The Project Gutenberg EBook of Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart by Wolff en Deken This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart Author: Wolff en Deken Release Date: December 8, 2003 [EBook #10400] Language: Dutch Character set encoding: ISO Latin-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA *** Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe. HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART door BETJE WOLFF en AAGJE DEKEN MET INLEIDING VAN EN VERKORT DOOR J.B. MEERKERK [Illustratie: Betje Wolff en Aagje Deken. Natuur plaatst onzen geest als 't waare in 't aangezicht; Zy doet der menschen ziel meest door zyne oogen spreken; Wie onze werken leest herkent dra ook zeer ligt Uyt beider Beeltenis, wie BEKKER zy, wie DEKEN. Prent van A. Cardon naar teekening van W. Neering.] INLEIDING. Voor ELISABETH WOLFF-BEKKER (1738--1804) is in het buitenland zoo-nu-en -dan wel notitie genomen van onze litteraire kunst--gezwegen natuurlijk van de latinisten uit den renaissancetijd;--en LAROUSSE kent naast REMBRANDT tegenwoordig ook VONDEL--doch eigenlijk tellen we pas eenigszins mee in den vreemde na SARA BURGERHART, dat in het Fransch werd vertaald--waar de Schrijfster niets mee ingenomen was. Ze meende dat haar boek eigenlijk niet te vertalen was en alleen verstaanbaar voor Hollanders. En ze had daarin volkomen gelijk, ook naar het oordeel van BUSKEN HUET, die o.a. schreef:--"om die kunst te waardeeren moet men van de natie zijn." Gaat er bij elke vertaling van een goed boek iets moois verloren, zeer stellig, meen ik, moet dit het geval zijn met de uitstekende werken van BETJE WOLFF. Ze zijn zoo door-en-door Hollandsch, als de _Camera Obscura_ b.v., als heelveel van _Multatuli_, dat vreemdelingen er gewoonlijk onverschillig voor blijven, inzonderheid als niet de intrigue van den roman op zichzelf belangstelling wekt, als wederom bij BETJE. Ik spreek hier alleen van BETJE WOLFF, echter zonder haar vriendin AAGJE DEKEN (1741-1804) tot bloot belangstellende te willen verkleinen. Er is over het al of niet samenwerken heelveel getwist; ikevenwel meen dat AAGJE veel meer is geweest dan toeschouwster, al laat ik die kwestie hier rusten en noem ik alleen BETJE'S naam. Wie zich nu tot het lezen zet van _Sara Burgerhart_, moet zich tenminste eenigermate een voorstelling maken van den tijd waarin het boek werd geschreven (1782). Wij zijn te allen tijde een volk van theologen geweest, is er terecht gezegd, en dat zijn we gebleven; dat waren we vooral nog in BETJE'S dagen. Doch toen inzonderheid was het geloof verstelseld en verdogmatiseerd, het leven was verdord in den godsdienst, veruiterlijkt, en de nieuwe denkbeelden waren nog verward: 't was voor 't reveil, waarvan DA COSTA de dichter werd, en de _Aufklaerung_, wier profeet KINKER worden zou, schemerde nauwelijks. BILDERDIJK vervroegrijpte pas. LOCKE (1632-1704) en de oudere DESCARTES vooral (1596-1650) hadden invloed gehad; BOILEAU (1630-1711) en VOLTAIRE (1694--1778) waren veel gelezen; ROUSSEAU (1712--1778) was aan 't woord: _Nouvelle Heloise_, _Julie_, _Emile_, _Contrat Social_ behoorden tot de in zekere kringen populaire lectuur--en tot die kringen behoorde ELISABETH WOLFF. Er bestaat een portret van haar als jong meisje met POPE'S beroemd boek: _Essay on Man_ in haar hand. Dat lierdicht verscheen in (1733). FIELDING (1707--1754) beroemd door zijn _Tom Jones_ en _Richardson_ (1689--1761) waren vertaald... Ja, veel werd er vertaald; het was zelfs een bijzonderheid dat er een roman verscheen die niet was vertaald. _Niet vertaalt_ liet BETJE dan ook op het titelblad drukken. De VAN KWASTAMA'S en dergelijken--en hun aantal was talrijk--lazen nooit Hollandsch; dat achtten ze als wijlen BARLAEUS een boerentaal, ongeschikt voor fijnere geesten. Ik noemde zooeven RICHARDSON den schepper van den modernen Engelschen roman, algemeen vermaard om zijn _Clarisse Harlowe_, _Pamela_ en _Grandisson_, lektuur tot in POTGIETER'S jeugd. RICHARDSON is BETJE'S voorbeeld; van eigenlijk gezegde navolging mag misschien sprake zijn in BETJE'S laatste werk: _Cornelia Wildschut_; doch merkbaar is zijn voorbeeld overal. ROUSSEAU en RICHARDSON, die twee bewondert en vereert BETJE; maar toch weer niet zoo, of ze durft met den eerste in 't godsdienstige verschillen en door den laatste verliest ze haar in-hollandsch karakter niet: _zij wil Hollandsche karakters_ uitbeelden, _menschen zooals er bij ons leven_. En ze slaagt uitstekend: _Blankaart_, _Edeling_, _Suzanna_, _Stijntje_ --enzoovoort zeg ik maar, om niet te reppen thans van tante _Martha de Harde_ en haar man, in _Willem Leevend_. En zooveel anderen, meesterlijke scheppingen. Als we in ons letterkundig leven terugblikken, vinden we BREDERO (1585--1618), COSTER (1579--1658), HOOFT (1581--1647), men denke aan diens _Warenar_, ASSELIJN (1620--1701), BERNAGIE (1656--1699), VAN EFFEN (1684--1735) en LANGENDIJK (1683--1756), tot BETJE'S geestverwanten, en die lijn loopt door tot BEETS (1814--1903), wiens realisme echter gepolitoerd is, tenminste overal een grondverfje heeft: het ruige is er af, tot zelfs in _Barend_, den tuinmansknecht,--en tot _Multatuli_, die heel hoog liep met _Blankaart_. Zooals reeds vermeld is werd BETJE in (1738) geboren, te _Vlissingen_; zij was de dochter van JAN BEKKER en JOHANNA BONDRIE, een Vlaamsche. BETJE was van haar geboorte af teer en prikkelbaar--ze werd begaafd en hartstochtelijk; leergierig was ze en las vroeg boeken, die anderen pas veel later of nooit lezen.--Niet vrij te pleiten van zekere koketterie liet ze het zoover komen, dat een zekere GARGON haar kon ontvoeren; ze was toen pas zeventien jaar. Zij is er met den schrik afgekomen, _ongedeert_, zooals we van _Sara_ lezen, wie iets dergelijks overkomt. Opzettelijk historie heeft ze niet geschreven in _Sara_, maar ongetwijfeld is die _meneer_ R. wel een heugenis aan GARGON en SARA is niet vreemd aan BETJE. Ze schrijft haar boek ook _ter waarschuwing_ voor jonge meisjes als Saartje; van _l'art pour l'art_ had ze geen idee; ze onderwijst altijd, 't zij ze romans schrijft, of in spectatoriale geschriften, als _De Grijsaard_, _De Denker_ of _De Borger_. Die weekblaadjes bleven na _van Effen_ geregeld, en telkens weer onder andere titels verschijnen. Na dit voorval met GARGON had BETJE in Vlissingen en in het ouderlijk huis geen leven. Haar broer LAURENS--die iets had van broeder BENJAMIN --maakt haar 't leven zuur. Tijdelijk vindt ze een onderkomen bij den Amsterdamschen advocaat NOORDKERK, die haar wist te kalmeeren. Maar ze moest weer terug naar Vlissingen. Het was een uitkomst voor haar, toen ze door dominee ADRIAAN WOLFF, met wien ze door haar geschriften kennis had gemaakt, altijd _schriftelijk_ alleen, ten huwelijk werd gevraagd. Dat ging vlug in zijn werk: den 9den October kwam WOLFF in Vlissingen, den 23sten ondertrouwden ze, (1759). WOLFF was in (1707) geboren, dus 31 jaar ouder dan de vroolijke levenslustige BETJE. Hij was sinds (1730) dominee in de _Beemster_ en weduwnaar van WILHELMINE KAYZER; hij was een geleerd, zelfs dichterlijk, en een hoogstachtenswaardig man, met een ruime wereldbeschouwing. De eerste huwelijksjaren waren echter niet gelukkig: Betje koketteerde wat met dominee AMIJS. Wolff leed, als altijd ouwe mannen van jonge vrouwtjes, aan jaloezie--en Betje maakte 't wel wat bont. Na (1770) echter wordt het beter: Betje wordt wat stemmiger, heeft haar verkeerdheid leeren inzien en leert haar man waardeeren. In (1772) treedt WOLFF zelfs openlijk op om zijn vrouw te verdedigen. En dat was noodig, want Betje had door haar vinnige en zeer vrijzinnige geschriften vrijwat vijanden en belasteraars. Tot haar bestrijdsters behoorde ook AAGJE DEKEN, die zich zeer ongunstig over Betje had uitgelaten. Ze leerden elkaar kennen bij den Amsterdamschen fabrikant GRAVE, in (1776)--en die persoonlijke kennismaking leidde tot ideale vriendschap--waar Betje zoo mee dweepte--vriendschap tot aan hun dood: (1804). Kort na elkaar overleden ze. AAGJE was een boerenmeisje, opgevoed in het Weeshuis "De Oranje-appel" te Amsterdam. In (1767) was ze gezelschapsjuffrouw geworden bij de weduwe BOSCH, wier dochter MARIA dichteres was--en ziekelijk. Maria overleed echter al in (1773) en in (1775) gaf AAGJE hun werk uit onder den titel van _Stichtelijke Gedichten_. Aagje was zeer ernstig en deftig. Men zal haar in _Sara Burgerhart_ gemakkelijk herkennen in ANNA WILLIS. In (1777) overleed dominee WOLFF, die in de Beemster zijn _aspergebedden had aangelegd_. De man was, als Dominee SMIT in _Sara Burgerhart_, veel te verdraagzaam en te ruim van blik om opgang te maken. En toen gingen BETJE en AAGJE samenwonen en samenwerken. Eerst vestigden ze zich in _De Rijp_, waar ze woonden tot (1781); toen verhuisden ze naar _Beverwijk_, waar Aagje het buitentje _Lommerlust_ geerfd had. Tegenwoordig is dat de pastorie der R.C. kerk. Daar hebben ze gewoond--_Sara Burgerhart_ is er geschreven in het beroemde Koepeltje--tot (1788). Toen kwamen de Pruisen in het land, bij welke gelegenheid BILDERDIJK zich verdienstelijk hoopte te maken, en de dames weken met tal van patriotten naar het buitenland, want ze waren patriotisch gezind. Ze trokken naar Trevoux in Bourgondie en hebben daar gewoond tot (1795), toen het den patriotten beter ging. Intusschen waren ze wel wat genezen van hun vrijheidsroes: 't had maar weinig gescheeld, of BETJE zelf was op de guillotine terechtgesteld.--Ze vestigden zich in Den Haag en daar zijn ze blijven wonen. Ze hadden het maar armpjes: hun kapitaaltje hadden ze toevertrouwd aan een Haarlemsch notaris en die had het zoek gemaakt.--Ze moesten nu weer vertalen, dat "ze kikhalsden" schreef BETJE. Wel hielpen de oude vrienden haar: LOOSJES en VOLLENHOVEN; ze kregen nieuwe in VAN HALL en VAN DER PALM; ze raakten heel intiem met mevrouw OVERDORP--POST, ELISABETH-MARIA, maar ze waren erg "eergierig" en men moest het, als VAN HALL, heel kiesch aanleggen om hen te ondersteunen. Ze werden ziekelijk: AAGJE leed aan jicht, BETJE aan kramp. De goeie tijden waren voorbij--voor _Willem Leevend_ hadden ze _6000 gld_. honorarium ontvangen; _Cornelia Wildschut_ bracht minder op. De beteekenis dier vrouwen voor onze algemeene volksontwikkeling en ook voor onze letterkunde overschat men niet licht. Het is gemakkelijk aanmerkingen op de samenstelling van _Sara Burgerhart_ te maken; men moge den snoodaard _R_. wat al te tooneelsnood vinden; men brenge bedenkingen in tegen den _briefvorm_, toen in de mode, door RICHARDSON --en nog door mevrouw BOSBOOM--TOUSSAINT gebezigd in _Majoor Frans_ --maar onsterfelijk blijven _Saartje_, _Blankaart_ en de andere reeds aangeduiden--en nooit kan verdwijnen de geest van gezond menschenleven dien haar werken ademen. Zij rusten in vrede op het kerkhof "Ter Navolging", bij Scheveningen. * * * * * SARA BURGERHART is niet alleen als roman bedoeld, 't is een _tendenz- werk_--theologisch, paedagogisch, politiek zelfs en _apologisch_. Daardoor is 't voor leerlingen inzonderheid te lang en te langdradig. Eerst wanneer men er toe komt de 18de eeuw te bestudeeren, _ons_ leven onder den invloed van den vreemde, dan wordt het _heele_ boek hoogst belangwekkend. Misschien komen er velen toe het dan in zijn geheel te herlezen. In deze uitgave wilden we behouden, behalve wat vanzelf bleef, den _roman_ en _het karakteristiek Hollandsche_. Het zou ons bijzonder aangenaam zijn als we daarin waren geslaagd. Voornaamste Werken. Van BETJE alleen: Bespiegelingen over den staat der Rechtheid, den val en den gevallen mensch,(1765). Walcheren in 4 zangen, (1769). Onveranderlijke Santhortsche Geloofsbelijdenis, en De Menuet en de Domineespruik, (1774). _Die Menuet werd zelfs door hel volk gezongen als een kermisliedje_. Mengelpoezie. (1785). Van AAGJE en BETJE samen: Historie van juffr. Sara Burgerhart, (1782). Historie van den heer Willem Leevend, (1784). Brieven van Abrah. Blankaart, (1788). Dichterlijke wandelingen door Bourgondie, (1789). Historie van Cornelia Wildschut, (1796). J. B. MEERKERK. _Zwolle_, April '19. EERSTE BRIEF. DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. PARYS. _Lieve jonge juffrouw!_ Nu ja, ik heb beide uwe Brieven ontfangen, maar, wat hamer, meent gy, dat ik tyd heb om u zo _cito_, per post, (zoo 't u blieft,) te antwoorden; en dat wel zo dikwyls, als myne Pupil goedvindt om my met een hoope wisjewasjes aan 't hoofd te lellen? Zie, ik ben maar een Vryer, (een _Oude_ Vryer, zo je wilt;) ik weet echter, hoe die Nufjes van halfwassen Vrouwen bestaan. Van daag willen zy zus, morgen willen zy zo. Wel nu, wat zal ik ik u antwoorden? Weet ik, in hoe ver gy gelyk hebt? Niet, Saar lief, dat ik u in staat ken om my te pieren, zo wat op myn mouw te spelden, gelyk men zegt: Neen, gy waart altoos een oprecht kind; maar gy zyt jong, gy hebt het maar gansch niet naar uw zin: reden genoeg, om zulke droevige dingen aan my te schryven. Indien ik niet in dit verbruide Land, daar niemand my en ik niemand, dan zeer gebrekkig, verstaan kan, buiten de Familie, waar mede ik myne zaken heb aftedoen, en daar ik wel zakken vol complimenten, doch geen geld krygen kan, nog vooreerst diende te blijven, en te Amsteldam kon komen, of ik die Russische winkel by Tante eens zoude komen opschudden! Wee, zo gy my gefopt hadt! maar wee ook het oud Wyf, indien zy myne Pupil, de dochter myns waardsten Vriends, kwalyk behandelde! Maak van myn vertrouwen geen misbruik, maar uwe Tante verdient niet de Zuster uwer brave Moeder te zijn; op myn eer, dat verdient zij niet! Zy is een geveinsde inhalige Feeks; en ik kan het nog niet in den kop krygen, door wat middel zy uwe zalige Moeder heeft weten te bewegen, om u, haar eenig, haar tedergelieft kind, by haar te betrouwen. Voor honderd halve ryertjes[1] moest gy het beter hebben; (uwe kleding betaal ik immers nog byzonder[2]). En krabt zy die echter niet zo vrekkig naar zich, als of zy arm en gy haar wild vreemt waart. Zo gy kunt, hou het uit; ik zal er u te liever om hebben, kind; en ik zal my tegen u niet laten innemen. Nu, zy schryft my ook nooit. Mooglyk acht zy my die eer onwaardig. Alles heeft zyn reden, meisje; zie, ik heb Tante, als zy het al te erg maakte, zo wel eens doen zien, dat haar manier van doen zeer dikwyls verbaast verre afweek van hare wyze van zeggen, en breden ophef, als of zy, ten minsten, eene heilige van den eersten rang ware. Gy hebt zulke brave ouders in 't graf; draag u toch wel, kind. Ik beken, zo eene behandeling is haast niet om te verdragen; zo zy het al te erg maakt, en gy beter kunt te recht komen, ik guarandeer uw kostgeld; mids dat de Lieden onbesproken en hupsche menschen zyn. --Doe deezen stap echter niet, dan in den dringentsten nood, of wy zullen geen Vrienden blyven; ik kan niet toestaan, dat gy u zelf zoudt benadeelen; daar heb ik u veels te lief toe. Ja, wat ik zeggen wou? Ik heb hier eene menigte muziek voor u gekogt, en die zal ik u met een los adres[3], als ik goederen afzend, toeschikken. Zy geven hier voor dat de Compositie heerlyk is: ik vergeet al myn kunst met die druktens; maar ik heb zo graag, dat zoete meisjes zich wel diverteeren; en gy zyt toch een muziekgekje. Ik denk wel om u, en kan dikwyls wenschen, dat ik u hier had. Hier, Saartje, zoude uwe geestige hekelzucht stoffe vinden, al hoorde en zaagt gy niets dan dien nimmer stillen zwerm van Gouwe torren, en Zomerkapelletjes; want zo noem ik dat lastig beslissent wel opgepronkt Jan hagel, dat men _Petits maitres_ hiet: Ik ben zoo bang voor zo een rekeltje, als gy voor een Aap; zy noemen my hier: _le gros Hollandais_; wat beduidt dit Kind? mooglyk nietmetal. Binnen zes maanden denk ik thuis te zyn. Wat lange brief is dit? nu gy yder een niet; maar toch, ik schryf niet graag Brieven.--Vaarwel, leef vrolyk, wees gegroet van _Uwen toegenegen Voogd_, ABRAHAM BLANKAART. Noten: [1] Rijer = 14 gulden. [2] Afzonderlijk. [3] Apart pakje. TWEEDE BRIEF.--Aletta de Brunier heeft Saartje gezien als een "kwakerinnetje", in den winkel van Mad(elle) G. Dat is te gek, schrijft ze aan Saartje, met wie ze vroeger heeft school gegaan, en ze stelt haar voor bij haar te komen wonen, en pension bij de wed(e) Spilgoed-Buigzaam--daar hebben ze 't best. Er wonen nog twee dames. DERDE BRIEF. MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. _Ge-eerde Heer, zeer ge-achte Voogd!_ Dat was een blyde Postdag voor my. Een Brief van myn geeerden Voogd. Waarlyk, ik heb geschreit, ziende hoe veel belang gy in my naamt: doch dat zes maanden uit blyven! daar lag al myn vreugd in 't voetzant. Wel, myn allerliefste Voogd, ik kan het hier geen zes weken langer uithouden; zo als ik ook evenwel behandelt word, maar ik kan 't niet half schryven; zo gy, myn Heer, hier waart, gy zoudt het my toestaan. Och, zo waar, ik heb u geen een jokkentje, hoe klein ook, op den mouw gespelt. Foei, myn Heer, zou ik liegen? dan was ik een zeer slegt meisje, en verdiende dat gy my bekeeft. Ik ben niet alleen de slavin van Tantes grillen, maar ik word ook geringeloort door eene oude lelyke zotte meid, die, om Tante te behagen, my dol maakt. De Juffrouw, daar ik gaarne by zoude inwonen, is de ongelukkige weduw van een fatsoenlyk man, die niet dan ordentelyke Dames logeert. Een myner oude schoolmakkertjes is daar reeds eenigen tyd geweest, en pryst de Juffrouw heel zeer. Daar zyn nog twee andere Dames ook. Vry, vrolyk en onbeknort te leven, dit is myn eenig oogmerk; en is dat berispelijk? By Tante kan ik niet blyven, zo ik my niet tot huichlary wil verlagen, eene ondeugd, die allerafschuwlykst voor my is; en waar aan ik my zeker nooit zal te buitengaan. Ik beveel my in uwe gunst. Ik zal my in allen opzichte altoos zo pogen te gedragen, dat gy voldaan zyt, maar by Tante kan ik niet blyven: Laat my toe, dit nogmaal te zeggen. Wat ben ik blyde met de my toegezegde Muziek! ik zing al in voorraad[1]. o! Wat zal die fraai zyn: mooglyk is er wel van Rousseau's[2] Compositie by? duizendmaal dank. Ik hoop al die stukken u eens, onder het rooken van een Pypje, voor te spelen. Maar, denk eens aan, myn Heer Blankaart, daar wil Tante niet hebben dat ik speel, dan naar ouwe lollige zeuzeryen [3]; en lieve Heer, ik speel evenwel zo graag en ik heb zulke mooije Cantata's. Mag ik u bidden, myn Heer, zendt het pakje aan Tantes huis niet; het ging wis en waarlyk op 't vuur; ik zal hier een adresje insluiten. Ik bidde den goeden Hemel alle daag voor u, en dat ik u gezond en vrolyk moge weder zien, my zelf gelukkig rekenende van te zyn, _Uwe liefhebbende Pupil en Dienares_, SARA BURGERHART. Adres: _Chez Mademoiselle G----, Marchande sur le_ ----. Noten: [1] Bij voorbaat. [2] Wolffje dweept met Jean Jacques. [3] Zeurige deunen. VIERDE BRIEF. MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLES. _Ge-eerde vriendin!_ Hield ik my niet verzekert, dat uw hart veel beter gestelt was, dan dat van wylen den Heer Achitofel[1], (trotscher gedagtenis), die zich, om dat men zynen raad verwierp, maar zo eens, met een gaauwigheid, handigies ging opknopen, ik zou zeker by u niet om raad komen, want ik zeg u in voorraad, dat ik niet van mening ben dien te volgen; ten ware hy, onverhoopt, met myn reeds genomen besluit overeenstemde. En nu, myne zeer statige, zeer hoogwaardige Vriendin, zult gy my vragen: "waarom, indien dit zo is, of ik dan uwen raad verzoek"? Dat zal ik u zeggen, Naatje. Ik schryf aan u, om myn hart te ontlasten; om u in staat te stellen van te kunnen oordelen over myn lastig lot, op dat gy, den stap dien ik ga doen, al niet goedkeurende, dien echter zoudt kunnen inschikken. Een stap mooglyk, onvoorzichtig; doch voor my nodig. Gy hebt al myn vertrouwen, om dat gy alle myne achting hebt, en elk die u acht is zeker niet verachtelyk, om dat gy zulk een fraai karakter hebt, enz. Ik moet kort zyn. Maar by Tante heb ik het zo slegt, dat ik er niet langer blyven kan of wil. Raad my dit niet af. 't Is wel waar, Naatje, dat gy zo wel veel wyzer als veel ouder zyt dan ik; maar gy zyt echter niet wyzer dan Salomon, de wyze Koning Salomon zou ik denken, ende wat zegt zyne Philosophische Majesteit ergens? "Het is beter te wonen aan de zyde des Daks, dan by eene kyvende "Huisvrouw". Hoe kan ik nu langer wonen by eene Tante, die, schynt het, eene belofte gedaan heeft, om my zo veel bitterheid aan te doen, als Vrekheid en Dweepery maar immer kunnen opbaggeren.... Daar schreeuwt zy alweer haar keel uit het lid. "Ja Tante, ik kom." Eerst echter deezen agter 't slot. Zo dra ik kan zal ik een tweeden Brief beginnen, ik moet u eindelyk voldoen omtrent zaken, my, voor ik u kende, ontmoet. Vaarwel, myne waarde. S.B. Noot: [1] 2 Sam. XV, 12 vv. 2 Sam. XVI, 23. -- Vert. Kuenen c.s. VYFDE BRIEF. DE ZELFDE. Ten vervolge. Ik moest mynen vorigen brief, die hier nevens gaat, zo schielyk afbreken, om dat Tante my riep, schoon zy my niets te zeggen hadt, en slegts beval, by haar te zitten: Onze gromparty sla ik maar over, om dat ik u nu eens ernstig moet schryven. Myn waarde Vader, weet gy, was Jan Burgerhart; hy negotieerde in de Thee; zyn handel was voordeelig. Myne lieve Moeder was, zo als men dat noemt, een bestorven meisje[1]. Zy hadt een stuiver goeds, en trouwde zeer jong. My, het eenig kind, voedde men op als een meisje, dat van eene goede familie is, en geld te wagten heeft, door brave Ouders opgevoed wordt. Gy kent myn aandoenlyk hart; gy weet hoe vatbaar het is voor de minste blyken van genegenheid; oordeel dan hoe ik deeze myne dierbare Ouders eerde en beminde. Ouders! dat is toch een zielroerent woord, Naatje, en kost my meermaal eene stille traan. Myne Ouders waren gelukkig met elkander. Hun karakter was voor elkander berekent. Meer zeg ik niet. Wie spreekt ooit dan met achting van myne zalige Ouders? och, yder een!... Gy weet het. Hoe aangenaam was ons zeer geregelt huishouden! Myne Ouders lazen veel, en zagen deeze zucht in my met goedkeuring. Nog zie ik hen in onzen tuin, op de bank zitten, als Vader zyn pypje van rust, zo als hy het noemde, rookte, en Moeder hem iets voorlas, terwyl ik op des goedaartigen mans knie zat te luisteren, of te spelen. Nog zie ik, hoe hy my, gevolgt door myne glimlachende Moeder, in huis draagt. o! Dat waren gouden dagen; waren het niet? Myne Moeder hadt eene Zuster, die veel ouder was, en waar by ik nu inwoon. Die Zuster vondt maar gansch niet billyk, dat Saartje voor haar ten huwelyk verzogt wierd, en kyk, de Juffrouw was magtig gestelt op het _Decorum_[2]; dat was het maar: zy meende ook zeer wel te weten, dat zy zo wel veel meer verdiensten, als jaren telde, dan myne Moeder. Doch, of het spel sprak, daar kwamen geene Liefhebbers. Indien onze Vriendin hadt kunnen bewogen worden, om eene _aanpryzende_ VOORREDE voor Tante te schryven, mooglyk zou men haar gezogt hebben. Hoe 't zy--(verschoon dien inval!) zy begreep, (Tante heeft ook haare invallen, Naatje), dat er geen beter party voor haar opzat, dan zich te voegen by die Lieden, die wy _fynen_, en die zich zelf _vroomen_ noemen. Veele deezer menschen, ik spreek van de besten uit de zoo, meenden dat haar grimmige uitkyk, haar grommig voorkomen, haar nutteloze berisping, de zoete vrugtjes waren van eene naauw-gezette godsvrugt. Die goede Slooven dagten, dat Tante los was van de Waereld, om dat de wyze schikkingen der Voorzienigheid nooit de eer hadden van haar Wel Edele te voldoen. Hoe zeer zy ook de Fyne uithing, zy beviel evenwel meer aan de Zusjes, dan aan de Broedertjes: men moet bekennen, dat Juffrouw Hofland juist niet heel oogelyk is. Met myn zesde jaar hield ik al mee Oeffening by Tante. De Vriendjes hadden veel met my op. Men zag wat goeds in my. Ik hield ook veel van Tantes Oeffening; want, met myn zak en peperhuizen vol Lekkers, kwam ik altoos thuis, zie daar de genoegzame rede. Hoe zeit Wolff[3], de _ratio sufficiens der dingen?_ Zoo veele middelen bleven niet ongezegent. Ik verlangde altoos naar Tantes oeffendag. Wat zal ik meer zeggen? Gy kent my: medelydent, meegaande, en zoo voords. Toen kon ik al geene droefheid zien zonder ook te kryten; en er werdt ook meest altyd eens geweent, (waarom weet Joost; want me dunkt, dat zy het nog al zoo taamlyk wel hadden). Deze weekheid behaagde. Myne Tante zelf, of schoon ik hare gehate Zusters dochtertje was, kreeg my, op hare wys, recht lief. Zy mydde ons huis niet meer, om dat ik mee oeffening hield, en mee huilde. Twaalf jaren leefde ik zo gelukkig, als een gehoorzaam en gelieft kind leven kan. Toen keerde myn lot. Myn waarde Vader, zich op eenen heten dag, door het inpakken en afzenden van Thee, zeer verhit hebbende, kreeg een pleuris, en stierf binnen drie dagen, nog geen veertig jaren oud zynde. Geene VAN MERKEN[4] zou u kunnen afbeelden, hoe groot myner Moeders en myne droefheid was. Wy verloren alles, en myne teder-lievende Moeder voelde alles wat zy verloor; meer zeg ik niet. Oordeel nu. Myne Moeder deedt den handel aan iemand onzer Kantoorbedienden over, vertrok naar de ----gragt, en hielt maar eene onzer meiden; daar leefden wy stil en proper. Maar haar verlangen naar stilte was te gunstig voor haar, om toch onafgebroken aan haar Overledenen te denken! Myne Ouders hadden elkander hartlyk bemint: de dood myn's Vaders stortte haar in de allerdiepste zwaarmoedigheid. Zy sneedt alle uitspanningen af, zag niemand, sprak weinig, zuchtte veel, en stortte veele droeve tranen. Zy werdt ook wel dra zo ziek van lichaam als van ziel. De lieve Vrouw hadt nu reeds de geschiktheid, om het zaad der dweepery, 't welk myne Tante met eene voorbeeldige mildheid uitstrooide, te ontvangen; zy ontfing het ook, helaas! Ik was bitter bedroeft over myne Moeder! myne zucht tot vermaak verzwakte. Geen wonder! ik zag myne kwynende Moeder in eene sleepende ziekte vervallen, die, zo als Docter E---- duchte, ongeneeslyk was. Ik leed niet minder dan myne dierbare toegeeflyke Moeder. De Teering is eene elendige kwaal, Naatje. Wat heeft de brave Vrouw geleden, en dat zo lang; zo heel lang! Nooit verliet ik haar in het laatste jaar haars levens. Ik sliep voor haar bed, gaf haar alle de medicynen; en zag, buiten myne Tante en den Docter, niemand dan onze goede Pieternel; die brave meid, welke myne Ouders reeds diende, toen ik geboren wierd, en waar voor ik zo veel liefde heb. Nu en dan las ik voor myne zwakke stervende Moeder; doch de Boeken, waar uit ik las, waren niet voor my, ook niet voor haar geschikt, en werden door Tante bezorgt, akelige, zotte geschriftjes, die myne Moeder, voor de droefheid haren geest geheel hadt benevelt, met versmading zoude beschouwt hebben: Ik ben nu te ernstig, anders zoude ik u eens een paar douzynen Titels opgeven, die my by u zouden verdedigen. Dodelyk ongerust over myne geliefde Moeder; onpasselyk door het gestadig zitten in eene ziekenkamer, verstoken van lucht, dien balsem des levens, van licht, dat den geest opheft: zonder de minste afleiding; het zwarte beeld des doods gedurig voor my warende; verdrietig over de smarten myner Moeder, verloor ik eerst myne eetlust, toen myne gezonde kleur, en wel dra myne werkzaamheid. Ik keek zo bang en zo zuur als Tante; zuchte, zat leeg en lui met de hand onder myn hoofd, dat dof en zwaar werdt en ongekapt bleef. Met een woord ik vervreemde zodanig van de jonkheid en de natuur, dat Tante my voor een geheel _omgekeert meisje_[5] begon aan te zien. Zy liefkoosde my, om dat zy haar eigen portret in my waande te vinden: en ik, och! ik had vrede met Tante, om dat zy met my in haar schik was. In dien staat was ik, toen gy ons uit naam uwer Moeder bezogt, die de beleeftheid hadt, om, uit oude vriendschap met myn Vader, en uit nieuwe Buurschap, zo als gy zeide, (want gy kwaamt eerst onlangs op de zelfde gragt), te laten vragen, hoe of myne Moeder nu was, zynde zy begeerig om de zieke eens te bezoeken. Hy, die ons in treurige omstandigheden toespreekt, met heusheid toespreekt, is ons welkom: dit beurt ons op; het vleit ons; het verwydert ons eenige oogenblikken van ons verdriet: Oordeel des of gy my aangenaam waart! ik voelde nu, dat ik nog vatbaar was voor blydschap. O dierbare aandoening! Hoe, (gy wordt immers niet knorrig, Naatje lief?) hoe staatig, hoe weinig toeschietent, hoe geheel anders gy ook waart, dan ik, in houding, in kleding, in gelaat, toen echter scheent gy my de voorkomenheid, de minzaamheid zelve. Myne grootste, zoo niet eenigste behoefte, gy weet het nu zelf, is lief te hebben, en gelieft te worden: myne liefde voor myne Moeder was zo oprecht, zo teder, als die van eene dochter ooit zyn kan, maar die liefde vervulde echter myn geheel hart niet. Hare onbegrypelyke zwakheid, en myn gegronde eerbied waren de oorzaken van dit verschynsel. Die bron stroomde niet hoog genoeg voor my, en yder uur dreigde de dood die voor altoos te verstoppen. Gy werdt voor my noodzaaklyk. Ik zag wel, dat Naatje Willis een geheel ander voorkomen hadt dan Saartje Burgerhart, of alle die Juffertjes, daar ik mede om plagt te gaan, voor deze toenemende krankheid myner lieve Moeder: maar toen stak uwe statigheid niet heel sterk af by myne dofheid; wel verre van de oorzaak optesporen, dacht ik er niet eens aan: ik kende u; dat was genoeg. Uwe achtingswaardige Moeder bezogt de myne: het afscheid was teder en bedaart. Zy zag my schreijen, nam myne hand, sprak vriendelyk, troostelyk, kuste my; ja, noemde my, _lief Meisje_. Gedurende deze ziekte hadt myne Moeder Tante tot medevoogdes, nevens den Heer Blankaart, aangestelt; haar des jaars zevenhonderd Guldens toeleggende, tot ik kwam te trouwen, of, tot myne meerderjarigheid indien Tante my by haar wilde innemen. Deeze schikking zal u niet verwonderen, als gy bedenkt, hoe verzwakt myne Moeder was; als gy bedenkt, dat Tante en ik toen zeer wel te recht konden: Tante hadt Nicht lief, om dat die ziek en zwaarmoedig was, en Nicht, wel, die kon niet denken, dat 'er zulke Tantes in de geheele waereld waren! Weinige dagen na het bezoek uwer Moeder, storf de dierbare Lyderes, des nagts, in 't byzyn van onze Pieternel en den Heer Blankaart, die toen juist in de stad was, en ik bleef, nog geen zeventien jaar oud zynde, ouderloos. Myn Voogd berustte in de dispositie myner Moeder, doch heeft met Tante niet veel op. Zy noemt bykans nooit zyn naam, of zy voegt er by, dat hy geen godsdienst heeft. Denk eens aan; en dat van zo een allerbest man! Is 't geen schande? Aanhoudent, stil aan myn hart bytent huisselyk verdriet, heeft maar te veel van die goede lessen, die ik ontfing, uitgewischt. O vrede! o kalmte der ziel, waar zyt gy zedert deeze drie laatste jaren geweest? o myne Naatje, kan ik met nimmer wankelende treden den weg der pligten altoos bewandelen; daar men mynen weg zoo hart, zo doornig, zo ruw maakt? Nu 't is ook uit: myn gerekt geduld is ten einde; ik zal my dus niet langer laten plagen. Neen! vast niet. Ik kan u al myn verdriet niet vertellen; daar is in vele opzichten zulk een _zweem_ van beuzelagtigheid by, dat gy, die zo gelukkig leeft, niet kunt geloven, dat het my zo treft. Ik heb geen de minste vryheid; komen myne Meesters, dan tiert zy als een zottin; ik mag niet op myn Clavier spelen; ik mag my niet kleden, zo als ik gewoon ben; ik mag niemand zien dan in haar byzyn. Gy weet dat ik altoos proper, en eenigzins modieus gekleed wierd, maar hoe takelt zy my toe! Nu, zedert de rouw uit is, moet ik in een grove lelyke Stoffen Japon lopen; myn Pelise[6] is van eene ouden zyden faly myner Grootmoeder, (en is vol vouwen en kerven,) gemaakt; zonder kap of lintje, met een tinnen haak en oog maar vast gekonkelt. Myn linnen muts is zo groot, dat even het puntje van myn neus er uitkykt. Ik heb dikke drommels van schoenen, en dieren van groene kousen aan. Alle Kerkdagen moet ik gaan, en by dien Leeraar[7] dien zy uitkiest. Maandag en Saturdag moet ik Tante, en die Hottentot van een Bregt, na klungelen, om voor de Oeffenings-vrienden alles gereed te zetten. Ik moet thee schenken, presenteeren, zotteklap en lastertaal hooren ... maar genoeg. Dit evenwel nog: alle avonden moet ik in malle Boeken lezen, die wel door verliefden in een Dolhuis gemaakt schynen, doch die noemt myne Tante innige zielsdierbare Schriftjes, kostelyke Pandjes, enz. By ydere zinscheiding zucht Tante, en snurkt Bregt. Ik mag voor my zelf niets lezen, dan 't geen zy goed keurt; uwe _Julia Mandeville_ heeft die vinnige kwezel op 't vuur gebruit; och ja, voor myn' oogen deedt zy het. Ik beken, dat ik toen niet heel zoetzinnig was, maar het geen kleentje roerde. Waarlyk, Naatje, als ik hier bleef, wierd ik de grootste haneveer die er ooit leefde, en 't is toch geheel tegen myn inborst; doch nood breekt wet. Ik lyde juist geen honger, maar 't scheelt niet veel. Altoos is 'er iets voor my alleen, nu onder dit, dan weder dat voorgeven. Is dat voor my uittestaan? Weet gy wel, dat ik hier zevenhonderd Guldentjes verteer, kind? Meermaal gaf zy my, in heilige woede, een brave klap om de ooren, en ik ben echter bykans twintig jaar, kind, en zou Tante, schaamde ik my dit niet, er even goed een weerom kunnen geven. Hoor, ik heb aan myn Voogd geschreven, en wagt een gunstig antwoord. Ik zal wel ergens belanden. Ik heb myne Kinderkennis vernieuwt met myn Schoolmakkertje, Letje de Brunier. Die zegt, dat zy by eene zeer fatsoenlyke Vrouw gelogeert is; eene Weduw, die op de Keizersgragt woont. Juffrouw de Brunier schynt wel wat lugtig; maar dat's haar zaak. De Weduwe zal my wel innemen; althans, Letje zal het haar voorslaan. Ik laat my niet langer plagen: ik verteer te veel geld. Ik ben immers niet kwaad, Naatje? maar zo te leven is my onmooglyk. Wat! zou ik geen braaf mensch kunnen zyn, om dat ik de slavin myner Tante niet zyn wil; om dat ik my naar myn zin wil kleden, 't geen myn Voogd my gaarn inwilligt? Zou ik myn hair niet mogen opkappen, zonder dat myn hart er by leedt? Vrees niet voor my, ik zal wel op de wagt staan. Ik ken de liefde niet; denk er nooit om, breek myn hoofd nooit met zulke snuisteryen. Ik begeer niets dan een leven, dat vry vrolyk en schoon afloopt; goed gezelschap, aangename Boeken, en het vry gebruik van het Clavier. Dit voornemen heb ik; nu weet gy alles. Bekyf my, preek, vermaan, bestraf, vlei my, ik zal alles lezen, u liefhebben, en--myn eigen zin doen. Antwoord my toch ten eersten[8]: wat verlang ik naar een brief van u! geadresseert in _la Reine de France_, chez Mademoiselle G----. Niemand acht u hooger dan _Uwe Vriendin_, SAARTJE BURGERHART. Noten: [1] Wees. [2] Hier: betamelijkheid. [3] K.F. Wolff 1733--94; rat. suff. genoegz. rede. [4] Luc. Wilh., Nut der Tegenspoeden, 1721--84. [5] Bekeerd. [6] 't Zelfde als faly: mantel. [7] Dominee. [8] Gauw. ZESDE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp schrijft aan Zuzanna Hofland --Saartjes Tante, bij wie ze inwoont--hoe Saartje als jong kind al niet deugde. Ze leest verkeerde boeken! Ze noodigt Zuzanna bij zich. ZEVENDE BRIEF. MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP. _Dierbare Vriendinne!_ Wel, wat heb ik een dag gehad, een dag gehad: och! ik vrees dat de Boze maar te veel vat op my gehadt heeft; ik was zo toornigjes, zo toornigjes. Och ja, zo van myn hert afgedwaalt. Dogt ik dat, toen ik dat meisje by me nam? Ik dogt, dat er wat goeds in was; want toen haar Moeder ziek was, was zy zo stil en zo ingetogen, en kreeg ook onze kleur[1] al; maar 't was ook maar onze kleur, en meer niet. Zy was my nog te waereldsgezint; zo bedroeft was zy over hare Moeder; en moest het Hellewicht niet gedagt hebben, dat ik haar beter was dan zeven Moeders? Wat zeg jy, Zusje? Ik, die alles doe om hare lusten te doden en te kruizigen. Och ja! Ja, het stond my ook nooit wel aan, dat zy, als zy in het oude Testament las, altyd met er neus in de Spreuken en den Prediker zat. En ik vond het nog erger, toen Broeder Benjamin zei: "dat Salomon al dat pligtmatige, waar van hy zo veel schreef, geschreven hadt, in den tyds zyn's afvals; eenigjes en alleentjes om zyne Heidensche Wyven en Bywyven te behagen, die wel zin daar aan hadden, in die blinkende zonden, zei hy; en dat, toen Salomon zich bekeert hadt, hy ook van dat betrachten, dat doen, zoude gezegt hebben: Ydelheid der ydelheden, dit alles is ook ydelheid". Al dat doen, Zusje, laat de ziel maar leeg; die draf van goeije werken zyn ook al todden en vodden van eigen gerechtigheid, zo als de Zuster Alida met yver altoos zegt. Zusje, wat is die Broeder Benjamin toch een groot mannetje! Nou, ik zal zien te komen, en dan zullen wy spreken van herte tot herte. Ik heb u en de broeders lief. Z. HOFLAND. PS. Het Theologiesch Verrekykertje van Zuster Welgeleert gebruik ik met stichting: als je weer eens een zoet Boekje hebt, hoor. Noot: [1] Geestesrichting. ACHTSTE BRIEF.--Sara schrijft Aletta de Brunier, dat ze komt, als de weduwe Sp. haar wil hebben. NEGENDE BRIEF.--Deze verklaart zich bereid Sara te ontvangen, tegen billijke vergoeding. Het zal haar wel bevallen. TIENDE BRIEF. MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA DE BRUNIER. _Douce et tendre amie!_ _Je suis enrage_, op het oud Wyf--op myne Tante; ik wil geen week langer blyven; 't is of ik in de hel woon. Myne Tante heeft zeer veel van zyn Satansche Majesteits karakter; en Bregt verdient wel een schonen dienst in zyn onderaardsch ryk ... Ja! bons wat aan; ik zal niet antwoorden, ik zal ook niet open doen. Sus! daar hompelt zy, al grommende, den trap weer af. Goeije reis naar beneden. Ik moet, _chere_, u eens een _Scene_ tekenen, die u niet zal uit de hand vallen. Woensdag voormiddag raasde zy als eene bezeetene, om dat ik eenige nieuwe Aria's speelde. (Dat's een Wyf, ook?) Zy werd geholpen door haar Hottentot van een meid, die my dorst zeggen, dat zy ook danig ontsticht was. Met wordt er gebelt. Bregt, die volmaakt een zog van een Bollebuisjeswyf[1] gelykt, waggelde naar voor; en Tante gaf my een verbruide oorvyg, om dat ik bleef spelen.... "Juffrouw, daar is Sinjeur Benjamin."--"Wel hede, laat Broeder maar agter komen." Daar kwam Broeder, een luije zuipzak van een Kerel, in een paarschen Japon; (men zou wel zeggen, wie of zo een verlopen Slagers Knegt toch een Japon heeft leren dragen.) "Welkom Broertje, wel hoe is het nu nog al met je?"--"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"--"Wel, dat is droevig, maar je vergt je ook wat veel."--"Ja 't is myn Ambtsbezigheid; en hoe vaart Zuster? Je schynt wel wat onthutst."--"Ja, dat ben ik ook, 't is niet altyd het effen wegje, Broertje." (Tegen Bregt.) "Ei meid, is er niet wat? dan zou Broeder hier maar familiair blyven." (Tegen my.) "Toe, lieve Saartje, was dat uittestaan, lieve Saartje, en myn wang gloeide nog van den slag, bak jy nou ereis schielykjes wat dunne Pannekoekjes, Broeder lust die zo graag." Ik sloot myn Clavier, en zei: 't is wel, Tante. Ik ging naar de Keuken, en bakte helder door: maar-ik -at-die-al-bakkende-zelf-op. Dit is de eerste trek, die ik haar speelde, hoe zelden ik myn genoegen kryg. Ik moet hier alles doen; want Bregt is een lomp schepsel, en snuift sterk. Toen ging ik, terwyl Bregt in huis klungelde, de tafel dekken. Bregt eet met ons, want het is Zuster Bregtje, moet je weten, Letje. Tartuff[2] zou een goed woord spreken, maar de Vent badt, (zo noemen zy dat gehuilebalk,) wel een kwartier lang. Het geen hy jankte, geleek veel meer naar het morrent gegnor van ondankbaar Vee, dan naar de zuchten van een bewogen hart, 't geen zynen God looft. Ik kreeg, _a l'ordinaire_[3], eeten op myn bord, twee schepjes groente; met een slenter kout vleesch van 's daags te voren. Ik spelde myn Servet voor: "als ik gelyk een kind eeten kryg, moet ik ook zien, dat ik my niet bemors." "Och of gy een kind waart," zei de Smulpaap, die onderwyl met zyn duim en vinger de boter van de _robe de chambre_[4] eener Cottelette aflikte. "Dat zou heuchelyk zyn," zei Tante; "ja wel heuchelyk," zei Zuster Bregitta. Toen kreeg ik nog wat byeengeschraapte Spenage, en een stuk Cottelet. Zuster Zantje, en Broeder namen onderwyl eens. Ik kryg nooit wyn. Tante zegt, dat het niet goed is voor my, en dat kan wel zyn; want ik ben jong en gezont. "Kom, Saartje, neem nou maar af; Bregtje is wat vermoeit; de sloof wordt oud." Ik deed zo; zette het Dessertje op. "Waar bennen de Flensjes, Saartje?" "Die bennen in myn maag, Tante." Snap myn servet neer gegooit, (by ongeluk tegen Broeders palmhoute[5] pruik,) en het onweer op myne Kamer ontweken. Gy weet, ik ben tamelyk vlug, dat my toen te pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de Hottentot met een stuk brood en een glas zuur bier, er by voegende, "dat ik het nooit kon verantwoorden, zo als ik een vroom mensch evel plaagde." "Scheer je van myn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit. Het brood (het was goed op de Flensjes,) at ik op. Het bier gaoide ik weg, en dronk eens helder uit myn Caraffe: ging vroeg te bed, en sliep als een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een kom Thee, die wel omspoelzel lykt. Tante gaat uit, en wil my voor haar oogen niet zien. Zo zitten nu de zaken. Mooglyk geef ik u deezen wel in eigen handen, mooglyk niet: Ik weet niet hoe 't zal uitkomen. Vast kom ik, de brief der goede Weduwe heeft my in dit voornemen gesterkt. Ik zou al by u geweest zyn, maar ik wagt op een Brief; die brief komt niet. Ik zal, voor ik dit huis verlaat, aan haar die ik bedoel nog eens schryven ... doch dat kan ik by u evengoed doen. Ja, lieve meid, gy hebt wel kostelyk gelyk! Men moet maar wel doen en vrolyk leven. He, wat? op die Fynen is toch geen staat te maken; echter zyn er (of jy 't niet geloofde,) zulke vrome zielen onder, die, waren de hoofden dezer brave menschen zo goed georganiseert als hunne harten, wel zuiver en godsdienstig zyn ... enfin, kort gezeit, Letje, Salomon, de wyze Koning Salomon, is myn man: _men moet het goede genieten van zyn leven, ende van zyn arbeid_;--daar mee is dat maar uit, en afgedaan. 't Wordt donker, en ik kryg geen licht in myn kamer; ik kan des niet langer schryven. Hoe zal dat gaan als ik beneden kom? Ik zal eerst Tante goeden avond zeggen, en als zy draaglyk is, by haar gaan zitten breijen; zoo niet, dan ga ik in de zydkamer, de lantaarn brandt toch in het voorhuis, open myn Clavier, en speel op 't gevoel maar weg. Maak myn Compliment aan Mejuffrouw de Weduwe Spilgoed; en zeg haar zo veel gy nodig oordeelt, zo gy deezen nog, voor ik u omhels, in handen krygt. Nagt, lieve ziel. Tout a Toi, S. BURGERHART. Noten: [1] Poffertjeswijf. [2] Benjamin = huichelaar (Moliere). [3] Als gewoonlijk. [4] 't Vleezige. [5] P.-H.-kleurige. [Illustratie: Snap mijn servet neer gegooit, (bij ongeluk tegen Broeders palmhoute pruik,) en het onweer op mijne kamer ontweeken. Illustratie van C. Bogerts, naar teekening van J. Buys, in de 1e uitgave van 1782.] ELFDE BRIEF. MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. _Ge-eerde Heer, zeer waarde Voogd!_ De steen is geworpen: ik ben 't ontvlugt, en acht het pligtmatig u alles te melden. Gister namiddag ben ik hier in myn nieuw Logement gearriveert: Ik zal alles vertellen. Ik twyffel dikwyls, of Tante my deeze laatste weken niet zo geplaagt heeft, om my deezen stap te eerder te doen doen. Het volgende deedt my nog te eerder tot een besluit komen. Ik ontmoette in een Fransche winkel, daar ik een paar handschoenen kogt, eene myner School- vriendinnetjes, zekere Letje de Brunier. Het lieve meisjes Vader was de Heer Phillips de Brunier, geen ongeacht Commissionaris[1] op Duitschland en Italien: Ik leg haren brief aan my, ook die der Weduwe, daar zy by logeert, hier in; op dat gy zoudt weten al wat er my van bekent is. Nu de Vertelling. Gister middag ging Tante uit eeten. Ik kleedde my aan, stak wat linnen by my, ook myne juweelen, die ik van u gekregen heb, voor gy naar Frankryk ging, doch die ik nooit heb aangehad, met een weinig gelds, (want zy geeft my niets,--geen duit.) Bregt hadt de stoutheid om my te vragen: "waar ga jy heen?"--"Dat raakt jou niet."--"Dan zel je ook in huis blyven."--"Heb jy 't hart, en belet my dat eens." Ik kan wel boos worden, maar niet kyven; en ziende dat Bregt haar talent te werk stelde, bedagt ik my: "Bregt, zei ik, heeft Tante je die ordres gegeven, dan moet ik haar de reden vragen, als zy t'huis komt; wat zullen wy eeten?"--"Kliekjes", zei zy. "Goed, ik heb honger; maar wy zullen Tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een fles wyn, jy hebt zeker den sleutel."--"Ik doe niet, juffrouw Saartje: (nu ik van putten[2] sprak, kreeg ik aanstonds deezen tytel!) "Jy jokt, Bregt; als Tante er van spreekt, zal ik haar den wyn betalen."--"Je Tante heeft altoos zelf den sleutel; maar als Juffrouw my niet beklappen zou, ik kan er toch wel by."--"Ik je beklappen! wel, dan moest ik wel gek zyn; kryg maar, toe, schielyk." Zy ging. Ik had al lang gemerkt, dat Zuster Bregtje aan de fep was; ik tastte haar des van de zwakke zyde aan. Doch, pasjes was zy in den Kelder, of ik, flink de deur in slot, en de grendels er op. Toen ging ik het huis uit, en haalde de huisdeur agter my toe. Hoe het verder met de Zuster gegaan is, weet ik niet. Ik heb, op Tantes tafeltje, een kaartje laten leggen, om dat zy niet ongerust zyn zoude. Zy heeft my schrikkelyk geplaagt: mooglyk zal zy zich dit herinneren; en wat hoef ik haar te kwellen, nu ik uit haar magt ben: Is 't niet waar, myn Heer? Wat verlang ik naar een Brief van u! De Muziek heb ik ontfangen. o Wat zyt gy een goed man! Kon ik u mondeling zeggen, hoe zeer ik u acht, en hoe gelukkig ik my reken van te zyn, MYN HEER! _Uwe Ootmoedige Dienaresse en Pupil_, SARA BURGERHART. PS. Myn adres zal ik hier ook by leggen. Noten: [1] Handelsagent. [2] Zuipen, pimpelen. TWAALFDE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Saartje: ze is zoo jong; ze moet zich nogeens bedenken; misschien trouwt ze gauw; gaat 't verkeerd, dan krijgt Sara de schuld. Bij die wed. Sp. leven ze luchtigjes, ook Aletta is maar luchtig. Hoe denkt Blankaart erover? Zij zal 't haar moeder vertellen: _misschien wil die Saar wel hebben_.--Deze brief blijft wat lang uit. DERTIENDE BRIEF.--Sara beklaagt er zich over en wordt boos om Anna's koelheid. _Haat_ me desnoods, zegt ze, maar _veracht_ me niet. Eindelijk komt Anna's brief en Sara schrijft haar. VEERTIENDE BRIEF. MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. _Dierbare Willis!_ Zoo ontfang ik den uwen. Kunt gy my nog liefhebben? Hemel, wat ben ik ongelukkig! Zedert de dood my myne Moeder ontnam, liep my alles tegen. Waarom ontfing ik uwen Brief niet eerder? dien voor my zo allernodigsten Brief, o Myne voortvarentheid!... Wat meer geduld, en wie weet hoe gelukkig ik nu zyn zoude. Maar durfde ik daar op hopen? By u te zyn;--onder het zorgende oog uwer Moeder. Dat is nu te laat! En ik moest nog de Zedemeestres spelen! Ik moest, zo onkundig van myn hart, het uwe beproeven! Ik moest--och, lieve Naatje, vergeef het my; zoek toch naar eenige verschoning voor my, ik kan niets vinden. Ik heb, voor een jong mensch, al veel verdriets gehad, en al veel ongelyks geleden; maar nu, nu ondervind ik voor 't eerst, dat zelfverwyting eene zeer grievende smart veroorzaakt; alles is daar beuzeling by. Als ons hart zegt, men doet u ongelyk, gy verdient dit niet, dan is de belediging zelf, vreugd, by de bewustheid dat wy haar, die ons lief heeft, kwalyk behandelen; ook terwyl zy zich bevlytigt om ons te helpen. Dit gevoel, hoe pynlyk, troost my echter; het maakt my uwer vergeving waardig. Verscheur myn laatsten Brief. Laat hy zyn als niet geschreven: ik was moedeloos. Wat zal het my nu helpen, uwe bedenkingen te wikken? Helaas, Naatje, de stap is gedaan! Ik ontken niet, dat ik hier zeer vergenoegt ben; maar uw Brief, uw Brief! Ik had dan mogen hopen altoos by u te zyn? Gy weet hoe gaarn ik by u, by uwe lieve Moeder ben! En is Willem t'huisgekomen? (van hem eens nader.) Waarlyk, ik heb het hier zeer wel, hoewel het is nog vroeg, eerst de vierde dag; indien ik het vergelyk by de laatste jaren: doch by u te zyn ... 't is vrugteloos. Dit maakt my droefgeestig, en verbetert myn lot niet; ik schrei er van. Mejuffrouw de Weduwe schynt een zeer goedaartig mensch, zy ziet er allervriendelykst uit; ik denk, dat zy byna veertig jaar oud is. Zy heeft fraaije manieren; zy is eene Vrouw van fatsoen en opvoeding, dat ziet men. Zy spreekt niet veel, doch 't geen zy zegt is goed gezegt. Zy leest veel, en in verscheidene talen; heeft de Waereld gezien; speelt keurlyk op 't Clavier; is zindelyk over haar huishouden, naarstig; modieus, doch niet opzichtig gekleedt; een weinig gekapt, wel te vreden met ons, zo als wy met haar. Gezelschappen heb ik hier nog niet gezien. Juffrouw Letje is een lief vriendelyk meisje, niet zoo levendig als ik: zy zucht meermaal; waarom weet ik nog niet. Zy leest gaarn, zingt fraai, en is, alles in eens gezeit, als de meeste meisjes, die niet veel goed of kwaad bedryven. De twee andere Dames heb ik nog maar eens aan 't middagmaal gezien: beiden hebben goede manieren; en, schoon ik de jongste ben, behandelen ze my met veel beleeftheid. Zy gaan veel uit, schynt het. Letje is meer t'huis nu zy my heeft, dan van te voren, zegt de heusche Weduwe Spilgoed. 't Is raar! alles is zo wel naar myn zin, en echter ik ben niet gerust. U heb ik kwalyk behandelt, en weet niet hoe of gy my beschouwt. Acht ik u dan hoog? heb ik uwe achting voor myn geluk nodig? Letje kwam daar by my; ziende dat ik geschreit had, was zy zeer met my bewogen. "Wat scheelt er aan, Liefje," zei zy. "Och niets," zei ik, "maar ik ben my zelf moede, o die Brief, die Brief!" Zy zag dien leggen, maar weet te wel wat de betaamlykheid eischt, om onbescheiden te zyn. Zy zag my aan, vatte myne hand, en 't was of zy my iets wilde zeggen, doch, zich bedenkende: "Kom, Burgerhart," hervatte zy, "gy zyt niet vrolyk: ik ben 't ook niet altoos, en dien wel by u te zyn om het te wezen. Wil ik die solo eens zingen, die gy zo graag hoort? dat zal u wat van u zelf verwyderen." Droevige toevlucht! dit toont wel dat het hier, hier onder de borst, niet richtig is. Ik verlang en beef teffens voor een Brief van u. Och! schryf alles wat gy maar wilt, zo gy my maar in waarheid kunt schryven dat gy nog bemint _Uwe Vriendin_, S. BURGERHART. VIJFTIENDE BRIEF.--Sophia Willis-Van Zon--Anna's Moeder--schrijft Blankaart over Sara. Saartje heeft haar tante verlaten en woont nu bij de wed. Spilgoed--wat ze _niet_ goedkeurt. Zij zelf kan Sara niet nemen, want behalve voor achterklap vreest ze voor haar zoon Willem. Willem is verliefd op Saar, en hij heeft geen geld, zij wel; bovendien: _die twee passen niet voor elkaar_. Sara moet een man hebben die haar aan kan; Willem is een lobbes. ZESTIENDE BRIEF.--Anna Willis schrijft een allerdeugdzaamst en vriendelijk antwoord aan Sara: ze gevoelt zich na dien boozen brief nog meer aangetrokken tot haar. Geeft haar den raad: "_leen nooit geld van anderen, kom dan bij mij_." ZEVENTIENDE BRIEF. MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. _Myn Heer!_ De Apostel zegt: "dat wy allen ommegang met Zondaren niet kunnen vermyden, want dan zouwen wy buiten de Waereld gaan moeten." En schoon ik my zo kan vinden in de woorden van dien Heiligen sukkelaar, zo als Broeder Benjamin Koning David wel eens noemt; zo kan vinden, zeg ik, in de woorden daar hy zegt: "ik kome niet op den weg der Zondaren:" zo vind ik het nu in mynen weg noodzaaklyk, myne oogen naar het Afgodisch Vrankryk te slaan, ende my als te begeven onder hen, die het teken des Beestes aan hun voorhoofd dragen. Je weet, myn Zusters man vondt het zo, om u tot eersten Voogd voor zyne Dochter te verkiezen, en hare Moeder maakte my mede-Voogdesse, bevelende, wil ik spreken, haar aan myne liefde en bescherming. Daar voor kreeg ik 's Jaars een matig stuivertje van honderd halve ryertjes; och ja! Dit was weinig genoeg; want het Meisje was weelderigjes opgevoet: ik moest, om haar, nog al meer omslag maken, dan ik zo in myn eigen gedoente gewoon ben; och ja! Maar, wat is 't? men doet veel uit liefde ende tot liefde. Had ik maar vruchten mogen zien, dan zou ik my alles nog kunnen troosten. Doch al myne moeite, al myne zorg was te vergeefsch. De Meid heeft een Keistenen hart, geheel voor de Waereld; en zo lang ik zoo met dat lastig Zeeschip getobt en gewroet hebbe, ben ik zo van myn hart afgeweest. 't Is of de Zegen uit myn huis is. Ja, ik heb van haar kwaad humeur veel verdragen; maar ze is weg gevlugt. Voorleden vrydag was ik by eene hele vrome Mevrouw ten eeten, met Broeder Benjamin en nog ettelyke vromen, om een goed woord te spreken. Ik beval aan myne meid, onze Bregt, op Saartje te passen. Wat gebeurt er? Ik kom 's avonds met den Broeder welletjes en vriendelykjes thuis, ga naar 't zaaltje, roep; kryg geen antwoord. Eindelyk door myn gang gaande, hoor ik iemand die roept: "Juffrouw, och Juffrouw! ik zit in de kelder." Ik doe de deur open, daar zat myn meid in den donker opgesloten, en was zo ontstelt, dat zy my pasjes kon zeggen, dat die ondeugende Sara haar in de kelder gesloten hadt, en zelf de deur was uitgegaan. De meid was zo bezet van den drank, dat ik wel denken kan, dat zy haar die heeft ingeperst, en toen in de kelder gebragt, op dat Bregtje haar niet in hare snode vlugt zoude beletten. Nu is zy in een godloos huis, daar gedanst en gespeelt wordt, daar de Juffrouwen een el hoog gekapt gaan, en met alle vromen den spot dryven. Ik zou haar wel laten weer halen; maar ik dank den Here, dat zy maar weg is. Nu zal ik weer rust en stilte in myn hutje hebben, en myn eigen wegje gaan. Maar jy moet haar straffen, dat is jou pligt. Ik eisch het volle geld tot zy trouwt, of vyfentwintig jaar is; zy is uit 'er zelf weggegaan: nou, dat spreekt van zelf. Ik geef u aan u zelf, en haar den Duivel over, wiens lievrei zy al aan heeft. Ik sny haar af. Zy zal geen duit van myn goedje hebben. Nou, 't geld wagt ik op den vervaldag. Hoe heuchelyk zou het zyn, indien gy ook in onzen Wyngaart arbeidde; maar uwe vervreemding van het goede laat my niet toe u anders te noemen dan MIJN HEER, Ik ben, uwe beterschap en bekering wenschende, ZUZANNA HOFLAND. ACHTTIENDE BRIEF.--Blankaart antwoordt wed. Willis: hij is zeer vereerd. _Zelf heeft hij vroeger een oogje op Sophia gehad_; wie weet wat er nog gebeurt!--Hij is het met haar eens: Willem is op Saar verliefd, dat heeft hij gemerkt. Geld was 't ergste niet, maar als ze niet bij elkaar passen--'t zij zoo! Dan niet aanmoedigen. Laat Sophia een oogje op Saar houden; hij wil Willem wel voorthelpen. NEGENTIENDE BRIEF. DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND. _Mejuffrouw!_ Wel zeit het Hollandsch spreekwoord: "Hoe later op den dag hoe schoonder Volk." Maar wat heb ik met uw gelol en uw heilige sukkelaar te doen? Wat geef ik om uw Broer Benjamin? Weet gy wat, Juffrouw Hofland, uwe hele ouwe voddenwinkel van kweeslary raakt my niets, geen oogvol. Hou uwe brieven maar t'huis, ik weet alles in 't lang en in 't breed. Het Kind heeft deugdelyk gedaan. Zy moet meer gedulds hebben dan ik, anders hadt zy zo lang niet eens by u gebleven; dat 's maar uit. Waar ik in Amsterdam geweest, ik zou haar zelf uit uwe klaauwen gehaalt hebben, en in myn huis gebragt; al hadt gy en uw volk my braaf gelastert, dat scheelt my weinig. Hoe, wat hamer! denkt gy, dat ik niet weet hoe jy haar gedaan hebt, en dat jy haar als een zottin door de godgantsche stad hebt laten lopen in ouwe konkelige kleeren, en dat voor een meisje die geld heeft, en altoos proper gekleet pleeg te zyn; iets dat ik ook byster graag zien mag: wat wilje nu daar van hebben, he? Jy meugt waaragtig nog wel spreken van omslag! Wat heeft Saartje by u gehad? overgeschoten klieken, en niet half haar bekomst. Weet je wat? Jy hebt het geld van een Wees met uw Smulbroers, en Fekel-kousen[1] verteert, en het meisje nog gebruikt, om dat Gespuis optepassen; dat heb je. Je meid is een dronken Tobbe, hoor! Zy komt er genadig af. Laat zy nooit onder myne oogen komen, want ik ben wat poestig[2]; ik mag geen onrecht zien, dat om de hagel niet; er zullen konkels zwaaijen[3]. Wat leg jy ook te wauwelen over afgodisch Vrankryk; en van menschen, die het teken des Beestes aan hare Voorhoofden dragen? Ik weet niet veel van al die nieuwe snofjes en modes; noch hoe die duivelderage hiet, die de Dames nu alweer opzetten; doch jy weet er ook niet veel van. Maar zo zyt gy allemaal: dat gonst, en dat bromt over zottigheden, en wezentlyke zaken laat men zo als zy zyn. Je slagt[4] de Dominees, die, als zy haar studeertyd verkwanselt hebben, zulk tuig op den Preekstoel brengen, daar het te pas komt als een Olykoek in een Treurspel. En wat brust[5] het my, al droegen de Fransjes het Zevengesternte op hun hoofd? Ik ben een oud Hollander, die hier niet kom om zulke grillen, maar om myne affaire te doen, en bemoei my niet met het teken des Beestes, of waar zy dat opplakken; doe ook zo, en je zult wel doen. Wel, ik denk dat ik zo wel in den Bybel lees als jy, maar wie duivel heeft daar ooit van heilige Sukkelaar gelezen? Broer Benjamin is een zotte Vent, hoor! En ik zou my dood schamen, dat zou ik op myn eer, indien ik zo met Gods woord omsprong, en het zo Satans gek toepaste, zo als jy Fynen doet. Weetje wat? David was een held, die de Oorlogen des Heren voerde, en een Kaerel als een boom aan dorst: den Reus Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag hy, en David ook niet lui, als de blis er op, flink maar, zyn dikken kop afgeslagen: dat was zeker geen sukkelaars werk, meen ik. Hy was een Groot Generaal; dat klinkt je wat anders voor den snoet. Paulus? van Paulus moet je afblyven. Paulus was de beste, de raisonnabelste man van de waereld; want hy zegt met ronde Zeeuwsche woorden: "Gierigheid is afgodery". o He! kwam die vrome Apostel eens hier, ik verzeker je, (voor een kwart per Cent,) dat hy uw huis een afgodisch zou noemen. Wat praat jy van een goddeloos huis? mogen de jonge Dames dan niet zingen, niet spelen, als zy maar wel oppassen en braaf zyn? En ik hou veel van de Muziek, en Saartje speelt capitaal, en ik heb haar eene hele scheepslading Muziek gezonden; doch gy zult geen occasie hebben om ze op 't vuur te smyten. Wat zeg je; wat blief je: weet ik van de zaak? Ik heb zo veel achting voor brave vrome menschen als iemand in de Waereld, maar al je gekwaek, en al je geteem is geen snuifje waart; op myn eer, dat is het niet. Ik weet meer van joului werk der Duisternis dan je denkt; ik ken dat lieflyk Oeffening houden; de goeijen niet te na gesproken; want ik wil allen niet met een kwast overstryken. Maar gy en uwe Soci, daar heb ik de nyd op. Wat weet zo een luije Zuipzak van Gods Woord? Hadt hy liever voor 't lieve Vaderland, (en alle zoete meisjes) Ossen en Schapen geslagt, hy zou een veel nutter werk gedaan hebben. Hoe! hebben wy in Amsterdam dan geen wyze Dominees, die werk van hunne studie maken, en kunnen wy daar niet Kokseaansche, Voetsiaansche, en Lampiaansche Waarheden horen[6]? maar neen: die goeije menschen klagen over yverloosheid, en velen preken, God betert, ook voor stoelen en banken; en in je lui kamers zitten de Vroompjes gepakt als haring in de ton: zo dat ik wil maar zeggen, dat ik een vyand van zulke Oeffeningen ben. Hoor, als ik Burgemeester T., of een ander braaf Regent van onze Stad was, ik zou Amsterdam eens terdeeg zuiveren van die onnutte Broodeeters. Ik zou, door de stads Omroepers, met het wapen der stad op hunne bekkens geschildert, de les van Paulus laten opklinken: Hoort, gy brave Burgers en ingezetenen: hoort: "Die niet werkt zal niet eeten". En zulke kwanten, als Broer Benjamin, kregen logement in 't grote Werkhuis, dat er zal gebouwt worden op 't Wezeper Veld: wyl hy een van die Borsten is, die by de huizen omgaande, de Vrouwtjes gevangen nemen, die met zonden beladen zyn. Ik zou niet half zo boos op jelui zyn, indien de stille zielen, die het zo wel met het goede voor hebben, om zulk volkje niet bespot of veracht wierden. Ik heb veel gereist en getrokken, en heb veel in Roomsche Landen verkeert, maar de Papen zyn nog beter dan jy lui; en er valt evel ook niet veel op te roemen. Jy Saartje aan den Duivel overgeven! Weet gy wel, dat hy een kwaaje Gek is, en dat, als gy haar niet kunt leveren, het er wel eens heel benaauwt voor u zou kunnen uitzien? mooglyk neemt hy Tante, om dat hy Nichtje toch niet bekomen kan. Ken jy de Weduwe, daar zy by inwoont? Je mogt wat, een struif. Puis! Tante! is het zo goddeloos, een menuetje te dansen; Wel dat mogt jy, en broeder, en je dikke Bregt ook wel eens ondernemen, om de kwade humeuren, door luiheid, en lekker smullen opgegaert, uit te dampen. Zie, wy kennen malkander van voor dertig jaar; je plagt zo vies niet van een Dansje te zyn. Hoor, ik ben eens door zo een Fynbaar schrikkelyk bedrogen, en zedert gaat er een kou over myn lyf, als ik aan je lui denk. Ik spreek niet van vrome naauw-gezette lieden; dat weet jy heel wel. Wel, wie hoort er van, gy Vrienden gebruikt ons, zo als de Smausen de Christenen gebruiken, om de Sabbatslampen optesteken. Ik kan 't niet knopen[7], dat uw' lieve Zuster besloot, u haar eenig Kind toe te betrouwen. Mooglyk hebt gy zo lang aan haar zwak hoofd liggen gonzen en huilebalken, dat zy het moest opgeven. Alles is jelui gaaijing. En 't was nog eene zoetigheid, honderd halve ryers voor haar kostgeld. En durf jy nog van geld kikken! Hoe, wat hamer! denk je dat ik een schurk of denk je dat ik razende dol ben? Ik ben haar Voogd; zy is met myne goedkeuring heen gegaan. Jy hebt het haar moede gemaakt.--Trekken zul je,--ja! aan een askar. Wel, je bent eene overheerlyke Tante! Je bent immers nu veels te oud en te lelyk om nog eens te trouwen: wat zul je met jou geld doen? Meenemen? Loop voor Joost, ontmaak het kind uw goed, zy heeft genoeg. Procedeeren? Ei spreek eerst den Advocaat naast den gouden ketting eens[8]. Zo die het u aanraadt; hier is je man. Spreek niet van haar kwaad humeur. Zy is maar al te zoet van aart, en te toegeeffelyk. Zoo zeit de brave Weduwe Willis, en elk die het lief kind kent. Doch wie Satan kan met zo een paar ouwe Meerkatten omgaan, als jy en Bregt? Zie daar Zusje, nu heb ik ook eens gewerkt in uwen zondigen Wyngaert; ja, ja! ik heb de ranken zo verbruit besnoeit, dat, zo er nog iets goeds van zal komen, het volgende jaar goede vruchten zal leveren. Ik twyffel, of Broer de Uitlegger u, voor alle uwe Smulpartytjes, wel zo vele heilzame Waarheden gelevert heeft, dan gy hier ontvangt voor eene Fransche Briefport. Om u aan den Drommel overtegeven, (in plaats van myne Pupil,) denk ik dat nu te laat is; en ook, hoe boos ik op u ben, ik wensch uit grond van myn hart, dat gy u verbeterde: gy zyt wel oud; doch men is nooit te oud om iets goeds te leren: gy waart toch in uw jeugd nog al een rare schommel; hoe kom je zo verandert? Ik wil geen katteschrift meer van u ontfangen, zo gy u niet bekeert; daarom wordt alles in eens afgedaan door ABRAHAM BLANKAART. Noten: [1] Kletskous. [2] Kort aangebonden. [3] Klappen vallen. [4] Lijkt op. [5] Kan 't me schelen. [6] J. Coccejus, 1603--1669, G. Voetsius, 1588--1676, F.A. Lampe, 1683--1729, godgeleerden van zeer uiteenloopende richting. [7] Begrijpen. [8] Bedenk dat 't geld kost. TWINTIGSTE BRIEF. DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. _Lieve Kind!_ Myn Boekhouder, de oude goede Peterszen, zal u het geld brengen, dat ik u toeschik: de Wissel bedraagt duizend Guldens. Koop er al van wat gy nodig hebt, om in ordentelyke gezelschappen te gaan. Maak drie Sacken, of hoe hieten die Samaartjes[1], zo als uwe Moeder en Grootmoeder droegen. Koop alles wat er by hoort, maar niet opzichtig, of wilt; nu ik vertrouw alles goeds van u. En doet nu niets aan je lyf, dat je niet kunt blyven dragen: dit zou u al zo gek staan, als die klungels die Tante u aan deedt. Gy moet het eerste half jaar in voorraad betalen; ik wil geen verplichting op dit stuk. Leg het wel aan, en als ik u zie, toon my dan eens hoe gy 't besteet hebt. Hoor meid, zo je 't wel aanlegt, heb jy gelds genoeg; zoo niet, dan is 't gaauw op. Ik heb zakken met klagten over u, in eenen zotten Brief van je Tante. Doe jy maar wel, en ik zal u altoos voorstaan. Ik had gemeent t'huis te komen, maar 't zal nog vooreerst niet lukken. Luistert toch altyd naar de brave en wyze Juffrouw Willis, als of het uwe moeder waar; meer eisch ik niet van u. Ga je wel in de Kerk, Kind? Dat moet je voor al en voor al doen. Daar zit ik nou weer in een Paaps land, daar hoor je van God, noch zyn gebod, wil ik spreken; en zo ik myn tyd niet wel had waargenomen, hoe zou 't nu gaan met my? Als ik t'huis kom, zal ik je alle Zondag afhalen om ter kerk te gaan, want ik ben nog zo een oud Hollands man; en je zou niet geloven, Kind, hoe fraai de meisjes zyn, als zy daar, gelyk zo een rei wassepoppetjes, wel gekapt en gekleet, aandagtig zitten toe te luisteren wat de Leeraar zegt. Ik versta weinig Fransch, maar als je evel toch altemet eens naar de Fransche Kerk wilt, dan zal ik, uit pure inschikkelykheid, met je gaan, en denken: zy onderhoudt er haar Fransch door; en voor my is de penitentie kort, want die Coquette Abbeetjes maken het in een uur knaphandig af. Zeg eens, Saar lief, staat er ergens in den Bybel van een _teken des Beestes_? zy past dat toe op de menschen daar ik nu by ben. Ik heb de vier Evangelien al eens doorgelopen, doch vind er niks van[2]. Doch dat Fyne volk vindt zo veel in Gods woord, dat er geen Christen mensch anders in kan vinden. Jy hebt niet veel anders te doen, lees zo lang tot je het vindt; maar 't zal weer op niets uitkomen. Evenwel staat het in den Bybel, dan spyt het my, Kind, dat ik het niet wist: want ik ben een dood vyand van spotten. Och Heer! ik dagt dat zy choqueerde[3] op de Kapsels. Zo ik iets op u vermag, bederf uw schoon bruin hair niet ten plaisiere van eene ongevallige mode: anders moei ik my er niet mee. Nu, zoek er eens ter deeg naar, hoor? En schryf my of gy 't wel hebt. Vrees God, leef betaamlyk, en denk dat je daar twee Ouders in den Hemel hebt, die u ter zyner tyd hopen weer te zien. Nagt beste Kind, ik ben _Uw toegenegene Voogd_, ABRAHAM BLANKAART. Noten: [1] Ruime japon met overkleed. [2] Openbaringen. [3] Hier: afgaf op. EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara stelt Blankaart gerust; ze is niet verkwistend, dankt voor 't geld, vraagt een paar japonnetjes; Jacob Brunier--Aletta's broer--vindt ze een _meisjesgek_; Willem Willis beschouwt ze als haar _broer_, diens moeder acht ze hoog; ze verlangt naar Blankaart. TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Aan Anna Willis vertelt Sara, hoe ze zich in de bullen steekt, nogal weidsch! Ze ombert om 'n stuiver 't fiche! wat ze niet veel vindt. Ze heeft 't best naar haar zin: Jacob Brunier bevalt haar niet: te fatterig. DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna antwoordt: ik maak me ongerust! Die Brunier vrijt naar je, en dat zou niets zijn, als hij maar wat beteekende. Spelen? Ook Anna speelt, maar Saar _maakt het te bont_! Ze zal ziek worden, vermaak-ziek. Pas op, Saar! VIER EN TWINGTIGSTE BRIEF. DE BROEDER BENJAMIN AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. _Men Heer!_ Jy hebt ons, ons volk, ende onzen weg beroert, en schoon de Zusters zich alles zouwen getroosten in stille zuchten, zo voel ik my gedrongen om het voor haar, de goede zaak, en my zelf optenemen, om dat ik haren stichter en huisbezorger ben; al ben jy een groot Heer, ik zal jou tonen, dat ik op de muren van ons huisselyk Sion geen stommen hond ben; myn geblaf zal je doen zien, dat ik geen Indringer, geen Bemoeiael ben, maar dat ik eene wettelyke Roeping heb. Nou ja; men Vader liet me de slagery leern; 't was een waerelds man, een schoenlapper; maar men Moeder was evel in Kerkelyke bediening; want zy was eene der Kerke-schoonmaaksters; en hadt men Vader het niet belet, zy zou my op de Studie gedaan hebben; doch hy vroeg altoos, "of zy dan razende dol was;" de middelen ontbraken, en ik had eene grote mate van ziels en lichaams vermogens, en veel meer trek tot geestelyken dan tot slagerlyken arbeid. In mynen onoverwinbaren afkeer van allen lichaams arbeid, hoorde ik myne roeping tot een ander amt; ik was gehoorzaam, ik kategiseerde de kinderen en de vrouwtjes uit myn Buurt, voor een mondvol eeten, want de arbeider is zyns loons waardig. De reuk myner gaven verspreidde zich ook spoedig; de Groten der aarde verruilden ook gaarn myne toelichtingen voor hunne tydelyke goederen; edoch, dit getal is echter niet groot. Dus raakte ik ook bekent met de vrome Juffrouw Hofland, die gy als een andre Saulus vervolgt. Ik slyt vele opgewekte uurtjes met haar. Nu weet gy wie ik ben; maar jy bent een Atheist, een Armiaan, een Sociniaan; ja je bent, mag ik met ruimte zeggen, een Deist[1]. Jy bent een voorstander van alle godloosheid, jy staat een dartel Hellewigt voor; dat doe jy; ja, dat doe jy. Jy weet ook wel, dat Juffrouw Hofland, als eene echte dochter van Gaaijus[2], de noden der Heiligen vervult; en jy onthouwt haar heur geld; zoo dat jy een Kerkrover bent; ja, dat ben jy. Zo, heeft Saartje geen drie honderd guldens verteert? Wel nou toon je alweer jou werelds hart. 't Is waar, wy hielden het meisje in eene Christelyke soberheid, wy kleedden haar stemmig; ik weet ook beter dan jy, hoe veel zy 's jaars aan voedsel en deksel nodig hadt; honderd Ryksdaalders!--maar hoe veel heeft de goede Juffrouw wel gezucht over dat baldadig kind der Zonde, hoe vele tranen heeft zy geschreit, hoe veel gebeden heeft zy voor haar arme ziel gedaan, hoe dikwyls is zy ziek geweest door al dat tobben! kost dat alles geen tyd en zorg? of denk jy dat alles voor niets te hebben? Neen, jy zult, jy moet er voor betalen. Maar zo ben je lui: in 't aardsche kunt jy lui rekenen en cyferen; maar, in 't geestelyke ben je lui blint; maar Juffrouw Hofland zal haar geld hebben, ik zal u dwingen; ik--vrees voor my.... Wy hebben in deeze godvergeten stad nog onze duizenden. Wee, wee, die den vinger tegen ons opheft...! Wy yveren voor de vromen, en onze haat is heilig; dit wee betekent veel, als het wordt uitgeboezemt door een man als is _Uw ware Vriend_ BENJAMIN. Noten: [1] Gelooven aan God als Schepper--meer niet. [2] Der Gerechtigheid? VYF EN TWINTIGSTE BRIEF. DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN BROEDER BENJAMIN. _Verachtelyke Kaerel!_ Ik reken myn knegt te goed om u te schryven; daar aan zyt gy de eer, die ik u thans doe, schuldig. Zeg, fraaije kwant, dit aan uwe Principale: "dat zy zich stil houde, of dat ik haar alles, wat zy 's jaars, boven de honderd Ryksdaalders, ontfangen heeft, zal afkorten." Ik wagt haar voor den Rechter. Laat zy daar hare Leverantie van zuchten, tranen en gebeden inleveren, om te zien, hoe veel haar voor elke twintig ditoos zal worden toegewezen. Houd u stil, of 't zal niet met u gaan. Ik meen u, en nog eenigen uws gelyken, zo dra ik in Holland kom, voor myne rekening, aan vast werk te helpen; en dit dreigement zegt veel in de pen van eenen man als ABRAHAM BLANKAART. ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara vertelt Anna van haar leven; Aletta is goed en lief; Cornelia Hartog, ook huisgenoote, bevalt haar niet: te geleerd, ondichterlijk; Charlotte Rien du Tout, eveneens huisgenoote, mist karakter, is grillig, nukkig. Ze heeft kennis gemaakt met Hendrik Edeling: staat haar wel aan! ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bericht Blankaart over Sara: ze is lief, vroolijk, eerlijk, past goed op. ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna Willis is bedroefd; haar tante te Rotterdam is ernstig ziek; ze moet er heen met Moeder, kan vooreerst niet schrijven. NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF. DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW MARIA BUIGZAAM, WEDUWE P. SPILGOED. _Mevrouw!_ Ik geloof waarlyk, dat het inkomen van alle myne uitstaande gelden my niet half zo veel zou verblyden, dan ik verblyd ben door den inhoud uws Briefs, dien gy my de eere aandeedt van te schryven. Hoe, wat! is de lieve meid dan myn lieveling niet? Is zy de dochter niet van eenen man, die myn eenigste hart-vriend was? Dat zou ik geloven, waaragtig! Hoor, myne goede dame, alles is strikt waarheid, wat of de kleuter u verhaalt heeft. Maar, haal my de Boze, indien ik aan zo eene Vrouw een knappen Brief kan schryven: doe al wat u behaagt; och Heer, het geld is goed, wil ik spreken; maar ik zal eene fatsoenlyke vrouw nooit kwellen. Wat denkt gy, Mevrouw, kan ik met u kibbelen om een honderd guldens drie vier, nu myn kind in zulke goede handen is? Ja, zie, ik heb wat ongerustheid voor haar uitgestaan, toen zy nog by hare Tante was; en voor ik wist, waar of zy toch belant mogt zyn. Want, hier gezeit, en hier gebleven, het kon immers gebeurt zyn, dat het stout Dingetje in slegte handen was gevallen, en zo al wyders, gelyk de waarheid is. Wilt gy wel geloven, Mevrouw, dat uw brief my een traan of vier gekost heeft? 't Is echter zo. Wel lieve God, zei ik, zyn de beste vrouwen dan meest altoos in de onwaardigste handen? Dat is toch ellendig! En daar zit Abraham Blankaart nog in zyn vyftigste jaar, als een niets beduident oud Vryer; en ik had zo hemels vast besloten, om met myn vyf-en-twintig jaar man en vader te zyn. Wat zal men zeggen? die eerst komt die eerst maalt; en een weinig te laat is veel te laat. Ja, Mevrouw, ik heb den Heer Pieter Spilgoed wel gekent, maar nooit met hem verkeert. Hy hadt my te veel wilt hair op 't hoofd; en als de jonge lui getrouwt zyn, moeten zy dat laten afscheeren, of de Boel zit op zy. Ik wist wel, dat hy eene fatsoenlyke Geldersche dame getrouwt hadt, doch meer niet; en ik bemoei my bykans nooit met de zaken van een ander: Ik zeg altoos: "Abraham Blankaart, vrees God, en doe wel; dat is jou zaak, myn vriend." Alles wat gy van Saartje zegt, is, zo veel ik daar over kan oordeelen, waar. Wees toch zo goed en hou een wakent oog over haar; wy mans hebben daar zo den slag niet van. Indien er iets mogt voorvallen, 't geen u nodig schynt my te doen weten, zo verzoek ik ernstig om my met uwe Brieven te vereeren. Ik weet heel wel, dat er geene beloning zyn kan, die geevenredigt is aan uwe zorg en raadgevingen voor en aan een Meisje als myn Sarotje; evenwel zal het myn pligt zyn, om uwe edelmoedige deelneming in haar op eene waardige wys te gedenken. Kan ik u van dienst zyn, 't zy door myn persoon, of myn beurs? Ik ken geen groter geluk dan waardige Vrouwen myne achting te kunnen bewyzen. Ik ben met eerbied, MEVROUW! _Uw Ootmoedige Dienaar_, ABRAHAM BLANKAART. DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt zijn broer Cornelis, hoe hij Sara heeft leeren kennen; _hij is dol verliefd_. Zoo terloops sprak hij er met z'n vader over en die had gehoord, dat Saar een dolle meid was, die losjes leefde, wat hem speet, want haar vader was achtenswaardig. Wil er niet van hooren en Hendrik is zeer braaf. EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier schrijft een fatterig verliefd briefje aan Sara, waarop zij onmiddellijk antwoordt. TWEE EN DERTIGSTE BRIEF. MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER. _Myn Heer!_ Terwyl gy deezen ontfangt, zyt gy zeker nog druk bezig om uwe Tonco-Boontjes[1] uit te zoeken. Nu, neem er uw tyd toe, want wy blyven t'huis, en zien van daag niemand; dit _a governo_[2]; en terwyl ik toch een verlegen uur heb, zal ik eenige regels krabbelen. Wel man, gy hebt het vreeslyk volhandig! zo vele en zo vele gewichtige zaken; 't is te hard. Gy zyt nog jong, gy zult u dood werken. Zoudt gy niet een substituut in uw ampt kunnen stellen, dan waart gy ten minste van dien kant veilig, al moest het u wat kosten. 't Zou immers jammer zyn, dat zulk een nyver en veelbelovent jong Heer voor zyn tyd stierf. En daar is voor u immers niet aan te denken, Brunier? Letje heeft my in confidence, gezegt, dat gy, buiten haar zelf te rekenen, aan nog zes Dames beursjes belooft hebt. De waarde Juffrouw Buigzaam heeft ook reden van ongenoegen; nog hebt gy het Lint op haar Demicoeffe niet verspelt, en gy zelf zegt, dat het zo niet meer gedragen wordt. Juffrouw Hartog is knorrig, om dat gy haar de snuif niet bezorgt. Juffrouw Lotje gromt alle morgen aan het ontbyt, om dat gy de Tandpoeijer vergeet. Zie, dat zyn evenwel geen mooije dingen; en wat zal uwe Zuster daar op toch zeggen, dan dat gy het zo volhandig hebt? Het meisje haalt dikwyls een paar beschaamde kaken, als Juffrouw Hartog u, in haren trant, hekelt. En hoe zeer ik ook uwe Vriendin ben, ik zie geen redden aan die zaken: de menschen hebben gelyk. Indien gy zo veel onderneemt, moet gy met meer orde handelen. Gy vindt immers, als gy in den namiddag ons wat komt voorsnappen, allen bezig. De Weduw naait. Letje breidt. Ik knoop aan myn manchetten. Juffrouw Hartog speelt met haar hond. Juffrouw Lotje snuift, en frommelt haar zakdoek, en gy zit er maar lui en leeg by. Waarom neemt gy uw werk niet mede, dan kost gy als een werkent Lid onzer Societeit worden aangezien. Gy voldeedt uwe zeven Dames; gy kost om snuif en tandpoeijers denken: gy kost het Lint spelden _comme il faut_; en ons teffens in uwe nieuwe denkbeelden doen delen. Dan, dunkt my, waart gy in zes maanden op een effen bodem. Ik heb gemerkt, dat gy dikwyls in den spiegel kykt: wat dunkt u, (zie ik wil ook voor uw vermaak zo wel, als voor uw nut zorgen,) wat dunkt u, dat gy van Logement veranderde, en in een Spiegelwinkel gingt wonen? Dat zou ook al tyd uitwinnen; dan zaagt gy u ten vollen, in eens; en kon spoedig uw jabot verschikken, uw das optrekken, de stofjes en pluisjes van uw kamizool[3] knippen. Ik zie gaarn dat men zich wel kleedt, maar my voor een kenster in de kledingskunst uittegeven,--daar zal ik wel afblyven. Myn geest is niet geschikt tot het uitoeffenen van zulke verhevene zaken. Nu, zo als ik zeg, neem het niet te zwaar op, en werk met orde. Gy weet wie ik ben? _Uw Zusters Vriendin_, ---- Noten: [1] Zaadjes van den Toncaboom: geneesmiddel. Men maakte er o.a. beursjes van. [2] Tot naricht. [3] Vest. DRIE EN DERTIGSTE BRIEF. MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP. _Zuster lief!_ Nu kom ik eindelyk op de zaak, waar over ik u wilde schryven. Daar het onze Bregtje Sara gezien, met een jong wilt Heer; zy geloofde, dat het een uit de Kommedie was; en zy was nog veel ligtvaerdiger opgeschikt dan de Pop van Pieternel, daar je men eens van schreef. Zy was een el hoog gekapt. Haar Sack, (ja, zo een duivelsch kleed heb ik ook nog in myn natuurstaat[1] gedragen!) was opgestrikt, je leven zo niet. Ze hadt witte zyde koussen aan; denk, Zusje, witte zyde koussen, en kerjeusde schoenen. En ander Orlosie bungelde een hope nesten en vodden. En ze liep net als de Hoer van Babel met dien Monsieur gearmt. Zy luisterde, Bregt zag het duidelyk, hem wat in, en toen keek hy de meid aan, en lachte dat het een schande was. Hoor, Kee, ik ben somtyds nog al bezwaart over haar; maar Broertje weet my zo tot rust te brengen. Moet jy niet ietwat hebben, Zannetje, zeit hy, om je klein te houwen? Is het niet beter, dat je jou bezwaart voelt om je zonden, dan dat je een Armiaansch slik-grondje hebt? of dat je ziel door eigen gerechtigheid den Duivel als een roofgoed wierdt overgelevert? En dan wordt het my alles zo licht, zo licht; och ja, zo licht. Maar Zusje, je hebt my zo dikwyls in gemoedsgevalletjes geraden, en Salomon zeit: "twee zyn beter dan een." Ei lieve, wat moet ik doen? Broeder Benjamin wil dat ik met Blankaart procedeer, zo hy my niet tot een duit toe betaalt, volgens de Conditie met haar Moeder gemaakt. Al haar goed is hier ook nog, al de kleeren, en zo voorts, van hare Moeder, die eene pragtige Vrouw was; en al het gemaakt Zilver; maar dat evenwel te verdonkeren, hoe zal dat gaan? Blankaart is een droevig schepsel om mee te handelen; hy zou my, och ja! schandaal aan doen: En evenwel het Hellewicht verdient zo veel goed niet; zy zou het ook tot haar bederf gebruiken. Het alles over te geven is ook hart voor 't vleesch: 't was evenwel myn Zusters goedje, wil ik spreken. Ei lieve, zendt my nog eens het _Heilig Onrecht_ van Petrus Kwezelius. Ja, je hebt toch dierbare schotse Boekjes. Wees gegroet, en antwoord my eens, zul je? ZUZANNA HOFLAND. Noot: [1] Voor haar bekeering n.l. VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Sara deelt Anna Willis mee, dat ze Jacob Brunier voor den mal houdt, zich van hem bedient om zich te vermaken en fatsoenshalve te doen vergezellen. VYF EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling antwoordt zijn broer Hendrik: Kerel, er op los! Informeer of ze vrij is en dan, vooruit! ZES EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Sara. Laat ze toch geen geschenken aannemen van Jacob Brunier: hij heeft geen geld. Je raakt op de tong, Saar!--De tante wordt beter. _Ze zendt haar de sleutels van de linnenkast_, om wat goed op te sturen naar Rotterdam. ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF. MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. _Waarde Willis!_ Of ik nog lees? Wel, dat zou ik gelooven! Ik ben zelf de Lezeres voor de Familie; en onze lieve Weduw heeft een allerkeurigst Bibliotheekje. Maar ik heb zo veel over my zelf te schryven, dat het niet aan het schryven over Boeken komen kan. Zeg wat gy wilt, _myn_ Cootje[1] is nogthans een goed kind; het schikt zich zo kostelyk op, om zyn Saartje te behagen, en schommelt uit alle hoekjes en reetjes van zyn armoedig hoofdje al het verstand, dat hy bezit, by een, om er my op te regaleeren. En komt gy in geen zes weken t'huis! o dat's goed; nu kan ik met myn Held braaf plaizier nemen, zonder van u op de vingeren te krygen; ik vrees maar dat ik, want zo zyn de kinderen! myn eigen kwaad niet zal kunnen zwygen. Eene conditie! zo gy ophoudt met grommen, hou ik op met schryven. Waarom zou ik u beletten uw talent uit den doek te nemen? Gy hebt de gaaf van bedillen, en ik die van er my mede te vermaken, en er myn voordeel mede te doen. Nu ik er deeze flinken weer uitgegooit heb, ga ik er my eens terdeeg toe zetten, om uwen Brief te beantwoorden. Brunier kan zeker nooit myn Vriend zyn, in de sublime betekenis des woords; maar hy kan, als de Broeder van Letje, als een ordentlyk Jongman, met my op alle plaatzen komen. "Of hy met die vriendschap te vreden is?" dat weet ik niet, en meen er myn hoofd ook niet mee te breken. Is het niet beter, dat ik altoos met den zelfden Jongen wandel, dan, zo als men zegt, met elk een uitloop? Tut, tut, die onkosten bedragen niet veel, en bewaren hem mooglyk voor duizend kostbaarder zotternyen: nu moet hy wel zuinig zyn, of hy kan niet met ons uitgaan. Hoe ik het goed zal maken? och, zeer gemakkelyk! als hy trouwt, zal ik zyne Vrouw een stuk huisraad kopen, tienmaal meer waart dan die kleine uitgaven belopen: Is 't nu wel, myne deftige Willis? Ja, ja, ik railleer met zyne gebrekkelyke zyde; hadt hy eene slegte zyde, dan leverde ik den Patient aan u over. Och Heer! ik heb zo maar wat _zedelyke_ mouches, Engelsche pleister, goudvlies, balsem van Peru, lippenpommade en soortgelyke prulletjes; doch die zyn van geene kragt altoos tegen de gebreken van een ziekelyk hart. Maar gy, myne Vriendin, hebt wel andre kruiden, wil ik spreken, zegt Broer Benjamin. Het zou een zot stukje zyn, met zo een Borstje Briefwisseling te houden; maar, wie zegt u, dat ik dit van zins ben? 't Komt niet in my op. Ja, ik gelyk omtrent zo veel naar de Godlyke Clarissa Harlowe[2], als myn schaapshoofd naar den vervloekten Lovelace: Heden, Naatje, hoe viel u dit in gedagten? Myn Brief laten zien? daar is hy niet mal genoeg toe; hy begrypt wel, merk ik, dat ik hem voor een Zotje hou. In het volgende hebt gy deugdzaam gelyk, ja het loopt drok genoeg: maar 't zal haast over zyn. De kring is haast afgevlogen, en dan zal ik by myn eigen hart en by myne dierbare Mama Buigzaam huisselyk t'huis zitten, en lezen, en naaijen, en spelen, en zingen, en met een woord geschikt leven; met Salomon uitgeeuwende: "ook-dit-alles-was-ydelheid!" Waan met dit alles niet, dat ik in 't geheel niet meer denk. Ik denk dikwyls, en dat wel zeer ernstig; maar, 't is of het kwaadje, zou Tantes Bregtje zeggen, 't is of het kwaadje er altoos met zyn neus by is; want de minste beuzeling verstrooit my. Gy weet, lieve Willis, dat ik geen grote zoekster van vygebladen ben, doch nu moet ik my echter vrypleiten. Ik voel, dat ik eene sterke overhelling heb tot het zwaarmoedige; om die reden verstrooi ik my wel eens met overleg; zo bang ben ik, om toch nooit dat gebrek voor eene Deugd aan te zien. Nog een woord over het lezen. Onze brave Huisvrouw heeft eene fraaije collectie van Leerredenen: Die van Solicoffer en Doddridge bevallen my ongemeen. Wy lezen zelf in den Bybel, kind; namentlyk de lieve Buigzaam, Letje en ik; want Juffrouw Hartog is veel te geleert, en Lotje veel te gek, om van die party te kunnen zyn. Ik verzeker u, dat ik nooit met zo veel smaak het Evangelie las als nu, nu ik by eene Vrouw ben, die godsdienstig is zonder veel uitwendigheid, en ons inprent, dat die wel doet, wel vindt. En daar mee is dat maar uit. _Ten slotte_, zegt onze geleerde Hartog. De stroom van zinnelyke vermaken, (of wilt gy, van beuzelagtige uitspanningen? 't is my ook wel,) moet eens met een springvloed over myn hart heen vloeijen, en al dat drabbige zwaarmoedige mede spoelen, dat er in myn verdrietig leven is op- en om- en ondergezakt; dan zal myn ernst redelyk, myne vrolykheid helder, en myn geheel gedrag eenparig goed, nuttig en pligtmatig zyn. Vaarwel! ik twyvel niet, of gy zult voldaan zyn over de uitvoering uwer Commissie. De Meiden zyn wel, en de dienstpresentatie aan de Juffrouwen. Heden, Naatje, hoe raar was het my, zo als vrouw en voogd in uw huis te dribbelen; wat had ik een wysheid in het terdeeg schikken uwer klederen, enz. Willem, myn beste Willem, was gevallig t'huis. Toen ik hem zeide, dat zyne Tante wat beter was, kon hy zyne blydschap niet verbergen; maar toen ik er byvoegde, dat zyne Moeder nog wel zes weken uitbleef, keek hy heel droevig. Die moedergek! ik zou den Jongen een kus hebben kunnen geven, zo wel stondt hem dat droevige; maar Willem is geen Coo Brunier. Ik vrees, Naatje, dat uwe vermoedens waar zyn. 't Smart my, want schoon ik niemand liever voor myn Broeder had dan Willem, ik zou hem in geen nader betrekking gelukkig kunnen maken. Arme Willem! dit maakt my ongemaklyk. Omhels uwe Moeder voor _Uwe Vriendin_, SARA BURGERHART. Noten: [1] Jacob Brunier. [2] Van Richardson: modeboek dier dagen--_sentimenteel_. ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp ontraadt Zuzanna Hofland te procedeeren, en schrijft haar over broeder Kwast te Rotterdam. NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis, zeer verliefd, schrijft aan Sara heel teerhartig; zij antwoordt onmiddellijk. VEERTIGSTE BRIEF. MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER WILLEM WILLIS. _Myn lieve Willem!_ Is de man een kind geworden?--Zou ik misnoegt zyn? En om wat reden? Om dat een braaf fatsoenlyk jong Heer, met wien ik zo veel ommegang heb, wiens Moeder en Zuster myne hoogstgeachte Vriendinnen zyn, my, eindelyk, op de betamelykste wys, zegt: dat ik hem niet onverschillig ben? Waarlyk, dit zyn gruwelyke ondernemingen; vreest gy niet, dat ik u, met eene theatrale houding, zal toevoegen: "_Moi, je suis femme, je ne pardonne jamais_." In ernst, Willem, ik dagt niet, dat gy zo dwaas, of dat ik zo eene _Prude_ was; een van beiden moet echter zeker zyn. Ik zal u dan eens voor altoos tonen, dat _gy_ schuld hebt, en ik niet. Verstaat gy dat, Vriend? Ik zal aan u schryven, als aan een' Jongeling dien ik hoogacht, om dat hy de achting waardig is van veel beter menschen, dan meisjes van negentien jaar zyn kunnen; vertrouwende echter, dat gy deeze myne heuschheid niet zult misbruiken. Geloof my dat ik, tot gistren toe, nooit er aan gedagt heb, of gy my met andre dan de oogen eens Vriends zaagt. Myne verkeering met u was weinig minder dan zusterlyk, en het heeft my duizendmaal gespeten, dat gy myn Broer niet waart, ook ten koste myner halve bezitting. Ik nam alle uwe beleeftheden aan voor beleeftheden; en, om te zeggen zo als 't maar is, ik verwonderde my geen zier, dat gy, als ik by uwe Moeder was, ons gezelschap hield: zie, me dunkt, dat kwam my toe; en welk Meisje, zo vrolyk en zo achteloos, zou dit niet denken? Maar nu gy my gezegd hebt, het geen gy my zeide, my zonder liflaffen, en met zulk een ontroert gelaat, zeide, nu moet ik eenen anderen weg inslaan; om dat ik het my zelf nooit zoude kunnen vergeven, een eerlyk man, die my beminde, met ydele hoop den kap te vullen; en my te verlagen tot het verachtelyk peil der Coquettes. 't Smert my, dat uwe genegenheid juist gevallen is op de eenigste stoute meid, die u mooglyk eene teleurstelling als deeze zou doen ondervinden. Wat kan ik het helpen? Ik ken de liefde niet, en heb geen den minsten trek om zulk eene grillige zaak te leeren kennen, om dat ik volkomen gelukkig ben in de omstandigheden, waar in ik my bevinde. Hier uit kunt gy opmaken, dat gy alle bedenkelyke reden hebt, om zo vriendlyk als nog ooit iemand te groeten, dien ik nu en dan zie, en daar ik overal mee kom; ja dat gy onreedlyk zyn zoudt, zo gy hem niet zo lief hadt als uw hart eischt. Wel Willem, wel Willem, moet gy u ook in het Satirique omtrent de Vrouwen vergrypen? Wie heeft u toch gezegt, dat wy altoos Beuzelaars voor hupsche Jongens verkiezen? De een of ander vergiftig knorrig ouwe Vryer, denk ik, die de zonden zyner jeugd wel gaarn op eene Sex zoude schuiven, die altoos door de beste mannen met achting behandelt wordt. Wil ik u eens zeggen, hoe het eigenlyk zit? Wy Meisjes worden, meest allen, op eene zeer kinderagtige wyze opgevoet. Men schynt omtrent het bestaan onzer zielen als rechtzinnige Muzelmannen te denken. Ons postuur, onze kleur, onze houding, trekken al de zorgvuldigheid: men leert ons de kunst van behagen, en hierom krygen wy dans-, en zingmeesters, en hierom moeten wy 't Fransch, 't Ombre leren, enz. Ik beken, dat een Meisje ten minsten niet gekker zyn moet dan ik nu ben, om, voor dat zy oud en lelyk wordt, te begrypen, dat alle deze fraaiheden niets zyn dan bywerk, dat zy zo wel denken kan als haar Broer Piet, haar Neef Jan, haar Oom Gerrit. Het getal dier Meisjes is grooter, dan men gelooft dat het is; doch wat zullen wy, arme Zieltjes, evenwel doen, als wy zien, dat onze aanstaande Heeren en Meesters zo verheven van verstand zyn, dat zy ons _idoliseeren_[1] om die Beuzelingen; en mooglyk, (om hun eigen zelfs wil) geredelyk ontslaan van alles, dat in 't oog der reden verdienstlyk is. Het is ook waar, dat velen uwer schikkelyke Borstjes al vry onaartige Heertjes zyn; en waarom zouden wy, voor wy dat moeten doen, lastige Druiloeoren tot ons gezelschap kiezen? Onthoudt dit lesje, en doe er altoos naar; dan zyt gy myn beste Willem, hoor. Myne achting voor u is op uw goed en eerlyk karakter gegront; en myne vriendschap hebt gy, om duizend goede hoedanigheden, die ik in u, als Zoon en Broeder, heb opgemerkt. Hou u daar mede te vreden; want ik verzeker u, dat er niets anders voor u te halen is. Vergeet my, en poog u de liefde waardig te maken van eene veel betere Vrouw voor u, dan ik ooit zyn kan. Zoo gy haar by my, om getuigenis van u te vragen, zendt, dan zal ik haar reden geven, om over u voldaan te zyn. Gy zult my zeer verpligten, indien gy u de smarte uitwint die gy mooglyk zoudt gevoelen, als gy afscheid van my naamt. Ik ben Uwe ware Vriendin, S.B. Noot: [1] Verafgoden. EEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed is erg ziek! Zij waakt en verzorgt haar, is zeer onder den indruk, hoogst ernstig gestemd. TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft Sara: hij berust, maar hoopt! Saartje's vroegere dienstbode uit het ouderlijk huis, Pieternella Degelijk, heeft hij gesproken en die had de schrikkelijkste dingen van haar gehoord! Hij heeft haar gerustgesteld. Nu gaat hij naar Duitschland; haar portret neemt hij mee. Vaarwel! DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis stuurt goeie berichten en dank voor Sara's zorgen. Willem zal een legaat krijgen van tante!--Zij is op bezoek geweest bij tante's buuiman en dat beschrijft ze: alles is daar oudhollandsch degelijk en gul. Ze heeft daar kennis gemaakt met Wijsneus, een pedant, en er ontmoet proponent Smit, een vroegeren kennis: die bevalt haar! VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed wordt beter. Deze vertelt haar droevig leven--een roman op zichzelf. Sara is hoogst ernstig gestemd en leert inzien, dat met liefde en huwelijk niet valt te spotten! VIJF EN VEERTIGSTE BRIEF. MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. _Waarde Vriendin!_ Voor 't eerst ben ik na het toeval myner geeerde Juffrouw Buigzaam uitgeweest: Niet op eene Klossen-party, niet met een Wysneus en een aanstaanden Domine, maar met myn kostelyken Vriend, (zei Jan van Gyzen tegen zyn Bok,) den Heer Jacob Brunier, verzelt van deszelfs Zuster Aletta Brunier; en dat wel in de Fransche Comedie. Daar hebt gy immers niets tegen? Ik kon u wel wys maken, dat ik er ging om myn Fransch te onderhouen, doch dan jokte ik u wat voor. Neen, ik ging er met geen ander oogmerk, dan om eens een Fransche Comedie te zien spelen. Wel Naatje, ik raad u sterk aan om, voor gy van staat verandert, er ook eens te gaan. En zo dit, gelyk myne Tante zegt, de Tente des Satans is, dan moet ik u maar zeggen, dat hy als _un homme de Gout_, en _comme il faut_ gelogeert is! Ik zag _les Femmes Scavantes_ spelen, een stuk van den groten Moliere: myn genoegen was groot: alles dagt my was natuur. Het karakter van Crisale smaakt my; maar dat _Excusez moi, Monsieur, je n'entend pas du Grec_; hoe bekent ik daarmede ben, had al het aantreklyke der nieuwigheid, toen het wierdt uitgesproken door eene schone jonge Actrice, wier talenten men toejuichte. Ik was niet weinig misnoegt over het gedrag van ettelyke Heren en Dames in drie of vier Loges. Het spel zelf trok hun aandagt niet; dat is hunne zaak; maar, andere fatsoenlyke Lieden te beletten om te voldoen aan het oogmerk, waarom die naar zo eene plaats gaan, vind ik ten uitersten onbeleeft. Zo ziet gy, kind, dat alles onvolmaakt is, of, zo als de Heer Blankaart zegt: _alle regtertjes hebben er slinkertjes_. Zulke onfatsoenlykheden, denk ik, kunnen niet belet worden. Wie doet den Paus in den Ban? Cootje zegt my,--(ik noem myn auteur, om des te meer klem aan zyne woorden en aanhalingen te geven,) dat lachen, praten, badineeren, onder het spelen van de zielroerendste Treurspelen, thans _du Ton_ is; en dat menig Champignon en Champignone de Fortune[1] daar mede ontegenzeggelyk bewyzen, dat zy lieden van Rang zyn, en ten minsten reeds deeze zes laatste jaren geweest zyn. Zeg je zo! was myn antwoord; evenwel, al wierd ik altoos maar voor een Koopmans dochter gehouden, ik meen deeze Certificatie van myn fatsoen niet mede te nemen, om dat ik myne lieve Ouders niet in verdenking wil brengen, of zy my ook wel hebben opgevoed. Niettegenstaande deze en nog een half douzyn ongevalligheden, moet ik u maar zeggen, kind, dat ik verzot ben op den Schouwburg; dat ik niet kan begrypen, wat of men toch kan inbrengen tegen eene uitspanning, die, wel ingericht, zo veel goeds kan uitwerken. Nu, dat mogen de Geleerden afhaspelen, ik ga er heen, en dat wel zonder dat myn hart my iets verwyt. Juffrouw Rien du Tout was zeer uit haar humeur, om dat wy haar niet hadden mee genomen. 't Is myn schuld; ik vreesde, dat die Beuzelagtige Woelgeest ons maar zou gehindert hebben: als wy weer gaan zal ik haar zien in een Loge te plakken; daar zal zy zich beter diverteeren dan by ons, die eenvoudig komen om te horen, te zien, te wenen, of te lachen. Apropos, weet gy wel, dat het thans voor zeer ongemaniert gehouden wordt, te schreijen by eene _Alsire_, en te lachen by den _Francais a Londres_? Zie, dit alles a Gouverno, het kon u te pas komen. Ik moet u nog al meer fraais verhalen. Onlangs was ik met myn trouwen schildknaap op een Publiek Concert: Coo hadt gehoort, dat er eene der eerste Zangeressen voor 't eerst zingen, en dat Cavalini[2] het Clavier zoude tracteeren. Maar moest men geen geduld hebben zo taai als een leren lap, (wil ik spreken,) om niet toornigjes te worden, op de manier van doen van eenigen der Grote Lieden? Daar snapten drie vier Dames zo luit, dat ik duidelyk hoorde, hoe het discours ging over het Puce-Lint van een Coeffure. Ginds stonden een paar Heertjes als een paar malle Jongens,--(zoude ik zeggen, zo ik niet verstaan had, dat zy aanstaande Vaderen des Vaderlands waren,) arm in arm, de heerlykste Muziek na te lollen, ons en passant, eenige Cabriolen op de koop toe vereerende: en dat, terwyl myn gehele ziel wegsmolt door het heerlykste Vocaal en Instrumentaal Muziek, dat ik immer hoorde. Hoe is 't mooglyk zo ongevoelig te zyn! ik spreek niet eens van het onvoegsame: men doet veel om du Ton te zyn! En die zelfde Babbelaarstertjes affecteerden zich, toen de een en ander vroeg, of zy zich den avond beklaagden, dat zy geenchanteert waren. Ende nu nog een kort woord tot u, myne Aandagtige! 't Is waar de overgang is wat grillig; zoo spreek ik van Comedien en Concerten, en zo koom ik tot myne deftige Vriendinne. Nu, gy weet hoe ik ben; los, bedroeft los. "Wel, zou Tante zeggen, wel kyk eens aan Nicht, daar moest de Tante van je Vriendin juist te Rotterdam wonen, daar moest zy ziek worden; daar moest Juffrouw Willis met haar Dochter by haar komen; daar moest een Buurman wezen, die een klein soupeetje gaf, en daar moest juist de Proponent Smit in de Stad zyn, om er dien avond by te wezen; Wat is dat groot!" dus verre Tante. En wat zegt Nicht? Wel Nicht is zeer in haar schik met die tyding, en Nicht hoopt nog binnen 't jaar hare Vriendin in het eerwaardig karakter van Dominees Vrouw gelukkig te zien. Heden, Naatje, dat moest je doen: me dunkt, dat gy met niemand een juk kunt aantrekken dat u zo wel voegen zal, dan met eenen Eerwaardigen. o My! wat zal ik dan dikwyls by u komen, al woonde gy aan 't einde van de Waereld of zelf op Marken Buiten! want ik ben overtuigt, dat de man, dien gy verkiest, waardig is dat men om hem de hele Toverlantaarn der Waereld goejen dag zegt. Ziet gy niet, dat ik thans eene hele schryvige natuur over my heb? Ja kind, Saartje gaat nu weinig op den tril, en onze dierbare Patiente is nog te zwak, om haar met myn gerammel te vermoeijen. Doch lang vasten is geen brood sparen. Ik moet noodzakelyk eens met Letje uit. Juffrouw Rien du Tout heeft onlangs zulk keurlyk gaas gekogt, en dat zeer goedkoop; ik moet, eer het stuk op raakt, er ook van hebben. Zoo Cootje maar mee kan; want hy heeft, wurm daar hy is, ook zyne druktens; en het schynt, dat hy voor een Heertje van de mode zyne zaken voorbeeldig waarneemt. Wat zoudt gy een goed werk verrichten, Naatje, als gy hem wist te beduiden, dat hy waarlyk zeer wel zou doen, indien hy zo attent was in het verbeteren en in orde brengen zyner denkbeelden, die nu in zyn harsenvat als een hoop stoute Jongens in den donker herom tuimelen: Zeg wat gy wilt; maar de Borst is heel gezeggelyk, en de geest des tegensprekens heb ik met wortel en tak uitgeroeit. Nu uw beurt, hoor je kind. _Ik ben uwe Vriendin_, S. BURGERHART. Noten: [1] Oweeers. [2] Componist dier dagen. ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna waarschuwt opnieuw tegen Jacob Brunier en ze ijvert voor Willem. Het verhaal van de wed. Spilgoed heeft ook haar getroffen, en ook haar Moeder. ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna zet haar pleidooi voor Willem voort. Moeder heeft Willem de zaak uit 't hoofd willen praten, maar _zy_, Anna, vindt Willem wel geschikt voor Sara. Moeder zegt: _Sara is te wereldsch voor Willem_. ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF. MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SOPHIA WILLIS. _Mejuffrouw, Hoogst-Geeerde Vriendin!_ Het zou my smarten, indien ik deezen moest schryven, om u myne eerbiedige gevoelens en oprechte liefde bekent te maken: ik hoop, dat gy, in alle myne woorden en daden, die gevoelens zult ontdekt hebben; en dewyl ik my altoos door de oprechtheid laat bestieren, kan er by u, op dit stuk, geen twyffeling overblyven. Dat ik des de vryheid neem om u te schryven, vloeit uit een geheel anderen oorsprong. Het is om u uit grond myner ziel te bedanken voor het belang, dat gy in my neemt; en om dat gy my de gelegenheid geeft om te weten, in welk een licht gy my beschouwt. o Dierbare Juffrouw Willis, myn hart zegt my, dat gy myne zwakke zyde kent. Daar in ontdek ik ook de redenen, die u aanzetten om myn handelwys met uwen Zoon goed te keuren. Ik beken, dat ik zeer gezet ben op het bywonen van uitspanningen en dat ik er my meermaal in toegeef, om dat ik volstrekt geen ander oogmerk heb dan my te diverteeren; maar ik vlei my toch nog al, dat ik, voor myne jeugd verdwenen is, wyzer zal worden; nu ben ik zo ver niet, en ik zou my tot veinzery moeten verlagen, indien ik zeide: dat ik reeds werkelyk bezig was om die neiging in te krimpen. Het smart my, my te moeten voorstellen, dat uw waarde Zoon, myn lieve goeje Willem, niet zo gelukkig is als hy verdient te zyn! en niets troost my zo zeer, dan de bewustheid dat ik verheven ben boven de vuige listen eener gerafineerde Coquetterie, dan gehandelt te hebben, na hy my zyne liefde ontdekte, gelyk als de pligt eischt van yder meisje, dat een braaf ordentelyk Jongeling niet beminnende, hem dat met heuschheid zegt, om geene hoop aantemoedigen, die geheel ongegront is. Ik hoop, in alle gevallen van myn leven het onuitsprekelyk genoegen te hebben, dat er gelegen is in door u met liefde beschouwt te worden: niemand is met meer eerbied _Uwe Dienares, dan_ SARA BURGERHART. NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier verklaart Sara zijn liefde en vraagt haar. Zij zouden samen een model-paar zijn en konden beginnen met een reisje naar Brabant. VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis verantwoordt zich bij Sara, waarvoor zij op alle mogelijke wijze Willems plannen te keer gaat. En ze waarschuwt Sara: leef niet te zeer voor vermaak alleen en ga niet uit met een jonkman, dien ge niet liefhebt! Pas toch op, Saar!--Anna doet een uitstapje ook met Smit. [Illustratie: 't kwam mij voor dat zij in zich zelf zeide; "Ei kom, om thee te schenken is hij echter nog al vrij gebruikbaar". Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave van 1782.] EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF. DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING. _Waarde Broeder!_ Hemel! kunt gy met my nog railleeren? Maar geduld! Ik weet dat de vrolykheid van uw aart een vrucht is van uw goed hart, en dat gy opregtelyk deelt in alles wat my betreft. Ik zal dan, wat gy my ook moogt antwoorden, voortgaan om u over myne omstandigheden te schryven. Weinig dagen na dat ik my zelf het genoegen gegeven had, om een billyke daad omtrent eene verlegene Vrouw te doen, hoorde ik van den Heer Brunier, (die met my de kennis onderhoudt,) dat de brave Weduwe ziek, gevaarlyk ziek, was. Dit smartte my, en wel te meer, om dat ik daar door berooft was van 't genoegen, om myn bezoek te herhalen. Brunier ging er echter verscheiden maal daags, om te vernemen hoe het was. Zyne Zuster kwam dan by hem in de zydkamer, en berichte hem 't geen hy kwam horen. Doch de beminde van myn hart zag hy niet. Juffrouw Brunier zeide, dat hare Vriendin de kamer der Lyderes niet verliet, en dat zy beide allerbitterst bedroeft waren. Broer lief, wat zyn brave meisjes toch juwelen! zy zyn de uitdeelsters van onze keurigste vermaken, en de zoete troosteressen in de ongevallen des levens. Oordeel, of deeze blyken van vrouwelyke meelydenheid myn hart troffen! Binnen weinige dagen ontfingen wy bericht, dat de Doctor haar buiten gevaar oordeelde; en deeze gunstige tyding werdt vermeerdert door de aannaderende herstelling der waardige Vrouw. De eerste reis, dat Brunier vryheid kreeg om haar te komen zien, nam ik die gelegenheid waar, om hem derwaards te verzellen. Aangedient zynde, leidde Juffrouw Letje ons by de Weduwe in: Ik zag, tot myn hartlyk leedwezen, dat zy zeer vervallen was, en feliciteerde haar met hare gelukkige herstelling, vergeving vragende voor de vryheid die ik gebruikte. Zy beantwoordde my met de grootste vriendelykheid; en dewyl de knegt het theegoed binnen bragt, verzogt zy ons om thee te drinken. Verbeelt u een ruim zindelyk vertrek, proper gemeubileert, dat, met twee schuiframen, op een aartig Tuintje uitziet, en door twee zware lindenbomen voor de zon beschaduwt wordt: aan 't hoger eind zat de Zieke, in een keurlyk net neglige, met een neteldoeks kapertje op. Naast haar zat de beminnelyke Burgerhart, met een boek by haar de hand der Weduwe in de hare houdende, o Keesje lief, zy is schoon!--meer dan schoon. Het tekenagtige van haar gelaat treft; haar oogen schitteren van gezontheid en gerustheid. Zy is niet meer dan middelbaar van lengte; voor eene Gratie zou zy kunnen geschildert worden, niet voor eene Juno of Minerva, dat beken ik. Brunier maakte zich meester van de theeketel, en zy zelf schonk thee. De jongen wagtte, mag ik zeggen, op hare oogen, maar 't kwam my voor, dat zy in zich zelf zeide: "Ei kom, om thee te schenken is hy echter nog al vry gebruikbaar." Ja, niet tegenstaande hare minzame trekken, heeft zy iets zo spottig, zo schalkagtig, zo, hoe noem ik het? 't is nog al iets anders--in haar gelaat, als zy tot hem spreekt, dat men niet nalaten kan te zeggen, arme Cootje. Hy legt echter met haar aan; doch komt altoos met verlies te rug. Juffrouw Brunier is een zeer bevallig meisje; maar men ziet haar niet, als zy by hare Vriendin is. Deeze twee jonge Dames beminnen elkander, en behandelen elkander ook als welopgevoede Zusters. Myne Beminde was ongemeen vrolyk; en ik geloof, dat Brunier er te erger om vaart. Toen wy in gesprek waren over de Patiente, zei zy, met eene betoverende levendigheid: "Ik moet vrolyk zyn over de herstelling myner Moederlyke Vriendin; ik weet, hoe veel ik zoude verloren hebben: yder heeft zyn eige wys van doen: deeze doet de vreugd wenen, en een ander lachen." Haar lach, Keesje, is echter de lach des vernufts, en heeft niets van dat luidruchtige, 't welke het verstand afkeurt. Wy spraken over verscheiden onderwerpen, en ik had gelegenheid om te zien, dat myne Beminde dien zeldzamen schat, gezont Oordeel, bezit. Zy heeft, merk ik, veel verkregen kundigheden, doch beroept zich nooit op haar Auteur. Kort gezeit, ik geloof dat zy, in allen opzichte, dien man gelukkig zal maken, dien zy zich zelf zal uitkiezen; indien zy met aandagt eene keuze doet. Me dunkt, Mevrouw, zeide ik, dat deeze beide jonge Dames u met allen eerbied en genegenheid behandelen; dit moet my gunstig over haar hart en verstand beide doen oordeelen.... "o Myn Heer, viel zy my in, het zyn de beste kinderen, die ik immer kende. Maar myne Gunsteling verdient, dat ik haar met die onderscheiding behandel, die myn hart voor haar gevoelt. Juffrouw Brunier is een meisje, dat al de geschiktheid heeft, om eene Vrouw van verdienste te worden; en hare liefde voor Juffrouw Burgerhart maakt haar geneigt, om, in duizend opzichten, beter te worden. Een verwaarloost karakter, myn Heer! vroeg ouderloos, en geheel aan haar zelf overgelaten.... Doch Saartje is de vreugd van myn leven; en ik bemin haar, of zy myn eigen dochter was. Zoudt gy wel geloven, dat dit luchtige bolletje, dat zo vol potzen is, en de zonderlingste invallen heeft, somtyds zeer bedaart met my kan spreken? dat zy de ernstige schriften met aandagt leest; ja, dat ik haar aanmerkingen over den Godsdienst hoor maken, die geheel nieuw, en tevens geheel waarheid zyn? God geve, dat zy altoos haren eigen weg ga, en door haar goed hart, 't welk niet vry is van wat achteloosheid, niet verstikt worde door eene wel overlegde loosheid." Ik was geheel aandagt. Zy ging voort: "Dat zelfde Meisje, dat zelf in uw byzyn haar levendigheid niet kan bedwingen, heb ik, geduurende myne ziekte, niet dan zwygent en schrijent gezien. Zy was niet te bewegen om my, zelfs des nagts, aan de zorg myner bedienden toe te betrouwen. Ik heb, in al die dagen, niets dan uit hare handen gebruikt. Uuren lang lag zy op hare knieen voor Myn Ledikant, God met opgeheven handen biddende, doch in zich zelf, om myne herstelling. Nu, mag ik zeggen, bestiert zy de gehele huishouding. Oordeel uit dit weinige over haar karakter. Hadt zy wat minder zucht om de Waereld te zien; doch dit, beken ik, is vry sterk. Zo dat, myn Heer, ik zegen het uur, waar in deeze lieve juffrouw by my gekomen is: de vermindering van mynen staat heeft moeten dienen, om my dat geluk te bezorgen: moet ik des niet vergenoegt zyn in die minderheid." Mevrouw, zeide ik, ik geloof, dat Juffrouw Burgerhart immers zo veel reden heeft om het uur te zegenen, waar in zy u leerde kennen. Ik begryp levendig, dat zy aan u verpligtingen heeft, die zich alleen door dankbare gevoelens van het geroerde hart laten betalen.... Ik luisterde.... Is dat, vroeg ik, Juffrouw Burgerhart, die daar speelt? "o Neen, myn Heer, zeide zy, zo slegt kan zy het Clavier niet behandelen. 't Zyn stoute meisjes. Ik merk dat zy den goejen lobbes weer aan het touwtje hebben. Dien armen Jongen doen zy alles doen, wat in hare hoofden komt. Burgerhart zal hem, alleen om hem uittelachen, gedwongen hebben te spelen; schoon zy zelf bekent, dat zy de Kat, in weinige lessen, zoo ver ziet te brengen, dat die hem lessen kan geven, 't Zyn jonge lui, myn Heer; en ik denk, dat het myn pligt is haar het leven in myn huis zo aangenaam te maken, als ik immer kan. De Heer Brunier is een goed slag van een Jongen, die, zo hy wat minder van het petit-maitres air hadt, nog al passeeren zou." Onderwyl hoorden wy, dat zy recht vrolyk waren, en iets schenen te verzetten: wat het was, weet ik niet. Mevrouw, zeide ik, niets kan my aangenamer zyn, dan te horen, dat zulk een beminlyk jong mensch uwe achting verdient. Hoe gelukkig zal die man zyn, die zy uit liefde trouwt! "Dat is zo, myn Heer, maar zy zal nooit trouwen, zonder haren man zo wel hare hoogste achting als liefde waardig te keuren, immers dat zegt zy dikwyls." En heeft zy dien man reeds gevonden, Mevrouw? (Ik vroeg dit met zulk eene merkbare ontroering, dat de schrandere Vrouw het moet gemerkt hebben.) "Neen, myn Heer, Juffrouw Burgerhart denkt zeker, zo weinig aan trouwen, als aan het kloosterleven." Ik voelde, dat myne wangen gloeiden. Ik nam de vryheid om haar hand te nemen, en die zagtelyk drukkende, zeide ik: mooglyk ben ik onbescheiden geweest, maar het belang dat ik heb in dit te weten.... Vergeef het my, Mevrouw.... Ik Bemin deeze Dame: Zo als ik haar zag, beminde ik haar; en nu myne rede myne keuze billykt, reken ik my niet ongelukkig. Het is dan mooglyk.... Ik meende verder te gaan; doch de Vrienden kwamen binnen; ik zweeg des. De Weduwe boog, zoetelyk glimlachende. "Mamaatje lief, zeide Juffrouw Burgerhart, wy hebben uwe bevelen voldaan, en ... maar, (het drankflesje opnemende,) moet ik dan kyven? Foei, myn Heer, gy moet op een ander tyd beter oppassen! weet gy wel, dat deeze Dame, om duizend en tienduizend redenen, diende gezont te worden, en zo oud ook, dat zy met een krukje in de eene hand, en my onder den arm vasthoudende, door haar Tuintje zal moeten wandelen?" Daar op nam zy een kopje, deedt het medicament er in, gaf het de Patiente, en wist Brunier te bewegen, om ook eens te proeven, die al grynzende zei, dat het lekker was. "Zo, zei Saartje, een Veinsaart ook nog, en dat onder myne oogen." De beleeftheid deedt my vertrekken; na dat de weduwe my verzekert hadt, dat het haar niet ongevallig zyn zoude, my eens weder te zien. Afscheid genomen hebbende, vertrok ik met Brunier, hem bedankende voor de gelegenheid, die hy my gegeven hadt, om deeze waarde Dame te leeren kennen. Zie daar, Broer lief, zo is het thans gestelt. Zal ik hopen? zal ik vrezen? Hemel, maar zou zy immer behagen kunnen hebben in my? Schryf my spoedig. Alles is hier wel. Vader zal u per naaste post schryven; hy weet niets van deezen. T.T. HENDRIK EDELING. TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF. MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER. _Vriend Jacob!_ Gy durfde my dan nog met een half woord vragen: "of gy u niet mogt vleijen met eenig antwoord op uwe _Missive_?" Want zo noemt gy dat fraaije Billet, dat gy my deedt ter hand komen. Om uw eigen fatsoens wille wenschte ik wel, dat gy er geen woord van gekikt hadt; dan kon ik ook dit zot stukje op de grote lyst uwer overige Beuslaryen hebben aangetekent, en, om dat ik niet geemlyk van aart ben, het u gunstig gepardonneert hebben. Doch nu gy zo dwaas zyt, van my zulk eene rapsodie, als 't ware, te herinneren; en gy mooglyk wel, (want het schynt waarlyk niet al te richtig in uw harsengestel,) u zoudt kunnen gaan inbeelden, dat ik uwe Missive niet al te wel zo spoedig dagt te kunnen beantwoorden, zo zal ik de moeite nemen, om u, over die Missive, eens een paar woordjes te zeggen. Ik zeg niet gaarn onaangename waarheden, en vooral niet aan zulken, die ik, 't zy dan ook om wat reden, in zekeren zin wel lyden mag. Zo lang ik u slegts voor een vry geschikt, en goed soort van een jongen hield, hadt uwe Zuster weinig werks om my te beduiden, dat ik u als haar Broeder behandelde, en occasie gaf om ons eenige uitspanningen te bezorgen: Maar, nu ik merk, dat gy eenige oogmerken omtrent my hebt, waar van ik u nooit verdagt hield, zo moet ik u openhartig zeggen, dat gy my meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te kunnen krygen. Hoe, myn Heer, heb ik u de minste aanleiding gegeven, om zulke gedagten in u te doen opryzen? Hoe weinig kent gy my! Hoe dood vreemt zyt gy omtrent u zelf! Ik moet of boos op u worden, en dat bevalt my niet; of ik moet u hartelyk uitlachen. Nooit zeker las men zo eene ongevallige mengeling van zotteklap, en dwaze inbeelding, op zeer twyffelachtige verdiensten, dan dat schriftje bevat. Dit van stukje tot beetje aan te tonen, is beneden myne aandagt. Ditmaal vergeef ik u alles, op deeze voorwaarden: "dat gy my hier over nooit meer spreekt;--zelf verbied ik u, my voor deeze gekheden om excuus te vragen; en dat gy; is 't mooglyk, door dit geval poogt wyzer te worden, en wat beter uwe eigen waarde te berekenen." Zo gy hier toe geen geneigtheid hebt, dan zult gy u moeten laten welgevallen, dat ik u zo, en op dien afstand behandel, als een fatsoenlyk Meisje een verwaanden, of wilt gy lastigen, knaap altoos moet behandelen. Uwe Zuster is myne lieve vriendin, maar zy zo wel als ik begrypt, dat dit geen reden zyn kan, waarom ik zoude moeten geplaagt worden door een Borstje, dat geen geest genoeg heeft, om my met zyne Missives ook slegts te diverteeren. Spreek des nergens van; en ik zal alles vergeten: want zo gy in dit opzicht maar wyzer wordt; zyt gy een vry draaglyk Heertje; en ik geef de hoop nog niet op, om my eens met meer reden te kunnen noemen _Uwe genegene Vriendin_: S. B. DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed schrijft aan Blankaart: Saartje is allerliefst! En nu is er een meneer, zekere Hendrik Edeling,--die de wed. zelf uit den brand geholpen heeft--een braaf man--die naar Saartje vrijt. Hij is knap, 27 a 28 jaar, goed gemanierd. Staat Blankaart nadere kennismaking toe? Sara spot er wat mee en wil nog niet trouwen, maar de wed. wil zekerheid. VIER EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling wenscht zijn broer succes: geduld maar en volhouden. Gemakkelijk zal 't niet gaan, maar toch gaan. Hij is haast jaloersch en als hijzelf zijn Jaantje niet had, wie weet. VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis vertelt van haar uitstapje met Smit. Ze zijn o.a. in Schiedam geweest en hebben _jenever geproefd_. Smit werd opgewonden. Schiedam is een gat. Smit heeft intusschen een erfenis gekregen en nu zal Anna met haar besten vriend gaan trouwen. Hun liefde berust op _achting_ en _vriendschap_. Zij raadt Sara aan den advokaat _Fine Mouche_ te nemen, maar dan moet ze er gauw bij zijn. Hij is zeer gewild en _ijvert voor de rechten der vrouw_. Smit ijvert voor de _nieuwe psalmberijming_. ZES EN VIJFTIGSTE BRIEF. MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. _Lieve Willis!_ Allemaal menschen!--dit zeide ik, toen ik uwen vrolyken en my zo regt smakelyken Brief gelezen had. De liefde is al een grappig ding, geloof ik. 't Schynt dat zy de peinzende vrolyk, en de ydeltuiten statig kan maken. Mooglyk, om dat zy het levensvonkje in de dikbloedige gestellen helder doet opflikkeren, en de zorgeloze onverschilligheid der volmaakt gezonde meisjes iets aan de hand geeft, dat haar van belang genoeg schynt, om er over te willen denken. Hoe het zy, 't is zeker dat Juffrouw Willis my nu veel meer bevalt, om dat zy my wat nader komt, dan wanneer zy met zekere ernsthaftigheid, niet altoos geheel vry van styfheid en bedilzucht, my myne les voorzegt. Uw Vriend Smit heb ik regt lief, zo wel om het geen gy van zyne conversatie, als om 't geen gy my nopens zyne manier van denken omtrent u mededeelt. Ik hoop hem spoedig wel geplaatst, wel gehuist, en wel getrouwt te zien. Ik beken dat gy, buiten uw nadeel, een ruim hart hebt, als gy ons, eenzamen in den lande, zulk een zegen toewenscht. Maak u vrienden, Naatje, door zo veel gy kunt dien wensch ten uitvoer te brengen. Wat my aangaat: _Pour moi keen warme Bier_, zei de Franschman; _Pour moi geen man_. Een flinke bol, om my, zo als ik zeg, te brengen waar ik zyn wil; dat is wel, doch meer niet. Uw Advocaat is des aan u; geef hem aan haar, die zo een meubeltje nodig heeft, en laat myn devies zyn: _Vryheid, blyheid_. Maar om u eens wat zakelykers te schryven, ik heb met Letje uit geweest, om dat nieuwmodiesch Gaas. Het stuk was byna weg, doch men wagtte alle daag nog fraaijer, als ook heerlyke Taffen, enz. Men heeft my verzogt dat te komen zien: en ik heb aanstaanden maandag daar toe bepaalt. 't Is een besloten winkel; men ziet er niets dan een modieus huis, moderne meubelen, drie zeer wel gemanierde, taamlyk lelyke, reeds wat bejaarde Demoiselles, die niets dan Fransch spreken: 't kwam wel, dat ik die taal kende. In 't naar huis gaan, gingen wy Coos logement voorby, en spraken Mademoiselle G---- eens toe; die zeer verblyt scheen ons te zien, en vriendelyk innodigde. Wy voldeden ook aan haar verzoek. Letje vroeg schielyk of haar Broer niet t'huis was; neen, zei zy, maar hy zal weldra t'huis zyn. Kom, zei Letje, dan gaan wy zo lang op zyn kamer: ik volgde, zeer benieuwt zynde, hoe of het toch op de kamer van een Petitmaitre er mogt uitzien. Naatje! nooit hebt gy zo een huishouden gezien! myn oog viel eerst op zyn toilet, dat in de volmaakste desordre lag. Poeijer en Snuif bedekten alles. Hairkammen, Wenkbrauwkammetjes, verscheiden Verfjes, Tandenschuijertjes, Tand-poeijer, een glas half vol water, zo smerig als een eend, een stuk uitgedoofde Waskaers, eenige Fransche boekjes, die niet van de strengste zedekunde schenen te handelen, een morsige Inktkoker, een vuile Slaapmuts en een pot Pommade, maakten de misselykste vertoning, die ik ooit zag. Al zyn kleeren hingen over stoelen. Eenige paren zyden kousen slingerden er tusschen. Schoenen, muilen, laerzen, een hartsvanger, lagen door malkander: alle zyne Boeken konden wel in een brood-mand, en zagen er vuil en smerig uit. Letje zag dit lieve boeltje, met beschaamtheid, eens over, en ik was geheel nieuwsgierigheid. "Kyk me zo een floddervink eens; zo een slons van een jongen, en die altoos er uit ziet, of hy uit een doosje komt." Kom! zei ik, hy zal er voor hebben. Daar op deden wy zo veel kattekwaad, en naaiden zo veel mouwen en zakken en koussen toe, en verstopten zo veel goed, als de tyd ons toeliet. Toen gingen wy naar beneden, en zie daar, daar kwam de Vorst van Tour en Taxis, wip wip wip den stoep op; gevolgt door nog een vlasbaard, of drie, die hier alle logeeren. Myn Chevalier weet te wel te leven, (zoo hy meent, och arm!) om ons vryheid te laten zo terstond te vertrekken; en dewyl Mademoiselle G--- hier sterk op aandrong, traden wy in de eetkamer. Terstond presenteerde men 't een en ander. De gure dag gaf Coo den inval om een Bowl Punch te maken. Fiat Punch! Toen had hy 't op zyn lyf! de Arak, de Citroenen, enz., alles kwam uit den hoek. De drank was smakelyk, het gezelschap vrolyk, Mademoiselle G--- kluchtig, en Saartje haar zelf. Enfin, Naatje, wy diverteerden ons als Vorsten; wy raakten aan 't musiceeren, en 't was wel negen uuren, voor onze Vriend ons t'huis bragt. De lieve Buigzaam wagtte reeds met eeten. De Hartog keek, als of zy zeide: "Wat die Kleuters! moet ik daar naar wagten?" Lotje zat met een Almenak van 't voorleden Jaar, en hield zich of zy las; doch ik weet niet, of zy wel eens spelden kan. Wy waren zo dartel, dat de lieve Vrouw niet wist, wat zy van ons denken moest; en Letje was ongemeen woordenryk. Ik was niet heel gemaklyk, want Juffrouw Hartog my iets, 't geen ik haar verzogt, wat onbeleeft aanreikende, en er by voegende: "ei, altyd dat gelach, 't zal wat te beduiden hebben, als wy 't wisten!" gaf ik haar een antwoord, 't welk aantoonde, dat ik haar, schoon veel ouder, niet voor myne Voogdes begeerde. Ik heb u nog niet gezegt, dat de Heer Edeling hier alweer geweest is. Juffrouw Buigzaam spreekt met de uiterste achting van hem, en met zo veel onderscheiding, dat, zo zy tien jaar jonger was, ik zou denken, dat hy de man zyn zoude, dien zy haar hart wilde geven: nu denk ik dat niet. Mooglyk heeft hy zin aan Letje. Hy is door haar Broer hier althans gebragt. 't Is een zeer fraai man: hy heeft mooije manieren, en ik hoor, dat hy veel verstand heeft. Als hy weerkomt, zal ik hem eens _Philosophiesch betrachten_; zeide uw Pedant Gekje zo niet? Omhels uwe dierbare Moeder; groet uw Vriend Smit; salueer uw Tante voor haar, die gy weet dat is, Uwe hoogachtende Vriendin, SARA BURGERHART. ZEVEN EN VIJFTIGSTE BRIEF. DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED. _Mevrouw!_ Voor ik iets, Saartje betreffende, aanroer, moet ik u zeggen, dat ik God hartelyk gedankt heb voor uwe herstelling, 't Zoude al te droevig zyn, dat zulke weergaloze Vrouwen zo klakkeloos uit de waereld gingen, terwyl wy met hele risten van Beuzelaars en Beuzelaarsters blyven opgescheept. Het doet my aan myn hart goed, dat ons meisje zo haar pligt gedaan heeft; zy zal er een present extra uit myn eigen zak voor hebben. Zie, men moet de jonge lui, als zy wel doen, ook wel doen; en ik ben, God dank, geen vrekkige Jakhals van een Kaerl. Ik zeg altyd: "Abraham Blankaart, God heeft u zo gezegent, je hebt kind noch kraai; hoewel ik weet niet, of dat zo blyven zal; een mensch heeft graag een eigen weerspraak. Kind noch kraai! wel deel mee, myn Vriend; maak dat niemand op u ziet, als een hond op een zieke koe, dat niemand wel eens wou zien, of jy ook een mooije doode zyn zoudt. 't Moet hier toch altemaal blyven, en als jy brave lui op de proppen helpt, dan doe je als een hupsch Christen mensch betaamt." Nu, dat overgeslagen. Neen, Mevrouw, ik heb geen byzonder oogmerk omtrent Saartje. Ik zal haar volkomen haar eigen keuze laten doen; en, zo de jongen haar verdient te hebben, zal hy haar hebben, al had hy geen zesthalf in de waereld; maar zo zy dwaas genoeg was, om een knaap te willen hebben, dat een vlegel, of een bobbekop is, of die haar dood zou kniezen, of tot gekheden brengen: Verduivelt! dan zal myn naam geen Abraham Blankaart zyn, zo ik het ooit toesta. Hoe, wat hamer, en wat spykerdoos, heeft haar brave Vader my niet met de dood op zyn lippen gezeit: "Brammetje Blankaart, ik sterf; zorg gy voor dit dierbaar Kind. Wees het geen ik voor haar zyn zoude, mogt ik leven." En heeft hare lieve Moeder ook zo niet gesproken? En heb ik het niet heilig belooft? En ben ik niet een eerlyk man? Hoor, Mevrouw, het meisje is veel ryker dan zy weet. Zy kan, ik herhaal het, krygen die zy hebben wil, mits dat zy wel kiest. Ja, 't is een weergaas meisje! zo als gy daar schryft, is zy: en ik ben maar bly, dat zy by zulk eene allerbraafste Dame is, dat is goed voor haar. Spreek toch niet van my lastig te zyn; ik wou dat uwe brieven zo lang waren als de Engelsche Courant. Zie, ik ben geen man van de hedendaagsche Waereld, maar een brief van zulke vrouwen, wel, dat is een tractement voor my. Den ouden Heer Edeling ken ik van voor vele jaren. 't Is een eerlyke knorrepot, een braaf man, een man, daar men op af kan, maar de lastigste mensch, dien ik ook al ken. Pitten heeft hy, en crediet als de Bank: maar ik heb my altoos afgehouden van twee soorten van menschen, van allemansvrienden en van Grimbekken. De laatsten veracht ik, en de eersten beduiden niet genoeg, om er aan te kunnen denken. Zyn Zoons ken ik niet; maar ik heb altyd gehoort, dat het beste jongens waren, doch die 't hart niet hadden, om hunnen Vader ooit dan met schroom toe te spreken. Dat is toch een ellendige zaak! 't Spreekwoord zeit, de beste Stuurlui staan aan land; maar als ik kinderen gehad had, by myn Vrouw, ik zou eerst hunne liefde hebben zien te winnen; en dan zou ik my van hun vertrouwen en achting gemaklyk hebben meester gemaakt. Wat zegt gy, Mevrouw? Indien de jonge Heer des zyn hof aan myn Kleuter wil maken, en zy het goedvindt, my is 't wel; als 't kind maar gelukkig is, ben ik te vreden, en ik zal haar, met al wat zy in de waereld heeft, zelf aan hem, met myn eigen hand, geven. Doch de Oude moest my evenwel geen Kattesprongen maken, of denken, dat zyn Zoon haar veel eer aandeedt. Ja, ja, 't is een misselyke knevel, die eigenste Jan Edeling; want dan zou my 't bloed ook wat heel spoedig in de ooren kruipen. Saartje is van zulk eene brave oude familie, als er maar weinigen in Amsterdam zyn; haar overgrootvader was al een styl van de beurs, en een pylaar van de kerk: en, schoon zy geen geld heeft, dat by Hendriks te pas komt, zy is echter een schone party; en zy is een heel mooi meisje ook; en zy heeft, mag ik zeggen, alles geleert; en zy speelt immers kapitaal? Wees verzekert, dat ik uw verpligtent bericht voor my onschendbaar zal houden. Zo ik u, waardige Dame, ergens in van dienst zyn kan, beveel! gy zult my verrukken, door my in staat te stellen van u te kunnen tonen, hoezeer ik met de grootste achting ben, Uw welmenende Vriend en gehoorzame Dienaar, ABRAHAM BLANKAART. ACHT EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis beknort Sara om haar houding tegenover Coos-Jacob Brunier. Foei! Is vermaak dan alles? En welk vermaak! Tante Hofland zal nog gelijk krijgen! Ze mag Anna uitmaken voor wat ze wil: _bijnamen geven is geen redeneeren_.--Willem maakt 't goed; Smit gaat uit preeken. Hendrik Edeling is een beste jongen; Smit kent zijn broer. NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft zijn Moeder: hij maakt het goed, doet zij