The Project Gutenberg EBook of Reize naar Surinamen, by John Gabriël Stedman #5 in our series by John Gabriël Stedman Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the copyright laws for your country before downloading or redistributing this or any other Project Gutenberg eBook. This header should be the first thing seen when viewing this Project Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the header without written permission. Please read the "legal small print," and other information about the eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is important information about your specific rights and restrictions in how the file may be used. You can also find out about how to make a donation to Project Gutenberg, and how to get involved. **Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts** **eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971** *****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!***** Title: Reize naar Surinamen Author: John Gabriël Stedman Release Date: May, 2005 [EBook #8100] [Yes, we are more than one year ahead of schedule] [This file was first posted on October 15, 2003] Edition: 10 Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REIZE NAAR SURINAMEN *** Produced by Jeroen Hellingman and PG Distributed Proofreaders REIZE NAAR SURINAMEN EN GUIANA I. REIZE NAAR SURINAMEN, EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA; DOOR DEN CAPITAIN JOHN GABRIËL STEDMAN MET PLAATEN EN KAARTEN. NAAR HET ENGELSCH. TE AMSTERDAM, BY JOHANNES ALLART, MDCCXCIX. O quantum terræ, quantum cognoscere coeli Permissum est! pelagus quantos aperimus in usus! Nunc forsan grave reris opus: sed lætarecurret Cum ratis, & caram cum jam mihi reddet Iölcon; Quis pudor heu nostros tibi tunc audire labores! Quam referam visas tua per suspiria gentes! VALERIUS FLACCUS, Argonaut. Lib. I. vs, 168--173. VOORREDEN VAN DEN VERTAALER. In den jaare 1796. kwam in twee deelen in groot quarto, te London te voorschyn eene Reisbeschryving, onder deezen tytel: Narrative, of a five years expedition, against the Revolted Negroes of Surinam, in Guiana, on the Wild Coast of South America; from the year 1772, to 1777: elucidating the History of that Country, and describing its productions, viz. Quadrupedes, Birds, Fishes, Reptiles, Trees, Shrubs, Fruits & Roots; with an account of the Indians of Guiana & Negroes of Guinea: by Captain J. G. STEDMAN. Illustraded with 80 elegant Engravings, from drawings made by the Author. De meer dan gewoone pracht en kostbaarheid, waar mede deeze Engelsche uitgaaf is volvoert, doet reeds dadelyk iets groots van dit werk verwagten: en in de daad de doorbladering van het zelve zal die verwagting geenzints te leur stellen. Eene aanéénschakeling van merkwaardige gebeurtenissen in eenen gemakkelyken en bevalligen styl voorgestelt, maakt de leezing van dit werk aangenaam; en het onderwerp is tevens belangryk. Meer dan één Schryver heeft wel ondernomen eene beschryving der Surinaamsche Volkplanting te leveren; maar verder dan dezelve door Europeaanen bebouwd en bewoond word, brengen zy het byna nooit. De Zand-Woestynen of Savanen zyn de grenspaalen, welke deeze Schryvers niet te buiten gaan. Maar vermits de Capitain STEDMAN, door het bywoonen van eenen tocht tegen oproerige Negers, tot in derzelver diepste schuilhoeken, door byna ontoegankelyke bosschen en moerassen, is doorgedrongen, treffen wy hier byzonderheden aan, die elders te vergeefs gezocht zouden worden, en des te meer opmerking verdienen, om dat ze overal de kenmerken dragen van zuivere waarheid, zonder opsmukking of vergrooting, waar door andere werken van dien aart veelal bedorven worden, en hunne achting verliezen. Met recht beschouwd men dit werk als het volledigst Tafereel der Volkplanting van Surinamen, eene bezitting, voor meer dan ééne Europeesche Natie van het grootste aanbelang. Geen wonder derhalven, dat in verscheide tydschriften in Engeland, in Frankryk, in Duitschland, met lof van dit werk gewaagd wierd. Geen wonder, dat de Burger P. T. HENRY zig verledigde, om 'er eene Fransche Vertaaling van te leveren, welke in den jaare 1798. in drie deelen in 8VO. te Parys in 't licht verscheen. Geen wonder eindelyk, dat men in Duitschland 'er in één Deel in 8VO. een zoort van uittrekzel uit gemaakt heeft. Alle deeze redenen bewoogen dan ook den Uitgever deezes, om dit zoo bevallig, als nuttig werk in een Hollandsch kleed te steeken, en den Nederlanderen ter leezing aan te bieden. Wat de uitvoering der vertaaling betreft, men heeft de Engelsche uitgaave tot den grondslag gelegt, maar ook tevens gemeend gebruik te moeten maken van de Fransche vertaaling, waar aan de verëischten eener goede overzetting met recht worden toegekend. Men heeft dit voornamelyk gedaan in tweërlei opzigt: voor eerst door, even gelyk de Fransche Vertaaler gedaan heeft, weg te laaten de hier en daar ingevlochtene plaatsen, uit Engelsche Dichters, en andere uitweidingen, die geene andere verdiensten hebben, dan dat ze eenen al te kostbaaren optooy aan het werk geven: en ten tweeden, dat men de plaaten, die in de oorspronkelyke uitgaave tot een getal van tachtig waaren aangewassen, in zoo verre vermindert heeft, dat men de zulke, die in werken over de Natuurlyke Geschiedenis, en over de kennis der Planten en Gewassen gemakkelyk genoeg te vinden zyn, tot vermyding van te groote kostbaarheid heeft agter wegen gelaten, en voorts die geene, welke geplaatst zyn geworden, tot op die maate verkleind, dat ze voor eene uitgaave in 8vo. geschikt waaren-- De Vertaaler heeft 'er zig voorts op toegelegt, om in zuiver Hollandsch, ontdaan van het taaleigen der Engelschen en Franschen, door welk gebrek dikwerf zoo veele vertaalingen voor den Lezer ondraaglyk worden, het werk van onzen STEDMAN over te gieten, en zig daar toe van eenen styl te bedienen, die door deszelfs woordenschikking bevattelyk en niet vermoeiend was. Hoe verre hy hier in geslaagd is, word aan het bescheiden oordeel des Lezers overgelaaten: terwyl hy zig vermeent te mogen vleijen met de hoop, dat de goedkeuring van deezen zynen arbeid, en van de wyze van deszelfs uitvoering, hem zal aanmoedigen, om met den meesten spoed denzelven te voltooijen. VOORREDEN VAN DEN SCHRYVER. Dewyl dit werk misschien één van de zonderlingste voortbrengzels is, die immer aan het Publiek zyn aangeboden, oordeele ik gepast te zyn den lezer een korte schets te geven van het geen hy staat te doorbladeren. Ik heb de stoffen getracht te rangschikken, even gelyk in een groote tuin, alwaar men de welriekende bloem tevens met de steekende doorn ontmoet; de met gouden lovers gespikkelde kapel zig laat zien op de plaats, alwaar de verachtelyke worm kruipt; en het schitterendst pluimgedierte in de donkerste schaduwe huisvest. Het geheel, met zulke verschillende kleuren afgemaalt, zal, zoo ik hoop, onderrigting en vermaak zamenpaaren, zonder den geest te vermoeien of te verveelen, en het verstand te verzwakken; wel niet met de hedendaagsche pracht en luister van styl, maar door een eenvouwdig verhaal, waar van de getrouwheid het hoofd-cieraad is. In de verschillende caracter-schetsen van eenen Bevelhebber, eenen oproerigen Neger, een Planter en een Slaaf, is hier niet alleen de dwinglandye ontvouwt, maar zyn ook de weldaadigheid en menschlievenheid bloot gelegt. De Krygsheld, de Geschiedschryver, de Koopman, en de Beminnaar der Natuurlyke Wysbegeerte, zal hier lichtelyk iets aantreffen dat hem vermaakt; terwyl ik, myne byzondere voorvallen overal hebbende ingevlochten, eenige verschooning vragen moet; schoon niet met opzigt tot het gebeurde met die bevallige Slavin, die zeker niet de min belangrykste vertooning in deeze bladen maakt: vrouwelyke deugd immers in eenen staat van rampspoed, vooral wanneer ze met jeugd en schoonheid vergezeld gaat, moet steeds bescherming vinden. Over het geheel misschien mag ik eenige toegeeflykheid verwagten, wanneer de Lezer in 't oog houd, dat hy geen Roman leest, door loutere verbeelding zaamgeflanst, maar eene wezentlyke Geschiedenis, door geene wonderbaare voorvallen opgepronkt; het werk van een Officier, die zyn pen en penceel zonder medehulp gebruikt heeft, en dat op de plaats zelve; eene omstandigbeid, die zeldzaam voorvalt. Met opzigt tot de afschuwelyke wreedheden, door my zoo meenigwerf verhaald, zy het genoeg te weten, dat anderen van dergelyke onmenschelyke bedryven af te schrikken en deugd in te boezemen, myn eenige dryfveer was; terwyl het aan den anderen kant niet moet worden uit 't oog verloren, dat vryheid, even zeer als te groote zachtheid, wanneer zy aan ongeletterde en van alle beginzelen verstoken menschen schielyk vergunt word, voor beide partyen gevaarlyk, zoo niet verderffelyk is. Getuigen zyn de Ouca- en Saraméca-Negers in Surinamen; de Maroni-Negers van Jamaica; de Caraïben van St. Vincent; enz. Terwyl intusschen de Surinaamsche Volkplanting van het bloed der Africaansche Negers rookt, vind ik my verpligt naar waarheid op te merken, dat het de Hollanders alleen niet zyn, die daar aan schuldig staan; maar dat meest aan andere volken, en voornamelyk aan de Joden, deeze zoo algemeene en helsche barbaarsheid te wyten is. De Lezer gelieve deeze bladen met onpartydigheid en bedaardheid door te loopen; de bloemen van het onkruid te schiften; het goud verstandelyk van het schuim af te scheiden; en misschien zal hy zig de uuren niet beklagen, die hy 'er aan besteed heeft. Eenige weinige misslagen in de spelling en onnaauwkeurigheden ontdekken zig, voornamelyk in het eerste Deel, vermits ik volstrektelyk ben verhindert geworden, het toezigt over de verbetering der Drukproeven te houden; maar in een korte Lyst van eenige weinige drukfeilen, en voornamelyk in het Register, waar toe ik den nieuwsgierigen verwyze, kan men de naamen van menschen en zaaken juist gespelt vinden. Laat dit evenwel zoo niet worden opgevat, dat ik my beroemen durve in schrift en teekening steeds uit te munten; maar vermits de zuivere en mannelyke waarheid, waar van men zoo dikwils spreekt, maar die men zoo zeldzaam vind, eene wezentlyke waarde heeft; vertrouw en hoope ik, dat dit werk den aandacht van het Britsch Publiek niet geheel onwaardig zyn zal. INHOUD DER HOOFTSTUKKEN. I. HOOFTSTUK. Inleiding.--Opstand der Negers in verscheide gedeelten van Hollandsch Guiana.--Toebereidzels te Texel tot een tocht derwaarts.--Het uitloopen van de Vloot.--Overtocht.--Het inloopen in de Rivier van Surinamen.--'t Goed onthaal, dat het Krygsvolk in deeze Volkplanting ontfing.--Schets der inwoonders, &c. II. HOOFTSTUK. Algemeene beschryving van Guiana.--Van de Volkplanting van Surinamen in 't byzonder.--Tydstip van derzelver ontdekking.--Dezelve word bezeten door de Engelschen en Hollanders.--De Gouverneur, de Heer VAN SOMMELSDYK, vermoord.--De Volkplanting word door de Franschen genomen, en onder schatting gesteld. III. HOOFTSTUK. Eerste opstand der Negers en deszelfs oorzaaken.--Elendige staat der Volkplanting.--Gedwongen vrede met de Muitelingen.--Muitery der Zee-Soldaaten, Matroozen, enz. IV. HOOFTSTUK. Eene korte tusschenpoozing van overvloed en vrede.--Nieuwe opstand, welke groote nadeelen, en byna den ondergang der Volkplanting veroorzaakt.--Monstering van het Krygsvolk tot derzelver verdediging.--Gevecht tusschen dezelve en de muitelingen.--Goed gedrag van eene bende Negers.--Aankomst der Zee-Soldaaten van den Colonel FOURGEOUD. V. HOOFTSTUK. Het toneel verandert.--Beschryving van eene schoone Slavin.--Manier om door Surinamen te reizen.--De Colonel FOURGEOUD neemt den loop der Rivieren op.--Barbaarsheid van eenen Planter.--Elendige behandeling, welke sommige bootsgezellen ondervinden. VI. HOOFTSTUK. Verschrikkelyke straföeffening.--Onzekere gesteldheid der Staats-zaaken--Korte tusschenpoozing van vrede--Een Officier gedood, en zyne geheele Krygsbende aan stukken gehouwen.--Algemeene wapenkreet in de Volkplanting. VII. HOOFTSTUK. Vertrek der gewaapende vaartuigen tot verdediging der Rivieren.--Beschryving van het Fort Amsterdam.--Krygstocht naar het bovenste gedeelte van de Rivieren Cottica en Patamaca.--Groote sterfte onder het krygsvolk.--Gezicht van den Wacht-post van Devil's Harwar. VIII. HOOFTSTUK. De Muitelingen verbranden drie Plantagiën, waar van zy de bewooners vermoorden.--Tafereel van armoede en elende.--Optocht dwars door de bosschen van Surinamen. De Colonel FOURGEOUD en het overig krygsvolk verlaat Paramaribo. IX. HOOFTSTUK. Kakkerlakken.--Ziekten, die aan de luchtstreek van Guiana eigen zyn.--Papegaijen, genaamt Macaws.--Nieuwelings aangebragte Negers, om als slaven verkogt te worden.--Aanmerkingen over de behandeling der Negers.--Hunne reize van Africa naar America.--Manier van het verkoopen der slaven te Surinamen.--Beschryving eener Catoen-Plantagie. X. HOOFTSTUK. De Armadil.--Het Stekelvarken en de Egel van Guiana. Gevecht tusschen een Slang en een Kikvorsch.--De Colonel FOURGEOUD trekt naar de Wana-Kreek.--Hy ontrust den vyand door herhaalde aanvallen.--Beschryving van den Palmboom.--Verscheiden gebruiken, waar toe dezelve dient.--De Kokosboom.--Tocht naar den mond der Rivier Cormoetibo.--Waarneemingen omtrent de Vogelen van Guiana.--Distelen en doornen.--Eenige muitelingen krygsgevangen gemaakt.--Ysselyke behandeling, door een gevangen en Neger ondergaan. XI. HOOFTSTUK. Het Krygsvolk keert naar de Wana-Kreek te rug.--De Pipa.--Gevecht tusschen een soldaat en een slang.--De Fesant-vogel van Guiana.--De Agamie of Trompetter.--De Muitelingen trekken de legerplaats voorby; men vervolgt hen te vergeefs.--Groot gebrek aan water.--Schranderheid der Negers.--De Zyde-plant.--Kevers en Insecten.--Bergwerken.--Fraaije Kapel.--Het krygsvolk koomt op den post van la Rochelle aan de Patamaca. XII. HOOFTSTUK. Beschryving van Paramaribo, en van het Fort Zelandia.--De Grow Mouneck of graauwe Munnik.--De West-Indische Abricoos-boom.--Verschillende zoorten van Oranjeboomen.--De Colonel FOURGEOUD trekt naar de Rivier Maroni.--Een Capitain word gewond, en eenige soldaaten gedood.--Vreemde straf-öeffening in de hoofdstad.--Het Fort Sommelsdyk.--De wachtpost van de Hoop.--Duiven en Tortelduiven.--Groenten en vruchten.--Jacht en wildt.--Steenbakkery.--Insecten. XIII. HOOFTSTUK. Beschryving van eene Suiker-Plantagie.--Huisselyk geluk in zekere hut.--Krygs-verrigtingen van den Generaal FOURGEOUD.--De Duncane, Igname en Soubacou.--Wreedheden van zommige Opzigters der Plantagiën.--Onderscheidene zoorten van visschen.--Misnoegen van eenen Capitain der muitelingen. XIV. HOOFTSTUK. De Colonel FOURGEOUD keert naar Paramaribo te rug.--Het gevleugeld en gewapend Water-hoen van EDWARDS.--Bewys van onkunde in een Heelmeester;--van deugd in een slaaf;--van wreedheid in eenen Bevelhebber.--De roode Wulp.--De Wesp, Marobonso genaamd.--Orange-appelen en Limoenen.--De insecten, Chiques genaamd.--Het krygsvolk begeeft zig weder naar de bosschen.--De Kibry-Fowlo.--Verscheidene zoorten van wilde varkens.--Mieren.--De dans van Loango.--De Toreman.--De Poelsnip van Guiana.--Plantains en Bananes.--Manier om te visschen.--Visschen.--Vogelen. XV. HOOFTSTUK. Indianen, inboorlingen van Guiana.--Voedzel,--Wapenen,--Cieradiën,--Optooisels,--Bezigheden, --Vermaken,--Driften,--Godsdienst,--Huwelyken,--Begravenissen, enz. van deeze Volken.--De Caraïbische Indianen in 't byzonder, en hunne koophandel met de Europeanen.--Boomen, Heesters en Planten. XVI. HOOFTSTUK. Versterking van krygsvolk, uit Holland aangekomen.--De Goijava-boom, en deszelfs vrucht.--Legerplaats by Maagdenberg aan de Tempaty Kreek.--Verschillende zoorten van Aapen.--Een zeer maanzieke Neger.--Eekhoorntje van Guiana.--Verscheidene zoorten van boomen.--Hagedissen.--Bergen van mynstoffen voorzien.--Treffelyke gezichten.--De Roucouboom.--Fraaije Kapel.--Palmloom--worm. XVII. HOOFTSTUK. Nieuwe wreedheden, nog onmenschelyker, dan alle de voorige,--Verschillende zoorten van planten.--Papegaaijen en Parkieten.--Surinaamsche Patrys.--Buitengewoone Insecten.--Geiten van Guiana.--De Taïbo.--Verscheidene zoorten van visschen.--Groote sterfte onder het krygsvolk, het welk zig op de posten aan de Tempaty-Kreek, en de Commewyne bevond. XVIII. HOOFTSTUK. Een Tyger, op de legerplaats gevangen.--De Jaguar.--De Couguar.--De Tyger-kat.--De Jaquarette.--Gevecht tusschen eenige afgezondene manschappen der Sociëteit en de muitelingen.--Levens-manier van eenen Surinaamschen Planter.--Verscheiden zoorten van visschen.--Besmettelyke ziekten.--Zelfsmoord. XIX. HOOFTSTUK. Optocht van het Krygsvolk naar Barbacoeba, aan de Rivier Cottica.--De Palmboom-kool en de Mauricy.--Heete koorts.--Trek van dankbaarheid in eenen Engelschen Matroos.--Verscheiden zoorten van Peper.--Citroen- en Limoen-boomen.--De Mammy-appel.--Pimpernooten.--Regeering in Surinamen.--Honden van Guiana.--Ongemeene trek van edelmoedigheid. XX. HOOFTSTUK. Beschryving van eenen oproerigen Neger.--Vuurige Mier.--Het wandelend Blad.--Doornhaag-Spinnekop.--Duivenboonen of erwten van Angola.--Nadrukkelyke benaamingen, door de Negers gebezigd wordende.--Het innemen van de stad Gado-Saby, door den Colonel FOURGEOUD.--Trek van bygeloovigheid.--Beleid van den vyand XXI. HOOFTSTUK. Wilde Porselyn.--Calebassen-boom.--Schermutzeling.--Tafereel van broederlyke teederheid.--Het krygsvolk keert naar Barbacoeba te rug.--Beschryving van de manier, waar op de legerplaats was ingericht.--Een slaaf door den slang Orou-coukou gedood. XXII. HOOFTSTUK. Byzonder zoort van Mieren.--Acajou-nooten.--Eta-appel.--Alarm aan de Peréca.--Hinderlaag.--Vreemde uitwerking, door eene Vledermuis veröorzaakt.--De Oppossum.--De Agouti en de Paca.--De Dadel-boom.--Het krygsvolk keert naar de Cormoetibo-kreek te rug.. XXIII. HOOFTSTUK. Tweede tocht naar Gado-Saby.--Land-Schildpad.--Verschillende zoorten van hout.--Levendig geraamte.--Treffelyke gezichten.--Honderd-pooten.--Verschillende Plantgewassen.--De Opper-Bevelhebber wordt ziek, en verlaat de legerplaats.--Sprinkhanen.--Verschillende zoorten van visschen.--De Zee-koe.--Het Zee-paard.--Aanmerkingen omtrent het aanwezen der Meerminnen.--Trommelzucht.--Verscheiden zoorten van vogelen.--De Malaky en Markoury boomen.--Doornhaag-wormen XXIV. HOOFTSTUK. Aanwerving van twee Compagniën Vrywilligers, bestaande uit Negers en vrye Mulatten.--Verscheidene zoorten van Visschen.--Arrowoukas-Indianen.--De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD ontfangt bevel, om naar Holland in te schepen.--De Ratel-slang--De blaauwe Dypsas.--De Amphisboena of tweehoofdige slang.--Eene fraaije Kapel.--De Colonel ontfangt naderen last.--Het krygsvolk trekt weder in de bosschen.--Koophandel in de Volkplanting van Surinamen.--Beschryving eener Cacao-Plantagie.--Heldendaad van eenen Neger.--De Ananas.--De Muscaat- en Water-Meloen. XXV. HOOFTSTUK. Grappige manier tot het ontdekken van een dief.--Het Brom-vogeltje.--Verschillende zoorten van planten.--Manier van visschen in Surinamen.--Onderscheidene zoorten van visschen.--Moed van eene jonge Negerin.--De Pimpelmees.--De Americaansche Aloë.--De Banille-boom.--Huilende Aapen.--Verwonderlyke slimheid der wilde Byën.--De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD ontfangt andermaal bevel, om naar Europa te rug te keeren.--De Guiaansche Nachtuil. XXVI. HOOFTSTUK. Inscheeping van het krygsvolk.--De Zurzaca, en Sabatille.--De Papaija, en de Gember.--Het krygsvolk gelast om te ontschepen.--Muiterye.--Onbetamelyk gedrag van een Capitain der Oucas-Negers.--Een groot aantal zieken naar Europa gezonden.--Nieuwe byzonderheden betrekkelyk de Negers. XXVII. HOOFTSTUK. De muitelingen voeren verscheiden Negerinnen weg.--Aanstootelyke wyzen van straföeffening.--Onverschrokkenheid der Negers.--Verschillende zoorten van Gier-vogels.--Gekuifde Arenden.--Beschryving van eene Indigo Plantagie.--Kaneel-Appel. XXVIII. HOOFTSTUK. De Muitelingen trekken de Rivier Maroni over.--Derde tocht naar Gado-Saby.--De Land-Scorpioen.--Verscheiden zoorten van timmerhout.--Boom, welke een vrucht voortbrengt, de Marmelade-doos genaamd.--Het aankweeken van Ryst.--Buitengewoone hitte, die alle de moerassen opdroogt.--De Oppossum van het vrouwelyk geslacht.--De Brazilsche Wezel.--De Mierëeter.--De Tamandua.--Hout-luizen en vliegende luizen.--Tafereel van ellende en sterfte.--De Vrede aan de Volkplanting bezorgd.--De Poelsnip.--De Lepelgans, en de Brazilsche Ojevaar.--Wilde Eendvogels van verschillende zoorten. XXIX. HOOFTSTUK. Byzonderheden, betreffende den beruchten GRAMAN QUACY.--Beschryving van eene Koffy-Plantagie.--Ontwerp tot verbetering van de Volkplanting van Surinamen.--Verscheiden zoorten van visschen.--Nieuwe trek van wreedheid.--Voorbeeld van menschlievendheid.--De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD wordt wederom ingescheept. XXX. HOOFTSTUK. De Schepen ligten het anker, en steken in Zee. Overtocht.--Het Zee-paard.--De Noord-kaper.--De Haay.--De Zuiger-visch.--Het Lootsmannetje.--De Bruinvisch.--Zee-orkaan.--De schepen landen in Texel aan.--Ontscheping van het krygsvolk in de Stad 's Hertogenbosch.--Dood van den Colonel FOURGEOUD.--Besluit. AANHANGZEL. VOOR-BERICHT. EERSTE BRIEF. Van den aart der Landen, derzelver vruchtbaarheid en plaatselyke ligging. TWEEDE BRIEF. Van de manier, om te arbeiden aan Dykagiën, uitwaterende Vaarten, Sluizen en ander werk, het welk noodig is, om het Land ter bebouwing gereed te maken. DERDE BRIEF. Van het planten en aankweeken van Koffy, en van de noodige levensmiddelen tot onderhoud van de Planters; van het oogsten en bewerken der Koffy; van de gebouwen, en verdere noodzakelyke inrigtingen tot eene groote Koffy-Plantagie, volgens het gebruik der Hollandsche Volkplantingen in Guiana. VIERDE BRIEF. Antwoord op de drie eerstgemelde Brieven, waar by de Fransche Ingezeten de vraag omtrent de afschaffing der slavernye, in de Volkplantingen, alwaar dezelve nog plaats heeft, opzettelyk behandelt: hy raadt om deeze verandering, die noodzakelyk geworden is, te bevorderen; en geeft de middelen aan de hand, om daar toe te geraken, zonder aan den voorspoed der Volkplantingen nadeel toe te brengen. TWEEDE AANHANGZEL, OF BESCHRYVING DER VOLKPLANTING VAN CAYENNE. I. HOOFTSTUK. Aardrykskundige Beschryving van Fransch Guiana. II. HOOFTSTUK. Luchts-gesteldheid in Fransch Guiana. III. HOOFTSTUK. Geschiedkundige opgaave, betrekkelyk Fransch Guiana. IV. HOOFTSTUK. Bevolking van Fransch Guiana. V. HOOFTSTUK. Zeden en gewoonten der Indianen. VI. HOOFTSTUK. Behandelingen, welken de Indianen in Fransch Guiana ondergaan hebben.--Middelen om hun voor de Volkplanting nuttig te maken. VII. HOOFTSTUK. Hooge en laage landen.--Timmerhout.--Voortbrengzels van Fransch Guiana. Levensmiddelen, tot de tafel dienende. EERSTE HOOFTSTUK. Inleiding.--Opstand der Negers in verscheide gedeelten van Hollandsch Guiana.--Toebereidzels te Texel tot een tocht derwaarts.--Het uitloopen van de Vloot.--Overtocht. --Het inloopen in de Rivier van Surinamen.--'t Goed onthaal, dat het krygsvolk in deeze Volkplantingen ontfing.--Schets der inwoonders, &c. Het algemeen belang, het welk zedert verscheiden jaaren, in de ontdekking of beschryving van afgelegene gewesten is gesteld geworden; en het welk het verhaal van de verschillende ondernemingen der reizigers, en van de onderscheidene omstandigheden waar in zy zig bevinden, steeds doet gebooren worden, heeft my aangezet, om de waarneemingen, die ik gelegenheid gehad heb op een zeer merkwaardig gedeelte van den aardbol te maaken, alwaar weinige Engelschen, het zy by toeval, het zy om eenige andere reden, zig bevonden hebben, aan het algemeen mede te deelen. De Volkplanting van Surinamen, in Hollandsch Guiana, het gedeelte namelyk, dat het naast aan de zeekust ligt, door de Europeanen bewoond en bebouwd, is wel zedert verscheiden jaaren bekend; maar de zwaare overstroomingen en de ondoordringbaare dikte der bosschen, hebben tot hier toe zulke hinderpaalen in den weg gelegt aan de onderzoekingen van hun, die dieper hebben willen indringen, dat men, betrekkelyk dit land, niets naar waarheid geweten heeft, dan alleen met opzigt tot de voorwerpen van koophandel,--die aan alle de bezittingen, onder den zonne-keerkring gelegen, eigen zyn. Dit werk is dus in 't byzonder geschikt, om de gebeurtenissen te schetsen, waar in de noodzakelykheid, om in de binnenste gedeelten van dit uitgestrekt gewest door te dringen, my heeft doen deel neemen, en waar van dezelve my getuige gemaakt heeft, als mede om op te geven de waarneemingen van allerley zoort, waar toe ik in de gelegenheid, in welke ik my bevond, eenigermaten als gedrongen wierd. Alvoorens deezen moeielyken taak te onderneemen, vind ik my, tot verstand der gebeurtenissen, in de onvermydelyke verpligting, om kortelyk rekenschap te geven van de oorzaaken, die my in dit weereld-deel gebragt hebben. Alle landen, alwaar de huisselyke slavernye gevestigd is, leggen dikwerf bloot voor opstanden en onlusten, vooral wanneer de slaven het grootste deel der inwoonders uitmaken; maar de Hollandsche volkplanting Surinamen is op dit stuk byzonder ongelukkig geweest. Het zy dat de eindelooze bosschen, die het aanzienlykst gedeelte deezer landstreek bedekken, aan de vluchtenden eene gemakkelyke schuilplaats verschaffen, het zy dat het Bestuur aldaar eenig ingeworteld gebrek heeft, dit is zeker, dat de Europeanen aldaar aanhoudend aan de snoodste verongelykingen, en hunne bezittingen aan de geweldadigste verwoestingen zyn bloot gesteld. Het is hier de plaats niet, om daar van een opzettelyk verhaal te doen; het zal genoeg zyn aan te merken, dat deeze herhaalde opstanden eindelyk de gestrengste maatregulen tot een volkomen herstel der rust vorderden; en dat de tyding, die in den jaare 1772. in Holland aankwam, dat eene aanzienlyke magt van gewapende Negers, die zig in de bosschen verzamelt had, voor de Volkplanting ten uitersten geducht wierd, Hun Hoog Mogenden, de Staaten der Vereenigde Nederlanden, deed besluiten, om eene magt af te zenden, die in staat zoude zyn, den muitelingen het hoofd te bieden, en zelfs, zoo het mogelyk was, den opstand te dempen. Myne eerzucht strekte om in den Engelschen zee-dienst te gaan; maar de weinige hoop tot bevordering, die nu in vreedes-tyd natuurlyk te wagten stond, gevoegd by den slegten staat van myne geldmiddelen, noopte my, om van den zeedienst af te zien, en de aanstelling tot Vaandrig aan te neemen, die my zonder kosten wierd aangeboden, in één der Regimenten van de Schotsche Brigade, in Hollandsche soldy staande, ten tyde, dat de heer JOSEPH YORCK (wylen Lord DOWER) aldaar Afgezant van ons Hof was. Het was in zyne handen, dat ik den gewoonen eed afleide van afzweering en getrouwheid aan mynen Koning en myn Vaderland, als zynde in Engeland in de oorlogs-rolle opgeschreven.--Ik heb gedacht, dat ik aan my zelf verschuldigd was die verklaaring te doen, ten einde te bewyzen, dat ik uit noodzaak, en niet uit myne eigene keuze, by vreemden dienst nam, schoon 'er misschien geene krygsbende gevonden word, die ouder is, of zig meer beroemd gemaakt heeft, dan deeze Brigade, zoo op ons Eiland als op het vaste Land, zedert meer dan twee honderd jaaren. Ten tyde van den opstand, waar van ik hier boven sprak, was ik Lieutenant in het Regiment van den waardigen Generaal JOHN STUART. Bemoedigd door de hoop van op myn geliefd element eene langduurige reize te ondernemen, en aangezet door het verlangen, om een gedeelte der weereld te bezigtigen, het welk nog niet geheel en al bekend was; daarenboven denkende, dat ik, ten gevolge van eenen zoo gevaarlyken tocht, eene meer aanzienlyke bevordering verkrygen zoude, deed ik, zonder tyd verlies, aanzoek om geplaatst te worden onder eene krygsbende vrywilligers, welke zig gereed maakte, om naar Guiana in te schepen. Ik had dienvolgende de eer, om door zyne Doorluchtige Hoogheid WILLEM DEN Ve. Prins van Oranje, tot den rang van Capitain bevorderd te worden, onder den Colonel LOUIS HENRY FOURGEOUD, een Zwitsersch Edelman, uit den omtrek van het Alpisch Gebergte, die benoemd was, om by deezen tocht als Opperhoofd 't bevel te voeren. Na dat ik, den 12de November, den eed van trouwe aan myne nieuwe legerbende had afgelegt, en alles tot myne reize volkomen was gereed gemaakt, nam ik afscheid van myn oud Regiment, en ging oogenblikkelyk te scheep naar het Eyland Texel, alwaar verscheiden onzer reisgenooten reeds by elkander waaren, en alwaar ik, op 't oogenblik van aan land te stappen, dagt te vergaan, dewyl het vaartuig was lek geworden, en geduurende de branding in de zee aan 't zinken was. Het Eiland Wieringen was egter de algemeene vergaderplaats. De Colonel FOURGEOUD kwam aldaar aan den 7de December. De vrywilligers waaren aldaar allen by elkander, ten getaale van vyfhonderd schoone jonge manschappen; en des morgens van den 8ste wierden wy verdeeld in zeven compagniën, die een corps of regiment van soldaaten ter zee uitmaakten. Behalven de oorlog-schepen Boreas en Westellingswerf, onder bevel van de Capitains VAN DE VELDE en CRAS, werden als oorlogs-sloepen bestemd drie transportfregatten, kortlings gebouwd, voerende een vlag van agteren, op de boegspriet, en een wimpel, en gewapend met tien tot zestien stukken geschut. Wy gingen den zelfden dag des namiddags aan boord van deeze Schepen; en geduurende onze inscheeping, wierden wy door een algemeen salvo begroet; waar na de krygsoeffeningen verrigt wierden, even als op een oorlogsvloot. Schoon ingescheept zynde, vertrokken wy egter niet oogenblikkelyk. Wy wierden eenige dagen door den wind op de reede van Texel opgehouden; en in dien tusschentyd, wierd één van onze Officiers, HESSELING genaamt, ongelukkiglyk door de kinderziekte aangetast. Om te beletten, dat hy de besmetting aan het volk niet zoude mededeelen, gaf men bevel om hem aan land te zetten; en hem in de pinas hebbende doen gaan, geleidde ik hem zelf naar een dorp, genaamt de Helder, gelegen aan de zeekust, alwaar ik hem agter liet. By myne te rug komst verklaarde de Heelmeester van het Schip, dat hy de teekens van dezelfde ziekte in my ontdekte; dienvolgende gelastte men my, om my naar het Eiland Texel te begeeven. Ik hield aldaar een verblyf, dat voor my allerontrustendst was; maar ik had het geluk, om aan deeze noodlottige ziekte te ontsnappen; en, tot groote verwondering van den Doctor, verscheen ik weder in volmaakten welstand aan boord, een oogenblik voor dat men sein gaf om te vertrekken. Ik merke, na dit gebeurde, alhier op, dat het voor hun, die zig tot den Land- of Zeedienst begeeven, nuttig zyn zoude de inënting te baat te neemen, om zig zelf van knellende ongerustheden te ontheffen, en niet in 't geval te zyn van aan hunne medgezellen eene zoo gevaarlyke besmetting mede te deelen. Op Kersdag, des morgens ten agt uuren, stak onze kleine vloot in zee, met eenen goeden oost noord oosten wind. Wy wierden vergezeld door omtrent honderd Schepen, die zig naar verschillende weereld-deelen begaaven; en het was het helderste en schoonste weder. Met alle veiligheid zynde uitgeloopen, zonder het peillood te gebruiken, begroetten wy elkander met negen kanon-schooten, en wy kwaamen buiten het Kanaal. Wel dra zeilden wy voorby de Noordkaap, het Eiland Wight, en de punt van Portland; dog de Westellingwerf alhier een lek in het Schip ontdekt hebbende, wierd genoodzaakt ons te verlaaten, en op de reede van Plymouth te loopen, om zig aldaar te herstellen. De wind wakkerde op, toen wy de Baay van Biscaye naderden. Aldaar deed de onder-stuurman my opmerken een zoort van zee-zwaluw, doorgaans bekend onder den naam van onweers-vogel, om dat men voorondersteld, dat hy zulks aankondigt. De vederen van deezen vogel zyn donker blaauw, byna zwart, en met eenige verschillende kleuren verciert. Het lyf is als van een groote zwaluw: de pooten zyn van een vlies voorzien, de bek zeer lang en puntig, de wieken van eene buitengewoone lengte, het geen hem eene gemakkelykheid geeft, om zeer schielyk en een langen tyd agter een te vliegen, doorloopende denzelven het halfrond met eene ongelooflyke gezwindheid. Deeze vogel leeft van niets anders dan van visch; het geen waarschynlyk de oorzaak is van de doorzigtigheid, waar mede hy het oogenblik voorziet, het welk hem van zyn gewoon onderhoud berooven moet. Alsdan vliegt hy met eene ongemeene schielykheid, ten einde het onweer te ontwyken; maar word hy daar van overvallen, laat hy zyne vlerken hangen, en zweeft door de ruimte van de lucht. Daags daaraanvolgende, den 2de January 1773. wierd de voorzegging van den onweers-vogel vervult. 'Er stak een sterke wind uit het oost noord oosten op, die, na dat wy Kaap Finisterre voorby gezeilt waaren, de Boreas en de Waakzaamheid van ons afscheide. Wy voeren den geheelen nacht, met het bramzeil dubbeld ingebonden, en de luiken digt gesloten, het geen ons volk zeer ziek maakte. Ik moet niet vergeten hier aan te merken, dat wy een proef namen, om de hangmatten over dwars te plaatsen, en niet als gewoonlyk van vooren naar agteren; deeze manier, die wy zeer gemakkelyk bevonden hebben, vermits zy ons meer ruimte gaf, is zedert op andere Schepen gevolgt geworden. Den 14de, des morgens, ontdekten wy van verre een groot Schip, dat voor den wind zeilde, en regelrecht op ons aankwam. Gissende, dat het een Algiersche Zeeroover mogt zyn, en van de vyf Schepen, waar uit onze Vloot by ons vertrek bestond, 'er slechts twee afwezig zynde, maakten wy ons gereed om eenen aanval door te staan; maar wel dra bemerkten wy, dat het de Boreas was, die zig den 2den van ons had afgescheiden. Van dit oogenblik oeffende men zig dagelyks met het geschut, door te mikken op een zoort van schild, dat aan de groote raa wierd opgehangen. Den 14de, geduurende een vierde van den ogtend, zeilden wy voorby den zonne-keerkring; en de gewoone plechtigheid, om de nieuwe matroozen in zee te dompelen, wierd met eenig geld, dat aan het volk by de fokke-mast wierd ter hand gesteld, afgekogt. Bykans op dit zelfde oogenblik verloor de Boreas één van zyne beste zeelieden, des onder-stuurmans maat. De vochtigheid deed hem de hand uitglyden, en hy viel van de fokke-mast in zee. Zyne tegenwoordigheid van geest, met den Capitain toe te roepen, terwyl hy op zyde van het Schip zwom,--"zyt voor my niet ongerust," denkende dat hy geholpen zoude worden, verwekte een innig mededogen; 'er ontstonden zelfs eenige morringen, om dat men hem geene hulp toebragt. De ongelukkige jongeling, een vry langen tyd gezwommen hebbende, verloor zyne kragten en zonk naar den grond. Wy hadden eindelyk den passaatwind bekomen, die gestadig uit het oosten waaide; de lucht wierd van dag tot dag gematigder, en deeze beide voordeelen maakten onze reize uitermaaten aangenaam. Een groot getal dolphynen of zee-braassems, speelden rondom de Schepen. Deeze fraaye visschen scheenen daar in een zonderling vermaak te scheppen, en wy niet minder met hen te zien en te bewonderen. De waare dolphyn, die onder het geslacht der groote zeevisschen behoord, wierd oudtyds door de Dichters hoog geroemd, uit hoofde van deszelfs liefde tot de menschen, en andere deugden, die men in denzelven vooronderstelde; maar dit kan men niet zeggen van den zeebraassem, of den hedendaagschen dolphyn. Dit dier is uittermaaten vernielend en vraatächtig. Men weet, dat het alleenlyk al speelende de Schepen volgt, in de hoop van een aas te ontmoeten, vooral by het opkomen van een onweder, het geen hetzelve met zekerheid schynt te voorzien, en niet uit een gevoel van vriendschap voor de menschen. Het geen voornamelyk onzen aandacht tot den zee-braassem trekt, is de schitterende en voorbeeldelooze glans van deszelfs kleuren onder water. [1] Zyn geheele rug is doorvlamt met hemelsblaauwe vlakken, een weinig naar het zeegroen hellende, en verspreid op een donkeren grond, die met kostbaare gesteenten verrykt schynt; dit maakt eene fraaye tegenstrydigheid met den buik, die van een dof blaauwe kleur is. De vinnen en de staart zyn van een goud-kleur. Deeze visch heeft vyf of zes voeten lengte. Zyn rug, van eene kegelvormige gedaante, loopt, hoe langer hoe kleiner wordende, tot by de staart; deeze is in tweën gescheiden, en schynt een halve maan te maaken. De kop is rond, en van een grooten bek voorzien. De schubben van den zee-braassem zyn zeer klein. Een zoort van vinne snyd hem den rug in tweën, van het hoofd tot de staart. Naar maate wy vorderden, wierd het weder heeter; het geen my eindelyk toeliet buiten de hut te gaan, alwaar ik op eene onaangenaame wyze omringt wierd door eene meenigte van Officiers, die grootendeels nog nooit op zee geweest waaren; en ik konde my aan myne geliefde vermaaken begeeven, het zy met op 't dek wat te leezen, het zy met my in het scheepswerk te oeffenen. Ik was uit dien hoofde in staat, om aan één van onze jonge Officiers, den heer DU MOULIN, die door het slingeren van 't Schip op het raahout geworpen wierp, een wezentlyken dienst te doen; ik was toen gelukkiglyk in de groote raa-kettingen; ik greep hem in zyn val, het geen hem van een wissen dood bevrydde, want hy kon niet zwemmen. Onze komst in warmer luchtstreeken gaf my gelegenheid eene aanmerking te maken, die, zoo ik meen, niet algemeen bekend is, en die voor Scheeps- en Zeelieden zeer gewichtig worden kan: namelyk dat tusschen de zonne-keerkringen, zoo het ongedierte al op het hoofd kan blyven, het niet mogelyk is, dat het zelve in het bed, het linnen, de kleederen huisvest. Na myne leezers over eene dergelyke aanmerking verschooning verzogt te hebben, zal ik trachten eene beschryving te geven van een merkwaardig gedierte, dat overvloedig in deeze zeeën gevonden word, en, door middel van den wind, op de golven schynt te zeilen. De matroozen noemen het zelve doorgaans het Portugeesche Schip, en het is waarschynlyk de nautilus, of de argonauta van LINNAEUS. Dit wonderlyk gedierte, wanneer het boven het water is, neemt de gedaante van een uitgespreide waaijer aan, met een kostelyken rooden rand vercierd; het uiterste einde van onderen is vast aan een schulp, zoo dun als papier, of liever aan een zoort van huisjen, dat in zee zinkt, of zig boven de golven verheft, en zig in alle houdingen beweegt, naar maate het dier wil, door middel van zes tantacula of gelederen, waar van het zig als van riemen bediend. Wanneer men het aanraakt, Verwekt het een pynlyke steek, die eenige minuuten duurt. De twee volgende dagen was de wind zeer koel, en groote watergolven besproeiden het Schip. Op een van deeze zelfde dagen, om eenige bezigheid te hebben, helpende aan het inbinden van een reef aan het topzeil, verloor ik alle myne sleutels, die in zee vielen. Ik zoude van dit voorval niet gesproken hebben, zoo het zelve niet allerongelukkigst voor my geweest was, door my van mynen byzonderen voorraad te berooven. Zedert eenigen tyd leefde het volk, en de Officiers zelve, alleenlyk van ingezouten kost. Het eenig versch vleesch, dat wy gegeeten hebben, was van een duif, en een paar schaapen, die de pooten gebroken hadden. Deeze manier, om alleen van erweten, ingezouten rund- en varkensvleesch, even als de matroozen te leven, wierd door onzen Opperbevelhebber ingevoerd, om, zoo hy zig uitdrukte, ons te gewennen aan dat voedzel, het geen wy in de Surinaamsche Bosschen alleen zouden kunnen erlangen. Hy had daarënboven het edelmoedig oogmerk, om zyne Americaansche vrienden op Europeesche ververschingen te onthaalen, als versch Schapenvlees, Varkensvlees, Gevogelte, Endvogels, Hammen, Ossentongen, wel ingelegde Groenten, ingemaakt Vleesch en Visch, en Specereijen, welke de Stad Amsterdam ons in ruimte verschaft had. Maar de goede oogmerken vinden niet altoos hunne belooning; want de wormen kwamen in het grootste gedeelte van deezen voorraad, welke men dus in zee moest werpen. Ik moet hier by voegen, dat men in plaats van tinne borden, ons dikwils bediende in houten bakken, die juist de grootste zindelykheid niet aanduidden. Deeze achteloosheid moet geweten worden aan zekeren LAURENT, een Fransch Kamerdienaar van den Colonel. De scheurbuik en andere ziekten, vertoonden zig gevolgelyk weldra. De mistroostigheid maakte zig van het scheepsvolk meester; en daar ik my zeer sterk beklaagd heb, moet ik van dit oogenblik af dagteekenen de goedgunstigheid, die de Colonel FOURGEOUD my in 't byzonder toedroeg, en die men in den geheelen loop van deezen tocht zal zien doorstraalen. Het doet my leed, dat ik dit moet schryven; maar geen ontzag zal my beletten, om byzondere zwakheden aan den dag te leggen, even zeer als ik het my tot een byzonder genoegen zal rekenen, wanneer ik gelegenheid ontmoeten zal, om aan de deugd recht te doen wedervaaren. Den 20sten January zagen wy eene groote meenigte van vliegende visschen, van het soort dat door LINNÆUS genoemt word exocetus volitans, welker gedaante genoegzaam met die van een haring overeenkoomt. Dit dier heeft een platte rug en een donkere olyfkleur; de zyden en de buik zyn van een zeer schitterende wit zilver kleur. Het heeft een kleine bek, groote oogen, een staart als een tweetandige vork, de schubben aan elkander vast, hard, en mede van eene wit zilvere kleur. Zyne vinnen dienen aan het zelve des noods tot vlerken; maar het kan 'er zig niet van bedienen dan zoo lang ze vochtig zyn: zoo dra ze beginnen op te droogen, valt het in de zee. De oppervlakte deezer vinnen is van eene goud-kleur, en derzelver uiteinden zyn heerlyk met hemelsblauw gespikkeld; haare lengte staat gelyk met die van het lyf van den visch, en deszelfs vlucht, waar van hy geen gebruik maakt, dan om de vervolging van den zee-braassem of van eenigen anderen geduchten vyand te ontwyken, is altoos recht uit, en van korten duur, uit hoofde van de noodzakelykheid, waarin hy zig bevind, om zyne wieken dikwils nat te maaken [2]. Men vind visschen van dit soort dikwils op de Schepen; zy blyven aldaar aan 't wand hangen, het geen men moet toeschryven, niet, zoo als zommige Schryvers voorwenden, om dat zy aldaar eene schuilplaats zoeken tegen de aanvallen van Vogelen of Zeevisschen, maar om dat zy altoos lynrecht voortvliegende, hunne vlucht door een of ander voorwerp, het welk zy niet kunnen ontwyken, word tegengehouden. Het lot van deezen visch is allerongelukkigst: hy is te gelyker tyd de prooi van gepluimde of geschubde dieren; en dikwils vind hy zynen dood in dat element, waar aan hy zig ter zyner veiligheid toebetrouwt. Op het einde van de reize zeer zwak geworden zynde, maakte ik dagelyks gebruik van de zeebaden, en versterkte my met een glas wyn: men had daar van eene bepaalde hoeveelheid voor elken Officier geschikt, behalven zyn eigen voorraad. Deeze twee middelen deeden eene goede uitwerking; in korten tyd bevond ik my volmaakt hersteld. Den 30sten kreegen wy betrokken lucht, en het peillood teekende niet meer dan dertien vademen slecht water. Des anderen-daags zeilden wy onder de wind voorby zwarte rotzen, genaamt de Konstapels, en lieten het anker vallen by de Euripice, of de Duivels-Eilanden, op de hoogte van de Zuidkust van America. De Duivels-Eilanden zyn gelegen op omtrent vierëntwintig mylen van de Fransche bezitting van Caijenne; zy liggen noord noord-oost op vyf graaden twintig minuuten noorder breedte, en bestaan in een keten van kleine en onbewoonde rotsen, en die voor de Schepen zeer gevaarlyk zyn. De stroom gaat hier aanhoudend van het zuid-oosten naar het noordwesten, op den afstand van zestig Engelsche mylen, in vierëntwintig uuren; gevolgelyk moet elk Schip, aan wien het te beurt valt, den mond der Rivier van Surinamen voorby te vaaren, een merkelyken omweg maaken, om met mogelykheid weder in deeze Rivier te kunnen binnen loopen. Terwyl wy ons in deezen staat bevonden, zagen wy den zee-éénhoorn, en één of twee groote schildpadden, op eenigen afstand van het Schip zwemmen. De zee-éénhoorn is een zeer groot dier; men kan dezelve kennen aan eene schroefsgewyze en zeer lange uitwas op den neus, gelykende naar een spits toeloopend zaamgevlogten koord. Die wy te dier tyd zagen, (zommigen van het scheepsvolk beweerden, dat 'er veertig of vyftig waaren,) kwam ons voor slechts zeven of agt voeten lang te zyn, en zyn snuit omtrent vier voeten: dit aanvallend wapentuig is zeer schadelyk voor verscheiden visschen, vooral voor den walvisch; en wanneer het gepolyst is, is het-zelve, zoo in vastheid als in witheid, niet minder dan het yvoor. De éénhoorn behoord tot het geslacht der groote visschen, en werpt by gevolg zyne jongen levend; men vind ze menigvuldiger in koude, dan in warme luchtstreeken. Het wyfje heeft, zoo men zegt, dit uitwas zoo aanmerkelyk niet, dan het dier van het mannelyk geslacht. Het schynt, dat zommige Schryvers deezen visch verward hebben met den zwaard-visch, (in het Fransch l'empereur genaamd,) waar mede hy de minste gelykheid niet heeft. Een andere visch, genaamt de zaag-visch, (scie de mer) heeft insgelyks een aanvallend wapentuig: het is een plat been van één stuk, of een verlengd lemmer van drie of vier voeten lang, van weerskanten gewapend met sterke en zeer steekende punten, het geen aan het zelve de gedaante van een zaag geeft. Het zelve is bedekt met een ruwe, slymige en donkere huid, begint by de oogen, en geeft aan den kop eene driehoekige en platte gedaante; by dit lemmer zyn de twee voorste vinnen; boven de oogen bespeurt men twee wyde gaaten, welke ik voor de werktuigen van het gehoor aanzie, en niet, gelyk zommigen vooronderstellen, voor openingen, door de natuur geschikt, om 't water te doen uitspringen: recht daar onder is de bek geplaatst, die het voorkomen van een halve maan heeft, en geene tanden schynt te hebben. Tusschen den zelven en het benedenste gedeelte van de zaag zyn de neusgaaten. Het lichaam van deezen visch is niet veel grooter dan deszelfs kop; het heeft twee zwaare vinnen op den rug, de eene naar het midden, de andere by de staart, die byna als een tweetandige vork is, zig uittermaten sterk opheft, en waar van het grootste gedeelte van boven dofkleurig is. Het lichaam is, even als het lemmer, met eene slymige huid bedekt; en alles te zamen levert een afschuwelyk gezicht op. Deeze visch kampt tegen de grootste walvisschen; zelden verlaat hy zynen vyand, zonder dien overwonnen en gedood te hebben; en het bloed, het welk hy hem doet verliezen, verwt de zee in de rondte. Ik heb dit gedrocht buiten het water gezien: deszelfs lengte, gerekend van het uiterste gedeelte van het hoofd tot dat van de staart, is omtrent veertien voeten. De schildpadden zyn van tweederlei zoort, en te Surinamen in 't algemeen onderscheiden door de benaamingen van calapée en carett, de groote en de kleine schildpad. De eerste weegt zomtyds tot by de vierhonderd ponden, en derzelver schelp is een weinig plat. De tweede is minder dan de eerste in grootte en in hoedanigheid; maar derzelver schelp is van meerder waarde, en van gedaante meer uitgebogen. De eijeren, zoo van de eene als de andere, verschaffen een uitmuntend voedzel; zy leggen die neder in 't zand, alwaar de hette der zon dezelve doet uitbroeijen. De manier om deeze dieren te vangen, bestaat in dezelve met een knuppel op den rug te leggen, en zoodanig te laaten blyven, tot dat 'er een bekwaame gelegenheid is om ze weg te voeren. Derzelver zwaarte en de moeijelykheid, die zy ontwaaren met zig te bewegen, zyn zoo groot, dat het haar onmogelyk is zig om te keeren en te ontvluchten. De vleeshouwers in Surinamen leggen dezelve te koop, even gelyk het vleesch in Europa op de markten te koop is. Het vleesch der schildpadden is tusschen de maanden February en May zeer lekker. Des morgens van den eersten February zeilden wy op nieuw voort, en volgden de kust tot tegen den avond, wanneer wy op den afstand van een anker aan den mond der Rivier Marony kwamen. Dezelve heeft verscheide Schepen doen vergaan, door den misslag van zommige zeelieden, die ze ongelukkiglyk voor de Rivier van Surinamen aanzaagen, waar mede zy by het inloopen veel gelykvormigheid heeft. Het geen haar zoo gevaarlyk maakt, zyn de veelvuldige rotsen, de kleine eilanden en de zandbanken, waar mede zy doorzaait is. Voor 't overige is het water 'er zoo laag, zelfs by de hoogste vloeden, dat een schip, het welk een weinig zwaar gelaaden is, aldaar schipbreuk lydt en verbryzelt. Den 2den, by het aanbreeken van den dag, maakten wy zeyl, en voeren langs de kust. Na de punt Braam met een zachte wind te zyn voorby gezeild, kwaamen wy eindelyk in de treffelyke Rivier van Surinamen; en ten drie uuren na den middag wierpen wy het anker voor het nieuwe Fort, genaamt Amsterdam. Wy waaren verrukt van onze vrienden van de Waakzaamheid aldaar weder te vinden. Dit Schip was, zoo als ik gezegd heb, den 2den January, op de hoogte van kaap Finisterre, door den wind van het onze afgescheiden, en was twee dagen voor ons alhier aangekomen. Het scheepsvolk zag zig met blydschap te midden in het aangenaame groen. De Rivier was als bedekt met een groot getal Schepen, die af- en aanzeilden om ons te bezigtigen, terwyl een hoop jonge lieden van beide kunne, gelykende naar Tritons en Sirénen, onder elkander speelden, en in 't water duikelden. Deeze vertooning was voor elk onzer nieuw. Men hoorde, boven in de mast en op het dek, niet dan gezang, het geluid van speeltuig, en uitgelaten vreugde; zoo veel heils beloofde zig het volk van dit betooverend land; maar wy zullen wel dra zien, hoe zeer het zelve in zyne verwagting wierd te leur gesteld; en zelfs in dit oogenblik wierd de hitte ondragelyk op het dek. Ik moet egter erkennen, dat niets aan de aangenaame gewaarwordingen konde evenaaren, welke de welriekende geur van de Limoen-, Citroen-, en Orange-Boomen, en van alle de bloemen, waar mede de Plantagiën aan de oevers der Rivieren van deze betooverende bezitting gelegen, als bedekt zyn, in ons verwekte. De heer DE PONCHERA, Colonel van het krygsvolk in deze Volkplanting, zond ons in overvloed vruchten van deeze uitmuntende boomen aan boord. Deeze Officier, die Bevelhebber op het Fort Amsterdam was, deed ook de Schepen met een salvo van negen kanon-schooten begroeten, het welk wy hem ten gelyken getaale beantwoordden. Een van onze Capitains wierd vervolgens in een sloep naar Paramaribo afgezonden, om aan den Gouverneur de aankomst van het krygsvolk in de Volkplanting bekend te maaken. Verscheiden Compagniën, terwyl wy op de reede lagen, gingen dikwils aan land, en ik vergezelde hen op hunne tochten; maar het genoegen, dat ik my had voorgesteld, met een zoo aangenaam land te doorkruissen, en vooral na zoo lang op een Schip als gevangen gezeten te hebben, wierd zeer gestoord door een voorwerp, dat zig, na myne ontscheeping, het eerst aan myn gezicht vertoonde. Het was eene jonge Negerin, wier geheele kleeding bestond in een lap linnen, om de lenden vast gemaakt, en welke, even als de huid van haar lichaam, op verscheide plaatsen was van één gescheurd. De misdaad van dit ongelukkig slagtöffer der dwingelandye bestond daar in, dat zy haare taak, waarschynlyk voor haar te zwaar, niet had afgewerkt. Zy werd gevolgelyk verweezen om tweehonderd geessel-slagen te ontfangen, en eenige maanden lang een gewicht van ten minsten tweehonderd ponden voort te trekken, het welk aan een keten van verscheide voeten lang gehecht was, en waar van het ander einde aan een ring om de voet by den enkel was vast gemaakt. Over zulk een wreed schouwspel ten sterksten aangedaan, teekende ik dit ongelukkig schepsel af, en behield eene smartelyke nagedagtenis over de onmenschelykheid der planters, omtrent de ongelukkigen, die aan hunne magt onderworpen zyn. Het gras was, in dit gedeelte van het Land, zeer hard en lang; het diende tot een schuilplaats voor de onaangenaamste insecten van tweeërley zoort, die door de inwoonders der Volkplanting pattat en scrapat luizen genaamt worden. Niemand onzer bleef 'er vry van. De eersten zyn zoo klein, dat men ze naauwelyks zien kan, de anderen zyn een weinig grooter, en hebben de gedaante van een krabbe: beiden hegten zy zig vast aan de huid, en veroorzaaken eene ondraaglyke jeukte. Het krielt van deeze insecten voornamelyk in het regenachtig jaargetyde. Wy konden ons van dit onäangenaam gezelschap niet ontlasten, dan na onze te rugkomst op het Schip, alwaar wy Citroen- of Limoen-sap op de gestookene plaatsen uitdrukten, het geen dezelve uittermaten verzagtte. Den 3den Maart, ontfingen wy een bezoek van verscheiden Officiers der Societeit, of van het krygsvolk der West-Indische Maatschappye, gevolgd door een groot getal andere lieden, die allen ons kwamen geluk wenschen met onze aankomst in de Volkplanting. Deeze heeren vergenoegden zig niet, met ons enkele gelukwenschingen te doen; zy onthaalden ons bovendien op uitsteekende vrugten, en verscheidene andere ververschingen. Zy kwamen in zeer prachtige vaartuigen, met zonnedekken, en met vlaggen verciert. Zes troepen Musikanten vergezelden hen. Elk vaartuig wierd voort geroeit door zeven of agt Negers, die geheel naakt waaren, of die ten minsten niets anders aan hadden dan een kleine linnen band, welke tusschen de beenen doorging, en van agter en van vooren met een zeer dun catoen lint vast gemaakt en om de lenden geknoopt was. Dewyl de Colonisten doorgaans de schoonsten hunner slaven tot dit werk, als mede tot het bedienen van de tafel enz. verkiezen, verschafte de naaktheid van deeze jonge, sterke, gezonde en geschikte roeijers ons eene gemakkelyke gelegenheid, om hunne huid te onderzoeken, welke byna zoo zwart was als ebbenhout, en zeer blinkend. Dit aangenaam schouwspel wierd ongelukkiglyk door een ander gevolgd, dat juist eene tegenstrydige vertooning opleverde. Twee Cano's, vol elendigen, mageren en uitgehongerden, naderden de Schepen. Deeze ongelukkige slaaven vroegen, met een groot geschreeuw, om levensmiddelen aan de soldaaten, en stonden gereed om met elkander om een been te vechten. Onze Opper-Bevelhebber ontfing den volgenden dag een bezoek van den heer RYNSDORPH, die hem twee soldaaten aanbood, zynde vrygemaakte Negers, en dienende onder eene krygsbende van driehonderd mannen, in 't kort opgericht, en welke ter verdediging van de Volkplanting, zoo wel in dapperheid als goede vorderingen uitmunte. Terwyl wy voor het Fort Amsterdam, ten anker lagen, ontfing ik van een Planter, den heer LOLKENS, aan wien ik aanbeveeling gehad hadde, eene zeer vriendelyke uitnoodiging, om by onze komst op Paramaribo, de hoofdstad der Volkplanting, een kamer en de tafel by hem te nemen. Den 8sten, na de gewoone plichtplegingen van wederzyden, verlieten wy het Fort Amsterdam. Men roerde den trom, de vlaggen waayden, en een detachement van zee-soldaaten stond op het dek geschaart. Wy zeilden vervolgens de Rivier van Surinamen op. Te Paramaribo aangekomen zynde, ankerden wy een pistoolschoot van de wal af. Wy wierden aldaar met een salvo van elf stukken geschut door het Fort Zelandia begroet, eene eer, die door alle de Schepen van onze kleine vloot beantwoord wierd. Na geduurende den tyd van drieënzestig dagen in een klein Schip te zyn opgeslooten geweest, en zulks op een element, waar toe weinigen van onze soldaaten geschikt waaren, is het niet gemakkelyk de vreugde te schetsen, die elk van ons gevoelde, met zig wederom op het vaste Land te bevinden, en door duizend bekoorlyke voorwerpen omringd te worden. De Stad kwam ons uittermaten aangenaam en zindelyk voor. De bygeleegene bosschen waren met het schoonste groen verciert. Eene welriekende geur verspreidde zig door de lucht, en de zon blonk met allen haaren luister in het midden van eenen hemel, zonder duistere wolken. Echter verlieten wy den eersten dag onze houte wooning niet; maar des anderen daags ontscheepten wy met eene algemeene en levendige vreugde. Alle de Scheepen op de reede waren met schanskleeden overdekt, en het geschut maakte een aanhoudend vuur, tot dat al het volk aan den wal gestapt was. De inwoonders van Paramaribo waaren aldaar verzamelt, om dit treffelyk schouwspel te bezigtigen, en zy werden in hunne verwagting niet bedrogen. Onze krygsbende bestond uit ongeveer vyfhonderd jonge lieden; want wy hadden het geluk gehad, om geduurende de reize 'er slechts één te verliezen. De oudste van allen bereikte naauwelyks meer dan dertig jaaren. De geheele krygsbende was volmaakt in nieuwe monteeringen gekleed, en elke soldaat droeg een hoed, met oranje-takken verciert. Wij hielden de parade op een groot plein, met groene zooden bedekt, en gelegen tusschen de Stad en het Slot, tegen over het Paleis van den Gouverneur. Geduurende alle onze krygsverrigtingen, deed de onmatige hette verscheiden soldaaten in flaauwte vallen. Het volk trok vervolgens naar de onderscheidene wyken, die ter hunner ontfangst gereed gemaakt waaren, en de Gouverneur gaf aan de Officiers het middagmaal. Men behoeft juist in geene tegenstrydigheid te vallen, met zig van de kostbaarheid van deezen maaltyd een verheven denkbeeld te vormen; maar het deed ons, die zoo langen tyd alleen van gezouten voorraad geleeft hadden, een groot genoegen. De lekkerste spyzen van Europa en Asia wierden ons in platte schotels toegedient. De fynste wynen werden rykelyk ingeschonken. Het nagerecht bestond uit de uitgelezenste vruchten. Een eindeloos getal van Mulatte en Negerinne meisjes, alle, naar 's lands manier, met het bovenlyf tot het midden naakt, maar verder over het geheele lichaam kleederen van het fynst Indiaansch linnen dragende, en met goude kettingen, medailles, kraalen, halscieraaden, armringen en welriekende bloemen verciert, bedienden alle de gasten geduurende deeze treffelyke maaltyd. Men bleef tot zeven uuren des avonds aan tafel zitten. Toen begaf ik my op weg, om het huis van den heer LOLKENS op te zoeken, dien gastvryën man, die my zoo vriendelyk verzogt had het zelve als het myne te beschouwen. Ik vond het wel dra; maar het onthaal, dat men my aldaar deed, was zoo aangenaam, dat ik niet voorby kan de byzonderheeden daar van te schetsen. Aan de deur geklopt hebbende, wierd my door eene jonge Negerin, met eene mannelyke houding, open gedaan. Dezelve had, tot haare geheele kleeding, eene eenvoudige overrok; zy hield een aangestoken tabaks-pyp in de eene hand, en in de andere een licht, dat zy my onder den neus duwde, om my te kennen. Ik vroeg haar, of haar meester t'huis was; maar zy antwoordde in eene taal, waar van ik niets verstaan kon. Op het hooren van den naam van den heer LOLKENS, schaterde zy van lachen, toonende een paar ryën allerschoonste tanden; waar na zy, my by de knoopen van myn rok vattende, een teeken gaf om haar te volgen. Ik wist niet te wel, of ik dit doen moest, maar eindelyk ging ik met haar mede. Dit meisje bragt my in een zeer zindelyk vertrek, alwaar zy my uitgelezene vruchten, en een fles Madéra wyn, dien zy op de tafel nederzette, aanbood. Toen gaf zy my, zoo goed zy konde, te kennen, dat haar meester (Masera) met zyn verder gezin, eenige dagen op zyne Plantagie was gaan doorbrengen, en dat men haar in de Stad gelaten had, om aldaar een Engelschen Capitain te ontfangen, dien zy vooronderstelde, dat ik was. Ik deed haar begrypen, dat zy zig niet bedroog, en schonk haar een glas wyn in, het welk ik veel moeite had, om haar te doen aanneemen; want zoo groot is het vernederend oog, waar mede men deeze ongelukkige schepzels aanziet, dat men het als een sterk bewys van inbeelding van hunnen kant beschouwd, om in de tegenwoordigheid van een Europeaan te eeten of te drinken. Eenigen tyd lang deed ik moeite, om met deeze vrouw in een gesprek te komen; maar wel dra wierd ik genoodzaakt daar van af te zien, en tot myne fles toevlucht te nemen. Door de oeffeningen en vermaken van deezen dag vermoeit zynde, gaf ik myne Negerin een teeken, dat ik trek tot slaapen had; zy begreep dit op eene wonderlyke manier; want my dadelyk om den hals gevat hebbende, drukte zy my op de lippen den vuurigsten kus. Over deeze niet zeer aangenaame en onverwagte wellevenheid verwondert, vooral van den kant van eene vrouw van deze kleur, onttrok ik my aan haare omhelzingen, en vlood naar de kamer, alwaar ik slaapen moest, maar ik wierd aldaar op nieuw door dit meisjen agtervolgd, die, in weerwil van al wat ik zeggen mogt, aanhield, om my de schoenen en koussen uit te trekken, en in een ogenblik my van dit gedeelte myner kleeding ontlastte: ik was daar mede uittermaten verlegen, schoon de slaaven in Surinamen gewoon zyn aan lieden van allerley rang en kunne, zonder onderscheid, dien dienst te bewyzen. Men moet zig niet verbeelden, dat dit gedrag, het welk zeer buitengewoon zoude kunnen schynen, het gevolg was van eenige byzondere geaartheid in deeze Negerin: het is de gewoonte der slavinnen in de West-Indische Volkplantingen. Des anderen daags morgens, myn vriend den Planter niet te rug gekomen zynde, verliet ik zyn huis, en nam afscheid van zyne gedienstige slavin. Na aan onze soldaaten in hunne nieuwe verblyfplaatzen een bezoek gegeven te hebben, wierd ik door den Quartiermeester in eene zeer zindelyke wooning gebragt, die voor my geschikt was. Ik vond 'er geen huisraad hoe genaamt, schoon dezelve egter niet geheel van levende schepzels onvoorzien was; want den eersten nacht, myne aanstelling als Capitain, die op pergament geschreven was, voor een raam hebbende laaten leggen, had ik de verdrietelykheid, om dezelve des morgens door de rotten aan stukken geknaauwd te vinden. Van myne huisvesting bezit genomen hebbende, was myn eerste verlangen, het zelve van zindelyk huisraad te voorzien; maar de edelmoedige gastvryheid der ingezetenen, maakte alle zorg van dien aart min noodzaakelyk. De vrouwen bezorgden my eene meenigte stoelen, tafels, glazen, en zelfs porcelein en zilverwerk: de mannen deeden my geschenken van Madéra wyn, porter, (een zoort van Engelsch bier,) appeldrank, rhum, zuiker, en de uitgelezenste vruchten in overvloed. Ik merkte vooral onder de laatsten op de shaddock en de awara. De eerste, die van een zeer aangenaame geur is, en van een smaak, gemengd uit zuur en zoet, groeit aan een boom, die men zegt dat van de kust van Guinée is overgeplant door een Engelsch Capitain, wiens naam daar door in de Engelsche West-Indiën is bewaard gebleven, maar waar aan men in Surinamen den naam van pompelmousen geeft. Deeze vrucht, zoo groot als het hoofd van een kind van agt of tien jaaren, schynt een zoort van Orange te zyn. De schil is zeer dik, bitter, en van een ligt of citroen geele kleur. 'Er zyn twee zoorten van. Het vleesch van de eene is wit; dat van de andere, bekoorlyk helder rood; en men kan zonder hinder, 'er eene groote hoeveelheid van eeten. De inwoonders, die op deeze vrucht zeer gezet zyn, beschouwen dezelve als zeer gezond. De awara of de aoura, zoo ten aanzien van de uitnemenheid van deszelfs smaak, als fraayheid van kleur, minder merkwaardig, is van eene ey-ronde gedaante, ten naasten by van de grootte van een pruim van Orleans, en van een schoone zwaare orange-kleur, hellende naar het roode. Dezelve is zeer geacht by de Negers, die hunne knaphandigheid toonen, door met de pitten ringen te maken, die met cyffers, letters en zinspreuken verciert zyn; zy verkoopen die aan de Europeaanen, welke ze in 't goud zetten. De pit is groot, uittermaten hard, en zoo zwart als een git of ebbenhout, maar het vleesch, het welk 'er rondom zit, is niet zeer dik. Deezen dag eens opneemende, hoe veel wy nog overig hadden van levende Varkens, Schaapen, Endvogels, Ganzen en ander zoort van gevogelte, bevonden wy, dat het getal ten naasten by gelyk stond met het geen wy by ons vertrek uit Holland hadden. Alles wierd naar de voorplaats van 't huis van den Colonel in 't Quartier Generaal gezonden; en wy hadden daarënboven het verdriet, om zestig groote tonnen ingelegde groenten, en even zoo veele beste Westphaalsche hammen, die volstrekt bedorven waaren, in de Rivier van Surinamen te zien werpen, om aldaar tot aas voor de visschen te verstrekken. Den tweeden dag na onze ontscheeping, bevond ik by myn ontwaken het aangezicht, de borst en de handen geheel met vlekken bedekt, die myne huid eenigzints gelykvormig maakten aan die van een luipaard; zy waaren veroorzaakt door muggen, die in zulk een groot aantal vliegen, dat men ze voor wolken zoude aanzien, en die my den geheelen nacht gezelschap hielden. De vermoeijenis der reize, en de onmatige hitte der luchtstreek, hadden my in een zoo diepen slaap doen vallen, dat ik den angel van hun steeken niet gevoelde, dan op het oogenblik, dat ik 'er de gevolgen van vernam. Voornamelyk aan de oevers der Rivieren en der Kreeken krielt het van deeze insecten het meest. Niemand is daar van bevryd; maar zy tasten de vreemdelingen eerder aan dan de inboorlingen. Wanneer zy met haaren angel steeken, zonder dat men ze wegjaagt, zuigen zy het bloed zoo sterk uit, dat ze ter naauwer nood in staat zyn weg te vliegen. Elk van haare steeken word gevolgd door eene zwelling, die met eene byna ondraaglyke brandende pyn vergezelt gaat. Haare tegenwoordigheid word aangekondigd door haar gebrom, het welk aan hun, die reeds derzelver aanval ondervonden hebben, een doodelyken schrik aanjaagt, en hun zoo onaangenaam is, dat men daar aan den naam van duivels trompetten gegeven heeft. Zy zyn in de daad in alle opzigten lastig. De kaars is des avonds niet opgestoken, of zy komen 'er in meenigte op zitten. Zy hegten zig aan alle eetbaare waaren; de sterke dranken zyn 'er dikwils vol van, en zy komen tot in den mond en de oogen. Het beste geneesmiddel is de wonden uit te wasschen met limoen-sap, in water getemperd; dit is zelfs een vry goed voorbehoedmiddel tegen deeze pynlyke steeken. Onmiddelyk voor het sluiten der vengsters, brand men gewoonlyk tabak in de kamers, en de rook dwingt deeze muggen om haare schuilplaatsen te verlaaten. De Negerinnen trekken dan, zonder zig daar over te bekreunen, haar overrok uit, het eenigst kleed dat ze aan hebben, en verjaagen de muggen naar buiten, of dooden dezelve. De wellustigste en zindelykste inwoonders laaten ze door slaaven, die des nachts by hen blyven, met een waaijer van zig afhouden. Anderen hebben voor hunne bedsteden of ledikanten gaaze gordynen; maar men slaapt doorgaans in Surinamen in groote catoene hangmatten, met een dun en zeer breed laken bedekt, die met een zeer sterk koord recht boven deeze bedden zyn vastgemaakt. Dit laken of gordyn dient eenigermaten om zig tegen deeze lastige insecten te beveiligen. Het was uit hoofde dat ik van zoodanig een onvoorzien was, dat ik my zoo vreesselyk mishandeld zag. 'Er is ook nog een ander zoort van veel grooter muggen in Surinamen, genaamt mawkers, welker steeken uittermaten pynlyk zyn; maar dewyl zy minder talryk zyn dan de andere, worden de inwoonders daar door zoo sterk niet gekwelt, en gevolgelyk geeft men 'er zoo veel acht niet op. Des morgens van den 22sten, traden twee Negerinnen, eene oude, en de andere van omtrent veertien jaaren, in myne kamer. Ik kan moeielyk beschryven, hoe ik verwonderd was, toen de eerste my de jongere, die haare dogter was, aanbood, om, zoo als zy geliefde te zeggen, 'er myne vrouw van te maaken. Ik had geene zoo sterke minnedrift, of konde dit aanbod wel afwyzen; maar teffens deed ik myne weigering gepaart gaan met een klein geschenk, waar over deeze beide vrouwen zeer te vreden scheenen; en zy verlieten my met allerlei betuiging van eerbied en dankbaarheid. De meisjes, die alhier verbintenissen van dit zoort aangaan, zyn of Mulatten of Indiaanen, maar dikwils Negerinnen. Het is voor allen het grootst geluk met een Europeaan te leven: haare teederheid en getrouwheid strekken ter stilzwygende beschaaming van die talryke schoonheden, die de trouw der plechtigste en heiligste verbintenissen schenden. De staat der slavernye, waar in de jonge vrouwlieden van dit zoort gebooren of vervallen zyn, belet haar te trouwen, of eenige andere wettige verbintenis van dien aart aan te gaan. Dusdanige gewoonte word zoo weinig afgekeurd, dat zoo lang zy aan hem, die haar verkoozen heeft, getrouw blyven, zy door haare naaste bloedverwanten en vrienden aangemoedigd en geacht worden, als welke zulk eene verbintenis voor een wettig huwelyk aanzien. De Geestlykheid zelve maakt van deeze vryheid een ongedwongen gebruik; en tot bewys der waarheid van deeze myne stelling, zoude ik my op verscheiden van derzelver leden kunnen beroepen. Een groot getal Negerinnen egter volgen vryelyk haare eigene neiging, en wyzen het goud, waar mede men haar verleiden wil, versmadelyk van de hand, terwyl andere haare gunsten bewyzen voor een glas brandewyn, voor een gebroken pyp, en zelfs voor niets. De herbergzaamheid, die men my bewees, bepaalde zig niet tot de eerste oogenblikken van myne aankomst. Ik had den vryen ingang in meer dan twintig huizen van aanzien, behalven dat van zyne Excellentie den Gouverneur, en van den Commandant, den Colonel TEXIER. Gevolgelyk, schoon de Officiers van ons volk eene tafel voor zig hadden opgerigt, had ik zelden de eer om my in hun gezelschap te bevinden. Een Colonist, de heer KENNEDY, deed my in 't byzonder veel beleeftheid aan, in zoo verre, dat hy my niet alleen, zo lang ik in Surinamen verblyven zoude, het gebruik van zyne koets, zyne paarden en zyne tafel aanbood, maar zelfs my een jongen en zeer schoonen Neger bezorgde, genaamd QUACO, om myn zonnescherm (ombrella) te dragen. De andere Officiers van het Regiment ontfingen ook groote beleeftheden, en de geheele Volkplanting beyverde zig, om hun de grootste achting te betoonen, door alle middelen by de hand te nemen, om hun vermaak te bezorgen. De dans- en speelpartyen, de gezelschappen, en alle zoorten van alle mogelyke vermaaken, wierden rykelyk gegeven. Onze oorlogschepen zelfs dienden tot een plaats voor feesten. Wy gaaven aldaar aan de vrouwen avond-ontbyten, die door danspartyen op het dek en onder de zeilen agtervolgt wierden, tot zes uuren in den ogtend duurden, en in 't algemeen met het ryden in koetsen en te paard eindigden. Deeze bestendige gewoonte van uitspanningen is onder de schadelykste in een land, alwaar de hette zoo brandend is, dat men 'er zig altoos in een aanhoudenden staat van uitwaasseming bevind, en welke voor twee of drie van onze Officiers dreigde doodelyk te worden. Door hun voorbeeld gewaarschouwd, onttrok ik my aan alle deeze gezelschappen, overtuigd, dat ik door dit middel alleen myne gezondheid zoude kunnen behouden in eene luchtstreek, die zoodanige verandering in het menschelyk gestel maakt, dat een Europeaan, hoe zorgvuldig hy ook is in het vermyden van buitenspoorigheden, altoos reden heeft om voor de verschrikkelyke gevolgen daar van beducht te zyn. De geneigtheid tot vermaaken schynt aan de inwoonders deezer landstreek eigen te zyn; en jaarlyks moet een groot aantal van hun het slagtöffer van derzelver gevaarlyken invloed worden. Derzelver doodelyke gevolgen zyn in de daad zigtbaar in de menschen, die zig aan allerleije zoort van ongebondenheid hebben overgegeven: zy hebben het voorkomen om in den hoogsten trap afgesleten en ontzenuwd te zyn. De Creoolsche vrouwen hebben over 't algemeen geen beter voorkomen: zy hebben een kwynend gelaat en bleeke kleur; en de jonge lieden zelve hebben dikwils een gerimpeld vel. Het is egter met allen zoodanig niet gelegen, want ik heb 'er eenigen gezien, welker frissche kleur haare gezondheid aanduidde, en die voor de schoonste vrouwen van Europa daar in niet behoefden te zwigten. Maar, helaas! derzelver getal is zoo gering, dat de Colonisten den voorrang geven aan de Indiaansche, aan de Mulatte en aan de Negerinne meisjes, vooral uit hoofde van haare groote zindelykheid, haar levendig voorkomen, en goede gezondheid. De buitenspoorigheden, die deeze trouwlooze egtgenooten met hunne minnaressen bedryven, doen hen wel dra ten grave nederstorten, en hunne vrouwen zien zig dus vry gesteld, om haare hand aan een ander te geven, het geen zeer dikwils gebeurd. De Surinaamsche vrouwen leven in waarheid zoo lang in vergelyking van hunne mannen, dat ik 'er verscheide gekend heb, die 'er vier begraven hebben, en dat ik in dit Land nooit een enkel man gezien heb, die twee vrouwen overleefd heeft. Deeze getrouwde vrouwen egter verdragen de verongelykingen en trouwloosheden, die zy ondervinden, niet altyd met veel geduld. De meeste vervolgen, zelfs op eene enkele verdenking, haare gelukkige mede-minnaressen met den onverzoenlyksten haat, en de grootste onbeschoftheid. Zy vergenoegen zig zelfs niet met de grootste verachting voor haare echtgenooten te betoonen, maar zy geven zelfs in het openbaar geene dubbelzinnige blyken van oplettenheid voor de nieuwlings aangekomene Europeaanen. Dit heeft gelegenheid gegeven tot een spreekwoord in deeze Volkplanting: dat de vrouwen van den zonne-keerkring en de muggen een aangebooren neiging hebben voor de Europeaanen, die kortlings ontscheept zyn. Haare partydigheid is in de daad zoo dwaas, en de bewyzen 'er van zyn zoo handtastelyk, dat men zig zelf maar een weinig meester moet zyn, om den afkeer uit te drukken, welke dusdanig gedrag natuurlyk verwekken moet, vooral wanneer het voorwerp niet zeer inneemend is. Dit gaat zelfs zoo verre, dat vrouwen op Paramaribo, ter zaake van één van onze Officiers, een tweegevecht hielden. Het is van aanbelang, dat ik van den Colonel FOURGEOUD en van den Gouverneur thans melding maake. Onaangezien de fatzoenljke manier, waar op onze krygsbende ontfangen wierd, toen zy in de Volkplanting aanlandde, was het zeer zigtbaar, dat tusschen deeze twee hoofden van wederzyden eene koelheid plaats had. Onze Bevelhebber gaf het eerst aanleiding tot misverstand, op den dag zelfs van onze ontscheeping, door de soldaaten van zyn Regiment met den rug naar het Paleis van den Gouverneur te plaatsen. Het is gemakkelyk te begrypen, dat deeze zoo schielyke onëenigheid tusschen twee menschen, die van elkander niet afhingen, maar aan welken wy even zeer ondergeschikt waaren, op dit stuk onze aankomst te Paramaribo allerönaangenaamst maakte, zoo voor de Officiers van ons Regiment, als voor die van het krygsvolk der Compagnie. Dit misverstand was oorzaak, dat, na een verblyf van eenige weken, de Gouverneur goedvond aan onzen Bevelhebber te verklaaren:--"Dat de oproerige Negers niet meer schynende geneigd te zyn, om de rust der Volkplanting te stooren, zyn eigen krygsvolk en de oorlogsbende der Neger-Jagers tot derzelver verdediging voldoende zouden zyn: dat by gevolg de zee-soldaaten van den Colonel FOURGEOUD niet meer noodig zynde, het hem vrystond dezelve naar Europa te rug te voeren, wanneer hy zulks dienstig zoude oordeelen". Toen deeze verklaaring aan onze Officiers wierd mede gedeeld, ontfing de één dezelve met genoegen, de ander met smart. Men was egter op de toebereidzels tot het vertrek bedacht; maar eenige dagen daar na wierden dezelve opgeschort, hebbende de inwoonders met nadruk verzogt, dat wy blyven zouden. Het inschepen van den noodigen voorraad van hout en water wierd dus gestaakt, maar de Schepen wierden, met zeker vooruitzigt, in dienst gehouden. In deeze tusschenpoozing van onzekerheid en ledigen tyd, was ik ernstig bedagt om eene beknopte geschiedenis van deeze Volkplanting te schryven, en alle de voorwerpen af te teekenen, die my merkwaardigst toescheenen. Ik raadpleegde met de beste Schryvers over dit onderwerp, en ik had daarënboven de eer om wezentlyke hulp te ontfangen van zyne Excellentie den Gouverneur, die my niet alleen verscheide gewichtige handschriften heeft gelieven mede te deelen, maar my zelfs dagelyks in een groot aantal de dieren en planten bezorgde, die ik verlangde te kennen. Om die reden deed ik, onäangezien de zoo blykbaare koelheid tusschen mynen Colonel en hem, alle moeite om by den een en ander in gunst te blyven; en niet tegenstaande de gehoorzaamheid, die ik aan mynen byzonderen Bevelhebber verschuldigd was, nam ik my voor, om den Gouverneur der Volkplanting met die achting en eerbied te behandelen, welke zyne waardigheid, rang en gedrag vorderden. Ik wierd in die gevoelens ten sterksten ondersteund, niet door alle Officiers van ons volk, maar door de achtens-waardigsten uit dezelven. Ik zal derhalven nu beproeven den taak, dien ik ondernomen heb, te vervullen; en ik zal met eene algemeene beschryving van deeze verbaazende landstreek een begin maaken. TWEEDE HOOFTSTUK. Algemeene beschryving van Guiana.--Van de Volkplanting van Surinamen in 't byzonder.--Tydstip van derzelver ontdekking.--Dezelve word bezeten door de Engelschen en Hollanders.--De Gouverneur, de heer VAN SOMMELSDYK, vermoord.--De Volkplanting word door de Franschen genomen, en onder schatting gesteld. De ontdekking van Guiana, door zommigen de Wilde Kust genaamt, is langen tyd, schoon met weinig zekerheid, toegeschreven geworden aan den Spaanschen Bevelhebber VASCOS NUNES, die, in den jaare 1504, na bemerkt te hebben dat Cuba een eiland was, in het vaste Land van Zuid-America aanlandde, tot aan de Orenoco, en de Rivier der Amazonen doordrong, en door dit land verstond die eindelooze uitgestrektheid lands, aan welke hy, in tegenstelling der bygelegene eilanden, en dat van Cuba, den naam van Terra fierma gaf. Deeze landstreek, waar van de lengte omtrent 1220 en de breedte 680 aardrykskundige mylen bedraagt, [3] is gelegen tusschen agt graaden, twintig minuuten, noorder lengte, en drie graaden, zuider breedte, en tusschen vyftig en zeventig graaden, twintig minuuten, wester lengte van den Londonschen middaglyn, in het noord-oostelyk gedeelte van het zuiden van America. Derzelver grenspaalen zyn beperkt door de Rivier Viapary of de Orenoco, ten noordwesten, en de Maranon of de Rivier der Amazonen, ten zuidoosten; de noordoost-kant word door de Atlantische Zee bespoelt; de Negro, of de Zwarte Rivier, bepaalt derzelver uitgestrektheid ten zuidwesten; het geen een zoort van eiland uitmaakt, en dit land afscheid van nieuw Grenada, Peru en Brasiliën. [4] De warmte in Guiana, schoon dit land even als Guinée in de verzengde luchtstreek geplaatst is, is egter aldaar veel draaglyker, dan in dit gedeelte der Africaansche kust. De brandende straalen der zon worden aldaar dagelyks door verkoelende zee-winden gematigd; terwyl in Guinée het steekende der hitte vermeerderd word door den wind, die aanhoudend van de landzyde waait, en die over tallooze zand-woestynen henen trekt. De oost- of passaat-winden, die tusschen de zonne-keerkringen algemeen gevonden worden, zyn de koelste op de kust van Guiana, tusschen agt of tien uuren des morgens, en zes uuren des avonds, wanneer zy ophouden; waar na men naauwlyks de ligtste zomerkoelte gevoelt. Deeze winden worden gevolgd door dikke nevels, en dampen, die uit den grond opkomen; het geen de nachten in dit land niet alleen zeer koud, maar zelfs vochtig en ongezond maakt. De dag verschilt in Guiana nooit meer dan veertig minuuten: de zon gaat aldaar altyd om zes uuren des morgens op, en op het zelfde uur gaat zy des avonds onder. De getyden van het schoon en regenachtig weder, verdeelen het jaar in dit Land, en kunnen er de zomer en de winter genoemd worden, zoo als die van warmte en koude in Europa. 'Er is egter een aanmerkelyk onderscheid; namelyk dat Guiana alle jaaren twee zomers en twee winters heeft, waar van de een van den ander onderscheiden word door de benaaming van de groote en de kleine, niet om dat de hitte minder sterk is, of om dat de regenbuien in de laatstgemelde minder geweldig zyn, maar om dat men vooronderstelt, dat derzelver geduurzaamheid meer dan de helft verschilt. Dit onderscheid intusschen schynt meer ingebeeld dan wezentlyk te zyn, voor zoo veel het regenachtig jaargetyde betreft; want, dewyl de regen niet valt, dan wanneer de zon lynrecht boven het hoofd staat, het geen by de linie tweemaal 's jaars plaats heeft, en geduurende een gelyk tydperk, is het waarschynlyk, dat derzelver duuring in de beide jaargetyden dezelfde wezen moet. Het verschil tusschen de twee jaargetyden van het mooy weder bestaat daar in, dat het groote in Surinamen dikwils in October begint, op het oogenblik dat de zon den evennagtlyn oversteekt om in de Steenboks zonne-keerkring te komen; en dan heerscht 'er, tot dat dit hemellicht in Mars te rug koomt, eene versmagtende hette, die met eene aanhoudende droogte vergezelt gaat. Vervolgens valt 'er een geweldige regen zonder tusschenpoozen tot de maand Juny, wanneer de zon tot de kreefts-keerkring genaderd is; daar na koomt 'er een kort getyde van hitte, die tot de maand July duurt, en tot de maand October nog door regen agtervolgt word; en op deeze wyze loopt de omwenteling der jaargetyden af. De aanhoudende regen in deeze luchtstreek, terwyl de zon in haar toppunt is, is noodzakelyk om het leven van dieren en planten in wezen te houden, als welke, zonder deeze weldadige hulp, onder eenen zoo brandenden hemel kwynen, en eindelyk vergaan zouden. Maar schoon ik ten aanzien van de verandering der jaargetyden in Guiana, vaste tydperken heb aangehaald, is het egter noodig op te merken, dat zy niet volstrekt bepaald zyn, maar verschillende als in Europa. Deeze veranderingen worden altoos door groote donderslagen aangekondigd, verzeld met blixemstraalen, die verscheide weken duuren, en die zeer dikwils voor het vee, en zelfs voor de inwoonders van deeze landstreek doodelyk zyn. Eenige gedeelten van Guiana vertoonen een bergächtig en naakt gezicht; maar de grond is 'er over 't algemeen zeer vruchtbaar. Het groen bedekt de aarde het geheele jaar door; de boomen dragen te gelyker tyd bloemen en rype vrugten; alles vertoond, aldaar het streelend afbeeldzel der vereeniging van de lente en van den zomer. Deeze gelukkige teekenen van vruchtbaarheid, moeten, vooral in Surinamen, worden toegeschreven, niet alleen aan den regen en aan de hette der luchtstreek, maar ook aan deszelfs laage en moerassige ligging, welke ook aan de hitte de kracht beneemt, om den groei der planten te bederven, en voornamelyk aan de uitnemende rykheid van den grond, hoofdzaaklyk in die gedeelten, welke door de vlyt der Europeaanen zyn bebouwd geworden. Men moet egter toestemmen, dat dusdanige ligging voor de gezondheid gansch niet voordeelig is; maar de lust om geld te winnen is een krachtige dryfveer, en de zekerheid van een tegenwoordig voordeel zal in 't algemeen genoegzaam opwegen tegen die onheilen, welke, zoo ze zig immer vertoonen, niet dan in 't verschiet bemerkt worden, en, naardien men ze zomtyds ontduikt, als onzeker kunnen worden beschouwd. De onbebouwde gedeelten van Guiana zyn bedekt met eindelooze bosschen, rotzen en bergen. Eene groote verscheidenheid van delfstoffen verrykt zommigen der laatstgemelde. Het geheele land is doorgesneden met zeer diepe moerassen en groote savanen of heiden. De stroom van 't water langs de kust is bestendig naar het noordwesten; en de zee-oever is byna ontoegankelyk, zynde rondom bezet met gevaarlyke klippen, zandbanken, modderpoelen, rotzen, laag houtachtig heestergewas, en eene eindelooze meenigte struiken, die zig met kragt door elkander vlechtende, ondoordringbaar worden. De Spanjaarden, de Portugeezen en de Hollanders, zyn de eenige volken, die in dit gedeelte van het vaste land bezittingen hebben, uitgenomen echter de kleine Fransche Volkplanting van Cayenne, tusschen den vloed Maroni en Kaap Orange gelegen. De Spaansche bezittingen liggen aan de oevers van de Orenoco, en die van Portugal strekken zig uit langs de oevers van de Rivier der Amazonen. De Hollandsche bezittingen bevatten de kusten van den Atlantischen Oceaan, en loopen van Kaap Nassau tot den stroom Maroni. Zy behelzen de landstreeken of gewesten van Essequebo, Demerary, de Berbices en Surinamen. De laatste is de merkwaardigste en beste; het is tot derzelver beschryving, dat dit werk voornamelyk geschikt is. De Hollanders poogden, in den jaare 1657, eene kleine Volkplanting aan de oevers der Rivier, genaamt Poumaron, op te rigten; maar deeze bezitting wierd, in den jaare 1666, door de Engelschen vernield. Zy waaren niet gelukkiger in eene andere, welke zy in 't jaar 1677 vestigden aan de Rivier Wiapoko of Oyapoko: de Franschen maakten 'er zig oogenblikkelyk meester van, en vernielden dezelve. De Hollanders rekenen onder hunne bloeiende en schoone Volkplanting van Surinamen, de geheele landstreek, die ten westen door de Rivier Kourou omringd word, omtrent veertig mylen van de Rivier Corantyn; ten oosten door de Rivier Sinamari; maar deeze grensscheidingen worden hun door de Franschen betwist, die dezelve bepaalen tot de oevers van de Rivier Maroni, alwaar zy eene bezetting van krygsvolk houden. De voornaamste Rivieren deezer bezitting zyn: die van Surinamen, welke aan de Volkplanting haaren naam geeft; de Corantyn, de Copenama, de Saraméca en de Maroni. De eerste is alleen bevaarbaar; de andere, zonder zelfs de Rivier Maroni uit te zonderen, schoon zeer lang en zeer breed, zyn zoo laag, en zoo vol rotzen, en kleine eilanden, dat zy voor de Europeaanen van weinig aanbelang zyn; haare oevers zelve worden alleenlyk bewoond door eenige Indiaanen of inboorlingen des Lands. De Rivier van Surinamen, welker mond op omtrent zes graaden noorder breedte gelegen is, is vier Engelsche mylen breed, en van zestien tot agtien voeten diep by laag water; de vloed doet dezelve meer dan twaalf voeten ryzen. Deeze afmeeting blyft dezelfde tot op den afstand van agt of tien mylen, alwaar deeze Rivier zig in twee armen verdeelt, waar van de een zuid-zuid-oost loopt, en zulks wel honderd twintig mylen ver. Zy is geheel en al bevaarbaar voor kleine vaartuigen; maar boven deezen afstand, draait zy regelrecht naar het zuiden. Zomwylen overstroomt zy kleine eilanden, of vormt kleine watervallen. De oorsprong deezer schoone Rivier is den Europeaanen nooit recht bekend geweest. Alle de groote Schepen, na aldaar te zyn binnen gezeilt, moeten de oostzyde van den oever houden, zynde die van de overzyde vol gronden tot aan de stad Paramaribo, die omtrent agtien mylen van den mond der Rivier afgelegen is. De andere arm der Rivier van Surinamen, draagt den naam van Comewyne, dezelve loopt ten oosten op den afstand van omtrent zestien mylen; men vind aldaar drie of vier vademen by hoog water; maar de vloed een verschil van twaalf voeten maakende, beschouwd men dezelve niet als vaarbaar voor een Schip van groote vracht, schoon haare breedte byna twee mylen bedraagt. Op den afstand van zestien mylen, verdeelt zig de Comewyne in twee andere armen, waar van de eene haar naam behoud, en meer dan vyftig mylen ver naar het zuidwesten loopt; en de andere, die den naam van Cottica draagt, loopt ten oost-zuid-oosten, meer dan veertig mylen verre, waar na zy naar het zuid-zuid-westen draait, op den afstand van vier-en-twintig of dertig mylen. Alle deeze Rivieren, welker loop niet recht, maar kronkelachtig is, ontfangen het water door een aanzienlyk getal breede kreeken of groote beeken, waar van de oevers door Europeaanen bewoond worden, en bedekt zyn met Plantagiën van Suiker, Cacao, Catoen en Indigo; het geen het aangenaamst gezigt maakt, dat men zig verbeelden kan, voor hun die te water reizen, zoo als in dit land de gewoone manier is, dewyl de grond over het algemeen tot het baanen van rywegen niet geschikt is. Op zommige plaatsen zelfs zyn de bosschen ondoordringbaar, zoo dat een klein voetpad, waar door Paramaribo met de Rivier Saraméca gemeenschap heeft, de eenige gaanbaare weg is, die ik in deeze Volkplanting kenne. De Rivieren, welker oevers niet bebouwd zyn, als de Corantyn, de Copename, de Saraméca en de Maroni, gedogen niet dan met moeite, om 'er eene beschryving van te geven. Het zal alleenlyk genoeg zyn op te merken, dat zy over 't algemeen van twee tot vier mylen breed zyn, dat haare wateren uittermaten laag, en met zandbanken, kleine eilanden en rotsen, die talryke en voortreffelyke watervallen vormen, als doorzaait zyn. Men vind in de laatste dikwils een merkwaardigen steen, bekend onder den naam van Diamant van Maroni, en die, geslepen zynde, zeer naar een waare diamant gelykt. Dienvolgende maakt men daar van ringen en andere kleinodiën. In alle deeze Rivieren zonder onderscheid, klimt en zakt het water op meer dan zestig mylen van den uitloop af; het geen veröorzaakt word door de verhindering, die de eb en vloed aan de uitwatering der beeken toebrengt. Egter ontmoet men vry algemeen stroomen van zoet water, op den afstand van vier-en-twintig of dertig mylen van de zee. Het water der Rivier van Surinamen word als het beste beschouwd; en de matroozen gaan het haalen tot by Savannah le Juif, meer dan veertig mylen van de stad Paramaribo af gelegen. De Schepen zyn in deeze Rivieren aan een groot ongemak bloot gesteld: de bodem van het Schip word dikwils door water-wormen beschadigt; maar men kan derzelver verwoestingen voorkomen, door het dikwils op zyde te haalen, om het des te gemakkelyker te kunnen schoon maken en kalfateren. De zwarte pik, door Graaf DUNDONALD uitgevonden, verdient boven alle andere stoffe, die men ter deezer gelegenheid zoude kunnen bezigen, den voorrang. De ebbe en vloed hebben na een tusschen-verloop van omtrent tien en een half uur plaats. De hooge vloeden komen doorgaans twee keeren maandelyks; de Rivier verheft zig dan tot eene aanmerkelyke hoogte; het geen, uit hoofde van verschillende omstandigheden, tot groot voordeel der Planters verstrekt. Het is misschien gepast, dat ik hier spreeke van de verdediging deezer Rivieren, schoon dit een onderwerp is, het geen ik voornemens ben elders meer opzettelyk te behandelen. Ten oosten van den mond der Rivier van Surinamen is een klein voorgebergte, genaamt Braam-punt, het welk, zoo ik denk, oorsprongelyk den naam droeg van Pram- of Parham-punt, naar dien van Lord FRANÇOIS WILLOUGBY DE PERHAM, aan wien deeze bezitting in 't jaar 1662, door KAREL II. wierd opgedragen. Men vermeent dat deeze Lord aldaar, tien jaaren te vooren, voor de eerste maal voet aan land zette. Deeze punt is niet versterkt; maar omtrent agt mylen hooger is aan elke kant van den oever een Schans, waar van de eene den naam van Leyden, en de andere dien van Purmerendt draagt. Een weinig hooger is het nieuwe Fort Amsterdam, gebouwd op een uitstek lands, het welk de twee Rivieren van Surinamen en Comewyne van elkander scheidt, en waar van het vuur, zig vereenigende met dat der beide Schanssen, het inkoomen zoo van de eene als van de andere Rivier belet. By de stad Paramaribo, zes of zeven mylen van het Fort Amsterdam, is gelegen eene vesting, die den naam draagt van het Port Zelandia, en de Stad en alle de Schepen op de reede beschermt. Omtrent zestien mylen van de eerste, aan de Comewyne, is een ander Fort, genaamt Sommelsdyk, het welk de wederzydsche kanten van den oever bestrykt, namelyk die van de Comewyne en de Cottica. Bovendien zyn 'er verscheidene oorlogsposten aan de Corantyn, de Saraméca en de Maroni. Agter deeze is een sterke wacht geplaatst, aan den mond van de Motte-Kreek, omtrent dertig mylen van de Rivier van Surinamen; aldaar is op de kust een vuurbaak opgericht, om aan de Schepen, die in deeze Rivier willen binnen loopen, berigt te geven, dat zy den mond der gevaarlyke Rivier Maroni reeds voorby zyn. Deeze zelfde wacht doet ook verscheide kanon-schooten, om aan de Volkplanting te doen weeten, dat 'er eenig Schip in 't gezicht is, en het op de kust aanlegt. Langs de bovenste oevers der Rivieren van Surinamen, Comewyne en Cottica, heeft men wachten uitgezet, om de inwoonders tegen de aanvallen der Indiaanen, of der vluchtende Negers uit de binnen-landen te beveiligen. In alle deeze versterkingen bestaat de voornaamste verdediging deezer bezitting: echter kruist bovendien tusschen de Rivier Maroni en Berbice een klein gewapend vaartuig, of kust-bewaarder, om berigt te geven van alle gevaar, waar mede de Volkplanting bedreigt zoude mogen worden. Ik vergat byna te zeggen, dat men het ontwerp gevormd had, om een weg te maaken, die door posten van soldaaten versterkt zoude worden, van de oevers van het bovenste gedeelte van de Comewyne tot aan de Saraméca. Dezelve is werkelyk begonnen; maar het ontwerp gelukte niet, en deeze weg, die den naam van Orange droeg, is tans met struiken begroeit. Aldus beschreven hebbende de oppervlakte van deeze landstreek met derzelver grenspaalen, rivieren, enz. zal ik derzelver ontdekking vermelden, gelyk mede de merkwaardigste omwentelingen deezer vermogende Volkplanting, die in den laatsten oorlog byna van den dapperen Admiraal RODNEY een bezoek ontfing.--Dit gedeelte van het vaste land, genaamt Guiana of de Wilde-Kust, en op welke de Volkplanting van Surinamen gevestigt is, is, volgens zommiger gevoelen, eerst ontdekt geworden door den beroemden CHRISTOPHORUS COLUMBUS, in den jaare 1498, en het was van daar, zoo men zegt, dat hy, door yzere boeien beknelt, in zyn vaderland te rug keerde. Anderen beweeren, dat het alleenlyk VASCOS NUNES was, die dezelve in den jaare 1504. het eerst ontdekte, gelyk ik in 't begin van dit Hooftstuk heb aangeweezen. [5] Onder de regeering van ELIZABETH, in den jaare 1596, wierd Guiana door den heer WALTER RALEIGH gekend, die de Orenoco meer dan zes honderd mylen opvoer, met oogmerk, om het ingebeeld Land d'el Dorado te zoeken, alwaar men goudmynen hoopte te ontdekken; welke gedachte gegrond wierd op de gevondene stukken bergsteen, welke de Spanjaarden noemden maare de oro, of moeder van het goud. In 't jaar 1634, volgens het verhaal van DAVID PIETER DE VRIES, een Hollander, vond men in Surinamen een Engelschen Capitain, genaamt MARSHALL, met omtrent zestig zyner landgenooten, die zig aldaar met het planten van Tabak bezig hielden; en dezelve DE VRIES sprak aldaar met hun. Surinamen wierd in't jaar 1640 door de Franschen bemachtigd, die egter kort daar na genoodzaakt waaren het zelve te verlaaten, uit hoofde van de veelvuldige invallen der Karaiben, welken zy, even als hunne nabuuren de Spanjaarden, met de grootste wreedheid behandeld hadden. Deeze Volkplanting in den jaare 1640. verlaaten zynde, zond Lord FRANÇOIS WILLOUGHBY DE PARHAM, met verlof van KAREL II, een Schip derwaarts, op zyne eigene kosten uitgerust, om 'er in naam van zynen meester bezit van te nemen. Korten tyd daar na liet hy nog drie anderen vertrekken, waar van het een met twintig stukken geschut gewapend was. Deeze Engelschen wierden allen door de Indianen, of inwoonders van het Land, wel ontfangen. Zy slooten met hun Verdragen van vriendschap, en traden in een zoort van onderhandeling. Na verloop van twee jaaren, ging Lord WILLOUGHBY zelf naar Surinamen; hy hield zig aldaar bezig met het maken van verscheide verstandige Wetten en goede Reglementen tot verdediging van deeze Volkplanting; vervolgens kwam hy in Engeland te rug, van waar hy voortging met deeze bezitting van volk en krygsbehoeften te voorzien. Den 2den Juny 1662, wierd hem de Volkplanting afgestaan door den zelfden Koning KAREL II; en volgens de eigene erkentenis van den Lord, moest dezelve verdeeld worden tusschen LAURENS HIDE, tweeden zoon van EDUARD, Graaf van Clarendon, en hem zelven, om ten eeuwigen dage aan hunne nakomelingen over te gaan: dit oorspronkelyk Charter moet nog in wezen zyn. In 't jaar 1664, ontnamen de Engelschen aan de Hollanders de nieuwe Nederlanden, naderhand genaamt New-Yorck. In den jaare 1665, wierd de Volkplanting van Surinamen met voordeel bebouwd, en grootendeels met Tabak beplant. Derzelver eigenaars hadden aldaar ook meer dan veertig schoone Plantagiën van Suiker-riet opgericht, en eene sterke Vesting van gehouwen steen ter hunner verdediging gebouwd. Het verdient egter opmerking, dat volgens zommige Schryvers zulks gedaan wierd door de Portugeezen, schoon de tyd 'er van onzeker is. De Franschen, wel is waar, betwisten dit stuk hevig, en beweeren dat deeze Vesting het werk was van den heer PONSERT DE BRETIGNY, toen zy in het bezit van deeze landstreek waaren. Wat daar van zyn moge, de Vesting is gelegen zestien of agtien mylen van den mond der Rivier van Surinamen, en de nyvere Colonisten bevonden zig zeer gelukkig in een Steedjen, het welk zy onder de muuren deezer Vesting bouwden. Hun geluk was niet van langen duur; want, staande de oorlogen tusschen KAREL II. en de Vereenigde Nederlanden, ontnamen de Hollanders, die in 't jaar 1661, door de Portugeesen uit Brasiliën verjaagt waaren, in 't jaar 1667. de Volkplanting van Surinamen aan de Engelschen, onder het bevel van Capitain ABRAHAM KRYNSZOON, die tot dit einde door de Provintie van Zeeland, met drie oorlogschepen en drie honderd zee-soldaaten wierd afgezonden. De Engelsche Bevelhebber WILLIAM BYAM verloor deeze Volkplanting, uit hoofde van eene overrompeling, op het oogenblik, dat zes honderd van zyne beste manschappen bezig waaren met het planten van suiker-riet. Zyne onagtzaamheid was zigtbaar door het gering verlies der Hollanders, die by het bestormen der Vesting, slechts één man, verloren hadden. Zy plantten oogenblikkelyk het vaandel van den Prins van Orange op de wallen, en gaaven aan deze Vesting den naam van Zelandia. De Stad Paramaribo ontfing den naam van Nieuw Middelburg. De overwinnaars deeden, onder andere schattingen, door de inwoonders honderd-duizend ponden suiker opbrengen, en zy zonden een zeker getal uit hun midden naar het eiland Tabago. Deeze gebeurtenis viel in February voor, en in de maand July daaraanvolgende wierd de Vrede te Breda gesloten. Maar ongelukkig voor de nieuwe bezitters der Volkplanting, wist de Engelsche Bevelhebber JOHN HERMAN 'er niets van. Eerst Cayenne aan de Franschen ontnomen hebbende, liep hy in de Rivier van Surinamen met eene vloot binnen, bestaande uit zeven oorlog-schepen, en twee bombardeer-galjooten, ontnam deeze bezitting aan de Hollanders, doodde meer dan vyftig van hunne manschappen, en vernagelde negen stukken geschut op het Fort Zelandia. De nieuwe inwoonders betaalden op hun beurt eene schatting; de Hollandsche bezetting wierd krygsgevangen gemaakt, en naar het eiland Barbados overgevoerd. Toen men te Surinamen vernam, dat de Vrede tusschen de oorlogende Mogendheden in Europa gesloten was, eer dat de Bevelhebber HERMAN deeze Volkplanting van de Hollanders hernomen had, ontstond 'er een geweldige opstand, gevolgd van groote wanorden onder de Colonisten, die niet meer wisten, wie hunne wettige Overheid was. Eindelyk wierd, op bevel van Koning KAREL, de bezitting, in 't jaar 1669, aan de Hollanders te rug gegeven; en toen verlieten twaalfhonderd van derzelver oude inwoonders, Engelschen en Negers, dit Land, en zetteden zig op het Eiland Jamaica neder. Na dat de oorlog, die vervolgens plaats had, geëindigd was, bepaalde men by het Verdrag van Westmunster, dat Surinamen voor altoos geheel in eigendom aan de Hollanders blyven zoude, in ruiling tegen het Gewest van New-Yorck, het geen dienvolgende ook in 't jaar 1674 geschiedde. Zedert dit tydperk is Groot-Brittanniën niet meer in het bezit der Volkplanting Surinamen geweest. In het jaar 1678, was een Hollander, genaamt HEYNSIUS, en de Capitain LIGHTENBORG, de één Gouverneur, en de ander Bevelhebber over het krygsvolk aldaar. De Hollanders hadden, geduurende de eerste jaaren van hun genot, weinig genoegen in hunne nieuwe bezittingen, en wierden door de invallen der Karaïben, welken zy minder wel behandelden, dan de Engelschen gedaan hadden, dagelyks ontrust. Deeze Indiaanen strekten hunne wraak zoo verre uit, dat zy verscheiden Colonisten van kant hielpen. De Provintie van Zeeland, aan wien deeze Volkplanting in eigendom toebehoorde, met de Verëenigde Gewesten over het opperbestuur deezer bezitting in geduurigen tweespalt zynde, en daarenboven de zwaare kosten, die tot derzelver verdediging en behoud noodig waaren, niet kunnende opdiepen, besloot om dezelve geheel en al aan de Hollandsche West-Indische Compagnie te verkoopen. Dit geschiedde met al den oorlogs-voorraad en krygsbehoeften, waar onder vyftig stukken geschut waaren, voor de somme van 23,636 ponden sterlings. Deeze Compagnie verkreeg te gelyker tyd van hun Hoog Mogenden, de Staaten Generaal, een vrydom van alle belastingen geduurende tien jaaren. Echter eenige maanden daar na, onaangezien dit voordeel, bevindende, dat de noodzakelyke kosten tot onderhoud deezer Volkplanting voor haar te hoog liepen, stond zy 'er twee derden van af, het eene aan de Stad Amsterdam, het andere aan het huis van SOMMELSDYK, op den voet van den prys, door haar daar voor betaald; en deeze drie maakten te zaamen eene Societeit uit, die onder bekragtiging van hun Hoog Mogenden, het bestuur der zaaken van dit Land alleen en geheel in handen had. Dusdanig was de gesteltenis van Surinamen; en alles was op die wyze geheel en al in orde gebragt, toen CORNELIUS VAN AARSSEN VAN SOMMELSDYK, als één der mede-eigenaars, met driehonderd mannen, en eenige ongelukkigen, die tot ballingschap verwezen waaren, aldaar aankwam. Hy rigtte een Kamer van Politie op, om hem in 't bestier der Justitie behulpzaam te zyn, en leefde met de leden van dien en met de inwoonders in een aanhoudend misverstand. Dienvolgende zond men verscheide klagten tegen hem naar Europa, schoon hy een voordeeligen vrede gesloten had met de Karaïben, de Indianen, genaamt Warowa en Arawakka, als mede met eenige weggeloopen Negers, die zig, na dat de Engelschen de Volkplanting verlaten hadden, by de Rivier Copenama hadden nedergezet. De regeering van deezen ongelukkigen Edelman duurde korten tyd; want in den jaare 1688, wierden de afgezonden Gouverneur, de heer VERBOOM, en hy zelf, [6] op één en den zelfden dag door hunne eigene soldaaten vermoord. Dezelven gingen tot deeze daad van wanhoop over, dewyl zy gedwongen waaren geworden, om, even als Negers, Kanaalen te graven, en een zeer onvoldoend en ongezond levens-onderhoud ontfingen. Ik moet erkennen, dat dusdanige behandeling maar al te dikwils alhier voorvalt; en ik zal by vervolg gelegenheid hebben zulks te bewyzen. De moordenaars hadden zulk een vertrouwen op de wettigheid van deeze wreede daad, dat zy aanboden dezelve in rechten te verdedigen, en de redenen, die hen daar toe bewogen hadden, open te leggen. Dewyl de byzonderheden van deeze moord nimmer opzettelyk ontvouwd zyn, zal de lezer het my ten goede houden, dat ik 'er hem een kort verhaal van geeve. De Gouverneur wandelde op zekeren dag met den heer VERBOOM, in een bosjen van orangeboomen, in de nabyheid van zyn eigen huis, wanneer eensklaps tien of twaalf gewapende soldaaten, die het voorkomen hadden van dronken te zyn, hen hebbende aangeklampt, hun dadelyk vroegen om hunnen arbeid te verminderen, en hun betere levensmiddelen te bezorgen. De Gouverneur, zyn degen trekkende, om hen tot wyken te noodzaaken, wierd dadelyk met eenige steeken afgemaakt, en liet op de plaats het leven. Zyn medgezel kreeg slechts één wond; maar dezelve was doodelyk, en hy stierf negen dagen daar na. Deeze misdaad volvoerd zynde, trokken de moordenaars, gevolgd door verscheiden anderen van hunne medepligtigen, in zegepraal naar het Fort Zelandia, het welk zy zonder tegenstand innaamen; en zy maakten zig dadelyk meester van de oorlogs- en mondbehoeften. De bezetting zig by hun gevoegd hebbende, stelden zy zig in een linie, en verkoozen zig een Opper-Bevelhebber en verscheiden Officiers: zy deeden den eed van hun getrouw te zyn, en nimmer, nog de één nog de ander, hunne eigene zaak te verraden of te laten vaaren. Het was in deeze omstandigheid zeer aanmerkelyk, dat de nieuwe Bevelhebber den zelfden agter middag last gaf, om het lyk van den vermoorden Gouverneur, met krygsëer en statie, op het Fort Zelandia te begraven. Het geschut ging op de wallen af, en de muitelingen deeden drie herhaalde musket-schooten. De Regeering en de inwooners van Surinamen zagen zig toen in eene zeer akelige omstandigheid, en wierden genoodzaakt om met de muitelingen van het Fort in onderhandeling te treden. De voornaamste artikelen der Capitulatie bestonden hier in: dat zy tegen betaaling van eene kleine somme gelds het Fort ontruimen zouden; dat men, hun zou toestaan op het Schip de Salamander aan boord te gaan, de Volkplanting te verlaaten zonder eenige hinder te ontmoeten, en zig te begeven naar zoodanig werelddeel, als hun gelieven zoude. Dienvolgende zond men 'er meer dan honderd aan boord; maar zy maakten zig niet eerder gereed, om het anker tot hun vertrek te ligten, voor dat hun Schip door kleine gewapende vaartuigen, in stilte tot dit oogmerk geschikt, omringd was. De muitelingen, genoodzaakt om zig op genade en ongenade over te geven, wierden korte dagen daar na ter zaake van moord en opstand gevonnisd. Elf van hunne hoofden ontfingen in 't openbaar hunne straf; drie verlooren het leven op het rad; agt wierden opgehangen: de anderen kreegen vergiffenis; maar dewyl men zig niet meer op hun vertrouwen konde, wierden zy uit den dienst der Volkplanting weggezonden, zoo dra men soldaaten gevonden had om hunne plaats te vervullen. Het volgend jaar deed de weduwe SOMMELSDYK, maar zonder gevolg, een aanbod, om haar aandeel aan Koning WILLEM III. over te dragen. Te gelyker tyd wierd de heer SCHERPENHUYZEN, met krygsvolk en oorlogs-behoeften, uit Holland naar Surinamen gezonden, om als Gouverneur der Volkplanting de opvolger van den heer VAN SOMMELSDYK te zyn. By zyne aankomst vond hy alles in de grootste verwarring. Op het spoedigst de wanorde willende te keer gaan, rigtte hy een Hof van Justitie op, daar in verschillende van het geen zyn voorzaat had opgericht, dat hy het zelve in twee deelen verdeelde. Het eerste wierd geschikt voor alles wat de lyfstraffelyke en krygs-zaaken betrof. De inrichting van het laatste was betrekkelyk tot de burgerlyke twistgedingen, en alle zaaken raakende der ingezetenen byzondere belangen. Het zelve bestaat alzoo nog tegenwoordig, en de Gouverneur is Voorzitter in beide kamers. De heer SCHERPENHUYZEN beyverde zig om ook goede Wetten en Reglementen te maaken: hy kwam ter juisten tyd, om de Volkplanting in een bekwaamen staat van verdediging te stellen tegen derzelver binnen- en buitenlandsche vyanden, het geen dezelve zeer noodig had, toen de oorlog tusschen de Vereenigde Gewesten en Frankryk verklaard wierd. Dit zelfde jaar wierd de bezitting van Surinamen door den Admiraal DUCASSE met een sterke vloot aangetast; maar de Gouverneur deed met nadruk dezelve te rug deinzen, op het oogenblik dat men het Fort Zelandia begon te beschieten. In 't jaar 1692, wierd een Engelschman, genaamt HIEROME CLIFFORT, veroordeeld om opgehangen te worden, eene straffe, die in eene zevenjaarige gevangenis in het Fort van Sommelsdyk veranderd wierd. Zyne misdaad, het zy waar of verdicht, bestond in het hoonen van eene Regeering, die hem voor schulden gevangen zette. Het Hof van Groot-Brittanniën zig in deeze zaak gemengd hebbende, wierd hy, in den jaare 1695, overëenkomstig des Konings verlangen, in vryheid gesteld. Toen deed hy, ten lasten der Volkplanting, een eisch van 20,000 guinies tot schaâvergoeding voor eene onrechtvaardige gevangenis; maar dezelve wierd hem niet toegestaan. Zyne erfgenaamen hebben zyne vordering levendig gehouden, zedert den jaare 1700 tot in 't jaar 1762, zonder eenige voldoening te erlangen. Geduurende den oorlog, die in 't jaar 1712 gevoerd wierd, wierd de Fransche Admiraal JACQUES CASSARD, door den Gouverneur DE GOIJER op gelyke wyze ontfangen, als aan DUCASSE door SCHERPENHUYSEN voor het Fort Zelandia bejegend was geworden; maar vier maanden daar na was hy gelukkiger, en stelde de Volkplanting onder eene schatting ter somme van 56,618 ponden sterlings. Den 10den October liep hy in de Rivier van Surinamen binnen met zes of acht oorlogschepen, en een zeker getal mindere Schepen, te zamen drie duizend mannen voerende. De eersten waaren: De Neptunus, van vier-en-zeventig stukken, aan welks boord de Admiraal was. De Temeraire, van zestig stukken. De Rubis, van zes-en-vyftig slukken. De Vestale, van agt-en-veertig stukken. De Medusa, van zes-en-dertig stukken. Daags na zyne aankomst liet de Admiraal CASSARD één van zyne Capitains met een sloep, een witte vlag voerende, aan land gaan, om met de inwoonders over de betaaling eener brandschatting te handelen, hen bedreigende de Stad Paramaribo [7] te zullen beschieten, indien zy weigerden te betaalen. De sloep was egter genoodzaakt, zonder eenig voldoende antwoord te rug te keeren. Dewyl de Rivier van Surinamen, voor het Fort Zelandia, juist meer dan een myl breed is, vonden de Medufa, en verscheide kleine platte Scheepen, met Fransch krygsvolk geladen, door een zeer donkeren nacht begunstigd, middel om tot boven Paramaribo te naderen, zonder door de Hollanders bemerkt te worden, met oogmerk, om de Suiker- en Koffy-Plantagiën, die boven deeze Stad gelegen zyn, af te loopen; maar de belegerden maakten den 15den twee groote platte vaartuigen gereed, vol brandbaare stoffen, als drooge biezen, vaatjes met pik, enz. en gingen aan de andere zyde der Rivier, recht in 't gezicht der Stad, ten anker leggen. Men stak dezelve in brand, en het licht van de vlam deed de kleine vyandelyke Schepen ontdekken, die hun best deeden, om onder begunstiging van den donker de Rivier op te zeilen. Alzoo in het gezicht zynde, ontsnapten 'er weinigen van hun, zonder door het geschut van het Fort schade te lyden, en die Koopvaardy-schepen, welke zig op de reede bevonden, boorden eenige van die kleine platte Schepen in den grond, waar van een groot gedeelte van het scheepsvolk verdronk. Deeze krygslist belette egter de Franschen niet, die hooger op gezeild waaren, om de Plantagiën te plonderen en in brand te steeken. CASSARD zelf aan de Stad Paramaribo genadert zynde, wierp 'er meer dan dertig vuurkogels in, en beschoot dezelve, zoo als ook het Fort Zelandia, tot den 20sten October, wanneer hy een tweede boodschap aan de Hollanders zond, om hun af te vragen, of zy eindelyk tot een verdrag wilden komen, en eene brandschatting betaalen: hy dreigde hen, indien zy zyne voorslagen nog durfden afwyzen, om de geheele Volkplanting te vernielen en te verbranden. De Hollanders, ziende dat hun verderf niet te ontwyken was, indien zy by hun eerste besluit bleeven, verzogten een wapen-stilstand van drie dagen om zig te beraden, het geen hun wierd toegestaan; en eindelyk namen zy de voorwaarden van den Admiraal CASSARD aan. Dienvolgende teekende men, den 24sten October, van wederzyden een Verdrag van vier-en-twintig Artikelen. De schatting van 56,618 ponden sterlings, door de Franschen gevorderd, wierd hun voornamelyk in Suiker, en Neger-slaaven, enz. betaald, vermits 'er weinig goud en zilver in de Volkplanting was. Zoo dra de betaaling geschied was, ligtte de Admiraal het anker; en den 6den December 1712, verliet hy Surinamen met zyne geheele vloot. DERDE HOOFTSTUK. Eerste opstand der Negers en deszelfs oorzaaken.--Elendige staat der Volkplanting.--Gedwongen vrede met de Muitelingen. --Muitery der Zee-Soldaaten, Matroozen, enz. Deeze ongelukkige Volkplanting was slechts even van haare buitenlandsche en openbaare vyanden verlost, of zy ontmoette nog veel geduchter vyanden in haaren eigen boezem. De Karaïben, en andere Indiaansche volken hadden, in de eerste tyden, wel is waar, deeze bezitting ontrust; maar, gelyk ik reeds gezegd heb, de Gouverneur SOMMELSDYK had, korten tyd na zyne aankomst in de Volkplanting, den Vrede met hun gesloten. De Wilden hadden denzelven gehouden, en vervolgens hadden zy met de Europeaanen, even als met goede buuren en vrienden, in de beste verstandhouding geleeft. De Neger-Slaaven, in opstand gekomen zynde, zyn die vyanden, waar van ik thans voornemens ben te spreken. Geduurende eenigen tyd, verspreidden zy een algemeenen schrik in de Volkplanting, en dreigden om dezelve aan de Staaten van Holland te ontneemen. Eenige weggeloopen Negers hadden reeds lang eene schuilplaats in de bosschen van Surinamen gezogt; maar hun getal was klein, tot omtrent het jaar 1726 en 1728, wanneer zy sterk vermeerderden. Toen plonderden zy Plantagiën, en bezorgden zig snaphaanen en spiessen. Deeze nieuwe wapenen, gevoegd by de geenen, waar van zy zig gewoonlyk bedienden, de boog en pylen, stelden hen in staat, om geduurige verwoestingen op de Suiker- en Koffy-Plantagiën aan te regten. Zy wierden daar toe aangezet, zoo door een geest van wraakzucht over de onmenschelyke mishandelingen, die zy van hunne meesters verduurt hadden, als door de zucht tot plondering, en voornamelyk om kruid, kogels, en bylen weg te neemen, ten einde in hunne verdediging voor het toekomende te voorzien. Deeze Negers hadden zig over 't algemeen nedergezet aan de oevers van het bovenste gedeelte der Rivieren Copenama en Saraméca. Men gaf hun, naar de laatstgemelde, den naam van muitelingen van Saraméca, om hen van de andere benden, die vervolgens in opstand kwamen, te onderscheiden. Verscheidene hoopen krygsvolk en veele inwoonders wierden tegen hen afgezonden; maar zy bragten hen zeer weinig tot onderwerping, en konden schier niets dan beloften verwerven. In 't jaar 1730, deed men eene wreede straf-oeffening aan elf ongelukkige gevangene Negers, om daar door hunne medgezellen schrik aan te jagen, en hen tot onderwerping te bewegen. Zeker manspersoon wierd levend aan een galg opgehangen door middel van een yzere haak, die hem door de ribben gestoken wierd; twee anderen wierden aan paalen vast geketend, en door een langzaam vuur verbrand; zes vrouwen wierden levendig gerabraakt, en twee meisjes wierden onthoofd. In het midden der folteringen betoonden zy zulk een moed, dat zy dezelve doorstonden, zonder een enkele zucht te loozen. Deeze wreedheid bragt eene andere uitwerking te weeg, dan men 'er van verwagt had. De muitelingen van Saraméca waaren 'er zoo woedend over, dat zy verscheiden jaaren lang voor de Colonisten zeer geducht wierden. De laatstgemelde, de onkosten van deezen oorlog, en de vermoeijenissen, die zy met het vervolgen van hunne vyanden in de bosschen moesten doorstaan, niet langer kunnende opdiepen; daarenboven door de verbaazende verliezen, welke de geduurige invallen der Negers aan hun veroorzaakten, en door de aanhoudende schrik, die 'er het gevolg van was, ter neder geslagen, beslooten zy eindelyk om met hun over vrede te handelen. De Gouverneur MAURITIUS, die, in 't jaar 1749, zig aan het hoofd der Volkplanting bevond, zond eene aanzienlyke krygsbende naar hunne bezittingen aan de Rivier Saraméca, om, zoo het mogelyk was, deezen zoo vuuriglyk gewenschten vrede te bewerken. Deeze bezending kwam, na eenige schermutzelingen met verscheidene afgelegene partyen der muitelingen, eindelyk in hunne hoofd-kwartieren aan, alwaar zy een mondgesprek verzogten en verkreegen. Men stelde aldaar de voorloopige voorwaarden van een Vredes-verdrag vast, bestaande uit tien of twaalf Artikelen, en gelykvormig aan het geen, in 't jaar 1739, tusschen de Engelschen en de muitelingen van het Eiland Jamaica gesloten was.--Het hoofd der oproerigen van Saraméca was een Mulat, genaamt Capitain ADOE, die, by deeze gelegenheid, tot een blyk van onafhangelykheid, eene fraaije rotting met een zilveren knop, waar op het wapen van Surinamen gesneden was, van den Gouverneur ontfing. By het zelfde Verdrag beloofde men hem andere geschenken, waar onder voornamelyk wapenen en krygsbehoeften waaren: zy moesten hem eerst het volgende jaar gezonden worden; waar na de volkomene vrede zoude gesloten worden. ADOE bood tot een weder-geschenk een fraaije boog aan, met een koker vol pylen, door hem zelf gemaakt, tot een teeken, dat, in dien tusschentyd, alle vyandelykheid van zyn kant zoude ophouden. Deeze vrede verwekte een groot genoegen by het voornaamste gedeelte der inwoonders van Surinamen, die zig vleiden, dat hunne goederen en persoonen nu in zekerheid zyn zouden: anderen beschouwden dit Verdrag als een zeer gevaarlyke bron, en zelfs als eene voltooijing van den onvermydelyken ondergang der Volkplanting. Ik moet, wel is waar, erkennen, dat men niets als gevaarlyker moet achten, dan zig op de vriendschap van menschen te vertrouwen, wier gestrenge slaverny hen genoodzaakt heeft om hunne keetens te verbreken, en die door dit vertrouwen nog geduchter worden kunnen. De oproerigheid, eenmaal tot de hoogte geklommen, waar in zy zig tans bevond, hadden de Colonisten dezelve, zoo veel in hun vermogen was, behooren te bestryden, niet uit een beginzel van wreedheid, maar ten voordeele van eene zoo schoone Bezitting. Indien de mishandelingen deeze ongelukkige schepzels tot zulke uitersten gedreven hebben, had de staatkunde, zoo wel als de menschelykheid, aan de Colonisten voor het vervolg een ander gedrag behooren voor te schryven. Men zal misschien vragen, of 'er eenig middel is om Negers tot onderwerping te houden, en hen tot den arbeid te noodzaaken, zonder de stiptste en zelfs de gestrengste Reglementen? Ongetwyffeld neen; maar ik mag op myn beurt vragen, of het noodig is verschrikkelyke folteringen aan hun te werk te leggen, volgens de eigenzinnigheid en wrevel van eenen wreeden meester, of, het geen nog erger is, van eenen verdwaasden Bevelhebber? Waarom worden de Negers omtrent redelyke klagten nooit gehoord door eene Overheid, die de magt heeft om daaromtrent herstel te bezorgen? Is het, om dat deeze Regeerings-persoon zelf een Planter is, en dat hy belang heeft by de handhaving van een willekeurig bestuur, waar door dit ongelukkig geslacht gedrukt word?--Dit is maar al te duidelyk.--Ik zou egter onrechtvaardig zyn, indien ik niet verklaarde, op verscheide Plantagiën de slaaven met de grootste menschlievenheid te hebben zien behandelen, dat des meesters hand niet wierd opgeheven, dan om hen te streelen, en dat hunne dankbaarheid en liefde ook uit hun gezicht te leezen was. Laaten wy voortgaan, en de gevolgen van deezen vrede met de muitelingen van Saraméca beschouwen. In den jaare 1750, dat is, een jaar daar na, wierden de geschenken, die men aan Capitain ADOE had toegezegd, aan denzelven gezonden; maar die 'er mede belast waaren, wierden op hunnen weg aangevallen, en alle de afgezondene manschappen lieten aldaar het leven; wordende zylieden door een party Negers, vereenigd onder een wanhoopig hoofd, genaamd ZAM-ZAM, die omtrent het Vredes-verdrag niet geraadpleegd was geworden, vermoord. Hy maakte zig meester van alles, wat deeze afgezondene manschappen met zig voerden, bestaande in wapenen, krygsbehoeften, linnens en andere stoffen, zaagen, bylen, en ander timmer-gereedschap, behalven gezouten ossen- en varkens-vleesch, en geestryke dranken. ADOE van zyn kant, op den bepaalden tyd, de aan hem gedaane belofte niet vervult ziende, en zig verbeeldende, dat men in den zin had hem op te houden, tot dat men nieuwe versterkingen uit Europa ontfangen zoude hebben, hernam de vyandelykheden. De vrede wierd dus door dit ongelukkig toeval onmiddelyk verbroken: de wreedheden en verwoestingen begonnen wederom met meerder ernst dan ooit, en de dood en vernieling verspreidden zig op nieuw over de Volkplanting. In 't jaar 1751, bevond dezelve zig in den deerniswaardigsten staat, en de grootste verwarring. De inwoonders zich aan de Staaten Generaal vervoegd hebbende, deeden de laatstgemelden den Baron SPOKE met zes honderd mannen, die uit verschillende legerbenden in Hollandschen dienst genomen waaren, derwaarts vertrekken. Hy had last, om den Gouverneur MAURITIUS naar Europa te zenden, om aldaar zyn gedrag te verantwoorden: de laatstgemelde kwam niet weder in de Volkplanting. In 't jaar 1753, verzogt en verkreeg hy zyn afscheid, na eene eerlyke kwyting ontfangen te hebben. SPOKE, die, geduurende de afwezigheid van MAURITIUS, deszelfs post moest waarneemen, vond alles in de grootste wanorde. De onëenigheid tusschen de inwoonders en hunne hoofden, was tot die hoogte gestegen, dat het juiste oogenblik daar was, om 'er zonder verwyl in te moeten voorzien. De Baron hield zig daar mede wel bezig; maar hy stierf een jaar na zyne aankomst; en alles wierd op nieuw het onderst boven gekeerd. In 't jaar 1757, den staat der zaaken dagelyks hoe langer hoe erger wordende, geduurende het bestuur van den heer CROMMELYN, toen Gouverneur van deeze Volkplanting, barste 'er een nieuwe opstand, veroorzaakt door de mishandelingen, die de Negers van hunne meesters ondergingen, in de Tempaty-Kreek uit: deeze opstand wierd wel dra één van de ernstigste. De muitelingen verëenigden zig met zestien honderd andere kastanje-bruine Negers, die zedert langen tyd zig op agt dorpen hadden nedergeslagen, in de nabyheid van deeze zelfde Kreek. Zy leverden verscheide gevechten, waar van de goede uitslag hun wapenen verschafte; en de Colonisten zagen zig gedwongen om vrede met hun te maaken, zoo als, in 't jaar 1749, met de muitelingen van Saraméca. Geduurende deezen opstand, wierd één der Capitains van het krygsvolk der Societeit, genaamt MEYER, ter zaake van lafhartigheid voor eenen krygsraad betrokken. Schuldig bevonden zynde, wierd hy verweezen om doodgeschoten te worden, en gevolgelyk wierd hy naar de strafplaats gebragt, alwaar alles in gereedheid zynde om hem dood te schieten, hy van den Gouverneur vergiffenis verkreeg, die hem naderhand niet alleen met veel achting behandelde, maar hem bovendien tot den rang van Majoor verhief. Om te bewyzen, hoe ongerymd het vooroordeel is, het geen menschelyke schepsels als beesten doet beschouwen, alleenlyk om dat ze van ons in kleur verschillen, zal ik hier eenige der voornaamste omstandigheden en plechtigheden schetsen, die het sluiten van deeze vrede hebben vergezelt. Het eerste voorstel der Colonisten was een verzoek tot een mondgesprek, het welk de muitelingen toestonden. In den loop der byeenkomst vorderden de laatstgemelden, dat de Hollanders hun jaarlyks, onder veele andere artikelen, eene zekere hoeveelheid van schietgeweer en krygsbehoeften zenden zouden. Alle deeze zaaken stonden vermeld op een lange lyst, in slecht Engelsch geschreven door een Neger, genaamt BOSTON, die Capitain der muitelingen was. De Gouverneur, de heer CROMMELYN, deed derhalven twee Commissarissen vertrekken, de heeren SOBER en ABERCOMBIE, die, onder geleide van eenige soldaaten, de bosschen doortrokken; zy waaren met geschenken belaaden, en hadden magt om over eenen volkomenen vrede te handelen. In de legerplaats der muitelingen aan de Jocka-Kreek, vyftien mylen ten oosten van de Tempaty-Kreek gelegen, wierden zy aan een Neger, een zeer schoon manspersoon, genaamd ARABY, die als Opperhoofd het bevel voerde, en in de bosschen geboren was, aangeboden. Hy ontfing hen zeer vriendelyk, nam hen by de hand, en verzogt hen om in 't groen naast hem te gaan zitten. Tevens verzekerde hy hun, dat zy niets te vreezen hadden; en dat zy door eene geheiligde beweegreden derwaarts geleid zynde, niemand hen zoude willen nog durven ontrusten. Toen de Capitain BOSTON echter bemerkte, dat de Commissarissen niets medebragten, dan beuzelingen, als messen, schaaren, kammen, spiegeltjes, en de voornaamste stukken, te weten het buskruid, de schietgeweeren, en de krygsbehoeften, vergeten hadden, naderde hy hun op eenen bitsen toon, en vroeg hun, met een donderende stem, of de Europeaanen dagten, dat de Negers niets dan kammen en spiegels noodig hadden; hy voegde 'er by, dat één stuk van het laatstgemelde huisraad voldoende was, om aan hun allen hun eigen gezicht te laaten bezien, terwyl een enkel vat manfanny (buskruid,) aan hun werdende aangeboden, hun gestrekt zoude hebben tot een bewys van het vertrouwen, dat men in hun stelde. Hy eindigde met te zeggen, dat, dewyl men zulke gewichtige zaaken vergeten had, hy nimmer in de te rug komst der Commissarissen zoude toestemmen, tot dat men alles, wat op de lyst stond, gezonden zoude hebben, en dat gevolgelyk het Verdrag zoude zyn volvoert geworden. Deeze te rug komst wierd egter bewerkt door een anderen Neger, genaamd de Capitain QUACO, welke verklaarde, dat deeze heeren slechts afgezondenen van den Gouverneur waaren; dat zy, voor zyne daaden niet verantwoordelyk zynde, zekerlyk zonder eenig leed zouden te rug keeren; en dat niemand, zelfs hy Capitain BOSTON niet, zig zoude hebben te verstouten, om zig tegen hun vertrek te verzetten. Het Opperhoofd gebood toen het zwygen, en verzogt ABERCOMBIE, om zelf een lyst te schryven, die hy hem op gaf. Toen dezelve was afgemaakt, en de Commissarissen belooft hadden die te zullen overbrengen, verklaarden hun de Negers, dat zy aan den Gouverneur en aan zynen Raad een geheel jaar lieten, om 'er zig over te beraaden, en den vrede of den oorlog te verkiezen; zy verbonden zig onder eede, dat in dien tusschen-tyd alle vyandelykheid van hunnen kant zoude ophouden. Vervolgens onthaalden zy de afgevaardigden, zoo goed als hunne gelegenheid in het midden der bosschen zulks toeliet, en zy wenschten hun een goede en behoudene reis. Een van de Officiers der muitelingen deed by deeze gelegenheid de Commissarissen opmerken, dat het wel ongelukkig was, dat de Europeaaen, die zig eene beschaafde natie noemden, de oorzaak van hun eigen verderf waaren, door hunne onmenschelykheid jegens hunne Slaaven. "Wy verlangen, voegde hy 'er by, dat gy aan uwen Gouverneur en Raaden zegt, dat, zoo zy geenen opstand meer hebben willen, zy zorge moeten dragen, dat de Planters de menschen, die hun eigendom zyn, beter behandelen, en hen niet overlaaten aan de mishandeling van Bevelhebbers en Opzigters, die zig in den drank te buiten gaan, die de Negers met zoo veel onrechtvaardigheid, als wreedheid straffen, die hunne vrouwen en dogters verleiden, de zieken verwaarloozen, en op die wyze een groot aantal arbeidzaame en sterke menschen naar de bosschen jaagen, die met hun zweet uw onderhoud winnen, zonder welken de Volkplanting niet zoude kunnen bestaan, en aan wien gy eindelyk het onverdiend geluk hebt, om zoo laag den vrede te komen afbidden." ABERCOMBIE de muitelingen verzogt hebbende, om hen door één of twee van hunne voornaamste Officieren tot Paramaribo te doen vergezellen, alwaar hy beloofde, dat zy wel ontfangen zouden worden, antwoordde ARABY hem met een glimlach, dat dit na een jaar de tyd zou zyn, wanneer de vrede geheel en al zou gesloten wezen; dat hy hun dan zynen jongsten zoon zoude zenden, om naar de manieren der Europeaanen te worden opgevoed; maar dat hy voor het onderhoud van hem zelf, en van de geenen, die van hem zouden afhangen, zoude moeten zorgen, zonder immer aan de Colonisten den minsten overlast te veroorzaaken. De Commissarissen verlieten de muitelingen na dit bekomen antwoord, en de geheele bezending kwam gezond en behouden te Paramaribo te rug. Het jaar uitstel verloopen zynde, zonden de Gouverneur en het Hof der Volkplanting twee nieuwe Commissarissen naar de legerplaats der Negers, om eindelyk deezen zoo gewenschten vrede te sluiten, en na veele tegenkantingen en zwarigheden van de eene en andere zyde, wierden 'er de voorwaarden van bepaalt. De Europeaanen beloofden alle de geschenken, die men hun afvroeg. De Negers drongen van hunnen kant, tot een bewys hunner genegenheid, aan, dat elk der Commissarissen eene van hunne schoonste meisjens tot zyn gezelschap nemen zoude, zoo lang zy beiden in hunne legerplaats verblyven zouden. Zy behandelden hen edelmoediglyk, en bedienden hen van wild-braad, visch, vrugten, in alles het beste, wat het bosch opleverde; en zy hielden zig aanhoudend bezig met hun de vermaaken te verschaffen van dansen, speelpartyen, en verdubbelde salvo's met schietgeweeren. By de te rug komst der Commissarissen, wierden de bedongene geschenken aan de Negers van de Jocka-Kreek afgezonden; en het geen merkwaardig is, de geen, dien men met het overbrengen van dezelve belastte, was die zelfde MEIJER, die, schoon aan het hoofd van zes honderd mannen, zoo soldaaten als slaaven, gesteld zynde, hen niet had durven bestryden. De kleinmoedigheid van deezen Officier bleek zelfs by deeze gelegenheid, en bragt byna de geheele zaak in de war; want hy had de zwakheid, tegen de aan hem gegevene beveelen, om de geschenken over te geven, zonder wederkeerig de beloofde gyzelaars te ontfangen. By geluk hield ARABY zyn woord, en zond uit dien hoofde vier van zyne beste Officiers naar Paramaribo. De vrede wierd, door dit middel, volkomentlyk gesloten. Een Verdrag van twaalf of dertien Artikelen wierd, in 't jaar 1761, door de Hollandsche Commissarissen, ter eenre, en door zestien Neger Capitains en ARABY zelven, ter andere zyde, geteekend. De plechtigheid der teekening wierd verrigt op de Plantagie Ouca, aan de Rivier van Surinamen, werwaarts de te zamen verdragende partyen zig begaven. Deeze teekening egter kwam aan den Bevelhebber ARABY en de zynen niet voldoende voor. Zig door eenen eed verbonden hebbende, vorderden zy, dat de Commissarissen van gelyken deeden, en op de zelfde manier als zy, zig niet vertrouwende, zoo zy zeiden, op de