verraderlijke misdaad. Maanden van stomme smart, een kind in verdriet geboren. De moeder, door den dood weggerukt; de jongen, overgelaten aan de eenzaamheid en de tirannie van een ouden man zonder hart. Ja, het was een artistieke achtergrond. De jongen kwam er goed tegen uit; het volmaakte hem. Achter ieder mooi ding schuilt iets tragisch ... Hoe bekoorlijk was hij geweest, den vorigen avond aan het diner, toen hij met verschrikte oogen en half geopende lippen in een genot vol huivering tegenover hem had gezeten in de club, waar de roode kaarsschermpjes de ontwakende verwondering op zijn gelaat nog warmer purperden! Tot hem te spreken was als het spelen op een fijnbesnaarde viool. Hij trilde bij iedere aanraking, iedere streek van den stok ... Er was iets schrikkelijk bezielends in het uitoefenen van invloed. Geene andere bezigheid was aan die gelijk ... O, men kon van hem een wereldveroveraar of een stuk speelgoed maken. Hoe jammer, dat zoo iets moois vergaan moest ... En Basil, hoe interessant was die niet, uit een psychologisch oogpunt beschouwd. Een nieuwe manier in zijn kunst, een frissche blik op het leven, hem zoo vreemd ingegeven door het fyzieke bijzijn van iemand, die zich zijne eigene bekoring zoo geheel onbewust was. ...Ja, hij zoû probeeren te zijn voor Dorian Gray, wat de jongen, zonder het te weten, was voor den schilder, die dat portret gemaakt had. Hij zoû trachten hem te beheerschen, hij was inderdaad al goed op weg. Hij zoû die vreemde ziel tot zijn eigendom maken. Daar was iets boeiends in dat kind van Dood en Liefde. Eensklaps stond hij stil, en zag op naar de gevels. Hij bemerkte, dat hij het huis zijner tante voorbij was, en, lachend over zichzelven, keerde hij terug. Toen hij de, ietwat donkere gang binnenkwam, zeide de butler hem, dat men reeds aan tafel was. Hij gaf een van de knechts hoed en stok en ging in de eetzaal. IV. Een maand later. Dorian Gray lag in een fauteuil in de bibliotheek van Lord Henry's huis in Mayfair. Lord Henry was er zelve nog niet. Hij was laat uit principe; zijn principe was, dat stiptheid de dief van den tijd is. De jongen zag er wat gemelijk uit, terwijl hij met lustelooze vingers bladerde in een prachtexemplaar van Manon Lescaut, dat hij op een der boekenplanken had gevonden. Het deftige, eentonige getik van de Louis XIV klok verveelde hem. Een paar malen had hij reeds weg willen gaan. Eindelijk hoorde hij buiten een stap en de deur ging open. --Wat ben je laat, Harry, sprak hij zacht. --Ik vrees, dat het Harry niet is, Mr. Gray, antwoordde een hooge stem. Hij wendde zich om, stond op. --O pardon, ik dacht ... --U dacht, dat het mijn man was. Het is maar zijn vrouw. Ik zal mijzelve maar voorstellen. Ik ken u heel goed door uw portretten. Ik geloof, dat mijn man er zeventien van heeft. --Zeventien, Lady Henry? --Nu, achttien dan. En ik zag u laatst met hem in de opera. Zij lachte zenuwachtig, terwijl zij sprak en hem opnam met haar vage vergeet-me-niet-blauwe oogen. Zij was eene vreemde vrouw; haar toiletten schenen in een warrelwind ontworpen en in een stormwind aangedaan te zijn. Zij was gewoonlijk verliefd op iemand en daar hare passies nooit beantwoord werden, had zij al hare illuzies behouden. Zij deed haar best er schilderachtig uit te zien, maar bracht het niet verder dan slordigheid. Zij heette Victoria en had een manie van naar de kerk te gaan. --Dat was met Lohengrin, Lady Henry, geloof ik. --Ja, het was met dien heerlijken Lohengrin. Ik hoû het allermeest van Wagners muziek. Die klinkt zoo hard, dat je altijd door kan spreken, zonder dat iemand het hoort, vindt u niet, Mr. Gray? Hetzelfde zenuwachtige staccato-lachje kwam weêr over hare dunne lippen en hare vingers speelden met een lang schildpadden vouwbeen. Dorian glimlachte en schudde het hoofd. --Ik vrees, dat ik het niet met u eens zal zijn, Lady Henry. Ik spreek nooit onder muziek, tenminste onder goede muziek. Wanneer men slechte muziek hoort, is het niet meer dan zijn plicht die te overpraten. --O dat is iets van Harry, nietwaar Mr. Gray? Ik hoor altijd Harry's ideeën door zijn vrienden. Dat is voor mij de eenige manier ze te hooren. Maar u moet niet denken, dat ik niet van goede muziek hoû. Ik ben er dol op, maar ik ben er bang voor. Het windt me te veel op! Ik heb pianisten aangebeden, soms twee te gelijk, beweert Henry. Ik weet niet wat ze voor charme voor me hebben. Misschien is het omdat ze vreemdelingen zijn. Dat zijn ze toch allemaal, niet waar? Zelfs zij, die in Engeland geboren zijn, worden vreemdeling na een poosje, niet waar? Het is erg knap van hen, een heel compliment aan de kunst. Het wordt daardoor ook heel cosmopolitisch, vindt u niet? U is nooit op een van mijn soirées geweest, niet waar Mr. Gray. Maar u moet bepaald eens komen. Orchideeën zijn me te duur, maar ik spaar geen moeite om vreemdelingen te hebben. Zij stoffeeren een salon zoo aardig. Maar hier is Harry. Harry, ik kwam hier om je wat te vragen, ik ben het nu vergeten, en ik vond Mr. Gray. Wij hebben heel prettig samen gesproken over muziek. Wij hebben zoo precies dezelfde ideeën. O neen, toch niet, zij waren juist zeer uiteenloopend. Maar hij is heel aardig geweest. Ik ben blij hem ontmoet te hebben. --Dat doet me pleizier, lieve, zeer veel pleizier, zei Lord Henry, de sikkels zijner donkere wenkbrauwen optrekkend en beiden aanziende met een glimlach van-voor-den-gek-houden ... --Het spijt me, dat ik zoo laat ben, Dorian. Ik was uitgegaan op een stuk oud brokaat in Wardour Street en ik moest wel een uur bieden en loven. Tegenwoordig weet iedereen den prijs van alles en niemand de waarde van iets. --Maar ik moet nu weg, riep Lady Henry, een benauwende stilte verbrekend, met haar kinderachtig lachje. Ik heb beloofd met de Hertogin te gaan rijden. Goeden dag, Mr. Gray. Adieu Harry. Je gaat zeker uit dineeren, niet waar? Ik ook. Misschien zie ik je nog wel bij Lady Thornburg. --Dat kan wel, zei Lord Henry, de deur achter haar sluitend, terwijl zij de kamer uitzweefde, met iets van een paradijsvogel, die een nacht in den regen heeft gestaan, een geur van frangipani achter zich latend. Toen stak hij een cigarette op en wierp zich neêr op de bank. --Trouw nooit een vrouw met geel haar, Dorian, zei hij, na een paar trekken. --Waarom? --Omdat ze zoo sentimenteel zijn. --Maar ik hoû wel van sentimenteele menschen. --Trouw nooit, Dorian. Mannen trouwen uit moêheid en vrouwen uit nieuwsgierigheid; beiden worden teleurgesteld. --Ik geloof niet, dat ik ooit trouwen zal, Harry. Ik ben veel te verliefd. Dat is een van je aforismen. Ik breng ze nu in praktijk, zooals alles wat jij zegt. --En wie is de gelukkige? vroeg Lord Henry na een pauze. --Een actrice, zei Dorian Gray met een kleur. Lord Henry haalde de schouders op. --Nog al een banaal debuut. --Als je haar zag, zoû je dat niet zeggen, Harry. --Wie is ze? --Ze heet Sybil Vane. --Nooit gehoord. --Neen, niemand heeft van haar gehoord. Maar eens zal ze beroemd worden, want ze is een genie. --Beste jongen, geen vrouw is ooit een genie. Vrouwen zijn het decoratieve geslacht. Ze hebben nooit veel bizonders te vertellen, maar wàt ze zeggen, zeggen ze aardig. --Harry! --Beste Dorian, het is de zuivere waarheid. Ik bestudeer op het oogenblik de vrouwen. Ik moet het dus wel weten. Ik ben tot de slotsom gekomen, dat er maar twee soorten van vrouwen zijn: leelijke en geverfde. Leelijke vrouwen zijn heel nuttig. Als je een reputatie van soliditeit wilt maken, heb je er maar een aan het souper te brengen. De andere vrouwen zijn allerliefst, maar ze hebben één fout. Ze verven zich om er jong uit te zien. Onze grootmoeders verfden zich om een brillante conversatie te hebben. Vroeger gingen rouge en esprit samen. Dat is nu voorbij. Zoolang een vrouw er tien jaar jonger uitziet dan haar dochter, is ze volmaakt tevreden. Maar wat de conversatie betreft, zijn er in heel Londen maar vijf vrouwen, waar je meê praten kan, en twee ervan kan je niet in fatsoenlijk gezelschap brengen. Maar vertel jij nu over je genie. Hoe lang ken je haar? --O Harry, je maakt me bang. --Kom! Trek het je maar niet aan. Hoe lang ken je haar? --Drie weken. --En waar heb je haar ontmoet? --Dat zal ik je vertellen, Harry, maar je moet er niet om lachen. Want eigenlijk zoû het ook nooit gebeurd zijn, als ik jou niet ontmoet had. Je hebt me een dol verlangen gegeven om alles van het leven te kennen. Dagen nadat ik je ontmoet had, scheen een vuur in mij te gloeien. In de lucht om mij heen scheen een exquis vergift te hangen. Ik had een passie voor sensaties ... Wel, op een avond, om een uur of zeven, ging ik op avonuren uit. Ik voelde, dat ons grijs, wijd Londen met zijn duizenden menschen, en zijn schitterende zonden, zooals je het eens noemde, iets voor mij in petto had. Ik dacht me duizend dingen. Het gevaar alleen al gaf me een gevoel van heerlijkheid. Ik herinnerde mij wat je den eersten wonderen avond, toen wij samen dineerden, gezegd had: omtrent het zoeken naar schoonheid als naar het werkelijke geheim van het leven. Ik weet niet wat ik verwachtte, maar ik ging uit en dwaalde naar East End, waar ik gauw mijn weg verloor in een labyrinth van vuile straatjes, en donkere dorre pleinen. Om een uur of half negen kwam ik voorbij een bespottelijk klein theater, met groote flikkerende gaslichten en bonte affiches. Een afschuwelijke jood in den vreemdsten rok, dien ik ooit zag, stond in de entrée met een gemeene sigaar in den mond. Hij had vettige lokken, en een kolossale diamant schitterde in het midden van zijn vuil hemd. --Een loge, meneer? riep hij, toen hij mij zag en hij nam zijn hoed af met een vertoon van pompeuze nederigheid. Er was iets in hem, Harry, dat mij amuzeerde. Hij was zoo leelijk. Je zal mij uitlachen, denk ik, maar ik ging er in en betaalde niet minder dan een pond voor de loge. Tot op het huidige oogenblik weet ik niet, waarom ik zoo deed, en toch, als ik het niet gedaan had, mijn beste Harry, zoû ik den interessantsten roman van mijn leven gemist hebben.--Ik zie wel, dat je me uitlacht. Het is niet aardig van je. --Ik lach volstrekt niet, Dorian, tenminste niet om jou. Maar je moet niet zeggen: de interessantste roman van je leven; je moet zeggen: de eerste roman van je leven. Ze zullen altijd van je houden en jij zal altijd verliefd zijn, om verliefd te zijn. Een grande passion is het privilege van menschen, die niets te doen hebben. Dat is de eenige bezigheid voor werkeloozen. Wees niet bang, daar is nog een heele boel moois voor je weggelegd. Dit is alleen het begin. --Denk je, dat ik zoo klein voel? riep Dorian boos. --Neen, ik geloof juist, dat je diep voelt. --Hoe meen je dat? --Beste jongen, menschen die maar ééns in hun leven liefhebben, zijn in werkelijkheid klein voelend. Wat zij hun loyaliteit en hun getrouwheid noemen, noem ik óf luiheid van gewoonte of gemis aan verbeelding. Getrouwheid is voor het gevoelsleven, wat conservatisme is voor het verstandsleven; niets dan de bekentenis van onmacht. Trouw, dat moet ik toch eens analyzeeren ... De passie voor het bezit is er in. Er zijn veel dingen, die we zouden weggooien als we niet bang waren, dat anderen ze zouden oprapen. Maar laat me je niet storen, ga voort met je verhaal. --Nu, daar zat ik dan in een klein leelijk logetje met een gemeen gordijn voor mij. Ik zag van achteren het gordijntje uit en keek door de zaal. Het was een kling-klang-boel, niets dan engeltjes en horens van overvloed, als een bruiloftskaart van de derde soort. De galerij en de pit waren zoo goed als vol, maar de twee rijen vuile stalles waren heelemaal leêg, en er was nauwlijks iemand in wat de dresscircle moest verbeelden. Vrouwen gingen rond met china's-appelen en gemberbier en door de geheele zaal werden noten geknabbeld. --Het moet iets geweest zijn als in de gulden dagen van het Britsche drama. --Ja zoo iets dergelijks, denk ik, en zeer beklemmend. Ik begon me af te vragen, wat ik in godsnaam doen zoû, toen ik het affiche zag. Wat denk je, dat ze gaven, Harry? --De idioten jongen, of Stom maar onschuldig. Onze voorvaders hielden van dat stuk, geloof ik. Hoe langer ik leef, Dorian, hoe duidelijker ik voel, dat wat genoeg was voor onze voorvaders, niet goed genoeg is voor ons. Zoowel in kunst als in politiek: les grands-pères ont toujours tort. --Dit stuk was ook voor ons goed genoeg, Harry. Het was Romeo and Juliet. Ik moet bekennen, dat het mij hinderde Shakespeare te zien spelen in zoo een plaats. Maar ik was toch benieuwd. Ik besloot in ieder geval op de eerste acte te wachten. Er was een afschuwelijk orkest, gedirigeerd door een jongen jood, die voor een rammelkast van een piano zat, en dat joeg mij bijna weg. Maar eindelijk ging het gordijn op en begonnen ze te spelen. Romeo was een dikke oude meneer, met gekurkte wenkbrauwen, een schone drakenstem en een figuur als een bierton. Mercutio was bijna even slecht. Hij werd gespeeld door den bas-comique, die moppen van zijn eigen er in laschte en op den besten voet was met de pit. Zij waren beiden zoo grotesk als de decoraties en die waren als uit een kermistent. Maar Julia, Harry! Stel je voor een meisje, nauwlijks zeventien, een klein gezichtje als een bloem, een klein Grieksch hoofdje met donkerbruine vlechten, violette oogen als bronnen van passie! en een mondje als een roos. Ze was het liefste ding, dat ik ooit in mijn leven gezien had. Je hebt me eens gezegd, dat pathos je ongevoelig liet, maar dat schoonheid, niets dan schoonheid, je tot tranen kon roeren. Nu Harry, ik kan je zeggen, dat ik dit kind nauwlijks kon zien door den nevel, dien ik voor mijn oogen had. En haar stem--ik heb nooit zoo een stem gehoord. Zij klonk eerst heel zacht met diepe volle tonen, die je ieder apart scheen te hooren. Toen klonk zij wat harder en het werd als een fluit of een hobo, in de verte. In de tuin-scène hoorde je de trillende extaze van nachtegalen, als zij 's morgens heel vroeg zingen. Later waren er momenten, dat je de wilde passie van violen in heur stem hoorde. Je weet zelf hoe een stem je aan kan doen. Jouw stem en die van Sibyl Vane zijn twee dingen, die ik nooit zal vergeten. Als ik mijn oogen sluit, hoor ik ze, en ze zeggen ieder iets verschillends. Ik weet niet welke ik volgen moet. Waarom zoû ik niet van haar houden!--Harry, ik heb haar lief. Zij is alles voor mij.--Avond aan avond zie ik haar spelen.--Den eenen avond is zij Rosalind en den volgenden Imogen. Ik heb haar zien sterven in de somberte van een Italiaansch graf, terwijl zij het vergift opzoog van de lippen van haar geliefde. Ik heb haar zien dwalen door de bosschen van de Ardennen, verkleed als een aardige jongen, in een broek en buis, met een coquet petje op. Zij is krankzinnig geweest en ze is bij een schuldigen koning gekomen en zij heeft hem met berouw overstelpt en hem bittere kruiden laten proeven. Zij is onschuldig geweest en de zwarte handen van jaloezie hebben heur teeren hals omkneld. Ik heb haar gezien in iedere eeuw en in ieder kostuum. Gewone vrouwen werken niets op je verbeelding. Ze zijn begrensd door hun eeuw. Ze veranderen nooit door een toovermacht. Je kan ze ook altijd vinden. Daar is niets geheimzinnigs om haar heen. Zij rijden 's morgens in het Park en babbelen 's middags op tea's. Ze hebben stereotype glimlachjes en geleerde momentjes. Je kent ze door en door. Maar een actrice! Een actrice is heel wat anders. Harry, waarom heb je me nooit gezegd, dat de eenige vrouw van wie je houden kan een actrice is. --Ik ben er zelf op zooveel verliefd geweest, Dorian. --O ja, verschrikkelijke wezens met geverfd haar en geverfde gezichten. --Vaar nu niet uit tegen geverfd haar en geverfde gezichten. Zij hebben soms heel veel charme, zei Lord Henry. --Ik woû, dat ik je niet verteld had van Sybil Vane. --Dat kon je toch niet nalaten, Dorian. Je heele leven zal je me alles vertellen wat je doet. --Ja Harry, dat geloof ik ook. Ik mòet je alles vertellen. Je hebt zulk een vreemden invloed op me. Als ik ooit een misdaad deed, zoû ik dat jou bekennen. Jij zoû me begrijpen. --Menschen zooals jij, de zonnestralen van het leven, begaan geen misdaden, Dorian. Maar ik dank je in ieder geval voor je compliment. En zeg me eens--geef me even de lucifers; dank je:--op welken voet sta je nu eigenlijk met Sybil Vane ... Dorian vloog op, gloeiende wangen, schitterende oogen. --Harry! Sybil Vane is heilig! --Alleen heilige dingen zijn ook de moeite van het aanraken waard, Dorian, zei Lord Henry, met een vreemden tint van weemoed in zijne stem. Maar waarom ben je daar boos om? Ze zal toch eens van jou zijn. Als men verliefd is, begint men zichzelven voor den gek te houden en eindigt anderen voor den gek te houden. Dat is wat de wereld een roman noemt. Maar je kent haar toch zeker? --O, natuurlijk. Den eersten keer, toen ik in dat theater was, kwam die afschuwelijke oude jood na afloop van de voorstelling bij me en offreerde me, mij achter de schermen te brengen en aan haar voor te stellen. Ik was woedend op hem en antwoordde, dat Juliet al eeuwen dood was en dat haar lijk in een marmeren graf in Verona lag. Ik geloof, te oordeelen naar zijn blik vol stomme verbazing, dat hij dacht, dat ik te veel champagne had gedronken. --Dat verwondert me niets. --Toen vroeg hij mij of ik voor een van de couranten schreef. Ik zei hem, dat ik er nooit één las. Toen scheen hij erg teleurgesteld en vertelde me, dat al de critici tegen hem samenspanden, en dat hij ze allen zoû moeten omkoopen. --Dat zoû me niets verwonderen. Maar aan den anderen kant geloof ik, dat ze niet heel duur zijn. --Nu, ze schenen hèm te duur te zijn, lachte Dorian. Maar in dien tusschentijd waren de lichten in de zaal uitgedraaid en ik moest weg. Hij woû mij een paar sigaren laten probeeren, die hij erg recommandeerde. Ik bedankte. Den volgenden dag was ik natuurlijk weêr op dezelfde plaats. Toen hij mij zag, boog hij heel diep en verzekerde me, dat ik een machtig beschermer van de kunst was. Hij was een brutale kerel, maar hij had een passie voor Shakespeare. Hij heeft me verteld, met een soort van trots, dat zijn vijf bankroeten het gevolg waren van zijne admiratie voor den "Bard", zooals hij hem noemde. Hij scheen dat een heele distinctie te vinden. --Het is een distinctie, mijn beste Dorian, een heele distinctie. De meesten gaan bankroet, omdat ze te veel hebben gezet op het proza van het leven. Je te ruïneeren door poëzie is een eer. Maar wanneer sprak je Miss Sybil Vane voor het eerst? --Den derden avond. Ze had Rosalind gespeeld. Ik kon niet nalaten achter de schermen te gaan. Ik had haar bloemen toegegooid, en zij had me aangezien: tenminste,--dat verbeeldde ik me. De oude jood drong weêr aan. Hij scheen besloten mij bij haar te brengen, ik gaf dus toe. Vindt je het niet curieus, dat ik in het geheel niet verlangde haar te kennen? --Neen, dat vind ik niet. --Maar Harry, waarom? --Dat zal ik je wel eens later vertellen. Nu woû ik graag alles van het meisje hooren. --Sybil? O ze was erg verlegen en heel lief. Ze heeft iets zeer kinderlijks. Haar oogen vergrootten zich in een zalige verwondering, toen ik haar zei wat ik van haar spel dacht, en ze scheen geheel onbewust van haar talent. Ik geloof, dat we beiden nogal zenuwachtig waren. De oude jood stond te grinniken in de deur van den muffen foyer en hield hoogdravende redeneeringen over ons beiden, terwijl wij als kinderen elkaâr stonden aan te zien. Hij hield vol mij altijd door "My Lord" te noemen, zoodat ik Sybil moest verzekeren, dat ik volstrekt geen aanspraak had op dien titel. Toen zei ze heel eenvoudig-weg: --U lijkt meer op een prins. Ik zal u Prins Charmant noemen. --Op mijn woord, Dorian, Miss Sybil kan goed complimentjes maken. --Je begrijpt haar niet, Harry. Ze beschouwde me als iemand uit een van haar stukken. Ze kent niets van het leven. Ze woont met haar moeder, een verlepte vrouw, die Lady Capulet speelde in een soort van magenta-rooden peignoir, en er uitziet of ze betere dagen gekend heeft. --O, dat ken ik. Zoo iets maakt me akelig, murmelde Lord Henry, naar zijne ringen turend. --De jood woû me haar geschiedenis vertellen, maar ik zei, dat het me niet schelen kon. --Je hadt groot gelijk. Daar is altijd ontzettend veel vulgaire in de tragedies van andere menschen. --Sybil is het eenige waar ik om geef. Wat kan het mij schelen! waar zij vandaan komt. Van haar hoofdje tot haar voetjes is zij volmaakt hemelsch. Iederen avond ga ik haar zien spelen en iederen avond is zij verrukkelijker. --O, is dat de reden, dat je tegenwoordig nooit meer met me dineert. Ik dacht, dat je iets heel interessants om handen had. Dat heb je nu ook wel, maar het is toch niet wat ik verwachtte. --Maar Harry, iederen dag lunchen en soupeeren we toch samen, en ik ben heel dikwijls naar de opera geweest met je, zei Dorian, met verwondering in zijn blauwe oogen. --Je bent altijd verschrikkelijk laat. --Maar ik moet Sybil gaan zien, riep hij, al is het dan ook één acte. Ik smacht naar haar tegenwoordigheid en als ik denk aan de wondere ziel, verborgen in dat kleine ivoren lichaam, voel ik een eerbiedige vrees in me. --Je kunt van avond toch wel met me dineeren, Dorian, niet waar? Hij schudde het hoofd. --Van avond is zij Imogen, antwoordde hij, en morgen Juliet. --Wanneer is zij Sybil Vane? --Nooit. --Ik feliciteer je. --Je bent afschuwelijk. In haar zijn al de heldinnen van de wereld vereenigd. Zij is meer dan één persoon. Je lacht, maar ik verzeker je, dat zij een genie is. Ik heb haar lief en ik moet maken, dat zij mij ook lief krijgt. Jij, die alle geheimen van het leven kent, zeg me hoe ik Sybil Vane daartoe moet betooveren. Ik wil Romeo jaloersch maken. Ik wil, dat al haar minnaars, die nu dood zijn, ons lachend geluk zullen hooren en er om treuren. Ik wil, dat de adem van onze passie hun stof zal opwekken en hun asch zal doen lijden. Groote God, Harry, ik aanbid haar. Terwijl hij sprak, liep hij de kamer op en neêr. Koortsig rood gloeide op zijne wangen. Hij was zeer opgewonden. Lord Henry volgde hem met een verfijnd genot. Hoezeer verschilde hij nu van den verlegen knaap, dien hij in het atelier van Basil Hallward ontmoet had. Zijne natuur had zich ontwikkeld als eene bloem en droeg bloesems als vurig purper. Zijne ziel was geslopen uit hare geheime schuilplaats, hartstocht tegemoet. --En wat denk je nu te doen? vroeg Lord Henry eindelijk. --Ik woû, dat jij en Basil eens met me meêgingt om haar te zien spelen. Ik ben niets bang voor den uitslag. Je zal dan zeker moeten bekennen, dat ze talent heeft. Dan moeten wij haar uit de handen van dien jood zien te krijgen. Zij is aan hem verbonden voor drie jaar, tenminste twee jaar en acht maanden. Ik zal hem natuurlijk wat moeten betalen. Als dat alles geregeld is, koop ik een West-End theater en lanceer haar. Zij zal het publiek stormenderhand innemen, zooals zij het mij gedaan heeft. --Dat is onmogelijk, mijn beste jongen. --Toch zal ze het doen. Ze heeft niet alleen kunst in zich, fijn instinct voor kunst, maar zij is een persoonlijkheid, en je hebt mij dikwijls gezegd, dat de wereld beheerscht wordt door personaliteiten, en niet door principes. --Nu, wanneer zullen we gaan? --Laat eens zien: vandaag is het Dinsdag. Laat ons het op morgen houden. Ze speelt Juliet morgen. --Goed. Om acht uur in de Bristol, en ik zal Basil meêtroonen. --Acht uur! Maar Harry, als je blieft niet. Half zeven. We moeten er zijn vóór het gordijn opgaat. Je moet haar zien in de eerste acte, als ze Romeo ontmoet. --Half zeven?... Wat een uur! Het zal iets zijn of je slappen bouillon drinkt of dat je een Engelsch romannetje leest. Laten we dan zeven uur zeggen. Welk fatsoenlijk mensch dineert nu vóór zeven? Zie je Basil nog vóór dien tijd, of zal ik hem schrijven? --Die goede Basil. Ik heb hem de geheele week nog niet gezien. Het is niets lief van me, want hij heeft me mijn portret gezonden in een prachtige lijst, door hemzelven ontworpen, en hoewel ik wel een beetje jaloersch ben van dat portret, dat een heele maand jonger is dan ik, moet ik bekennen, dat het mij toch aangenaam aandoet ... Misschien is het toch maar beter, dat jij hem schrijft. Ik zie hem liever niet alleen. Hij zegt dingen, die mij hinderen. Hij geeft me altijd goeden raad. Lord Henry glimlachte. --De menschen houden er van juist dat weg te geven, wat ze zelf het meest noodig hebben. Ik noem dat overmaat van edelmoedigheid. --O, Basil is een goede vent, maar voor mij heeft hij iets van een Filistijn. Sedert ik jou ken, Harry, heb ik dat uitgevonden. --Mijn beste jongen, Basil legt al het moois, dat hij heeft, in zijn werk. Bijgevolg blijft er niets over voor het leven dan zijn vooroordeelen, zijn principes en zijn verstand. De eenige artisten, die ik gekend heb met persoonlijke charmes, waren slechte artisten. Goede artisten bestaan alleen in hetgeen zij voortbrengen, en zijn dus bijgevolg alleronbeduidenst als mensch. Een groot dichter, een werkelijk groot dichter is het meest prozaïsche van alle schepsels. Maar mindere dichters zijn allercharmantst. Hoe slechter hun rijm is, hoe schilderachtiger, zij er zelf uitzien. Alleen het feit een boek uitgegeven te hebben met sonnetten van de tweede soort, maakt een man onweêrstaanbaar. Hij leeft de poëzie, die hij niet uiten kan; anderen uiten de poëzie, die zij niet tot werkelijkheid durven maken. --Zoû dat waarlijk zoo zijn, Harry? vroeg Dorian Gray. Het zal wel, als jij het zegt. Vergeet onze afspraak niet voor morgen. Adieu. Toen hij de kamer verliet, vielen Lord Henry's zware oogleden toe en begon hij te denken. Het was waar: weinig menschen hadden hem zoo geïnteresseerd als Dorian Gray en toch gevoelde hij niet de minste pijn van verongelijking of afgunst om de opgewonden aanbidding van den jongen voor een ander. Het deed hem zelfs pleizier. Het maakte de studie nog belangwekkender. Hij was altijd aangetrokken door de methode van natuurlijke historie; maar hare gewone onderwerpen vond hij triviaal en van weinig belang. Hij was dus begonnen zichzelven te ontleden, zooals hij nu eindigde met anderen te ontleden. Alleen het leven van de ziel scheen hem de moeite van uitpluizen waard. Daarbij kon niets vergeleken worden. Bij het bestudeeren van het leven, met zijn vreemd dooreengewarrel van smart en geluk, kon men zich het gelaat niet bedekken met een masker van glas, kon men niet beletten, dat mist kroop over de hersenen en de verbeelding troebel maakte met monsterideeën en wanschapen droomen. Er bestonden zulke subtiele vergiften, dat men ze, tot walgens toe, moest gebruiken, wilde men er de essence van weten. Er bestonden ziekten, zoo vreemd, dat men ze moest doorgemaakt hebben, wilde men hun karakter kennen. En toch, hoe groot de belooning! Hoe vreemd het geheele samenstel van de wereld! Welk een genot de vreemd-harde logica van het passieleven tegen het emotievolle kleurrijke leven van het verstand. Op te merken, waar ze elkaâr ontmoeten en waar ze zich scheiden, waar ze samen smelten en waarin zij verschil vormen! Wie vroeg naar den prijs? Men kon immers eene sensatie nooit te duur betalen. Hij was zich bewust--en de gedachte bracht glans van genoegen in zijne bruine agaten oogen: het was door woorden van hèm,--woorden van muziek met eene stem van muziek geuit,--dat Dorians ziel zich getrokken voelde tot die vrouw vol blanke reinheid en zich voor haar boog in aanbidding. De jongen was voor een groot gedeelte zijne eigen schepping. Hij had hem vroeg rijp gemaakt. Dat was reeds iets. Gewone menschen wachten tot het leven zijne geheimen aan hen openbaart, maar enkelen, den uitverkorenen, worden de mysteries van het leven geopenbaard, nog vóór de sluier is weggetrokken. Soms was dit het effect der kunst, en vooral van literatuur, die onmiddellijk werkt op passies en intellect. Maar nu en dan nam eene gecompliceerde persoonlijkheid de plaats in en deed het werk van de kunst, was in zijn genre een waar kunstvoorwerp, want het leven zelve ook heeft zijne elaborate meesterstukken, evenals poëzie, plastiek of schilderkunst. Ja, de jongen was vroeg rijp. Hij haalde zijn oogst al binnen, terwijl het nog lente was. Het leven en de hartstocht der jeugd sliepen nog in hem, maar hij werd zichzelven al bewust. Het was heerlijk hem gade te slaan. Met zijn mooi gezicht en zijne mooie ziel, was hij wel iets om te bewonderen. Het deed er niet toe hoe dit alles eindigen zoû, hoe het voorbestemd was te eindigen. Hij was als een van die gracieuze figuren in een marionettenspel of in eene feërie, wier genoegens ver van ons staan, maar wier smarten ons schoonheidsgevoel roeren, en wier wonden zijn als roode rozen.--Ziel en lichaam, lichaam en ziel, hoe mysterievol waren zij. Daar was dierlijkheid in de ziel en het lichaam had zijne oogenblikken van spiritualiteit. De zinnen konden zich verfijnen en het intellect kon verbeestelijken. Wie kon zeggen waar het impulsie van het vleesch eindigde, waar de impulsie van de ziel begon? Hoe kleingeestig waren de tegenstrijdige beschrijvingen van psychologen. En toch, hoe moeilijk was het te kiezen tusschen de verschillende richtingen. Was de ziel slechts eene schim, die spookte in een huis vol zonden? Of was het lichaam waarlijk eene verpersoonlijking van de ziel, zooals Giordano Bruno beweert. De scheiding van geest en materie was een geheim, evenals de eenwording van geest en materie een geheim was. Hij vroeg zich af of de psychologie ooit zoû opgevoerd worden tot zulk eene absolute wetenschap, dat zelfs de kleinste bron van het leven ons geopenbaard zoû worden. Zooals zij nu was, begrepen wij onszelven altijd verkeerd en anderen in het geheel niet. Ondervinding was van geene ethische waarde. Het was slechts een naam, die de menschen gaven aan hunne mistastingen. Zedemeesters beschouwden ze in den regel als eene waarschuwing, hechtten ethische waarde aan ze bij de vorming van karakters, prezen ze als iets, dat ons leerde, wat wij volgen, wàt ontwijken moesten, maar er was geene oorspronkelijke kracht in ondervinding. Ze was evenmin een middel tot handeling als het geweten. Het eenige, wat ze aanduidde, was: dat de toekomst gelijk zoû zijn aan het verleden en dat men de zonde, die men ééns gedaan had met afschuw, nog vele malen zoû doen met genot. Het was duidelijk, dat de proefondervindelijke methode de eenige was, waarmeê men tot eene wetenschappelijke analyze van passies kon komen, en zeker was Dorian Gray een prachtig sujet, dat een rijk en vruchtbaar resultaat beloofde. Zijne plotselinge opgewonden liefde voor Sybil Vane was een psychologisch verschijnsel van geen kleine beteekenis. Zonder twijfel was er veel nieuwsgierigheid bij in het spel; nieuwsgierigheid en de zucht naar nieuwe sensaties; toch was het geen eenvoudige maar eene zeer ingewikkelde passie. Wat er in school van zuiver zinnelijk instinct der jeugd was herschapen door de werking der verbeelding, veranderd in iets, dat den jongen zelven toescheen geheel belangeloos te zijn--en het was juist om die reden des te gevaarlijker.--Want het waren de hartstochten, in de origine waarvan wij ons bedrogen, die ons het zeerst overheerschten. Onze zwakste motieven waren die, welke wij ons bewust zijn. Het gebeurde dikwijls, dat, als wij dachten op anderen proeven te nemen, wij in werkelijkheid proeven namen op onszelve. Terwijl Lord Henry hierover zat te droomen, klonk een klop op de deur en de knecht kwam binnen om hem te herinneren, dat het tijd was zich voor het diner te kleeden. Hij stond op en zag op straat. De ondergaande zon had de bovenste ruiten van het huis tegenover gesmeed in vurig goud. De dakpannen glansden als platen gloeiend metaal. De lucht daarboven was als eene verwelkte roos. Hij dacht aan het jonge leven, vlammend rood, van zijn vriend, en vroeg zich af wat het einde zoû zijn ... Toen hij over half twaalf thuis kwam, lag een telegram op de tafel in de gang. Hij opende het en zag, dat het van Dorian Gray was. Hij meldde, dat hij geëngageerd was met Sybil Vane. V. --Moeder, moeder, ik ben zoo gelukkig, fluisterde het meisje, het gelaat verbergend in den schoot van de verlepte, afgetakelde vrouw, die, met haar rug gekeerd naar het schelle, binnen dringen de licht, zat in den lagen fauteuil van hun vuil morsig zitkamertje. --Ik ben zoo gelukkig, herhaalde zij; en nu moet u ook gelukkig zijn. Mrs. Vane ontstelde en legde hare magere bismuth-witte handen op het hoofd van haar dochter. --Gelukkig! riep zij; ik ben alleen gelukkig, Sybil, als ik jou zie spelen. Je moet aan niets denken dan aan het spelen. Mr. Isaacs is heel goed voor ons geweest en wij zijn hem geld schuldig. Het meisje zag op en trok een pruilend gezichtje. --Geld, moeder! riep ze; wat kan dat geld nu schelen! Liefde is toch meer dan geld? --Mr. Isaacs heeft ons vijftig pond voorgeschoten om onze schulden af te betalen en een uitzet voor James te koopen. Dat moet je niet vergeten, Sybil; Mr. Isaacs is heel goed voor ons geweest. --Hij is volstrekt geen heer, moeder, en ik haat zijn manier van tegen me te spreken, antwoordde het meisje, terwijl zij opstond en voor het raam ging kijken. --Ik weet niet hoe we zonder hem zouden kunnen doen, antwoordde de oude vrouw, tobberig. Sybil Vane schudde het hoofd en lachte. --Wij hebben hem niet meer noodig, moeder. Een tooverprins maakt nu ons leven voor ons! Toen hield zij stil. Gloed trilde in haar bloed en overschaduwde haar wang. Snelle ademhaling opende de bloembladen harer lippen. Zij trilden. Een zuidewind van passie woei als door haar heen, en beroerde de dunne plooien van haar kleed. --Ik heb hem lief! sprak ze eenvoudig. --Dwaas kind! Dwaas kind! was het papegaaien-antwoord.--Het schudden van kromgetrokken, met valsche juweelen versierde vingers, maakte de woorden nog grotesker. Het meisje lachte weêr. Het gejubel van een getralied vogeltje was in hare stem. Hare oogen namen de melodie in zich op, en juichten meê in hun geglans; toen sloten zij zich even als om hun geheim te verbergen. Toen zij zich openden was de nevel van een droom over ze heen gestreken. Dun gelipte wijsheid sprak tot haar uit den versleten stoel, maande tot voorzichtigheid, deed aanhalingen uit het boek van lafheid, waarvan de auteur schuilt onder den naam van gezond verstand. Zij luisterde niet. Zij gevoelde zich vrij in haar gevangenis van hartstocht. Haar prins, haar tooverprins was bij haar. Zij had Herinnering gelast hem op te roepen. Zij had haar ziel gezonden om hem te zoeken--en zij had hem teruggebracht. Zijn kus brandde weêr op haar mond. Haar oogleden waren warm van zijn adem. Toen veranderde wijsheid van methode en sprak van bespionneering en ontdekking. Die jonge man kon rijk zijn. Was dit het geval, dan moest er aan een huwelijk gedacht worden. Maar tegen haar fijne oorschelp braken de golven van wereldsche berekening. De listige pijlen wondden niet. Zij zag slechts de dunne lippen bewegen en glimlachte. Op eens voelde zij als moest zij spreken. Die woordenrijke stilte hinderde haar. --Moeder, moeder, waarom houdt hij zoo van me? Ik weet waarom ik van hem hoû. Ik heb hem lief omdat hij de liefde zelf is. Maar wat ziet hij in mij? Ik ben hem niet waard.--En toch,--waarom, kan ik niet zeggen--toch, hoewel ik me zoover beneden hem weet, voel ik mij niet nederig. Ik ben trotsch, verschrikkelijk trotsch. Moeder, had u mijn vader zoo lief als ik mijn tooverprins? De oude vrouw werd bleek onder het grove poeier, dat hare wangen besmeurde, en hare dorre lippen vertrokken met eene stuiptrekking van pijn. Sybil vloog op haar toe, sloeg de armen om haar heen, en kuste haar. --Vergeef mij, moeder. Ik weet, dat het u verdriet doet over onzen vader te spreken. Maar dat is ook alleen omdat u zooveel van hem hield. Kijk nu niet zoo treurig. Ik ben vandaag zoo gelukkig als u twintig jaar geleden was. O, laat me altijd zoo gelukkig zijn! --Mijn kind je bent nog veel te jong om er over te denken, van iemand te houden. Buitendien, wat weet je van dien jongen meneer? Je weet niet eens zijn naam. De heele zaak is erg lastig en waarlijk, nu James op het punt staat naar Australië te gaan en ik zooveel aan het hoofd heb, moet ik zeggen, dat je toch wel wat meer aan mij had kunnen denken. Maar zooals ik zei: als hij rijk is ... --O moeder, moeder laat mij gelukkig zijn! Mrs. Vane zag haar aan en met een van die gemaakte theatrale gebaren, die een acteur zoo dikwijls tot tweede natuur worden, sloot zij haar in de armen. Op dit oogenblik ging de deur open en een jongen met dik bruin haar kwam binnen. Zijn figuur was kort, stevig; zijn handen en voeten waren groot en onhandig van beweging. Hij was niet zoo fijn opgevoed als zijn zuster. Men kon nauwelijks aan die verwantschap tusschen hen gelooven. Mrs. Vane vestigde hare oogen op hem en verbreedde haar glimlach. Zij zag in haar zoon een groot publiek. Zij was overtuigd dat zij een tableau vormden. --Je kon wel wat van je zoenen voor mij overhouden, Sybil, zei de jongen, met een goedig gebrom. --O, maar je houdt er niets van omhelsd te worden, Jim, riep zij. Je bent een verschrikkelijke oude brompot. En zij vloog op hem toe om hem te omhelzen. Jim Vane keek zijn zuster in het gezicht vol teederheid. --Ik woû, dat je wat met me ging wandelen, Sybil. Ik denk niet, dat ik ooit dit nare Londen terug zal zien. En ik hoop het ook niet. --Mijn zoon, zeg niet zulke verschrikkelijke dingen, murmelde Mrs. Vane, terwijl zij een opgeschikt theatercostuum nam en met een zucht begon te verstellen. Zij was een weinig teleurgesteld, dat hij zich niet gevoegd had bij de groep. Het zoû de melodramatische schilderachtigheid er van verhoogd hebben. --Waarom niet? Ik meen het. --Je doet me verdriet, mijn jongen. Ik vertrouw, dat je uit Australië zult terugkeeren met een invloedrijke pozitie. Ik geloof, dat er in de kolonies geen goed gezelschap is, tenminste niet wat ik goed gezelschap noem; wanneer je dus je fortuin gemaakt hebt, moet je hier terugkeeren en je in Londen een naam maken. --Naam maken! mompelde de jongen. Daar moet ik niets van hebben. Ik zoû geld willen verdienen om u en Sybil van het tooneel te kunnen nemen. Want dàt haat ik. --Hé Jim! lachte Sybil. Hoe leelijk van je. Maar wil je heusch met me gaan wandelen! Dat is prettig. Ik was bang, dat je afscheid zoû gaan nemen van je vrienden--Tom Hardy, die je die afschuwelijke pijp gaf, of Ned Langton, die je uitlacht omdat je er uit rookt. Het is heel lief van je mij je laatsten middag te geven. Waar zullen we heen gaan. Naar het Park? --Ik zie er te slordig uit, antwoordde hij met een een frons. Alleen chique lui gaan naar het Park. --Nonsens, Jim, sprak zij zacht, en streek over de mouw van zijn jas. Hij aarzelde even. --Nu goed dan, zei hij ten laatste; maar treuzel dan niet met kleeden. Zij danste de deur uit. Men hoorde haar zingen, toen zij de trap opvloog. Hare kleine voetjes tribbelden boven hen. Hij liep een paar keer de kamers op en neêr--toen wendde hij zich tot de stille gestalte op den stoel. --Moeder is mijn boel klaar? vroeg hij. --Alles is klaar, James, antwoordde zij de oogen op haar werk. Sedert eenige maanden voelden zij zich niet op haar gemak alleen met haar ruwen, strengen zoon. Haar kleine, onoprechte natuur werd onrustig, als hunne oogen elkaâr ontmoetten. Zij vroeg zich dikwijls af of hij iets wantrouwde. De stilte--want hij maakte geen andere opmerkingen,--werd onhoudbaar voor haar. Zij begon te klagen. Vrouwen verdedigen zich door aan te vallen, evenals zij ook aanvallen door eene plotselinge vreemde overgave. --Ik hoop, dat je tevreden zult zijn, James, in je leven op zee. Denk er om, dat je het zelf gekozen hebt, zei ze. Je hadt op een notariskantoor kunnen gaan. Notarissen zijn zeer fatsoenlijke menschen en buiten dineeren zij met de eerste families. --Ik haat kantoren en ik haat klerken, hernam hij. Maar u heeft gelijk. Ik heb mijn leven nu zelf gekozen. Alles wat ik te zeggen heb, is pas op Sybil! Laat haar niets overkomen. Moeder, pas op haar. --James, wat praat je toch vreemd! Natuurlijk pas ik op Sybil. --Ik hoor, dat een heer iederen avond in de komedie komt en achter de schermen gaat om met haar te spreken. Is dat zoo? Wat beteekent dat? --Je spreekt over dingen, waar je geen verstand van hebt, James. Wij zijn bij ons gewend vele attenties te krijgen. Ik kreeg in mijn tijd zeer veel bouquetten. Dat was toen het tooneel nog op prijs werd gesteld. Wat Sybil betreft: ik weet nu nog niet of zij het meent of niet. Maar de jonge man in kwestie is geheel en al een heer. Hij is altijd heel beleefd tegen mij. Buitendien schijnt hij rijk te zijn en de bloemen die hij zendt, zijn prachtig. --Maar u weet niet hoe hij heet, zei de jongen hard. --Neen, antwoordde zijn moeder rustig. Hij heeft ons zijn naam nog niet gezegd. Dat is zeer romantisch. Hij is waarschijnlijk iemand van de aristocratie. James Vane beet zich op de lippen. --Pas op Sybil, moeder! riep hij; pas op haar hoor! --Mijn jongen, wat wil je toch? Sybil is altijd onder mijn oogen. Maar wanneer die heer rijk is, bestaat er geen reden waarom zij geen betrekking met hem zoû aanknoopen. Ik geloof, dat hij van adel is. Hij heeft er alle schijn van. Het zoû een schitterend huwelijk zijn voor Sybil. Zij zouden een knap paar zijn. Hij ziet er buitengewoon goed uit; ieder merkt hem op. De jongen mompelde iets in zichzelven, en trommelde op de ruiten met zijn breede vingers. Hij keerde zich juist om, om weêr wat te zeggen, toen de deur openging en Sybil binnenvloog. --Wat zijn jullie ernstig! riep zij. Wat is er? --Niets, antwoordde hij. Een mensch moet wel eens ernstig zijn. Goeden dag, moeder; ik zal om vijf uur eten. Alles is ingepakt, behalve mijn hemden; u hoeft dus niet ongerust te zijn. --Dag, mijn kind, antwoordde zij, met een koele statige buiging van het hoofd. De toon, dien hij tegen haar gebezigd had, hinderde haar zeer, en er was iets in zijn blik, dat haar een gevoel van angst gaf. --Geef mij een zoen, moeder, zei het meisje. Haar frissche lippen beroerden de verwelkte wangen en deden de vorst er van ontdooien. --Mijn kind, mijn kind! riep Mrs. Vane, naar het plafond opziende, als zocht zij een denkbeeldig publiek. --Kom Sybil! maande haar broeder ongeduldig. Hij hield niet van die affectaties zijner moeder. Zij gingen naar buiten in het flikkerende zonlicht, en liepen door den eentonigen Euston Road. De voorbijgangers zagen vol verwondering naar den plompen, zwaren jongen, die, in een grof pak, liep met zulk een bekoorlijk, mooi, lief meisje. Hij was als een tuinman, wandelend met eene roos. Jim fronste van tijd tot tijd zijne wenkbrauwen, wanneer hij een onderzoekenden blik van een vreemde opving. Sybil echter was zich den indruk, dien zij maakte, geheel onbewust. Hare liefde trilde in een lach op hare lippen. Zij dacht aan haar prins, en om des te meer aan hem te kunnen denken, sprak zij niet over hem, maar babbelde over het schip, waarmeê Jim zoû uitzeilen, over het goud, dat hij natuurlijk vinden zoû, over de rijke erfgename, die hij redden zoû uit de handen van woeste struikroovers met roode hemden. Want hij zoû niet altijd matroos of bootsman of zoo iets blijven. O neen. Het zeemansleven was verschrikkelijk. Verbeeldt je, opgesloten te zitten in zoo een akelig schip, waar de schorre, gebochelde golven over heen slaan, als een zware storm de masten omwaait en de zeilen aan flarden scheurt. Hij moest te Melbourne dadelijk het schip verlaten, afscheid nemen van den kapitein, naar de goudvelden gaan. Binnen een week zoû hij een klomp zuiver goud vinden, zoo groot als nog nooit gevonden was, en hij zoû dien vervoeren naar de kust in een kar, bewaakt door zes politieagenten te paard. De struikroovers zouden ze wel drie keer aanvallen, maar ze werden met groot verlies telkens teruggeslagen. Of neen, hij moest heelemaal niet naar de goudvelden gaan; dat waren nare plaatsen, waar de mannen dronken werden, elkaâr in de herbergen doodschoten, en verschrikkelijk vloekten. Hij moest maar schapenfokker worden en, op een avond naar huis rijdende, zoû hij een mooie erfdochter zien stelen door een roover op een zwart paard; hij zoû haar achterna gaan en haar redden. Natuurlijk werd zij verliefd op hem, en hij op haar en ze zouden trouwen en naar Engeland terugkomen en in een prachtig huis in Londen wonen. Ja, daar was een heele boel prettigs voor hem weggelegd. Maar hij moest maar goed oppassen en niet driftig worden of zijn geld onnoodig uitgeven. Zij was maar een jaar ouder dan hij, maar zij wist toch veel meer van het leven af. Hij moest haar ook iederen mail schrijven en iederen avond, voor hij slapen ging, moest hij zijn gebed zeggen. God was zoo goed en zoû dan zeker over hem waken. Zij ook zoû voor hem bidden en over een paar jaar zoû hij rijk en gelukkig terugkomen. De jongen luisterde somber toe en gaf geen antwoord. Hij voelde zich treurig, dat hij ver weg zoû gaan. Toch was het dit niet alleen wat hem somber en melancholiek maakte. Onervaren als hij was, had hij toch een intens gevoel van gevaar van Sybils toestand. Die jonge dandy, die haar zoo het hof maakte, had zeker niet veel goeds in den zin. Hij was een heer, en hij haatte hem daarom, haatte hem met een vreemd ras-instinct, dat hij niet kon beredeneeren, dat daarom des te sterker in hem was. Hij kende ook de ijdelheid en oppervlakkigheid van zijne moeder, en zag daarin een groot gevaar voor Sybil, voor Sybils geluk. Kinderen beginnen met hunne ouders lief te hebben; als zij ouder worden gaan zij beoordeelen; soms vergeven zij ze. Zijne moeder! Hij had haar iets willen vragen, iets waarover hij maanden in stilte had gepeinsd. Een los gezegde, toevallig eens aan het theater gehoord; een minachtend gefluister, tot hem gekomen, een avond, dat hij aan de artistendeur wachtte, had verschrikkelijke gedachten in hem gewekt. Het heugde hem nog, als had hij toen een slag met de karwats over het gelaat gehad. Diepe rimpels groefden zich nu in zijn voorhoofd; hij beet zich op de lip met een trek van pijn. --Maar je luistert heelcmaal niet naar me, Jim, riep Sybil en ik maak nog wel allerlei plannen voor je toekomst. Zeg toch eens wat? --Wat wil je dat ik zeg? --O, dat je een brave jongen zal zijn en ons niet vergeten zal, antwoordde zij hem toelachend. Hij haalde de schouders op. --Er is meer kans, dat jij mij vergeet, dan ik jou, Sybil. Zij kreeg een kleur. --Wat meen je daarmeê, Jim? vroeg ze. --Je hebt een vreemden vriend, hoor ik. Wie is hij? Waarom heb je mij niet over hem gesproken? Hij heeft zeker niet veel goeds met je voor? --Stil Jim! riep zij. Je mag geen kwaad van hem zeggen, ik hoû van hem. --Zoo, en je weet niet eens zijn naam, antwoordde de jongen. Wie is hij? Mij dunkt, ik heb toch wel recht dat te weten. --Hij is mijn tooverprins. Vindt je dat geen mooie naam?... O, jou dwaze jongen, je moet dien naam nooit vergeten. Als je hem zag, zoû je hem het mooist van de wereld vinden. Je zult hem eens ontmoeten, als je uit Australië terugkomt. Je zult zeker veel van hem houden. Iedereen houdt van hem en ik ... ik heb hem lief. Ik woû, dat je van avond in de komedie kon komen. Hij zal er van avond zijn en ik zal Juliet spelen. Verbeeldt je Jim, lief te hebben en dan Juliet te moeten spelen! Hem daar te zien zitten. Voor hem te spelen! Ik ben bang, dat ik het publiek zal afstooten of zal meêslepen. Want lief te hebben, is zichzelf overtreffen. En ik, ik ben van hem, van hem alleen, van mijn tooverprins, mijn God, mijn alles! Maar ik ben arm! Arm?... Wat doet dat er toe? Komt armoede de deur in, dan vliegt de liefde er uit, zegt het spreekwoord. Maar toen dat uitgevonden werd, was het winter en nu is het zomer; voor mij is het lente, een hoogfeest van bloesems in blauwe luchten. --Hij is een groote meneer, zei de jongen somber. --Een prins, riep zij met haar stem van muziek. Wat wil je meer? --Hij wil je zijn slavin maken. --Ik zoû het vreeselijk vinden vrij te zijn. --Ik woû, dat je voor hem oppaste. --Hem te zien is hem aanbidden, hem te kennen is hem vertrouwen. --Sybil, je bent dol met dien man. Zij lachte en nam zijn arm. --Jou oude gezellige Jim, je praat alsof je honderd jaar was. Jij zal zelf ook nog wel eens verliefd worden, en dan zal je zelf ondervinden wat het is. Kijk nu niet zoo brommig! Je moest blij zijn, dat je mij, nu jij weggaat, zoo gelukkig achterlaat, als ik nooit geweest ben. Het leven is tot nu toe alles behalve prettig en gemakkelijk voor ons geweest, maar het zal nu anders worden. Jij gaat naar een nieuwe wereld en ik heb er een gevonden. Kijk hier zijn juist twee stoelen; laat ons hier nu gaan zitten en naar de mooie menschen kijken. Zij zetten zich onder een menigte toeschouwers. De tulpenbedden aan de andere zijde van den weg vlamden als met trillende ringen van vuur. Een witte stof, als een bevende wolk van stuifmeel, hing in de hijgende lucht. Heldere parasols dansten op en neêr als groote kapellen. Zij liet haar broêr spreken over zichzelven, zijne uitzichten, zijne verwachtingen. Zij spraken langzaam en met moeite; zij wisselden woorden zooals spelers, bij een spel, fiches wisselen. Sybil voelde zich onderdrukt, zij kon haar genot niet uiten; een zwakke glimlach om dien mokkenden mond, was al wat zij tot antwoord kreeg. Na eenigen tijd werd zij stil. Daar ving zij een glans op van goud haar en lachende lippen; in een open rijtuig, met twee dames, reed Dorian Gray voorbij. Zij sprong op. --Daar is hij! riep zij. --Wie? vroeg Jim Vane. --Mijn tooverprins, antwoordde zij, en keek de victoria na. Hij vloog op en greep haar ruw bij den arm. --Wijs hem mij! Wie? Waar? Wijs hem mij goed. Ik moet hem zien! riep hij uit. Maar op dat oogenblik kwam de four-in-hand van den Hertog van Berwick voorbij en toen die de ruimte had opengelaten, was het rijtuig al uit het park weggezwaaid. --Hij is weg, murmelde Sybil treurig. Ik woû zoo graag, dat je hem gezien had. --Ik woû het ook, zoo waar als er een God is; als hij je ooit eenig kwaad doet, maak ik hem dood. Zij keek naar hem op in angst. Hij herhaalde zijne woorden. Zij sneden de lucht als met messen. De menschen rondom begonnen hen aan te zien. Een dame, dicht naast haar, gichelde. --Kom meê, Jim, kom meê, drong zij. Hij volgde haar norsch, terwijl ze door de menigte duwden. Hij was blij om wat hij gezegd had. Toen zij het beeld van Achilles bereikt hadden, zag zij tot hem op; er was medelijden in hare oogen, dat een glimlach om haar lippen werd. Zij schudde haar hoofd. --Je bent dwaas, Jim, heel dwaas. Jij bent uit je humeur vandaag, dat is de heele zaak. Hoe kan je nu zulke akelige dingen zeggen. Je weet niet eens waar je over spreekt. Je bent jaloersch en niets lief, hoor. O, ik woû, dat jij heel veel van iemand ging houden. Dat maakt je goed en wat jij zoo even zei, was slecht. --Ik ben zestien jaar, antwoordde hij; en ik weet heel goed wat ik zeg en wat ik meen. Moeder is geen steun voor jou. Ze kan heelemaal niet op je passen. Ik woû nu, dat ik maar niet naar Australië ging. Ik heb grooten lust de boel te laten waaien. En ik zoû het ook, als mijn papieren maar niet geteekend waren. --O, wees toch niet zoo akelig ernstig, Jim. Je bent net zoo een held uit een van die draken, die moeder zoo graag speelt. Ik wil niet met je kibbelen. Ik heb hem gezien, en o! hem te zien maakt mij zoo gelukkig, dat ik niets geen lust voel, met je te kibbelen. En je zal toch ook nooit iemand kwaad doen van wien ik hoû, niet waar? --Niet zoolang je van hem houdt, was het onwillige antwoord. --O, en ik zal altijd van hem houden! riep zij uit. --En hij? --Och, natuurlijk. --Dat zoû ik hem ook raden. Zij ontstelde even. Toen lachte zij weêr en stak haar hand door zijn arm. Hij was nog maar zoo een jongen. Bij Marble Arch riepen zij een omnibus aan, die hen vlak bij hun armoedig huisje in Euston Road afzette. Het was over vijven en Sybil moest nog een paar uren rusten, vóór zij zoû optreden; dat wilde Jim. Hij wilde ook liever afscheid van haar nemen, zonder dat hunne moeder er bij was. Zij zoû natuurlijk weêr een heele scène maken, en daar had hij een vreeselijken hekel aan. In Sybils eigen kamer namen zij afscheid. De jonge man voelde in zijn hart eene jaloezie; een bittere, wreede haat tegen dien vreemde, die, naar het hem scheen, tusschen hen was gekomen. Maar toen hare armen om zijn hals lagen en hare vingers door zijn haar streelden, werd hij zachter gestemd; hij gaf haar een zoen vol teederheid. Er waren tranen in zijne oogen, toen hij naar beneden ging. Zijne moeder wachtte hem. Zij knorde over zijn te-laat komen, toen hij binnentrad. Hij gaf geen antwoord, maar zette zich voor zijn sober maaltje. De vliegen suisden om en kropen over het gevlekte tafellaken. Tusschen het rammelen van omnibussen en het geratel van cabs op straat door, luisterde hij hoe die dreunerige stem iedere minuut, die hij nog voor zich had, wegzeurde. Na een oogenblik schoof hij zijn bord weg, verborg het gelaat in de handen. Hij voelde, dat hij recht had te weten. En was het zooals hij vreesde, dan had men hem het al vroeger moeten zeggen. Bezwaard met vrees, keek zijne moeder hem aan. Woorden vielen werktuigelijk van haar lippen. In haar vingers wrong zij zenuwachtig een gescheurde kanten zakdoek. Toen de klok zes uur sloeg, stond hij op en ging naar de deur. Daar keerde hij zich om en zag haar aan. Hunne oogen ontmoetten elkaâr. Hij las in de hare eene wanhopige bede om genade. Het maakte hem dol. --Moeder, ik moet u wat vragen, zei hij. Haar oogen dwaalden vaag door de kamer. Zij gaf geen antwoord. --Zeg mij de waarheid. Ik heb recht te weten. Was u getrouwd met mijn vader? Zij zuchtte diep. Het was een zucht van verlichting. Het vreeselijke oogenblik, het oogenblik, dat zij nacht en dag, weken en maanden gevreesd had, was ten laatste gekomen en toch voelde zij geen angst. In een zeker opzicht was het haar zelfs tegengevallen. De vulgaire kortheid van de vraag wilde ook een kort antwoord. Hij was niet geleidelijk tot die vraag gekomen. Zoo was het te ruw. Het liet haar denken aan een slechte repetitie. --Neen, antwoordde zij, verwonderd over den eenvoud in het leven. --Dan was mijn vader een ellendeling! riep de jongen uit met gebalde vuisten. Zij schudde het hoofd. --Ik wist, dat hij niet vrij was. Wij hielden veel van elkaâr. Als hij was blijven leven, zoû hij zeker voor ons gezorgd hebben. Spreek geen kwaad van hem, mijn jongen. Hij was toch je vader en een fatsoenlijk man. Hij was ook van goede familie. Een vloek kwam over zijn lippen. --Het kan voor mijzelf niets schelen, riep hij uit, maar laat Sybil ... Het is een heer, niet waar, die op haar verliefd is, of ten minste doet alsof? En zeker ook van goede familie? Een oogenblik kwam er een afschuwelijk gevoel van vernedering over de arme vrouw. Zij boog het hoofd. Zij veegde haar oogen met bevende hand. --Sybil heeft een moeder, fluisterde zij; die had ik niet. De jongen was getroffen. Hij ging naar haar toe en boog zich om haar te kussen. --Het spijt mij, dat ik u verdriet deed met te vragen naar mijn vader, maar ik kon er niets aan doen. En nu moet ik weg. Dag moeder. Vergeet niet, dat u nu maar één kind hebt om op te letten, en geloof me, als die kerel mijn zuster ooit kwaad doet, ik vind hem uit en vermoord hem als een hond. Dat zweer ik. De overdreven dwaasheid van de bedreiging, de hartstochtelijke beweging, die hij er bij maakte, de opgewonden melodramatische woorden schenen meer werkelijkheid aan het leven voor haar te geven. Zij gevoelde zich thuis in die atmosfeer. Zij ademde vrijer en voor het eerst in langen tijd bewonderde zij haar zoon waarlijk. Zij had gaarne de scène op denzelfden voet voortgezet, maar hij maakte er een eind aan. Koffers moesten naar beneden gesjouwd en jassen en plaids bij elkaâr gezocht worden. Het sloofje van het commensalenhuis liep telkens in en uit. Toen het onderhandelen met den koetsier. Het oogenblik ging verloren in alledaagsche kleinigheden. En het was met een nieuw gevoel van teleurstelling, dat zij den lorrigen kanten zakdoek wuifde voor het raam, terwijl haar zoon wegreed. Zij was zich bewust, dat een prachtige gelegenheid was voorbijgegaan. Zij troostte zich echter met Sybil te vertellen hoe eenzaam nu het leven voor haar zijn zoû, nu zij maar één kind had om op te letten. Zij had dien zin goed onthouden. Hij klonk goed. Van de bedreiging vertelde zij niets. Ze was met vuur en met dramatische kracht voorgedragen, maar zij vreesde, dat er om gelachen zoû worden. VI. --Je hebt zeker het nieuws al gehoord, Basil? zei Lord Henry dien avond, toen Hallward binnen kwam in den Bristol, waar een tafel voor drie gedekt stond. --Neen Harry, antwoordde de schilder, terwijl hij hoed en jas gaf aan den knecht, die boog. Wat is het? Toch niets in de politiek, hoop ik? Dat interesseert me niets. --Dorian Gray is geëngageerd en gaat trouwen, sprak Lord Henry, hem aanziende, terwijl hij dit zei. Hallward schrikte op en fronsrte de wenkbrauwen. --Dorian trouwen, riep hij. Onmogelijk! --Het is toch waarlijk waar. --Met wie? --Een of ander klein actricetje. --Ik kan het niet gelooven. Dorian is veel te verstandig. --Dorian is veel te verstandig, om niet nu en dan eens iets dwaas te doen, mijn beste Basil. --Een huwelijk is toch niet iets, dat je zoo nu en dan eens doet, Harry. --Wel in Amerika, wierp Lord Henry kwijnend tegen. Maar ik heb niet gezegd dat hij al getrouwd was. Ik heb gezegd, dat hij nog maar geëngageerd was. Dat is een groot verschil. Ik heb een vage herinnering van mijn huwelijk, maar van mijn engagement weet ik niets meer. Ik geloof eigenlijk, dat ik nooit geëngageerd ben geweest. --Ja maar, bedenk toch eens: Dorian, met zijn naam, zijn pozitie, en zijn geld. Het zoû toch bespottelijk zijn als hij zich zoo mésallieerde. --Als je nu wilt, dat hij dat kind trouwt, heb je hem dit maar te vertellen. Dan zal hij het juist doen. Iederen keer als een mensch iets erg stoms doet, heeft hij er juist de edelste bedoelingen meê. --Ik hoop tenminste, dat het een fatsoenlijk meisje is. Ik zoû het verschrikkelijk vinden, Dorian gebonden te zien aan een gemeen schepsel, dat hem fyziek en moreel zoû bederven. --O, zij is beter dan fatsoenlijk, murmelde Lord Henry, en nam een slokje van zijn glas vermouth met oranjebitter; Dorian zegt, dat ze prachtig mooi is, en op dat punt is zijn opinie nogal te vertrouwen. Zijn portret heeft zijn smaak voor uiterlijk schoon wel ontwikkeld. Het is trouwens een van de vele goede uitwerkingen, die het gehad heeft. Wij zullen haar van avond zien, als die jongen tenminste zijn afspraak niet vergeet. --Meen je het in ernst? --In vollen ernst, Basil. Ik zoû het een ellendig perspectief vinden, als ik ooit nog ernstiger moest zijn dan nu. --Maar keur jij het goed Harry? vroeg de schilder, terwijl hij de kamer op en neêr liep en op zijn lip beet. Je kunt het toch onmogelijk goedkeuren. Het is een dolle verliefdheid. --Ik keur nooit iets goed of af. Dat is maar nonsens. We zijn niet op de wereld om onze moreele vooroordeelen te luchten. Ik luister nooit naar wat banale menschen vertellen, en ik bemoei me nooit met wat interessante menschen doen. Als iemand mij aantrekt, is iedere uiting van die persoonlijkheid mij even lief. Dorian Gray wordt verliefd op een mooie meid, die voor Juliet speelt en hij wil met haar trouwen. Wel waarom niet? Al trouwde hij met Messalina in eigen persoon, hij zoû daarom niet minder interessant blijven. Je weet heel goed, dat ik geen voorstander van het huwelijk ben. Een nadeel van het huwelijk is, dat het het egoïsme in een mensch doodt. Menschen zonder zelfzucht zijn kleurloos. Ze missen individualiteit. En toch zijn er enkele temperamenten, die door het huwelijk nog ingewikkelder worden. Ze behouden hun egoïsme en krijgen er nog verschillende andere ego's bij. Ze zijn gedwongen meer dan één leven te hebben. Ze worden edeler geörganizeerd, en edel geörganizeerd te zijn is, dunkt me, het doel van het leven. Buitendien heeft iedere ondervinding zijn waarde, en wat je ook tegen het huwelijk zeggen kan, het is in ieder geval altijd een ondervinding. Ik hoop, dat Dorian Gray dat kind zal trouwen, haar zes maanden op de handen zal dragen, en dan in eens op een ander zal verliefd worden. Het zoû een prachtige studie zijn. --Je meent geen woord van wat je zegt, Harry, geen woord. Als het met Dorian Gray slecht afliep, zoû het niemand meer verdriet doen dan jou. Je bent beter dan je je voordoet. Lord Henry lachte. --De reden, dat wij zoo graag goed denken van onze vrienden, is: dat we allen doodsbang zijn voor onszelven. De bazis van optimisme is zuivere angst. We denken, dat we al heel edel zijn omdat wij anderen kwaliteiten toeschrijven, waar wij voordeel van kunnen trekken. We prijzen een bankier om een hoogeren wissel op hem te kunnen nemen, en we vinden goede kwaliteiten in een struikroover in de hoop, dat hij onze beurs sparen zal. Ik meen ieder woord, dat ik gezegd heb. Ik heb de grootste minachting voor optimisme. En wat dat huwelijk betreft, het zoû natuurlijk een dolheid zijn, maar er zijn nog andere verhoudingen tusschen een man en een vrouw. En die zal ik zeker aanmoedigen. Maar hier is Dorian zelf. Hij kan je er meer van vertellen dan ik. --Harry, Basil, je mag me feliciteeren! riep de jongen, terwijl hij zijn ulster afwierp en zijn vrienden beurtelings de hand schudde. Ik ben nog nooit zoo gelukkig geweest. Het is wel nogal onverwachts gebeurd, maar alle genotvolle dingen komen onverwachts. En toch is het mij alsof ik er mijn heele leven naar heb uitgezien! Hij had eene kleur van opgewondenheid en genoegen en was mooier dan ooit. --Ik hoop, dat je altijd gelukkig zal zijn, Dorian, zei Hallward, maar ik vergeef je maar half, dat je mij niets van je engagement hebt laten weten. Je hebt het Harry wel verteld. --En _ik_ vergeef je niet te laat te zijn voor het diner, viel Lord Henry in, en legde hem met een glimlach de hand op den schouder. Kom, laat ons nu gaan zitten en zien hoe de nieuwe "chef" hier is; in dien tijd kan jij vertellen hoe alles gebeurd is. --O, daar is niet veel te vertellen, riep Dorian uit, toen zij om de kleine ronde tafel gingen zitten. Het ging heel eenvoudig. Toen ik gisteren avond van je weg ging, Harry, kleedde ik mij, dineerde in die kleine Italiaansche restauratie in Ruperstreet, waar je me geïntroduceerd hebt, en ging om acht uur naar het theater. Sybil speelde Roselind. Het décor was natuurlijk afschuwelijk en Orlando bespottelijk. Maar Sybil! Je hadt haar moeten zien toen zij opkwam in haar jongenspakje! Ze was om te stelen. Ze droeg een groenachtig fluweel buisje met havanna mouwen, een donker bruin nauw broekje, en een coquet groen mutsje, waarop een haviksveêr met een juweel, en een kleinen mantel, gevoerd met dof rood. Ik heb haar nog nooit zoo mooi gezien. Ze had die fijne gratie van dat Tanagra-beeldje in je atelier, Basil! Het haar krulde om haar gezichtje als donkere blâren om een bleeke roos. En haar actie ... maar dat zal je van avond zelf zien. Zij is een geboren artiste. Ik zat als betooverd in die smerige loge. Ik vergat, dat ik in Londen, in de negentiende eeuw was. Ik was weg met mijn liefde; in een woud, dat niemand ooit gezien had. Zoodra de voorstelling afgeloopen was ging ik achter de coulisses en sprak met haar. En toen wij daar zoo samen zaten, kwam er iets in haar oogen, iets wat ik er vroeger nooit in gezien heb. Mijn lippen bogen zich naar de hare, wij kusten elkaâr. Ik kan je niet zeggen, wat ik op dat moment voelde. Het was mij of mijn geheele leven zich concentreerde in die eene stip van rooskleurig geluk. Zij beefde en trilde als een witte narcis. Toen gooide zij zich op de knieën en kuste mijn handen. O! ik voel, dat ik je dit alles niet zoo moest vertellen, maar ik kan niet anders. Ons engagement is vooreerst natuurlijk nog een diep geheim. Ze heeft er zelfs haar moeder niets van verteld. Ik ben benieuwd wat mijn voogden er van zullen zeggen. Lord Radley zal natuurlijk razend zijn. Het kan mij niets schelen. Ik word dit jaar nog meerderjarig en dan kan ik doen wat ik wil. Heb ik geen gelijk gehad, Basil, mijn liefde te putten uit de p