The Project Gutenberg EBook of Reize naar Surinamen, en door de binnenste gedeelten van Guiana (deel 2), by John Gabriel Stedman #2 in our series by John Gabriel Stedman Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the copyright laws for your country before downloading or redistributing this or any other Project Gutenberg eBook. This header should be the first thing seen when viewing this Project Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the header without written permission. Please read the "legal small print," and other information about the eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is important information about your specific rights and restrictions in how the file may be used. You can also find out about how to make a donation to Project Gutenberg, and how to get involved. **Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts** **eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971** *****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!***** Title: Reize naar Surinamen, en door de binnenste gedeelten van Guiana (deel 2) Author: John Gabriel Stedman Release Date: May, 2005 [EBook #8097] [Yes, we are more than one year ahead of schedule] [This file was first posted on July 12, 2003] Edition: 10 Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REIZE NAAR SURINAMEN, V2 *** Produced by Jeroen Hellingman with help of the distributed proofreaders team. REIZE NAAR SURINAMEN, EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA; DOOR DEN CAPITAIN JOHN GABRIËL STEDMAN. MET PLAATEN EN KAARTEN. NAAR HET ENGELSCH. TWEEDE DEEL. INHOUD DER HOOFTSTUKKEN. XI. HOOFTSTUK. Het Krygsvolk keert naar de Wana-Kreek te rug.--De Pipa.--Gevecht tusschen een soldaat en een slang.--De Fesant-vogel van Guiana.--De Agamie of Trompetter.--De Muitelingen trekken de legerplaats voorby; men vervolgt hen te vergeefs.--Groot gebrek aan water.--Schranderheid der Negers.--De Zyde-plant.--Kevers en Insecten.--Bergwerken.--Fraaije Kapel.--Het krygsvolk koomt op den post van la Rochelle aan de Patamaca. XII. HOOFTSTUK. Beschryving van Paramaribo, en van het Fort Zelandia.--De Grow Mouneck of graauwe Munnik.--De West-Indische Abricoos-boom.--Verschillende zoorten van Oranjeboomen.--De Colonel FOURGEOUD trekt naar de Rivier Maroni.--Een Capitain word gewond, en eenige soldaaten gedood.--Vreemde straf-öeffening in de hoofdstad.--Het Fort Sommelsdyk.--De wachtpost van de Hoop.--Duiven en Tortelduiven.--Groenten en vruchten.--Jacht en wildt.--Steenbakkery.--Insecten. XIII. HOOFTSTUK. Beschryving van eene Suiker-Plantagie.--Huisselyk geluk in zekere hut.--Krygs-verrigtingen van den Generaal FOURGEOUD.--De Duncane, Igname en Soubacou.--Wreedheden van zommige Opzigters der Plantagiën.--Onderscheidene zoorten van visschen.--Misnoegen van eenen Capitain der muitelingen. XIV. HOOFTSTUK. De Colonel FOURGEOUD keert naar Paramaribo te rug.--Het gevleugeld en gewapend Water-hoen van EDWARDS.--Bewys van onkunde in een Heelmeester;--van deugd in een slaaf;--van wreedheid in eenen Bevelhebber.--De roode Wulp.--De Wesp, Marobonso genaamd.--Orange-appelen en Limoenen.--De insecten, Chiques genaamd.--Het krygsvolk begeeft zig weder naar de bosschen.--De Kibry-Fowlo.--Verscheidene zoorten van wilde varkens.--Mieren.--De dans van Loango.--De Toreman.--De Poelsnip van Guiana.--Plantains en Bananes.--Manier om te visschen.--Visschen.--Vogelen. XV. HOOFTSTUK. Indianen, inboorlingen van Guiana.--Voedzel,--Wapenen,--Cieradiën,--Optooisels,--Bezigheden,-- Vermaken,--Driften,--Godsdienst,--Huwelyken,--Begravenissen, enz. van deeze Volken.--De Caraïbische Indianen in 't byzonder, en hunne koophandel met de Europeanen.--Boomen, Heesters en Planten. XVI. HOOFTSTUK. Versterking van krygsvolk, uit Holland aangekomen.--De Goijava-boom, en deszelfs vrucht.--Legerplaats by Maagdenberg aan de Tempaty Kreek.--Verschillende zoorten van Aapen.--Een zeer maanzieke Neger.--Eekhoorntje van Guiana.--Verscheidene zoorten van boomen.--Hagedissen.--Bergen van mynstoffen voorzien.--Treffelyke gezichten.--De Roucouboom.--Fraaije Kapel.--Palmloom--worm. XVII. HOOFTSTUK. Nieuwe wreedheden, nog onmenschelyker, dan alle de voorige,--Verschillende zoorten van planten.--Papegaaijen en Parkieten.--Surinaamsche Patrys.--Buitengewoone Insecten.--Geiten van Guiana.--De Taïbo.--Verscheidene zoorten van visschen.--Groote sterfte onder het krygsvolk, het welk zig op de posten aan de Tempaty-Kreek, en de Commewyne bevond. XVIII. HOOFTSTUK. Een Tyger, op de legerplaats gevangen.--De Jaguar.--De Couguar.--De Tyger-kat.--De Jaquarette.--Gevecht tusschen eenige afgezondene manschappen der Sociëteit en de muitelingen.--Levens-manier van eenen Surinaamschen Planter.--Verscheiden zoorten van visschen.--Besmettelyke ziekten.--Zelfsmoord. XIX. HOOFTSTUK. Optocht van het Krygsvolk naar Barbacoeba, aan de Rivier Cottica.--De Palmboom-kool en de Mauricy.--Heete koorts.--Trek van dankbaarheid in eenen Engelschen Matroos.--Verscheiden zoorten van Peper.--Citroen- en Limoen-boomen.--De Mammy-appel.--Pimpernooten.--Regeering in Surinamen.--Honden van Guiana.--Ongemeene trek van edelmoedigheid. ELFDE HOOFTSTUK. Het krygsvolk keert naar de Wana-Kreek te rug.--De Pipa.--Gevecht tusschen een Soldaat en een Slang.--De Fesant-vogel van Guiana.--De Agamie of Trompetter.--De muitelingen trekken de legerplaats voorby; men vervolgt hen te vergeefs.--Groot gebrek aan water.--Schranderheid der Negers.--De zyde-plant.--Kevers en insecten.--Bergwerken.--Fraaije Kapel.--Het krygsvolk koomt op den post van la Rochelle aan de Patamaca. Den 30sten November 1773, verliet al het krygsvolk den post van Jerusalem, en men keerde naar de Wana-Kreek te rug, maar zonder juist den weg te volgen, langs welken men gekomen was. De Colonel FOURGEOUD herriep intusschen de eerst gegevene bevelen, en stond ons toe hutten te maken, om onze hangmatten in dezelve te plaatsen. Wy hadden ons dus weinig op dit stuk te beklagen; met de levensmiddelen was het geheel anders gelegen. Wy vervolgden onzen tocht, geduurende drie agter één volgende dagen, met vry goed weder; maar alle morgen liet de Colonel my onbarmhartiglyk wekken door eene schildwacht, die last had my niet te verlaaten, eer dat ik hem antwoord had gegeven. Den 3den, kwamen wy op nieuw by de Wana-Kreek aan: ik vleide my, na eenen moeielyken tocht, met het doorbrengen van eenen gerusten nacht myne krachten aldaar te zullen herkrygen; maar ik wierd als naar gewoonte wakker gemaakt, en was in zulk een diepen slaap, dat men my by den arm moest schudden, om my te doen ontwaaken. De Colonel was in zijne hangmat gezeten, met een donderende stem zweerende, dat hy allen, die zyne beveelen niet gehoorzaamden, zou doen ophangen, of vierendeelen; en het bosch weêrgalmde eenigen tyd van zyn geschreeuw. Daar op volgde eene diepe stilte, die ik wel dra door een schaterenden lach afbrak: ik was de eenige niet; anderen voegden zig by my, en de Colonel begon weder te brullen, zonder de stem van iemand te kunnen onderscheiden. Hij wierd wonderbaarlyk geholpen door eene groote padde, die men hier Pipa noemt. Dit dier huisvestte in de hut van den Commandant, en kwaakte alle nachten op eene vervaarlyke manier. De Pipa of Pipal gelykt, zoo men zegt, gedeeltelyk naar de kikvorsch, gedeeltelyk naar de padden: hy is de grootste onder allen van dit laatste zoort, die men in Zuid-America, en misschien in de weereld vindt; hy is leelyk, met eene pokächtige huid van een donker bruine kleur bedekt, en met onregelmatige en zwarte vlekken geteekend; zijne agterpooten zyn plat, van een vlies voorzien, en de klauwen zyn langer, dan die van de voorpooten; uit dien hoofde kan hy te gelyk zwemmen en springen als een kikvorsch, een voordeel, waar door hy van andere padden verschilt. Hij is een weinig grooter, dan een gewoone eendvogel, wanneer die geplukt is. Zyn gekwaak, het welk hy doorgaans niet dan des nachts laat hooren, is ongemeen sterk. Maar het merkwaardigste in dit zoort van gedrocht is de manier, waar op hy voortteelt: de jongen zyn besloten in een zoort van zak vol water, die op den rug der moeder geplaatst is; aldaar word zy door het mannetjen vruchtbaar gemaakt, en aldaar begint ook het aanzyn van de vrucht, blyvende daar in tot het oogenblik, dat dezelve genoegzaam gevormd is, om 'er te kunnen uitkomen. [1] De padden zyn niet vergiftig, zoo als men doorgaans gelooft; men kan 'er zelfs huisdieren van maken. De heer ARSSCOTT heeft 'er jaaren lang een opgevoed; [2] de Colonel FOURGEOUD bewaarde de zyne in zyn hut, even als een huisdier, geduurende al den tyd, dat wy aan de Wana-Kreek gelegerd waaren; en ik zelf heb langen tyd een kikvorsch, als een huisdier gehouden. Maar laaten wy tot myne hangmat, en myn dagverhaal te rug keeren. Het gekwaak van deezen Pipal, dat van eene andere padde, die van het ondergaan tot het opkomen der zon, aanhoudend riep touck, touck, touck; het gebrul der tygers, dat der aapen, de schuiffeling der slangen, en een aanhoudende regen, maakten deezen nacht zoo onaangenaam, als somber: de opkomende dageraad echter deed my denzelven wel dra vergeeten, en ik bevond my zoo wel en zoo te vreden, als men in de bosschen van Guiana met mogelykheid zyn konde. Den 4den, des morgens, ontdekte ik twee fraaije Powesas, op de takken van eenen hoogen boom, die naby de legerplaats stond. Aan den Colonel verlof gevraagd hebbende, om 'er een te schieten, weigerde hy my zulks op eene ruwe wyze, onder voorwendzel, dat de vyand de schoot van myn snaphaan zoude kunnen hooren; als of dezelve niet wist waar wy waaren. Kort daar na echter, wanneer zig op den top van eenen anderen boom een groote slang vertoonde, gaf de Bevelhebber, het zy uit vreeze, het zy uit weerzin, last om op hem te schieten. Het dier, den schoot ontfangen hebbende, viel op den grond, schoon nog volkomen levendig zynde, en kroop dadelyk naar eene dikke doornhage by het magazyn. Ik had hier gelegenheid, om de ongemeene onverschrokkenheid van eenen soldaat op te merken, die de voetstappen van deezen slang zoetjens agter na volgde, en hem van onder de struiken weg trok, beweerende, door een zoort van bygeloovigheid, dat de beet hem geen kwaad konde veroorzaaken: wat daar ook van zy, de slang, die meer dan zes voeten lang was, verhief verscheiden malen den kop en het halve lyf, om hem aan te pakken, maar de soldaat deed hem door vuistslagen nederbukken, en eindelyk kloofde hy hem met zyn sabel in tweën; het welk een einde aan het gevecht maakte. Vreezende dat ik beschuldigd mogt worden, zoo aanstonds een nieuw woord gebruikt te hebben, het geen voor myne lezers waarschynlyk onverstaanbaar is, zal ik hun zeggen, dat de Powesas is de Fesant van Guiana: het is een zeer fraaije vogel, byna de grootte hebbende van een gewoone jonge kalkoen, waar mede hy door zyne pluimaadje, en door den smaak van zyn vleesch veel gelykheid heeft. Zyne vederen zyn van een schitterende zwarte kleur, uitgenomen onder den buik; zyne pooten zyn geel, zyn bek insgelyks, uitgenomen aan de punt, alwaar dezelve blaauw en boogsgewyze gekromd is. Hy heeft levendige en schitterende oogen, en draagt een kuif van gekrulde vederen van een glinsterend zwarte kleur, het geen hem eene onëindige fraaiheid geeft. Deeze vogel kan niet ver vliegen; men maakt hem gemakkelyk tam; men maakt 'er zelfs een huisdier van, en te Paramaribo verkoopt men ze dikwils voor meer dan een guinie het stuk. Ik zal deeze gelegenheid waarnemen tot het beschryven van eenen anderen vogel, die aan Guiana byzonder eigen is, en Agamie door de Franschen, en Camy-camy in Surinamen genoemd word. Hy is, even als de Fesant, ten naasten by van de grootte van een jonge kalkoen, maar hy verschilt van dezelve in gestalte en in pluimaadje. Zyn lyf, dat geen staart heeft, heeft de gedaante van een ey; zyne vederen zyn zwart, uitgenomen op den rug, alwaar hy grysächtig is, en onder de borst, alwaar zyne vederen, van eene blaauwe kleur, lang zyn en nederhangen, als van den Reiger; zyne oogen zyn schitterend, zyn bek is puntig, en van een zee-groene kleur, zoo als ook zyne pooten, die hoog zyn, en eindigen met een klauw, waar aan vier nagels zyn, drie van vooren, en één van agteren. Deeze vogel draagt in dit Land gewoonlyk den naam van de Trompetter, uit hoofde van een gezang, het welk hy dikwils doet hooren, en aan het geluid van dit speeltuig gelykvormig is. Ik kan met geene zekerheid bepaalen, van waar dit geluid koomt, maar zommige Schryvers beweeren, dat het van de vorming van zyn bek voortkoomt. Onder al het pluimgedierte, is de Trompetter het dier, het welk men gemakkelykst kan tam maken: hy is de vriend der menschen, volgt hen, liefkoost hen, en schynt hun dezelfde getrouwheid te bewyzen, als de hond: ik heb op verscheidene Plantagiën 'er veelen gezien, welken men, even als de Powesas, tot huisselyke diensten gebruikte, en met de kalkoenen en ander gevogelte te zamen liet eeten. [3] Den 6den, ontfing ik van Paramaribo zes kruiken rhum, waar van ik 'er vier aan den Colonel gaf. Om zes uuren des morgens, gaven twee van onze slaven, die Lacanus-boomen waaren gaan hakken, ons bericht, dat een hoop muitelingen op den afstand van omtrent een myl van de legerplaats was voorby getrokken; dat zy onder het bevel stonden van één hunner Capitains, genaamd ARICO, met wien onze beide Negers aan den oever van de Cermoetibo-Kreek gesproken hadden, maar dat zy niet konden zeggen, welken kant de vyand genomen had, zoodanig waren zy verschrikt. Na het bekomen van dit bericht kreegen wy bevel, om hen by het aanbreken van den dag te vervolgen. Des anderen daags was mitsdien al het volk ten vyf uuren gereed, en na een gedeelte van het zelve te hebben agtergelaten, om de krygs- en mond behoeften te bewaaren, rigtten wy onzen tocht naar de plaats, alwaar de muitelingen zig vertoond hadden. Wy zagen hier een grooten palmboom, die op het water dreef, en aan den anderen oever met koorden van heestergewassen was vast gemaakt; het geen duidelyk te kennen gaf, dat ARICO en zyn volk de Kreek waren overgekomen. Zie hier, hoe de Negers in zoodanig geval eene Rivier overgaan: zy plaatsen zig, de één agter den ander, op den dryvenden stam van den boom; zomtyds zelfs zetten zy hunne kinderen en vrouwen daar op; en de beste zwemmers vergezellen hun, en zyn hunne leidslieden. Schoon de bewyzen van den overtocht der muitelingen duidelyk waaren, trok de Colonel dezelve echter in twyffel, of liever hy beweerde, dat het van hunnen kant slechts eene krygslist was: zy hadden eenige manschappen, zeide hy, afgezonden, om den boom aan den oever vast te maken, en ons te bedriegen. Niemand was van dit gevoelen, maar alle redeneeringen der weereld werkten daar tegen niets uit. Wy namen dus een weg, die recht het tegengestelde was van den weg der muitelingen; namelyk wy trokken oostwaarts, daar men hen naar den westkant had moeten vervolgen, het geen de Jagers zekerlyk gedaan zouden hebben. In deeze eerste richting gingen wy voort tot de aannadering van den nacht, schoon men het brood vergeten had, en dat wy den geheelen dag geen enkelen drop water hadden kunnen hebben, want wy trokken door zwaar zand of Savanen. Na dat wy den weg een weinig rechts af genomen hadden, riep een Neger uit, dat wy aan de Wana-Kreek naderden. Ik hoorde dit met genoegen; en hem een kalabas en myn fles rhum gegeven hebbende, verzogt ik hem derwaarts te gaan, om de kalabas met een mengzel van rhum en water te vullen; maar hy maakte het te sterk, zig buiten twyffel verbeeldende, dat het daarom beter zyn zoude. Ik had zulk een zwaaren dorst, dat ik den drank in eens doorzwolg, zonder dien te proeven; dit werkte zeer gezwind, want op het zelfde oogenblik was ik naauwlyks in staat my overëind te houden. Den 9den, na eenen vrugteloozen tocht, kwamen wy weder in onze oude legerplaats te rug. De Neger SEPTEMBER, die ons volgde, gelyk een herders hond de kudde volgt, wierd aldaar door den Colonel in vryheid gesteld. In de daad hy was onvermoeid. Hy zelf doorwaadde de Kreek, om 'er den westelyken oever van te bespieden. Des anderen daags morgens, liet hy ons wederom onzen knapzak vullen, en geleidde ons langs den zelfden weg, beweerende, dat hy den vyand eindelyk agterhalen zoude. Vervolgens tot des avonds voortgetrokken zynde, bragten wy den nacht in eene oude legerplaats der muitelingen door, na den geheelen dag gebrek aan water gehad te hebben. Den volgenden dag, trokken wy steeds voorwaarts, maar wy vonden nog vyanden, nog water. De Officiers en soldaaten begonden te verzwakken, en men droeg 'er reeds eenigen in hunne hangmatten. Het was in de daad ondraaglyk heet; want wy waaren in het saisoen der droogte. In dit uiterste deeden wy een gat graven van zes voeten diep, op welks grond men een snaphaan afschoot; oogenblikkelyk kwam 'er een weinig water te voorschyn; maar zoo modderig, dat het tot geen gebruik dienen konde. Wy vervolgden onzen tocht, en sloegen ons neder op eene plaats, alwaar de muitelingen voor deezen eenige Plantagiën bebouwd hadden. Het viel hard, om geduurende den nacht de ongelukkige soldaaten over dorst te hooren klagen. De Colonel echter bleef, tot den derden dag, 'er by, om verder voort te trekken, in de hoop van eenige kreek of beek te ontmoeten, en den algemeenen dorst te lesschen. Maar hy wierd in zyne verwagting bedrogen; want den 12den, tot op den middag door de brandende zand-woestynen heen getrokken hebbende, bezweek hy zelf met veele anderen, die door een aanhoudenden en verteerenden dorst waaren ter neder geslagen. Het was nog een geluk voor ons, dat de muitelingen ons in deeze gesteldheid niet aantastten. Het was ons ondoenlyk geweest den minsten tegenstand te bieden: de grond was bezaait met elendigen, die door eene brandende koorts gefolterd wierden. De Colonel zelf was hopeloos; zyne tong verdroogde in zyn mond, en zyne lippen waaren geheel zwart; zulk een bitter lyden verduurde hy. In deezen staat konde ik, hoe weinig hy het ook verdienen mogt, myn mededogen niet weigeren. Intusschen aten eenige soldaaten by aanhoudenheid van hun gezouten varkens-vleesch; anderen trokken elkander vier aan vier voort, en zogten eenige droppelen daauw, op bladeren van boomen verspreid. Wat my betreft, ik ondervond tans, voor welken yver een Neger, die door zynen meester wel behandeld word, vatbaar is. In deeze algemeene behoefte, bood de myne my een kalebas vol water aan, zoo goed als ik het in myn leven gedronken heb. Het was niet dan met de grootste moeite, dat het hem gelukte dit water van de bladen van eenige wilde pynboomen te haalen: zie hier, hoe deeze bewerking geschied. Men houdt de plant in de eene hand, en in de andere een sabel of mes, waar mede men de plant beneden de bladen afsnydt. Vervolgens plaatst men onder de opening een kalebas of een glas, en het water loopt 'er zuiver, fris, en zomtyds in eene groote hoeveelheid in. De bladen van de plant, dit water in het regen-saisoen opvangende, brengen het door derzelver canaalen als in een vergaarbak. Zommige Negers vonden ook gelegenheid om door middel van water-willigen hunnen dorst te lesschen; maar dit was voor eene door dorst versmagte krygsbende niet voldoende. De water-willige is een zeer sterk heester-gewas, zynde een zoort van wynstok, en alleenlyk in zandige landstreeken groeiende: men snyd dezelve met den sabel in langwerpige stukken, en dadelyk neemt men 'er een in den mond. Deeze plant verschaft op die manier een frisschen, aangenaamen en gezonden drank, die in de brandende bosschen van Guiana van groote nuttigheid is. De Voorzienigheid my dit hulpmiddel gelukkiglyk hebbende toegezonden, konde ik myne eerste gemoeds-beweging niet wederstaan, en ik deelde 'er den Colonel van meede, wiens ouderdom en zwakheden ten zynen voordeele spraken. Hy wierd 'er door verkwikt, en vervolgens besloot hy, om langs zynen ouden weg te rug te keeren, zonder eenige hoop om den vyand te agterhaalen: het volk was zoo afgemat, dat men verscheiden soldaaten dragen moest. Als een laatste hulpmiddel, zond de Bevelhebber toen eenen Neger uit de Volkplanting de Berbices, genaamd GAUSARIE, af, om geduurende onzen te rug tocht moeite tot eenige ontdekking te doen. Den zelfden weg hernomen hebbende, kwamen wy op eenen korten afstand van de put, welke wy des avonds te vooren gegraven hadden. In de gedachten zynde, dat dezelve tans helder water in zig bevatten moest, zond ik mynen Neger QUACO derwaarts, om eene van myne flesschen te vullen, eer dit water troebel gemaakt wierd; en dit deed hy. Maar, toen hy daar mede naar my te rug kwam, ontmoette hy den Colonel, die met zyn snaphaan de fles in stukken sloeg, en aan twee mannen bevel gaf, om zig als schildwachten by de put te plaatsen, willende het water voor zig zelven, en voor zyne vrienden bewaren. Dewyl echter in zulk eene omstandigheden de onderwerping ophield, bukten de beide schildwachten in de put, met het hoofd naar beneden. Hun voorbeeld wierd oogenblikkelyk door verscheidene andere soldaaten gevolgd, en dit water veranderde wel dra in eene modderpoel, die tot niets meer dienstig was. Na dat wy onze hangmatten aan boomen hadden opgehangen, verdeelde men onder ons allen, zonder onderscheid, een weinig van zekeren sterken drank, genaamd kill-devel; maar ik dronk nimmer daar van, en liet myn aandeel voor mynen getrouwen QUACO. De Colonel dit vernomen hebbende, liet hem het glas uit de handen rukken, om het geen er in was, weder in de kruik te gieten, my toevoegende: "dat vermits ik van dien drank niet dronk, ik 'er niet van hebben moest." Ik was verontwaardigd over zyne ondankbaarheid; en den zelfden avond een volle fles van dit zoort van drank gevonden hebbende, gaf ik die aan mynen Neger. Omtrent middernacht ontdekten wy, by toeval water. Onuitspreeklyk verkwikkend was dit voor ons! het verdiende den voorrang boven den besten wyn: ik zal nooit vergeeten, met welk genoegen ik 'er van dronk. Ieder leschte zynen dorst naar wensch; en de Colonel liet toen een groot vuur aanleggen, om zyne avond-maaltyd gereed te maken; maar hy verbood, aan wien 't ook wezen mogt, dit insgelyks te doen. Hy stond zelfs niet toe om een stok te snyden, en men was dus genoodzaakt het gezouten ossen en varkensvleesch rauw te eeten. Myn aandeel aan een zoort van wandelstokjen geregen hebbende, kroop ik zachtkens naar het vuur van den Bevelhebber, om aldaar dit vleesch te braden; intusschen maakte de Neger, die hem tot kok diende, my zeer spoedig willende helpen, eenig gerucht, en deed hem ontwaaken; maar ik, om te beletten, dat hy my niet zag, pakte my weg, na myn stuk vleesch in zyne ketel geworpen te hebben. Na verloop van eenige minuuten, wende hy voor, dat men in weêrwil zyner beveelen hout gesneden had. Ik vernam dit, en vreezende dat hy eenig geweld mogt aanrechten, begaf ik my zachtkens naar zyne hangmat, en verzekerde hem, dat al het volk in diepen slaap was. Hy veinsde my niet te herkennen, en my by de hairen nemende, gaf hy een verschrikkelyken gil. Het gelukte my hem te ontsnappen, en my in veiligheid te stellen; echter riep hy uit: "schiet op hem! schiet op hem!" het welk onze geheele legerbende vermaakte. Mynen Neger gevonden hebbende, liet ik hem dadelyk myn eeten haalen; hy ging in alleryl derwaarts, en bragt my een stuk ossen-vleesch weêrom, het welk tien maalen grooter was, dan het geen ik gegeven had; ik bewaarde het, en had het genoegen, om 'er de ongelukkige slaven op te onthaalen: dus eindigde deeze elendige dag. Den 13den, kwamen wy weder aan de Wana-Kreek. Wy waren, door zoo veel nutteloos lyden, onuitspreekelyk vermoeit. Alhier onthaalde de Colonel zyne vrienden op myn rhum, en in myne tegenwoordigheid, maar zonder my een enkelen droppel 'er van aan te bieden. Ik vond op deeze zelfde plaats een brief, gedagteekend uit Ceylon, in de Oost-Indiën: deeze was aan my gezonden, door één myner naastbestaanden, den heer ARNOLDUS DE LY, Gouverneur van Punta de Galo en Matury, die my nodigde om by hem te komen, en my verzekerde, dat myn fortuin dan gemaakt zoude zyn. Myn kwaade planeet gedoogde dit niet; ik oordeelde my zelven onëer aan te doen, met in zoodanig tyds-gewricht den dienst te verlaten. De Neger GAUSARIE kwam den 14den te rug, en verklaarde niets gezien te hebben. Den 15den, werd eenig krygsvolk, bestaande uit twee Capitains, twee Lieutenants, en vyftig soldaaten, naar de Rivier Maroni afgezonden, om aldaar den Capitain FREDERIK op te zoeken, die, aan het hoofd van vyftig andere manschappen, den 20sten der laatst voorgaande maand vertrokken was, en van wien men niet meer had hooren spreken, het geen groote bekommering veröorzaakte. De wachtpost van Vrydenburg, aan de Maroni, bestaat in een vierkant stuk grond, bedekt met huizen van Latanus-boomen hout gebouwd, waar van de bosschen van Guiana overvloeijen, en met goed paalwerk omringd. 'Er is een wacht aan de buiten-kant, en aan de vier hoeken vier schilderhuizen voor de schildwagten. Deeze post, door verscheide stukken geschut verdedigd, is in het midden van een ledig plein gelegen aan de oevers der Rivier, alwaar men ook een vlag ziet. Dezelve heeft gemeenschap met de Fransche wachtpost aan de overzyde, en beide leggen op een korten afstand van den mond der Maroni. Om daar van een juister denkbeeld aan den lezer te geven, heb ik dezelve afgeteekend, gelyk mede die van de Wana-Kreek, welke, schoon aangenaam voor het gezicht, nier minder doodelyk was voor een groot aantal van ons volk. In de afteekening der Wana Kreek worden de drie legerplaatsen onderscheidentlyk vertoond. Aan beide zyden, ziet men die van den Colonel FOURGEOUD, en van wylen den Major RUGHCOP; in het midden, en lynrecht in 't gezicht van den mond deezer Kreek, is de legerplaats der Neger-Jagers. Den gemelden 15den, liet men vaartuigen vertrekken, om de zieken weg te brengen, en krygsbehoeften aan te voeren. De geheele legerbende wierd toen door eene zwaare ziekte, een roode loop, aangetast, die een groot getal menschen in 't graf sleepte. Al wat wy doen konden, bestond daar in, dat wy, op hoop van goeden uitslag, braak- en andere geneesmiddelen aan de zieken toedienden: wy hadden geene Chirurgyns; zy waaren allen in de hospitaalen aan de Commewyne of op Paramaribo bezet. De arme slaaven vooral verwekten deernis. Zy waaren, zoo als ik gezegd heb, op eene halve portie eeten gezet, en zedert omtrent twee maanden, leefden zy van kool van palmboomen, graanen, en wilde wortelen: hier aan moet men de besmetting toeschryven, die de legerbende verwoestte. Deeze ongelukkige Negers waren zoo uitgehongerd, dat zy koorden of banden van heestergewassen om hunne lendenen bonden, volgens de gewoonte der Indianen, die zig op deeze wyze den buik toebinden, wanneer hen de honger kwelt, en welke vermeenen of zig inbeelden, dat het lyden door de drukking minder word. Ik ontsnapte echter, met eenige anderen, aan de besmetting; maar ik was buiten staat om te gaan, uit hoofde van eene zwaare zwelling aan één myner voeten, een ongemak, het geen men hier consaca noemt, en zeer gelykvormig is aan het geen wy in Europa onder den naam van bevriezing kennen, en het welk eene groote jeukte veröorzaakt, vooral tusschen de vingers, waar uit water zypert. De Negers zyn aan dit ongemak zeer onderworpen; zy geneezen het zelve, door een citroen- of limoen-schil, zoo heet, als zy die veelen kunnen, op de huid te leggen. Ik heb dikwils reden gehad, om van onze mondbehoeften te spreken, welke bestonden in gezouten ossen- en varkens-vleesch, en in bischuit, waar van men ons alle vyf of zes dagen onze portie toedeelde. De twee eersten hadden, na hun vertrek uit Ierland, misschien reeds de weereld rond gereisd. Zy waren toen zoo groen, zoo slymerig, zoo stinkend, en zomtyds zoo vol wormen, dat ik ze op andere tyden niet in myn maag zoude hebben kunnen verdragen. Ik gaa tans over tot ons reistuig. Deszelfs beschryving zal my niet veel tyd kosten; want het bestond, voor elken Officier, slechts in een koffer, of vierkante kist, waar in hy zyn linnen, zyn verschen voorraad, en zyn sterken drank, wanneer hy die had, wegsloot. Deeze kisten dienden ons tevens tot stoelen en tafels in het veld: op de tochten, droegen de Negers dezelve op hun hoofd. Ik moet bovendien aanmerken, dat wy na zes uuren des avonds nooit vuur hadden; wy kenden dan alleenlyk het maanlicht, het welk voor ons eene zeer treurige vertooning maakte. Ik had noch bord, noch schotel, noch lepel, noch vork: de kalebas van eenen Neger vervulde my de plaats van de twee eerstgemelde. Zelden had ik een vork van nooden, en nog minder een lepel. In plaats van dezelve, bediende ik my van een breed omgebogen blad, zoo als de Slaven doen. Elk droeg een mes in zyn zak. Ik trachte eindelyk my een lamp te maken van een gebroken fles; ik deed daar in een weinig varkens-vet in plaats van oly, en ik scheurde een stuk van myn hembd, om 'er een lemmet van te maken. De nood, zegt men, maakt vernuftig, en in zulk een staat als de onze valt men niet kiesch. In de daad, indien ik op dit oogenblik gehad had, het geen ik in voorige tyden wegsmeet, zoude ik God gedankt hebben. Van vernuft sprekende, moet ik niet vergeten het fraay mandwerk, het welk de Negers in groote meenigte in het veld maakten. Ik maakte dit zelf ook, volgens hunne onderrigtingen, en ik zond 'er een aantal van ten geschenke aan myne vrienden op Paramaribo. Het word gemaakt van een zoort van houtachtig en sterk koord, het welk men in den bast van den kool-boom vindt. Die men tot het quadrille-spel maakt, zyn zeer fraay. Andere zyn geschikt om 'er vrugten en groenten in te bewaaren; men vlegt dezelve met een zoort van biezen, warimbo genaamt, welke men splyt, en 'er de merg uit haalt. Men maakt ze ook vry goed, met dunne koorden van heestergewas. De Negers maken ook fraaye netten van een zoort van zyde plant. Het is een zoort van Aloë, die in de bosschen groeit. De bladen 'er van zyn getand, stekelachtig, en bevatten, over derzelver geheele lengte, kleine witte vezelen, welke men even als de hennip slaat, en laat rotten. Deeze vezelen dienden ons om touw te maken, veel sterker dan eenig touw in Europa. Het zoude zeer geschikt zyn voor de schepen, maar het is aan eene zeer schielyke verrotting onderhevig. Dit zoort van hennip gelykt zoo sterk naar de witte zyde, dat de invoer daar van in verscheiden Landen verboden is, uit vreeze dat men 'er by verkoop bedrog mede plegen zoude. De Indianen noemen deeze plant curetta, en in Surinamen noemt men ze doorgaans Indiaansche zeep; zy schynt dezelfde te zyn, als de zeepboom, om dat ze eene zachte zelfstandigheid voortbrengt, welke even als de gewoone zeep tot wassching dient, en door de Negers en verscheiden inwooners tot dit einde gebruikt word. Men vind ook in de bosschen een andere zoort van plant van dezelfde gedaante als deeze, welke de Negers baboun knify (apen mes) noemen, en die het vleesch tot op het been doorklieft. Ik heb 'er zelf de proef van genomen, maar zonder nadeelig gevolg. In het tydstip, waar van ik tans spreek, hadden alle de soldaaten gebrek aan koussen, schoenen en hoeden. De Colonel, om een voorbeeld van lydzaamheid te geven, en morringen voor te komen, liep een geheelen dag blootsvoets voor het volk uit. Ik had hier in een voorrecht boven alle anderen. Myne gewoonte, om zonder koussen of schoenen te gaan, had my de huid verhard. 'Er was toen onder ons volk geen enkele, die een lid aan zyn lichaam had, dat volmaakt gezond was: het gebrek van zindelykheid was 'er voornamelyk oorzaak van; zulks verwekte zeer dikwils zweeren, welke aan hun, wien men in tyds de afzetting niet doen konde, den dood veroorzaakten. Deeze waaren de kwaalen, waar mede wy te worstelen hadden, maar hoe groot die ook waren, zy waren slechts de voorloopers van de geene, die ons nog te wagten stonden. Ik ontfing toen een beste ham en een douzyn flessen Porto-wyn, welke de Capitain VAN COEVERDEN my zond. Ik hield 'er vier van, welke ik met de andere Officiers uitdronk, en gaf de overige aan den Colonel, die door vermoeing uitgeput was. Des anderen daags, den 29sten, had ik de eer het bevel te ontfangen over eene wacht, benevens den Capitain BORGNES, en veertig mannen, om pogingen te doen tot het vangen der Negers, welke drie weken te vooren de Kreek waren overgetrokken. Na de Rivier in een vaartuig afgezakt te zyn, en in het zelve vaartuig den nacht te hebben doorgebragt, stapten wy des anderen daags morgens aan land, en trokken noordwest-waarts voort; maar geen kompas hebbende, verdwaalden wy wel dra van onzen weg. Eene groote Savane doorgetrokken zynde, hingen wy onze hangmatten aan den kant van een dik en eenzaam bosch op. Den 31sten, vervolgden wy den zelfden weg, in de hoop van aan de boomen de kenbaare teekens van den doortocht van eenigen van ons krygsvolk te zullen ontdekken. In een moeras gegaan zynde, waadden wy daar in tot op den middag, hebbende zomtyds het water tot aan de kin, en zynde in gevaar van te verdrinken: eindelyk geheel doorweekt, en onze kleederen aan flarden zynde, waren wy genoodzaakt langs onzen ouden weg te rug te keeren. Na een gedwongen marsch, hielden wy op nieuw halte aan de oevers van de Cormoetibo-Kreek. 'Er viel zulk een zwaare regen, dat ik my niet herïnnere immer een zwaarer gezien te hebben: dezelve duurde den geheelen nacht, en veröorzaakte zoo veel verwarring en wanörde door de overyling, waar mede zig elk van eene schuilplaats voorzag, dat ik eene kneuzing aan het hoofd kreeg. Ik ging niettemin voort, met my spoedig eene verblyfplaats te bezorgen, en ik was de eerste in myne hangmat, waar boven ik een overdek van bladeren maakte; omtrent onder dezelve, leide ik een goed vuur aan, en viel in diepen slaap te midden van den rook, die my voor het steeken der muggen bewaarde. Van insecten sprekende, moet ik niet vergeten, dat deezen avond een Neger, die droog hout was gaan zoeken, my tot myne groote verwondering, een Kever aanbood, die niet minder dan drie of vier duimen lang, en meer dan twee duimen breed was. Men noemt hem in Surinamen den Rinoceros, uit hoofde van zyn Olyfants snuit, die omgebogen en gespleeten is, en de dikte heeft van een groote ganzen veder. Dit dier heeft op den kop verscheide harde en gladde verhevenheden; hy heeft zes ledematen; zyne vleugels zyn breed, en zyn geheele lyf is volmaakt zwart: hy is de grootste van alle de Amerikaansche Kevers. 'Er is ook in Guiana een ander insect van dit zoort, genaamd het vliegend Hart, uit hoofde van zyne hoorns, die naar de hoornen van een hart gelyken: beiden vliegen met een ongemeen gebrom, en zyn zoo sterk, dat weinige vogelen hen durven aanpakken. Een der grootste ongemakken, die wy in het bosch ondervonden, wierd veroorzaakt door een vlieg, zoo groot als een bye, en wier steek byna even geducht is. Ik kan dezelve niet beter vergelyken, dan by het diertjen, dat wy in Engeland de Vlieg-Spinnekop noemen. Na zes of zeven uuren lang, in weerwil van den regen, de rook, de muggen, en myne bekomene kneusing, vast geslapen te hebben, ontwaakte ik zeer verfrischt ten vyf uuren des morgens, en ten zes uuren traden wy het jaar 1774 in, vaarende langs den oever der Cormoetibo-Kreek tot op den middag, wanneer wy in de algemeene legerplaats aankwamen, aan den mond van de Wana-Kreek, na een zeer nutteloozen tocht, als naar gewoonte. Den 3den, zagen wy, tot ons groot genoegen, den Capitain FREDERIK wederom, met zyne krygsbende, die eenen Neger, CUPIDO genaamd, gevangen met zig bragt. De Capitain verhaalde ons, dat een arme soldaat van 's Compagnies krygsvolk, ter dood veroordeeld zynde, vergiffenis van hem ontfing, op het oogenblik, dat hy op de kniën lag om doodgeschoten te worden, en dat de ontsteltenis, die hem zulks veroorzaakte, hem het verstand deed verliezen. De Colonel FOURGEOUD, toen besloten hebbende deezen veldtocht te eindigen, zond eene krygsbende van zestig mannen vooraf, om naar de Patamaca-Kreek op kondschap uit te gaan. Ik waschte nu myn hembd in de Wana-Kreek: dit was het laatste dat ik had, en ik was verpligt my te baden, tot dat het droog was. Ik had naar Paramaribo om ander linnen geschreven; maar myn brief kwam niet te recht, en alles, wat ik had medegebragt, was aan flarden. Den 4den January, des morgens ten tien uuren, waaren wy gereed om op te breken. De zieken in vaartuigen naar Devil's Harwar gezonden hebbende, staken wy eindelyk de Cormoetibo-Kreek over, en wy trokken regelrecht zuidwaarts aan, om de Patamaca te bereiken. Op onzen tocht trokken wy voor by steile bergen, met steenen bedekt, en met myn stoffelyke zelfstandigheden bezwangerd. De ligging deezer bergen, die niet meer dan twintig mylen van den Oceaan gelegen zyn, wederspreekt de waarneemingen van Dr. BANCROFT, die beweert, dat men dezelve in dit Land niet ziet, dan op den afstand van meer dan vyftig mylen van de Zee. Des avonds sloegen wy ons neder aan den voet van eenen anderen zeer hoogen berg, alwaar wy een kleine beek van goed water en Latanus boomen vonden, het geen voor ons twee gewichtige punten uitmaakte. Het was in de daad merkwaardig, en zelfs zeer fraay, een soort van stad van boomloof te zien, die zig in een uur verhief op een grond, alwaar te vooren niets was. Een oogenblik daar na waaren de vuuren aangestoken: de een kookte 'er zyn eeten op, de ander droogde 'er zyne kleederen by. Deezen nacht echter wierd het geheele leger aangetast door een loop, veroorzaakt door het water, het welk wy hier dronken. Dit water, schoon zeer helder, bevatte zoo veele myn-stoffelyke zelfstandigheden, dat het den smaak van Bath- of Spa-water had. Deeze omstandigheid alleen is genoeg ter aanwyzing, dat men in deeze bergen metaalen vinden zoude, indien de Hollanders de noodige kosten doen wilden, om 'er in te delven. Den 5den, vervolgden wy onzen tocht steeds over de bergen, waar van zommigen zoo steil waren, dat verscheide Slaven met hunne pakken niet kunnende opklauteren, dezelve tegen den grond wierpen en wegliepen, niet naar den vyand, maar naar hunne meesters, die hun dit ligtelyk vergaven: anderen rolden met pak en zak van boven neder. Des avonds van dien zelfden dag, vonden wy onze huisvesting gereed, en wy besloegen de hutten, die men had laten staan, na BONNY en zyn volk op de vlucht gedreven te hebben. In de myne vond ik nog een zoort van kaars, die vry aartig gemaakt was van wasch van wilde byën, en het gedroogd merg van biezen. De wooning van BONNY had zeer veel gemak; zy was met paalwerk omringd, en bestond uit vier zeer nette vertrekken. De Colonel nam aldaar zyn intrek. Den 6den, scheen al het volk uittermaten vermoeit te zyn. De Colonel gelastte dienvolgende een dag halte te houden; alleenlyk zond hy den Capitain FREDERIK, wien het Land 't best bekend was, met zes mannen af, om de oevers van de Claas-Kreek op te zoeken, zynde een zoort van vlietend water, het geen zynen oorsprong neemt op de plaats, alwaar wy ons bevonden, en in de Cottica uitloopt. Naauwlyks waren zy vertrokken, of de oogen van den Colonel by toeval op my gevallen zynde, gelastte hy my om hen alleen te volgen, en hem bericht te komen brengen, van het geen ik aan de overzyde van den oever ontdekken mogt. Ik haalde weldra de afgezondene manschappen in, en na eenige oogenblikken te zyn voortgetrokken, slonden wy tot onder de armen toe in 't water. FREDERIK gaf toen bevel om te rug te trekken, maar ik verzogt hem, om naar my te wagten; waarna ik, mijne kleederen uitgetrokken, en myn sabel tusschen de tanden genomen hebbende, de Kreek al zwemmende overstak; aan de overzijde gekomen zynde, ging ik daar een wyl langs; niets vindende, kwam ik te rug op dezelfde manier, en wy kwamen wederom op de legerplaats. Op den middag, deed ik bericht aan den Colonel, die my voorkwam over deeze hoopelooze daad, welke hy niet verwagt had, verwonderd te zyn. En ik was het niet minder, wanneer hy my by de hand vatte, en aan zynen kamerdienaar gelastte, om my een fles wyn en een stuk ham te brengen. Men zal het misschien naauwlyks kunnen gelooven; maar het een was zuur, en het ander bedorven: het geschenk egter van gelyken aart, het welk ik hem gegeven had, was gezond en gaaf. Zulk eene laagheid veröntwaardigde my dermaten, dat ik boos opstond, en hem verliet, hem, zyn knecht, zyn wyn, zyn vleesch, en stinkende wormen. Ik stilde mynen honger met een stuk bischuit en drooge visch, die ik van een Neger kogt. Den 7den January, trokken wy weder voort. Den zelfden dag vong ik één van die fraaije kapellen, waar van ik, by het verhaal van mynen tocht naar de Cottica, gesproken heb. Ik zal tans voortgaan met hem te beschryven, schoon ik zyn naam niet weet. Van het eene einde zyner vlerken tot aan het andere, was hy by de zeven duimen breed; alle waaren zy van eene zoo levendige en schitterende blaauwe kleur, dat dezelve gelyk stond met het hemelsblaauw op eenen schoonen dag; deeze vlerken pronkten met een rand van eene bruine kleur met witte vlakken. Ik kan niet nalaaten hier te herhaalen, dat deeze kapel, op het groene loof der boomen huppelende, door zijne schitterende kleur en grootte eene treffende uitwerking deed. Zoo ik my niet bedrieg, behoort hy tot het zoort der Danaï van LINNAEUS. Ik heb zyn popjen niet gezien; maar zyne rups, die van eene geelachtig gryze kleur is, is zoo dik als de vinger van een mensch, en meer dan vier duimen lang. Het is onbegrypelyk, van hoe veele verschillende zoorten van kapellen de bosschen van Guiana overvloeijen. Zommige lieden, die 'er een kostwinning van maken, met dezelve te vangen, winnen 'er veel geld mede. Na ze in kleine papiere doosjes met spelden te hebben vast gemaakt, zend men ze naar verscheidene kabinetten van Europa. Doctor BANCROFT zegt, dat om ze gaaf te houden, men ze met terpentyn moet aanraken; maar het is genoeg, dat men in de doos, waar in deeze insecten leggen, een stuk campher vast maakt. Deezen avond lagen wy op eenen kleinen afstand van de Patamaca-Kreek gelegerd. Wy vonden aldaar eene arme Negerin, die bitterlyk schreide, en als eene offerhande, aan den voet van eenen boom, waar onder het lyk van haaren man begraven was, eenige eetwaaren nederleide, en water plengde. Deeze man had in eenen slag tegen de Europeanen het leven verloren. De Capitain FREDERIK en ik, in eene zandwoestyn, in den omtrek der legerplaats, wandelende, ontdekten hier de pas gezette voetstappen van eene groote tygerin, met haar jong, in welk oogenblik dit dier zeer verslindend is. Wy begrepen dus, dat het voorzichtig was te rug te keeren. Ik nam de maat van den voet der moeder: dezelve was byna zoo groot als een gewoone tinne schotel. Na een tocht van eenige uuren, kwamen wy des anderen daags morgens eindelyk op den post van la Rochelle, aan de Patamaca. Wy waren mager, uitgehongerd, zwart geworden, verbrand, ongekleed, de meesten zonder schoenen en hoeden, en in een staat, zoo als men nimmer iets dergelyks gezien heeft. Ik had zelf niet meer dan de helft van myn lange broek, en myn eenigste hembd hing gescheurd aan malkander. Wy vonden op deezen post eene kleine bende van elendelingen, gereed om het bosch, het welk wy verlieten, in te gaan, en die bestemd waren, om, even als wy, alle de elenden, die menschelyke schepfels verduuren kunnen, door te staan. Ik heb reeds van verscheidene ziekten gesproken, als van verschillende zoorten van rooden uitslag, van, rotkoortsen, van galkoortsen, van verharde gezwellen, van rooden loop, waar aan men in deeze luchtstreek is bloot gesteld. Ik heb gezegd, hoe zeer men aldaar geplaagd word door muggen, pattat en scrapat-luizen, mieren, wilde byen, heestergewassen en doornen in de bosschen; hoe zeer men aldaar te vreezen had voor de kaymans en de pery in de Rivieren; hoedanig het gesuiffel der slangen, het gebrul der tygers was; welke zandwoestynen, welke diepe moerassen wy doortrokken; welke heete dagen, welke vochtige en koude nachten, welke vreesselyke slagregens wy doorstonden; welk slecht en slap voedzel men ons gaf; en de lezer staat buiten twyffel verstomd, dat iemand zulke wreede beproevingen heeft kunnen, overleven. Hoe lang die lyst ook zy, verklaar ik egter, dat ik, uit vreeze van langwylig te worden, een gebrek, waar aan ik misschien reeds schuldig ben, veele andere onheilen, die ons drukten, heb overgeslagen. Ik zoude nog hebben kunnen spreken van een onëindig getal kleine slangen, hagedissen, scorpioenen, sprinkhaanen, spinnekoppen, wormen, duizendpooten, en zelfs vliegende luizen, waar van de reiziger gevaar loopt om elk oogenblik van één gereten of gestoken te worden; maar ik bewaar die beschryving tot eene andere gelegenheid. Men zal zig een denkbeeld kunnen vormen van, den honger, die ons by onze komst alhier verslond, wanneer ik verhaald zal hebben, dat ik eene Negerin gezien hebbende, die van zekere groove spys haare maaltyd hield, haar een halve kroon toewierp, de schotel uit haar hand rukte, en het geen 'er op was met meer smaak opslokte, dan ik immer de lekkerste spys bereiding genuttigd heb. Ik deed tans den Colonel FOURGEOUD opmerken, hoe aangenaam het zyn zoude, wanneer hy zyne overig zynde soldaten op groenten, versch ossen- en schapen-vleesch onthaalde, zoo wel als dat hy hun van koussen, schoenen en hoeden voorzag; maar hy antwoordde my, dat de lekkernyen van Capua het leger van HANNIBAL bedorven hadden; hy scheen my toe in het begrip te staan, dat zy, die als hoopeloozen vechten, menschen zyn, die 't leven moede zyn. Den 11den, kwam het krygsvolk aan, het welk de Wana-Kreek een dag voor ons verlaten had; en, als naar gewoonte, hadden zy niemand gevangen genomen, noch zelfs gezien. Den 12den, kwam één der muitelingen met zyn wyf, aan den post van la Rochelle, en zy gaven zig aan den Bevelhebber vrywillig over. Den zelfden dag kreeg ik verlof, om, wanneer ik het verkoos, naar Paramaribo te gaan, om my te herstellen. Ik was over dit verlof verblyd, en maakte my met eenige andere Officiers gereed om te vertrekken. Wy lieten den Colonel agter ons aan het hoofd van eene krygsbende, waar van de beste uit den hoop een Pagters kar in Engeland ontcierd zoude hebben. Eindelyk kwam het verlangde uur, en ik was de vyfde, die in een overdekt vaartuig trad, het welk door zes roeiers wierd voortgeroeit, om my naar de hoofdstad der Volkplanting te begeven. Ik was steeds welvarende, wel gemoed en vol vreugde. Ik vond op Devil's Harwar eene kleine bezending van thee, koffy, beschuit, boter, suiker, limoenen, rhum, en twintig flessen goeden wyn, die myne vrienden van Paramaribo my naar den post van la Rochelle toezonden. Ik zond dezelve niet te rug, en in weerwil der onwaardige behandelingen van den Colonel, maakte ik 'er hem een geschenk van, uitgenomen echter twaalf flessen, die wy, op de gezondheid onzer vrouwen of minnaressen, in het vaartuig uitdronken. Ik konde my niet wederhouden den Bevelhebber te beklagen, wiens ouderdom (hy was een man van by de zestig jaaren,) en werkzaamheid, in allen gevalle zeer veel achting verdienden. Schoon hy op deezen, tocht zeer weinige muitelingen had gevangen genomen, had hy echter het bosch van de Commewyne tot den mond der Wana-Kreek gezuiverd; hy had de vyanden uit één gedreven, hunne wooningen vernield, hunne velden verwoest, en alle hereeniging van de verschillende partyen der muitelingen belet. Wy kwamen den 13den des avonds op de Plantagie myn Genoegen, alwaar wy de avond maaltyd hielden. Van daar zetteden wy onze reize dag en nacht voort, onzen tyd met zingen en lachen doorbrengende, tot den 15den op den middag, wanneer wy, onder begunstiging van het vallend water, aan het Fort Amsterdam aankwamen. Vervolgens de Rivier oversteekende, stapten wy aan land voor het huis van den heer DELAMARE, te Paramaribo. Ik bleef in 't eerst aan den oever staan, alwaar een groot getal myner vrienden my omärmden, en my met myne te rug komst in de stad geluk wenschten. Myne eerste zorge was, om myne geliefde JOANNA te laten haalen, die, toen ze my zag, in traanen weg smolt: dit was zoo wel uit vreugde dat ik nog leefde, (men had gezegd, dat ik dood was,) als uit aandoening over den deerniswaardigen staat, waar in ik my bevond. Dus eindigde myne tweede veldtocht, waar van het verhaal dit Hooftstuk besluiten zal. TWAALFDE HOOFTSTUK. Beschryving van Paramaribo, en van het Fort Zelandia.--De Grow-Mouneck, of graauwe Munnik.--De West-Indische Abricoos-boom.--Verschillende zoorten van Oranje-boomen.--De Colonel FOURGEOUD trekt naar de Rivier Maroni.--Een Capitain word gewond, en eenige soldaaten gedood.--Vreemde straf-oeffening in de hoofdstad.--Het Fort Sommelsdyk.--De wachtpost van de Hoop. Duiven en Tortelduiven.--Groenten en vruchten.--Jacht en wildt.--Steenbakkery.--Insecten. My thans andermaal te Paramaribo bevindende, zal ik, ter dezer gelegenheid, de beschryving deezer aangenaame Stad mededeelen. Ik heb reeds gezegd, dat zy aan de fraaije Rivier Surinamen, zestien of agtien mylen van derzelver mond, gelegen is. Zy is gebouwd op een zoort van steenachtigen zandgrond, met de landen rondsomme waterpas liggende, en maakt een langwerpig vierkant van anderhalve myl lang, en ten hoogsten een halve myl breed. Alle de straaten zyn volmaakt afgemeeten, en beplant met oranjeboomen, palmboomen, tamarinde en limoenboomen, die in alle Jaargetyden bloeien, en zig onder het gewicht van geheele trossen der geurigste en uitgelezendste vruchten krommen. Men heeft hier noch gehouwen, noch gebakken steenen voor de straaten noodig; de steenachtige zandgrond is voldoende; dezelve is niet minder, dan die der fraaiste tuinen in Europa, en men maakt denzelven nog aangenaamer, door dien met zeeschelpen te bestrooijen. De huizen, die meerendeels twee, en zomtyds vier verdiepingen hebben, zyn, eenigen uitgezonderd, van zeer fraay hout gebouwd. De grondvesten der gebouwen zyn byna allen van gebakken steen; en kleine gekloofde planken bedekken de daken in plaats van pannen. Men ziet zeer zeldzaam glaaze raamen in dit Land; het glas verwekt 'er te veel warmte, en men gebruikt in plaats van dien, raamen van gaas. Eenige huizen hebben windluiken of blinden, die men van zes uuren des morgens tot zes uuren des avonds open houdt. Wat schoorsteenen betreft, ik heb 'er geen enkele in de geheele Volkplanting gezien; men legt geen vuur aan, dan in de keuken, die altoos van het woonhuis afgelegen is; men legt het daar aan op den grond, en de rook vliegt door een gat, in het midden van het dak gemaakt. Deeze houte huizen zyn echter in Surinamen zeer duur; het huis, het welk de Gouverneur onlangs had laten bouwen, kostte hem meer dan vyftien duizend ponden sterling. In de geheele Stad Paramaribo is geen bronwater: elk huis heeft een put, in den rotsachtigen grond gegraven, die brak water geeft, alleenlyk dienende voor Negers, het vee, enz. Europeaanen hebben regenbakken, waar in zy het regenwater tot hun gebruik bewaren: het beste zygt door een steen, en valt in groote tonnen, of aarde vaten, door de Indianen gemaakt, die dezelve tegen koopwaren verruilen. De inwooners van dit Land slapen allen in hangmatten, uitgenomen de Negers, die meestal op den grond slapen. De hangmatten van lieden van aanzien, zyn van catoene lynwaat, met zeer ryke franjen omzet. De Indianen maken die ook, en verkoopen ze zomtyds tot voor dertig guinies. Men heeft geene dekens noodig: men behoeft alleenlyk gordynen, om zig tegen de muggen te beveiligen. Zommige lieden hebben bedden, met gaaze gordynen omringd, welke de lucht vryelyk laaten doorspelen, en tegen het kleinste insect veilig stellen. De huizen zyn in 't algemeen te Paramaribo luisterryk verciert met schilderyen, glaswerk, verguldzels, kristalle kroonen en porceleine potten; de muuren der kamers zyn nooit bepleisterd, noch met papieren behangzels overdekt, maar overheerlyk beschoten met kostbaar hout. Men berekent het getal der huizen te Paramaribo op veertien honderd. Het voornaamste is het Paleis van den Gouverneur, het welk, langs een weg in den tuin, met het Fort Zelandia gemeenschap heeft. Dit Paleis, en het huis van den Bevelhebber van het Fort, waaren de eenige steene gebouwen in de geheele Volkplanting. Het Stadhuis is een cierlyk en nieuw gebouw, met pannen belegt. Aldaar houden de verschillende Hoven van Justitie hunne zitting, en daar boven zyn de gevangenissen, voor Europeesche misdadigers geschikt, uitgenomen voor krygslieden, welken men in het Fort Zelandia gevangen zet. De Protestantsche Kerk, alwaar men den dienst in het Hollandsch en Fransch doet, heeft een kleine spitse tooren met een uurwerk; de Lutherschen hebben ook hunne Kerk; en de Joden bezitten twee Synagogen, eene Portugeesche en eene Hoogduitsche. 'Er is in de Stad een groot Hospitaal voor de bezetting, en ongelukkig is het nooit ledig. In de Vesting bewaart men de oorlogs- en mondbehoeften; de soldaten van 's Compagnies krygsvolk zyn aldaar in barakken gehuisvest, en eenige Officiers hebben 'er vry goede wooningen. De Stad Paramaribo heeft eene voortreffelyke reede, alwaar dikwils, op den afstand van een pistoolschoot van den oever, meer dan honderd koopvaardyschepen geankerd liggen. Zelden zyn 'er minder dan tachtig, geladen met koffy, suiker, cacao, catoen en indigo voor Holland; verscheide andere hebben slaven van de kust van Africa aangebragt; en zommige eindelyk zyn uit het noorden van America, of van de Antillische Eilanden gekomen, om meel, ossen- en varkens-vleesch, sterke dranken, gezouten haring en makreel, spermaceti-kaarssen, paarden en grof huisraad tegen verschillende koopwaaren te verruilen, vooral tegen syroop van suiker (melasse), waar van de Americanen rhum maken. De stad Paramaribo heeft geene vestingwerken; zy paalt ten zuid-oosten aan de Rivier Surinamen, die meer dan een myl breed is; ten westen aan eene groote zand-woestyn; ten noord-westen aan een ondoordringbaar bosch; en het Fort Zelandia verdedigt dezelve ten oosten. Het Fort is van de Stad alleenlyk afgescheiden door eene groote vlakte, alwaar het krygsvolk de parade doet. Het heeft de gedaante van eene regelmatige vyfhoek, en heeft maar ééne poort, die aan den kant van de Stad gelegen is: twee van deszelfs bolwerken dekken de Rivier. Het is zeer klein, maar sterk tot verdediging, zynde gebouwd van gehouwen of rots-steen, en omringd door eene breede gracht, die vol water is, en voor welke nog eenige vestingwerken leggen. Ten oosten, en aan de Rivier, is eene battery van twintig stukken geschut. Op één der bolwerken is een klok, waar op de wachthebbende soldaat met een hamer het uur slaat, het welk hem door een zandlooper word aangewezen: op een ander bolwerk, steekt men een vlag op, by het naderen van een oorlogschip, of by openbaare vreugdebedryven. De muuren zyn zes voeten dik, en hebben openingen voor het geschut, maar geene borstweeringen. Ik heb van den tyd, dat dit Fort gebouwd is, reeds gesproken. Paramaribo is eene zeer volkryke stad. Men ziet op byna alle haare straaten eene meenigte van Planters, Matroosen, Soldaten, Joden, Indianen en Negers. De Rivier is aanhoudend bedekt met kano's en vaartuigen, die heen en weder vaaren, even als onze schepen op de Theems, en dikwils eene meenigte Musikanten met zig voeren. De schepen op de reede, met hunne wimpels verciert, verfraaijen het toneel, het welk nog gevoeliger word door de meenigte van jongelingen en jonge meisjes, die in het water speelen. De vrolykheid en verscheidenheid van deeze voorwerpen weegt eenigermaten tegen de ongemakken der luchtstreek op. De kleederen en rytuigen der voornaamste inwoonders zyn waarlyk prachtig: de geborduurde zyde stoffen, de Genueesche fluweelen, de goude en zilvere boordzels, de diämanten schitteren dagelyks; en zelfs de schippers der koopvaardyschepen komen met gespen en knoopen van massief goud voor den dag. De tafels zyn niet minder kostbaar; men discht op dezelve de duurste en uitgezogtste spyzen op in platte schotels, of porceleine vaten, in den eersten smaak, en allerfynst gewerkt. Maar niets duidt meer de pracht der Surinaamsche Colonisten aan, dan het getal der Slaven, welke men aldaar in dienst houd, en die, in zommige huizen, een getal van twintig of dertig bedragen. Zelden ontmoet men in deeze Volkplanting blanke dienstboden. Men vind, te Paramaribo, in overvloed, geslacht vleesch, gevogelte van allerlei zoort, wildt en visch. De groenten zyn 'er ook zeer overvloedig. Behalven de lekkerste voortbrengzels, die aan deeze luchtstreek eigen zyn, voert men aldaar aan het beste, dat Europa, Asia, en Africa opleveren. De eetwaaren echter zyn 'er over 't algemeen zeer duur, vooral die uit vreemde Landen komen, en door de Joden of Schippers verkogt worden. De eersten genieten in deeze Volkplanting byzondere voorrechten; de laatsten rigten voor een korten stond magazynen op, om 'er de lading hunner schepen in te bergen, terwyl zy die wederom met voortbrengzels van het Land beladen. Het tarwe-meel word verkocht voor vier stuivers tot een schelling het pond; de boter, twee schellingen; het geslacht vleesch, nooit onder een schelling, en dikwils anderhalve schelling. Ik heb voor een enkele kalkoen anderhalve guinie betaald. De eieren gelden vyf stuivers het stuk; de aardäppelen zes stuivers het dozyn; de wyn kost drie schellingen de fles; de Jamaicasche rhum een kroon de kruik. De visch en groenten zyn goedkoop, en de vruchten byna voor niet. Myn kleine Neger QUACO heeft my dikwils veertig oranje-appelen voor zes stuivers t'huis gebragt, en een half dozyn pyn-appelen voor denzelfden prys. Wat de limoenen en tamarinden betreft, men behoeft slechts de moeite te doen, om ze op te raapen. De huuren zyn uittermaten duur. Voor een kleine kamer zonder huisraad betaalt men drie of vier guinies in de maand; en voor een huis met twee kamers op elke verdieping, honderd guinies 's jaars. De schoenen kosten een halve guinie het paar; en een rok met zyn toebehooren is my komen te staan op twintig guinies. De twee zoorten van hout, waar van de huizen getimmert zyn, namelyk het wana en couppy hout, verdienen, dat men 'er van spreekt. Het eerste is zeer hard, en van een grof erf; het is niet vatbaar voor de minste glans, en heeft eene ligt roode kleur, gelykende naar die van nieuw brasilie-hout; men bedient 'er zig van voor de deuren en kassen, voor schepen en vaartuigen. Het couppy hout gelykt naar dat van den wilden kastanje-boom; het is hard, kwastig en vast. Men maakt 'er planken van, waar mede men, in plaats van steene muuren, de huizen bekleed. Dit hout is van een bruine kleur: het laat zig zeer goed polysten. Op dat de lezer zig een juister denkbeeld van deeze Stad vorme, zal ik hem verwyzen naar het ontwerp, het welk ik daar van geschetst heb: ik zal tans overgaan, om eenige byzonderheden, betrekkelyk tot deszelfs inwooners, op te geven. De Europeanen of blanken, in de geheele Volkplanting, beloopen op een getal van vyf duizend, zonder de bezetting daar onder te rekenen, en zy houden voornamelyk hun verblyf in de hoofdstad; maar de Neger-slaven bedragen ten naasten by een getal, van vyfënzeventig duizend. Alle morgen ten agt uuren gaat het krygsvolk naar de wacht in de Vesting. De wacht in de Stad word door de burgers of soldaten waargenomen, en duurt den geheelen nacht. Twee maalen daags, en ten zes uuren lost het bevelvoerend schip deszelfs geschut in de haven. By het avond-sein, stryken alle de vlaggen der onderscheidene schepen, de klokken luiden, en de trommelslagers en pypers loopen door de Stad. Geen slaaf, van welke kunne ook, mag als dan op de straaten, of in de haven verschynen, zonder verlof van zynen meester. Die deezen regel overtreedt, word in arrest genomen, en buiten twyffel des anderen daags morgens gegeesseld. Des avonds ten tien uuren, slaan andere tambours den trom op alle de straaten van Paramaribo. Op dit oogenblik vertoonen zig de vrouwen, vooral die veel van een geheim gesprek in het maanlicht houden. Op haare byëenkomsten laaten zy zig sorbet en sangary toedienen, zynde een mengzel van water, Madera-wyn, Muscaat-wyn en suiker; zy houden aldaar gesprekken, die geenzints dubbelzinnig zyn, zoo omtrent haare mans, als omtrent haar zelven; dikwils vertoonen zy aldaar haare jonge slavinnen, welke zy aan de manspersoonen voor een zekeren prys ter week aanbieden: en zoo haare omgang al een weinig ingetogener is, zy zyn ten minsten wydlustig in het roemen van de geenen, die in haare gezelschappen tegenwoordig zyn, en wier voorkomen of persoon haare aandacht verdient. Elk Land heeft zyne gewoonten, en in allen kan men uitzonderingen maken; want ik heb vrouwen in Surinamen gekend, wier kiesche en beschaafde opvoeding de beminnelykste gezelschappen van Europa veraangenaamd zouden hebben. De inwoonders van Paramaribo, behalven de vermaken van de tafel, het dansen, het uit ryden gaan, en de speel-partyen, hebben een klein toneel, waar op zy, tot vermaak van hun en hunne vrienden, blyspelen vertoonen. Indien zy keurig op hunne kleederen zyn, zy zyn het niet minder op de netheid hunner huizen. Hun linnen is allerfynst; zy laaten het wasschen met Castiliaansche zeep, en deszelfs witheid is by niets, dan by de sneeuw der bergen, te vergelyken. De vloer der vertrekken, waar in gezelschappen by één komen, word altoos met zuure oranje-appelen, in tweën gesneden, schoon gemaakt, het geen een aangenaame geur verschaft: de Negerinnen houden in elke hand een halve appel, en zingen, wanneer zy dit werk doen. Dusdanig is de hoofdstad, dusdanig zyn de inwooners der Surinaamsche Volkplanting, en hun caracter is gelyk aan dat van alle de Hollanders in de West-Indische bezittingen. Maar laaten wy tot myn verhaal te rug keeren. De gewoonte, die ik had om bloots-voets te gaan, belette my eenigen tyd, om schoenen en koussen te kunnen verdragen. Wanneer ik nieuwe wilde aantrekken, zwollen myne voeten zoodanig op, dat ik by mynen vriend KENNEDY ten eeten zynde, genoodzaakt was myne schoenen uit te trekken, en hy had de goedheid om my in zyne koets naar huis te laten brengen. Zoo dra ik myne schoenen konde blyven aanhouden, ging ik een bezoek geven aan den Colonel WESTERLOO, aan boord van een West-Indisch Compagnie's Schip, het welk naar Holland onder zeil ging, Deeze Officier, die my te Devil's Harwar, op het oogenblik, dat ik aldaar in zulk een deerniswaardigen staat was, was opgevolgd, bevond zig tans van het gebruik van alle zyne ledematen beroofd. In zulk eenen beklaaglyken toestand, hoopte hy slechts op de vaderlandsche lucht, om zyne gezondheid te herstellen. Verscheide Officiers zagen zig, op dit zelfde oogenblik, genoodzaakt hunne goederen te verkoopen om te leven, vermits zy van den Colonel geene betaaling konden erlangen. Ik leed door dit onheil minder dan anderen; myne talryke vrienden lieten my aan niets gebrek lyden. Den 28sten January, des morgens aan den oever wandelende, zag ik aldaar een visch uit het water ophalen, die van wegen zyn goed vleesch en grootte (hy woog by de twee honderd ponden) verdient gemeld te worden. Men noemt hem grow-mouneck, of de graauwe Monnik; men zegt dat hy tot het geslacht der kabeljauwen behoort, waar mede hy, zoo in gedaante als kleur, veel overeenkoomt, zynde zyn rug van een zeer donker bruine olyf kleur, en den buik wit. Men sneed hem dadelyk in groote stukken; ik kocht 'er verscheiden van, en zond dezelve aan myne vrienden. Van smaak scheen hy my zelfs den tarbot te overtreffen. Zomtyds vind men hem in de Rivieren; maar gemeenlyk leeft hy in 't zee-water. In dit Land zyn geene visschers, dan de Negers. Hunne meesters laaten hun dit ambagt leeren, en vorderen daar voor eene zekere somme ter week. Indien zy yverig zyn, verzamelen zy spoedig geld voor eigen rekening; en zommigen zelfs worden ryk. Maar indien zy integendeel agteloos zyn, en hunne verbintenissen niet volbrengen, kunnen zy wel staat maken van strengelyk gestraft te worden. Dezelfde gewoonte heeft plaats ten aanzien van verscheide andere kostwinningen; en met onvermoeide vlyt en zuinigheid kunnen de Negers dan gelukkig leven. Overeenkomstig dit gebruik heb ik slaven, in Surinamen gekend, die andere slaven voor eigen rekening kogten. Verscheiden koopen hunne vryheid van hunne meesters; zommigen verkiezen liever hun geld te bewaaren, wanneer die meesters billyke menschen zyn, vermits zoo lang zy slaven blyven, zy van belastingen zyn vry gesteld, waar aan de vrygemaakte slaven onderworpen zyn. Ik heb een Neger gekend, zynde een smit, en genaamd JOSEPH, wien men, in aanmerking van zyne lange en getrouwe diensten, de vryheid had aangeboden, maar die dezelve zeer stellig weigerde, en liever verkoos slaaf by een goed meester te blyven. Deeze man bezat verscheiden slaven in eigendom; hy bewoonde een gemakkelyk en wel gemeubileerd huis, en zelfs bezat hy eenige stukken zilverwerk. Wanneer zyn meester en meesteresse hem kwamen zien, liet hy hun kostelyken wyn en sorbet toedienen. Men moet echter toestemmen, dat zulk een voorbeeld zeldzaam is: want zoo al eenige slaven te Paramaribo wel behandeld worden, het grootste getal is elendig: maar de ergste van allen zyn, die onder de beveelen staan van vrouwen, meer nayverig om rykdommen ten toon te spreiden, dan om menschlievenheid te doen blyken. Het meest geachte zoort der slaven is dat der Cabougles, of Quarteronnés. Hunne verwandschap met de Europeanen is 'er de oorzaak van. Men weet, dat zy van een blanken en eene mulatte vrouw geboren worden: derzelver getal is in deeze Volkplanting zeer aanmerkelyk. Men plaatst de jongens van deeze kleur doorgaans by ebbenhoutwerkers, zilversmits, of handelaars in kostbaarheden, wier handwerk zy leeren. De meisjes zyn kameniers. Men leert haar naaijen, breijen en borduuren, het geen zy in de volkomenheid doen. Zy zyn over 't algemeen zeer schoon, en scheppen groot vermaak in zig op eene cierlyke en nette wyze te kleeden. De meeste, van eene hooge, rechte en wel gemaakte gestalte zynde, zyn zwieriger dan de mulatte meisjes, en gaan nooit met het bovenlyf naakt, gelyk de laatst-gemelde. Haare kleeding bestaat doorgaans in een klein overtrek van satyn, verciert met een belegzel van gebloemd gaas. Zy dragen een korte borstrok van Indisch catoen of zyde, van vooren geregen, welke boven het overtrek een hembd van zeer fyn mousseline doet te voorschyn komen: schoenen en koussen dragen de slaven in dit Land nooit. Het hoofd van deeze meisjes is met fraay zwart hair verciert, het welk natuurlyke en korte krullen heeft. Wanneer zy uitgaan, dragen zy een hoed van zwart of wit vilt, met een knoop en gouden lis daar aan. Om den hals, aan de armen en enklauwen dragen zy halsbanden, kettingen, armringen, goude penningen, en vercierselen van verschillende koraalen. Alle deeze lievelingen leven met Europeanen, het geen voor de Creoolsche vrouwen een groot hartzeer is. Indien men echter wist, dat eene Europeaansche vrouw met een slaaf iets uitstaande had, zoude zy by de blanken in verachting zyn, en de minnaar zoude zonder genade ter dood verwezen worden.--Dusdanig zyn, in Hollandsen Guiana, de wreede wetten der mannen tegen de schoone kunne. Maar laaten wy van onderwerp veranderen.--De dwinglandye van onzen Bevelhebber, den Colonel FOURGEOUD, vermeerderde van dag tot dag. De Lieutenant Graaf van RANDWYK, die ziek was, en zig gereed maakte, om met den Colonel WESTERLOO te scheep naar Holland te vertrekken, ontfing bevel, om in de Volkplanting van Surinamen te verblyven, alleenlyk vermits hy gezegd had niet wel behandeld te zyn geworden. Om van des Colonel's rechtvaardigheid een denkbeeld te geven, zal ik eenvoudig opmerken, dat de Officiers moesten leven van eene gelyke portie gezouten vleesch, als de soldaaten kregen; alleenlyk geduurende het verblyf van eenige weeken te Paramaribo, wierd deeze levens-regel niet gevolgd. Deeze schikking kostte my dertig ponden sterling; maar ik heb reeds gezegd, dat de Colonel ons onze betaaling onthield; waarom zou hy ons ook ons eeten niet onthouden hebben? Dit zyn beuzelingen, waar over een soldaat zig niet ontrusten moet. Den eersten February egter wierd ons bericht, dat wy geene kosten zouden behoeven te maken, zoo wy ons, met het geen men ons gaf, wilden te vreden houden; en dat, zoo wy daar over niet voldaan waren, men ons tien ponden sterling s'jaars voor de kosten van ons gezouten ossen- en varkens-vleesch in rekening zoude brengen. Den 2den, vernam ik, dat de Lieutenant Colonel BECKER schielyk gestorven was. Zyne compagnie kwam my, van wegen den rang, dien ik bekleedde, toe; het zoude een zoort van vergelding geweest zyn voor zoo veele moeiten en afmattingen. Om echter een evenwicht tegen dit voordeel te maken, deed eene getrouwde vrouw, wier man my de grootste vriendschap betoonde, toen een aanbod, het welk de eerbaarheid my verbood aan te nemen. Zy hield aan, en ik bleef haare gunsten en geschenken weigeren; maar wel dra ondervond ik de gevolgen van den haat en wraakzucht van eene vrouw. Haar man wierd eensklaps myn doodelykste vyand. Verzekerd van myne onschuld, en grootsch, dat ik geene misdaad begaan had, waar op verscheide anderen roem gedragen zouden hebben, verdroeg ik dit ongeluk met geduld. Kort daar na egter, toen de man zag, dat hy misleid was, schonk hy my zyne vriendschap weder, en wy waren betere vrienden dan ooit. Ik breng dit geval alleenlyk by, om te doen zien, welke over 't algemeen de zeden in dit Land zyn. Den 6den, bragt een arme trommelslager van het krygsvolk der Societeit my een geschenk van orange-appelen, en West-Indische Abricoosen, om dat ik hem, zoo hy zeide, in Holland tegen myn knecht, die zig veroorloofd had hem te slaan, de hand had boven 't hoofd gehouden. Deeze daad van erkentelykheid deed my meer genoegen, dan de verkoeling van mynen vriend my moeite gedaan had. De West-Indische Abricoos is groot, en naar myn smaak de uitgelezenste van alle vruchten, welke men in deeze Volkplanting, en misschien in de weereld vindt. Van binnen is dezelve geel, en de pit is omwonden in een zoort van huid, even als de kastanje. Het vleesch van deeze vrucht is zoo voedzaam en gezond, dat men het zomtyds het merg der Planten noemt; en men eet het dikwils met peper en zout. Ik kan dezelve niet anders vergelyken dan by een persik; zy smelt ook als zoodanig in den mond; zy is minder zoet, maar onvergelykelyk lekkerder. De boom, waar aan deeze vrucht groeit, is meer dan veertig voeten hoog, en gelykt veel naar den nooteboom. In Surinamen zyn drieërleije zoorten van oranje-boomen; met zuure, met bittere en met zoete vruchten: de jonge boomen zyn uit Spanjen of Portugal aangebragt. De zuure oranje-appelen zyn een uitstekend hulpmiddel tegen de zweeren, die in dit Land zoo gemeen zyn; maar het is zeer pynlyk; men gebruikt het daarom niet, dan voor de Negers, welken men meent dat alles verdragen moeten. De bittere oranje-appelen worden alleenlyk gebruikt, om met suiker in te maken. De smaak van de zoete is uitgelezen, en men kan er zonder schroom van eeten; dit kan men niet zeggen van de China's-appelen, welken ik hier na beschryven zal. Alle deeze verschillende oranje-boomen zyn zeer fraay, en brengen, in alle jaar-getyden, bloemen en vruchten voort. Den 16den, vernamen wy, dat de Colonel FOURGEOUD, met het overschot van zyne manschappen, den post van la Rochelle verlaten had, en door de muitelingen aangetast was geworden. Hy had verscheiden gekwetsten, en in 't byzonder den Capitain FREDERIK, die voor uit trok, en aan beide de dyen gewond wierd. Deeze dappere Officier, uit vreeze dat zyn volk den moed verliezen mogt, hield de beide handen op zyne wonden, en zat tot de borst toe in het water, op dat men het loopen van zyn bloed niet bemerken zoude. Hy bleef in die gesteldheid tot op het oogenblik, dat de Heelmeester hem verbonden had; en toen droegen hem twee Negers in zyne hangmat. Het is onmogelyk meerder yver te betoonen, dan gemelde Capitain FREDERIK, en de Capitain VAN GUERIKE, adjudant van den Colonel, geduurende deezen geheelen tocht betoonden. Zy waren altyd op de been, of hunne gezondheid het toeliet, of niet. De eer was byna de eenige vrucht, die zy van eenen buitengewoonen en aanhoudenden dienst van vyf jaaren, trokken; de Colonel FOURGEOUD, naar myn inzien, beloonde hen nimmer naar verdiensten; en hy behandelde de hoogere zoo wel als de laage Officieren, zoo als ik myne Corporaals niet zoude willen behandeld hebben. Ik deed hem op dit oogenblik het aanbod, om my by hem in de bosschen te vervoegen; maar in plaats van myn verzoek toe te staan, zond hy my bevel, om my naar de Plantagie, de Hoop genaamd, en gelegen aan de Commewyne, te begeven, om aldaar, geduurende zyne afwezigheid, over al het krygsvolk, het welk by deeze Rivier gelegerd lag, het bevel te voeren. Zulk een last was nieuw voor my, en ik maakte my gereed om denzelven met blydschap te volvoeren. Na mondbehoeften gekocht, en my van eene volkomene uitrusting tot een veldtocht voorzien te hebben, maakte ik aanstalte, om my naar de plaats myner bestemming te begeven. Maar alvoorens Paramaribo te verlaten, moet ik opmerken, dat men, geduurende myn verblyf in deeze Stad, aan een getal van negen Negers elk een been afzette, om dat zy van de Plantagie hunner meesters waaren weggeloopen. Het Hof van Justitie in Surinamen gelastte, op verzoek van den eigenaar, deeze strafoeffening, en de Heelmeester van het Hospitaal, GREUBER, voerde het vonnis uit. Geduurende deeze onmenschelyke daad, rookten de lyders gerust hun pyp tabak. De Heelmeester ontfing zes ponden sterling voor het afzetten van elk been: maar niettegenstaande zyne groote bekwaamheid, stierven vier van deeze ellendigen oogenblikkelyk daar na. Een vyfde hielp zig zelven van kant, door zyn verband af te rukken, en des nachts zyn bloed te laten uitloopen. Zulke verminkte Negers zyn in deeze Volkplanting gemeen, en hunne meesters gebruiken hen tot het roeijen van hunne schuiten en vaartuigen. Men ziet 'er ook, die eenen arm missen: dit is de straf, als men een Europeaan heeft durven slaan. Den 17den February, scheepte ik in naar de Plantagie de Hoop, in een open en zeer net vaartuig, door zes Negers voortgeroeit wordende. Des avonds kwam ik voorby de Plantagie Sporksgift aan de Matapaca Kreek. Des anderen daags kwam ik aan de Plantagie Arentrust, aan de Commewyne, na de Orelana-Kreek te zyn voorby gevaaren, als mede het Fort Sommelsdyk, gelegen zestien mylen boven het Fort Amsterdam, ter plaatse, alwaar de Cottica zig met de eerstgemelde Rivier vereenigt, en van waar de batteryen den oever der beide Rivieren bestryken. Dit Fort wierd, in het jaar 1684, door den Gouverneur SOMMELSDYK gebouwd, wiens naam het ook draagt: het heeft de gedaante van een vyfhoek, en deszelfs vyf bolwerken zyn van geschut voorzien; het word door een gracht omringd, en bevat krygs-magazynen: schoon het van geene groote uitgestrektheid is, is het niettemin van goede verdediging, voornamelyk uit hoofde van deszelfs laage en moerassige ligging. Op eenigen afstand van dit Fort is eene fraaije Kreek, genaamd Comite-Wana. Den 19den, op den middag, kwam ik op de Plantagie de Hoop: ik vond de oevers van de Commewyne veel aangenamer, dan die van de Cottica; zy zyn bedekt met fraaije Suiker- en Koffy-Plantagiën, maar vooral met de eerste, in 't byzonder aan den mond van deeze Rivier. Een halve myl van die Rivier en van de Cottica, is eene Protestantsche Kerk, alwaar de Colonisten den dienst gaan hooren: dezelve onderhouden den Predikant. De Plantagie de Hoop, alwaar ik tans het bevel over het krygsvolk op my nam, is eene uitmuntende Suiker-Plantagie, gelegen aan den linker oever van de Commewyne, aan den mond van eene kleine beek, genaamd Bottle-Kreek, en byna tegen over eene andere, Cassivinica genaamd. De Bottle-Kreek heeft gemeenschap met de Commewyne en de Peréca, zoo als de Wana-Kreek heeft met de Cormoetibo-Kreek en de Rivier Maroni. Het krygsvolk was alhier gehuisvest in barakken, van Latanus-boomen hout gemaakt; maar men had dezelve op eenen zoo moerassigen en laagen grond geplaatst, dat zy by den vloed geheel onder water stonden. De Officiers waren allen in een gebouw van denzelfden aart opgesloten; en ondertusschen wierd het fraaije huis van den Planter, het welk voor hun zeer gemakkelyk en gezond geweest zoude zyn, door niemand dan door den Opzigter der Plantagie bewoond. Een kanon-schoot verder, als men de Rivier opvaart, ligt de Plantagie Klarenbeek alwaar ik, den 22sten, naar toe ging, om den staat van het Hospitaal te onderzoeken. Het volk had het op deezen post veel aangenamer, dan op de Hoop, uit hoofde van eene onbegrypelyke meenigte rotten, waar door dezelve geplaagd wierd: zy doorknaagden de kleederen der soldaaten, en hunne levensmiddelen, en des nachts liepen zy met dozynen over het aangezicht. Het eenig middel om dit verschrikkelyk ongemak te keer te gaan, bestond in het booren van gaaten in den bodem van flessen, en de koorden der hangmatten, zoo aan de voeten als aan het hoofd-einde, daar door te steken. Wanneer dit werk wel verrigt wierd, belette de gladheid van de fles deeze dieren, om by het doek te komen. De meenigte van zieken, die in het Hospitaal van Klarenbeek op één gestapeld waren, maakte eene elendige vertooning. De menschelykheid word op het gezicht van zulke treurtoneelen dermaten getroffen, dat ik my zeer gelukkig rekende, toen ik op de Plantagie de Hoop was te rug gekeerd. Myn last was hier dezelfde, als aan de Cottica, namelyk, dat ik de Plantagiën tegen den aanval des vyands moest beschermen; en het order-woord wierd my regelmatig door den Colonel FOURGEOUD toegezonden. Een der Neger-Capitains uit de Volkplanting de Berbices, genaamd ACKERAW, ontdekte op deeze Plantagie eenen ouden afgeleefden slaaf, dien hy voor zynen vader herkende; hy omhelsde hem met de levendigste teederheid, en dit toneel van dankbaare erkentenis was één der belangrykste. In myne wandelingen rondom deezen post, had ik gelegenheid, om verscheiden merkwaardige vogelen te ontdekken, welken ik tans beschryven zal. De quise-quidi, dus genoemd, uit hoofde van zynen zang, heeft ten naasten by de grootte van een leeuwrik. Zyne pluimaadje is bruin, uitgenomen aan de borst en den buik, alwaar hy eene fraaije geele kleur heeft. Deeze vogel doet veel schade aan de Plantagiën. De wilde duiven zyn hier zeer gemeen; ik doodde eene zeer groote, veel gelykende naar die, welke men de Jamaicasche duif met een gekrulde staart noemt. De rug en de zyden waaren aschkleurig, de staart loodkleurig, de buik wit, en het voorste van den hals van een purper-kleur met een groene weerschyn, de oogbal en de pooten rood. Ik zag op deeze plaats ook andere duiven van een klein zoort, die by paaren loopen. Zy hebben ten naasten by de grootte van een Engelsche musch, en een helderder kleur; ik nam ze voor de Picui-nima van Markgraaf; zy hebben schitterende oogen, met een geele oogbol, en over 't geheel zyn deeze diertjes zeer aartig. De Hollanders noemen dezelve Steenduifje, om dat men ze dikwils op rotzige en zandige plaatsen vindt. Men ziet ook tortelduiven in Guiana, maar zeldzaam by Plantagiën. Zy leven met vermaak in het binnenste der somberste bosschen; zy maken hunne nesten op de boomen, in het midden van het dikste lommer; ik heb 'er met de hand aangevat, zonder dat zy pogingen deeden om weg te vliegen; in kleur verschillen zy weinig van de Europeesche; maar hunne grootte is minder, en hunne vlerken hebben eene grootere uitgebreidheid, dan die van alle andere tortelduiven of duiven. Ik was over mynen staat steeds zeer te vreden. Ik koude vryelyk adem haalen, en had het vooruitzigt, om myne geledene vermoeienissen en hartzeeren vergoed te zien. Men eerbiedigde my, als den Oppervorst der Rivier: de nabuurige Planters beweezen my alle vriendelykheid, zonden my wildt, visch, groenten en vruchten ten geschenke; ik kende my naauwlyks voor het zelfde mensch, en byna alle myne wenschen waren voldaan. Op zekeren dag, den 5den Maart, geduurende myn verblyf alhier, wierd ik verrast, door op een schuit, die de Rivier opvoer, met een witte neusdoek te zien waaijen; het was myne geliefde JOANNA, door haare moeije vergezeld, die deeze beweging maakte. In plaats van in de Stad te blyven, verkoos zy tans liever naar Fauconberg te gaan, slechts vier mylen van de Plantagie de Hoop af liggende: ik vergezelde haar dadelyk tot aan deeze Plantagie. Ik vond aldaar een ouden slaaf, dien JOANNA my zeide haar grootvader te zyn, en die my zes stuks gevogelte ten geschenke gaf. Deeze oude man had gryze hairen, en konde niet meer zien; maar zyne talryke afkomelingen onderhielden hem ordentelyk: hy verhaalde my, dat hy in Africa geboren was, alwaar hy in meerder aanzien was geweest, dan zyne meesters immer in Suriname waren. Misschien zal de lezer het vreemd vinden, dat ik zoo dikwils spreeke van eene Slavin, en dat ik voor haar zoo veel achting betoone; maar ik kan met geene onverschilligheid spreken van eene vrouw, die de teedere liefde van elk gevoelig mensch waardig is, en wier genegenheid my tot een tegenwicht in alle myne onheilen verstrekte: haare deugd, haare jonkheid, haare schoonheid deeden haar meer en meer myne achting winnen: het ongeluk van haare geboorte en staat, wel verre van myne genegenheid te verminderen, dienden, integendeel, om dezelve te doen aanwassen. Den 6den Maart, kwam ik op de Hoop te rug, beladen met geschenken van gevogelte, aubergines, koolspruiten, agoma, en eenige Surinaamsche kerssen. De aubergine is een soort van vrucht, hebbende de gedaante van een komkommer, eene purper-kleur van buiten, en wit van binnen; men snydt dezelve in schyven, en eet ze als salade; zomtyds laat men ze koken; zy is zeer goed en zeer gezond. De bladen van den boom, die deeze vrucht voortbrengt, zyn breed, groen, en met een purperverwig dons bedekt. De agoma is een kruid, dat eenigzints bitter is. De koolspruiten zyn dezelfde als in Europa, maar vry zeldzaam. De kerssen zyn zeer zuur; ten minsten, indien ze niet volkomen ryp zyn, deugen ze niet, dan om in suiker in te leggen. Den 8sten, den geboorte-dag van den Prins van Oranje, noodigde ik verscheiden lieden, om dien dag met my te vieren. De Colonel FOURGEOUD hield zig al dien tyd bezig met de bosschen te doorkruissen: maar zyne krygsverrigtingen hadden geen ander gevolg, dan den dood van eenigen zyner soldaten, die door de Negers vermoord wierden; het verlies van eenige anderen, die in de bosschen verdwaalden; en de vlucht van CUPIDO, die in weerwil van alle zyne ketenen ontsnapte. Van twee mannen, welken de Colonel my in 't Hospitaal te Klarenbeek zond, was de één door de muitelingen op eene afgryzelyke wyze verminkt geworden. Den 17den, ontfing ik van zekeren heer ONIS een reebok ten geschenke; en denzelfden dag bragt één der slaven my een hagedis, genaamd Sapagala, zynde van een minder groot zoort, en minder aangenaam van smaak, dan de Iguan, welken de Indianen den naam van waya-maca geven: ik at 'er niet van, en gaf dit dier aan den Opzichter der Plantagie. Op 't wildt onthaalde ik myne Officiers. 'Er zyn in Surinamen twee zoorten van harten. Het hart, dat men aldaar bajew noemt, heeft ten naasten by de gedaante van een Engelschen reebok. Hy heeft de hoornen niet zeer lang en gebogen, de oogen levendig en vol vuur, en een korte staart; zyn hair is van een bruinachtig roode kleur, uitgenomen onder den buik, die wit is. Dit dier, wanneer men het vervolgt, loopt met een verwonderlyke kragt en vaardigheid: men vindt hem dikwils in de nabyheid der Plantagiën, alwaar hy aan het suiker-riet groote schade toebrengt; de Planters hebben zelfs Neger-Jagers of Indianen, om hem te vervolgen en te dooden. De jacht kan in dit Land, uit hoofde van de dikte der bosschen, voor een Europeaan geen vermaak opleveren. Zomtyds vangt men het hart levend, wanneer hy een Rivier overzwemt; het geen hy dikwils doet, het zy om zynen dorst te lesschen, het zy om zynen vyand te ontvluchten. Zyn vleesch is noch sappig, noch vet, noch malsch, en is van weinig waarde, in vergelyking van het vleesch der Europeesche harten, hoe zeer het by de inwooners van Surinamen in groote achting is. Het ander zoort van harten word bouzi-cabritta door de Negers, en wirre-bocerra door de Indianen genoemd. Hy is kleinder en ligter in 't loopen dan die van het eerste zoort; zyne huid heeft een geel-achtig bruine kleur, en kleine witte vlakken; zyne oogen zyn levendig, en zyn gezicht doordringend; hy heeft naauwe en korte ooren; hy heeft geene takken aan de hoornen; zyne ledematen zyn klein, maar sterk gespierd; zyn vleesch is lekkerder dan van eenig ander wildt, het welk ik in dit Land geproefd heb. Den 21sten, aan den heer en mevrouw LOLKENS, op Fauconberg, een bezoek hebbende gaan geven, gingen wy in de nabuurschap eene steenbakkery zien, genaamd Appe-cappe, en aan den Gouverneur NEPVEU toebehoorende: men werkte aldaar zoo schielyk en zoo wel als in Europa. Zulk een trafiek brengt groote voordeelen op, want van dit zoort zyn ze in deeze Volkplanting zeldzaam. Ik spreek hier van egter alleenlyk, om in 't algemeen de groote voordeelen van dit Land te bewyzen, alwaar men het hout voor niet heeft: 'er is in dit geval niets dan vlyt noodig. De Plantagie Fauconberg was zoo besmet met insecten, die men monpeiras noemt, dat ik zeer te vreden was met afscheid van myne vrienden te nemen, en naar de Hoop te rug te keeren. De monpeiras zyn muggen van het kleinste zoort, maar in het steken zoo kwaadaartig, als de grootste muggen. Zy vliegen in zulk een groot aantal, en in zulke dikke zwermen, dat wanneer ze in diervoegen by elkander zyn, men dezelve voor een wolk van zwarten rook zoude aanzien. Zy zyn zoo klein, dat ze verscheiden te gelyk in de oogen vliegen, van waar men ze niet zonder pyn en gevaar kan doen verhuizen. Ik leide alle myne bezoeken te water af; want ik had een fraay vaartuig tot myne beschikking, met zes Negers tot roeiers, die ook voor my jaagden en vischten: om kort te gaan, ik was zoo gelukkig en zoo wel gezien op deezen post, dat ik my byna verbonden zoude hebben, om van staat niet te veranderen. DERTIENDE HOOFTSTUK. Beschryving van eene Suiker-Plantagie.--Huisselyk geluk in zekere hut.--Krygs-verrigtingen van den Generaal FOURGEOUD.--De Duncane, Igname en Soubacou.--Wreedheden van zommige Opzigters der Plantagiën.--Onderscheidene zoorten van visschen.--Misnoegen van eenen Capitain der muitelingen. Ik heb gezegd, dat ik op de Hoop het gelukkigst leven leidde. Myn geluk duurde nog, toen de heer en mevrouw LOLKENS, my een bezoek hebbende komen geven, my in de gelegenheid stelden, om my te kunnen vervoegen aan de heeren PASSELAIGE, vader en zoon, te Amsterdam, die de nieuwe eigenaars van myne JOANNA waaren. Zy noodigden my bovendien, om haar op de Hoop te laten komen, alwaar het verblyf haar aangenaamer zoude zyn, dan op Fauconberg, of te Paramaribo: men kan denken, of ik ook gaarne daar in toestemde; en aanstonds gaf ik aan de slaven last, om eene wooning van Latanusboomen-hout te maken, ten einde haar daar in te ontfangen. Te gelyker tyd schreef ik den volgenden brief aan de heeren PASSELAIGE, vader en zoon: "MYNE HEEREN! Ik heb van den heer LOLKENS, Bestuurder der Plantagie Fauconberg, vernomen, dat gylieden daar van tans eigenaars zyt. Groote verpligtingen hebbende aan eene uwer Mulatte Slavinnen, de dogter van wylen den heer KRUYTHOFF, genaamd JOANNA, die my in myne ziekte heeft opgepast, wilde ik haar myne dankbaarheid betuigen, door van ulieden, myne Heeren! haare vryheid onverwyld te koopen. Verwaardig u my den prys op te geven; dezelve zal u op het oogenblik betaald worden; en gy zult verpligten, MYNE HEEREN! UEd. onderdanigsten en gehoorzaamsten Dienaar, JOHN GABRIËL STEDMAN, Capitain in de Zee-krygsbende van den Colonel FOURGEOUD." Deeze brief ging vergezeld van eene andere van den heer LOLKENS; en deeze waarde vriend vleide my met den goeden uitslag. Deeze beide brieven naar Holland hebbende afgezonden, had ik tyd en gelegenheid, om eene Suiker-Plantagie in alle derzelver byzonderheden te onderzoeken; ik zal trachten daar van eene naauwkeurige beschryving te geven. De gebouwen bestaan doorgaans in een fraay huis voor den eigenaar, in twee andere voor den opzigter en boekhouder, in eene wooning voor den timmerman, in keukens, in bergplaatsen, en in stallingen, indien de Suikermolen door paarden of muilëzels gedraait word, want op de Plantagie de Hoop bedient men 'er zig niet van; het water brengt aldaar de raden in beweging; de vloed stort het water in de huizen, door middel van sluizen, welke men by laag water open zet; en dit water, als eene beek nederstortende, brengt het geheele werktuig in beweging. Het bouwen van een Suikermolen kost gewoonlyk vier duizend, en dikwils zeven of agt duizend ponden sterling. Het zoude misschien verveelend zyn, zulk een werktuig stuk voor stuk te beschryven; ik zal alleen opmerken, dat het groote rad zig lynrecht beweegt, en met een ander mede zeer breed rad, het welk horizontaal geplaatst is, gemeenschap heeft; het laatstgemelde slaat op drie yzere stampers, die van onderen door een zwaren balk ondersteund worden, en zoo zeer op elkander sluiten, dat zy alles, wat 'er tusschen beiden koomt, zoo dun maken, als een blad papier. Op die wyze word het suikerriet gebroken, om het sap of vocht van den bast af te scheiden, De andere molens zyn volgens de zelfde grondbeginzels gebouwd; en om het horizontaal rad in werking te brengen, doet men een grooten hefboom door paarden of muilezels draaijen. Zoo al de watermolen sterker werkt, en minder kostbaar is, moet men ook den vloed afwagten, en hy kan niet meer dan een gedeelte van den dag gaan. De molen, die door paarden bewogen word, kan integendeel ten allen tyde maalen, naar het goedvinden van den eigenaar.--By den molen is een werkplaats, van steen gebouwd, alwaar groote kopere ketels zyn, waar in men de natte suiker laat koken; gewoonlyk zyn 'er vyf. Daar tegen over zyn koelbakken: deeze zyn groote vierkante houte kuipen met een platten bodem, waar in men de suiker giet, wanneer ze uit de ketel koomt, om daar in te koelen, eer men ze in de vaten stort: deeze vaten staan, by de koelbakken, op zwaare uitgeholde balken, die de syroop, wanneer ze van de suiker afloopt, opvangen, en door buizen in een vierkante van onderen gegraven bak brengen. De werkplaats tot de overhaaling {destillatie) is 'er dicht by; men trekt aldaar van de schuim van het vocht een zoort van rhum, waar van ik hierboven onder den naam van kill-devil gesproken heb. Elke Planter, in Surinamen, heeft altyd ter zyner beschikking een open vaartuig, en verscheide andere schuiten, om zyne waaren daar mede te vervoeren: hy heeft ook een bergplaats, om dezelve te laren droogen. De uitgestrektheid der Suiker-Plantagiën, in deeze Volkplanting, is gewoonlyk van vyf of zes honderd akkers. De gedeelten, tot bebouwing geschikt, zyn in vierkante vakken verdeeld, alwaar men de stekken of uitspruitzels van het riet, aan welke men omtrent een voet lengte laat, in rechte en gelyke reijen, schuins in den grond steekt: men plant dezelve gewoonlyk in het regensaisoen, wanneer de grond vochtig en week is. Het duurt omtrent twaalf of zestien maanden, eer de spruiten, die uit de stekken uitbotten, tot haare volkomene rypheid geraken; wanneer zy daar toe gekomen zyn, worden ze geel, en haare grootte is ten naasten by die van een Duitsche fluit. Het Suikerriet groeit zes of tien voeten hoog: uit deszelfs afzetzels spruiten bladeren van een ligt groene kleur, hebbende de gedaante van die van een pry, maar veel langer en getand, en vallende op den grond af, wanneer de plant goed is om gesneden te worden. De voornaame zorg der slaven, geduurende dat het riet groeit, bestaat in het uitwieden van het onkruid, het welk anderzints de plant van haare kragt berooven zoude. Men telt op zommige Suiker-Plantagiën meer dan vier honderd slaven. De geldsommen, die 'er noodig zyn om dezelve te koopen, en de gebouwen te stichten, beloopen twintig à vier-en-twintig duizend ponden sterling, zonder de waarde van den grond 'er eens by te rekenen. Laaten wy tans zien, wat 'er van het riet geduurende de werking van den molen word: het word aldaar tusschen de drie stampers, door welke het twee malen doorgaat, gebroken. Vervolgens loopt het vocht door eene groeve, die in een balk gemaakt is, tot in de werkplaats, alwaar men het zelve laat koken, en in een zoort van houten bak ontfangt. De arbeid der Negers, die aan de stampers werken, is zoo gevaarlyk, dat wanneer één van hunne vingers tusschen twee rollen geraakt, het geen meenigwerf en door onöplettenheid gebeurdt, de geheele arm oogenblikkelyk word weg getrokken en aan stukken geslagen, zoo al zelfs niet een gedeelte van het lichaam. Doorgaans houdt men een byl gereed, om het lid af te houwen, want de man zou gevaar loopen van om te komen, eer het werktuig konde worden stil gehouden. Een ander gevaar, waar aan deeze ongelukkige slaven zyn bloot gesteld, bestaat in het proeven alleenlyk van het vocht, het welk zy in het zweet van hun aangezicht 'er uit halen; zoo men dit bemerkt, worden zy veroordeeld, om eenige honderde geesselslagen te ontfangen, of zelfs de tong te worden uitgerukt, op last van den Opzichter. Wanneer het vocht uit den gemelden houten bak koomt, word het in de eerste kopere ketel gestort, alwaar het door een zeef gekleinst word, om al het stroo, het welk 'er by het stampen mogt zyn in gebleven, weg te nemen. Dit vocht, na eenigen tyd gekookt te hebben, en afgeschuimd te zyn, word andermaal overgegoten in de tweede ketel, en zoo vervolgens tot in de vyfde en laatste, alwaar het eindelyk den bekwaamen graad van dikte of vastheid verkrygt, om in de koelbakken overgestort te worden: men werpt in de ketels eenige ponden aarde en aluin, onder elkander gemengd, om het vocht te doen korrelen: op die wyze dan laat men het al langs hoe meer koken, tot in de vyfde ketel. Wanneer men de suiker in de koelbakken overgiet, draagt men zorg, om ze wel te roeren en gelykelyk uit te spreiden: wanneer ze koud is, heeft ze het voorkomen van bevrozen te zyn; ze is vast, als kandy, bruin en doorschynend; men zoude byna zeggen, dat het stukken noteboomen hout waaren, die zeer glad gepolyst zyn. Als de suiker uit de koelbakken koomt, stort men ze in vaten, die een gewicht van duizend ponden suiker bevatten, in welker bodem openingen of kleine gaten zyn, dienende om het vocht, het welk nog mogt zyn overgebleven, en melasse genoemd word, te doen uitloopen, en word het zelve, zoo als ik reeds gezegd heb, in een van onderen gegraven bak gevangen. Na deeze laatste bewerking, is de suiker geschikt om naar Europa overgevoerd, aldaar geraffineerd en tot brooden gemaakt te worden. Ik moet opmerken, dat hoe grooter de korrels zyn, hoe beter de suiker is, en dat geen Land tot derzelver voortplanting meer geschikt kan zyn, dan Guiana. De rykdom van eenen onuitputtelyken grond brengt te weeg, dat 'er drie of vier vaten suiker van een akker komen. In 't jaar 1771, voerde men niet minder dan vier-en-twintig duizend vaten uit naar Rotterdam en Amsterdam alleen, het welk tegen zes ponden sterling het vat, (en zomtyds maakt men 'er het dubbeld van,) eene somme van by de honderd vyftig duizend ponden sterling uitmaakt, zonder van eene groote meenigte kill-devil en suiker-syroop te spreken. De laatstgemelde, die men op zeven duizend vaten voor dit zelfde jaar kan rekenen, wierd voor vyf-en-twintig duizend ponden sterling aan de Engelschen in America verkogt. De kill-devil word in Surinamen; ten gebruike der Negers gestookt; men kan haar bedragen op dezelfde somme rekenen: het geen, alle drie by elkander gerekend, omtrent tweemaal honderd duizend ponden sterling 's jaars uitmaakt. De kill-devil is ook een drank, welke zommige Planters gebruiken; maar zy is vooral voor soldaten en matroozen. Wanneer ze nieuw is, is zy een langzaam vergift voor elken Europeaan. De Negers hebben 'er nooit hinder van; integendeel, ze is hun zeer noodzakelyk en zeer goed, vooral in het regen-saisoen. Geen gedeelte van het suikerriet is nutteloos. Het gemalen riet en de bladeren dienen tot mest, om het land vet te maken. Alle de Plantagiën worden door bosschen omringd. Eene meenigte wilde beesten rechten aldaar groote verwoestingen aan: men laat door honden jacht op hen maken, en de Negers dooden ze dikwils. Na het geen ik omtrent dit stuk alleen gezegd heb, kan men zig van den natuurlyken rykdom van dit Land een denkbeeld vormen, maar ik twyffel echter of de Volkplanting van Surinamen, zoo zy immer in andere handen, dan die der Hollanders, overging, van zulk een aanzienlyk gewicht blyven zoude. 'Er zyn 'er geenen, die geduld, vlyt, en onvermoeidheid in zulk een hoogen trap bezitten. Ik keer tans tot myn verhaal te rug. Ik heb gezegd, dat de slaven, die ter myner beschikking stonden, bezig waaren met eene wooning te maaken, om JOANNA daar in te ontfangen: zy voltooiden het in vyf of zes dagen. Het bestond uit een kamer tot gezelschappen, ook tot een eetkamer dienende; een slaapkamer, waar in ik alle myne goederen bergde; en een zoort van gang, om buitenwaards lucht te scheppen. Eene kleine keuken, en een groot hoenderhok waaren 'er van afgescheiden. Rondom stonden heiningen, en de ligging was verrukkelyk. De tafels, de stoelen, en de banken, die myn huisraad uitmaakten, waaren ook van Latanus-boomen hout. De deuren en vensters waaren gesloten, door middel van konstig gemaakte houte sloten en sleutels, welke een Neger my gegeven had, en door hem gewerkt waaren. Alles in dier voegen gereed zynde, was myne eerste zorg, om in deeze wooning den voorraad te doen plaatsen, dien ik van Paramaribo had medegebragt. Dezelve bestond in een vaatje meel; een ander met ingezouten makreel, die in dit Land lekker is, en welke men aldaar uit Noord-America aanbrengt; in hammen; ingelegd vleesch, en Bostonsche bifchuit. Ik had ook wyn, Jamaicasche rhum, thee, suiker, en een kistje met spermacetie-kaarssen. De heer KENNEDY had my van zyne Plantagie Vriedyk twee fraaije vreemde schapen en een varken gezonden. De moeije van JOANNA gaf my twee douzyn verschillende zoorten van gevogelte; de groenten en vruchten, het wildt en de visch ontfing ik van alle kanten. Den eersten April, voer JOANNA de Rivier af, en kwam op de Hoop met het vaartuig van Fauconberg, door agt Negers geroeid wordende. Ik gaf haar dadelyk bericht van den inhoud van den brief, dien ik naar Holland had geschreven. Zy bedankte my met veel zedigheid, maar haare oogwenken waaren levendiger, dan haare gesprekken. Ik bragt haar in haare nieuwe wooning, alwaar de Slaven der Plantagie, ten teeken van achting, haar dadelyk geschenken deeden van cassaves, ignames, bananes, en plantains. Nimmer waren twee gelieven gelukkiger. Zoo vry zynde, als de heesters van het woud, ademden wy de zuiverste lucht in. Het vergenoegen en de gezondheid waren myn deel; en myne gezellinne, van jeugd en schoonheid schitterende, verwekte de afgunst en verwondering der geheele Volkplanting. De Colonel FOURGEOUD, toen besloten hebbende de bosschen te verlaten, en te Maagdenberg, een post aan den mond van de Commewyne gelegen, zyn leger neer te slaan, zond ik hem een groote schuit, geladen met mondbehoeften, en met twintig soldaten onder bevel van een Officier bemand. Ik deed vervolgens de monstering myner zee-soldaaten; ik had 'er niet meer dan twintig overig, zonder echter een klein detachement, het welk te Calis, aan den mond der Cassivinica-Kreek, geplaatst was, daar onder te rekenen: iets hooger aan dezelve kreek, en op eene Plantagie, Coupy genaamd, waren ook een Officier en eenige soldaten geplaatst. Den 4den, des morgens, was ik getuige van een zonderling gevecht tusschen twee slangen, de eene van omtrent drie voeten lang, de andere alleenlyk van veertien duimen. Het duurde byna anderhalf uur, geduurende welken tyd de draaien en kronkelingen deezer dieren zeer merkwaardig waren; en het eindigde met den nederlaag van de kleinste, welken de grootste by den kop nam, en geheel en al levendig inslokte. Myn Neger, den zelfden dag, eenige kleine gloeijende kolen hebbende weggeworpen, zag ik met zeer veel verwondering een kikvorsch dezelve gretig inslokken, zonder dat zy 'er eenig kwaad van scheen te gevoelen; ongetwyffeld zag zy die voor vuur-muggen aan. Ik zag ook, in een suiker-molen, een kikvorsch, die zig op mieren vergastte, welker getal ter deezer plaatse zeer groot was. Zy lekte dezelve met haare tong op, naar maate zy voor haar henen liepen. Een andere kikvorsch sliep dagelyks op één der balken van myne wooning, en verliet dezelve doorgaans des nachts. De Negers noemden haar yombo-yombo, uit hoofde van de kracht, waar mede zy sprong. De kikvorsch van dit zoort is zeer klein; een weinig plat; derzelver huid heeft eene fraaije geele kleur, met zwarte en scharlaken vlakken. Men vindt ze dikwils in de bovenkamers der huizen. Het evengemelde beestjen ons zeer fraay voorgekomen zynde, verboden wy het zelve aan te raken. Den 8sten tusschen zes en zeven uuren des morgens, terwyl wy één van onze Sergeanten begroeven, hoorden wy verscheiden schoten met klein geschut, naar den kant van de Peréca, en ik zond dadelyk een Officier en twaalf soldaten af, om van dien kant te hulp te komen. Zy kwamen des anderen daags te rug, en zeiden my, dat de muitelingen de Plantagie Kortenduur hadden aangevallen, alwaar zy met plonderen bezig waaren; maar dat de bewooner alle zyne Slaven gewapend hebbende, deezen de eerstgemelden hadden genoodzaakt de vlucht te neemen, zonder dat men eenige andere hulp noodig gehad hadde. De Colonel FOURGEOUD zond my van de Wana-Kreek, eene kleine bezending van krygsvolk, die den 11den op de Hoop aankwam, met den Neger SEPTEMBER, die steeds gevangen bleef. De soldaten verhaalden, dat de muitelingen, met den Bevelhebber gesproken hadden, en hem in 't aangezicht hadden uitgelachen, toen zy hem een bevel hoorden uitbrengen, om geen vuur op hen te geven, maar hen levendig gevangen te nemen. Ik vernam ook, dat onder de geenen, die in de bosschen verdoold geraakt waren, zig ook bevond de ongelukkige SCHMIDT, die onlangs zoo zwaar gekwetst was geworden, dat hy zig naderhand niet volkomen had kunnen herstellen. Den 15den, de sluisen door het hooge water overgeloopen zynde, geraakte onze geheele post onder water, uitgenomen het vak, waar op ik myne hut geplaatst had, het welk droog bleef. Door dit toeval, waren de Officiers en soldaten tot de kniën toe in 't water. Den zelfden dag, kwam myn waarde vriend HENEMAN, die als vrywilliger diende, uit het leger van den Colonel FOURGEOUD, aan de Wana-Kreek, in een vaartuig vol krygsbehoeften en soldaaten. Hij was tot Lieutenant in myne Compagnie benoemd. Ik vernam van hem, dat de overige krygsbende Maagdenberg verliet, om zig naar het bovenste gedeelte van de Commewyne te begeven, en zig aldaar neder te slaan. Deeze arme jongeling was door elende en vermoeienissen uitgeput; ik beval hem aan de zorge van JOANNA, die hem als een broeder behandelde. Den 14den, den Colonel FOURGEOUD met zyn krygsvolk te Maagdenberg aangekomen zynde, kwamen de Officiers en soldaten der Compagnie, en de Jagers, ten getale van by de twee honderd mannen, in vaartuigen de Rivier afzakken, om in verschillende posten aan de Peréca verdeeld te worden. Zommigen van hun kwamen op de Hoop aan land, om zig te ververschen, en gedroegen zig zoo slecht, dat myne Officiers en ik genoodzaakt waaren, een half dozyn 'er van te straffen; zy vertrokken den zelfden dag. Ik zond vervolgens een open vaartuig van agt riemen af, om den Opper Bevelhebber, met eenigen van zyne Officiers, naar Paramaribo te brengen, van waar hy eindelyk aan den Graaf van RANDWYK toestond, om naar Holland scheep te gaan. Den 16den, wierd het grootste gedeelte der schapen, tot deeze Plantagie behoorende, ongelukkiglyk vergeven, door van eene plant te eeten, welke de Negers duncane noemen; maar de myne ontsnapten dit ongeluk. Het spyt my zeer, dat ik deeze plant niet met meerder aandacht onderzogt heb. Zie hier alles wat ik 'er van weet. Het is een struik met breede groene bladen, byna van de grootte van het Engelsch klissekruid. Het groeit van zelf op laage en moerassige plaatsen, en veröorzaakt aan elk dier, het welk 'er van eet, oogenblikkelyk den dood. De slaven zyn dienvolgende verpligt in de Savane en velden, alwaar men beesten weidt, dit onkruid uit te trekken; want men beweert, dat de ossen en schapen 'er heet op zyn, hoe schadelyk het ook voor hun is, en schoon anders de ingeschapen neiging der dieren hen, zoo men zegt, de nuttige van de schadelyke planten doet onderscheiden. Een Neger had door onöplettenheid deeze plant in zyn tuin laten groeien, alwaar de ongelukkige schapen, na het om ver werpen der heiningen, binnen kwamen. Er waaren ook, in deezen zelfden tuin, verscheide andere wortels en planten, die der aandacht waardig zyn. Ik vond aldaar de igname, een wortel, in de West-Indiën zeer bekend, en die in een vetten grond welig groeit. Die van Surinamen weegt zomtyds drie of vier ponden, en één akker kan wel tien of twintig duizend ponden opbrengen: dezelve is zeer aangenaam van smaak, het zy gekookt, het zy gebraden, en bovendien zeer gezond, en gemakkelyk te verteeren. Van binnen is zy wit, en van buiten heeft ze eene hooge purper kleur, naar het zwart hellende. Haare gedaante is zeer onregelmatig. De ignames komen voort van spruiten, welke men op eenen korten afstand van elkander plant; en na verloop van zes maanden geraken zy tot haare volkomene rypheid. De bladen beginnen dan bleek te worden. Tot dien tyd toe hebben zy eene zeer donkere groene kleur. Deeze wortels kruipen langs den grond, even als het eiloof. Zy maaken het voornaamste voedzel der slaven in de West-Indiën uit, en dienen hun zelfs tot brood. Men kan ze geduurende een jaar, of daaromtrent bewaaren; zy zyn dienstig op lange reizen, en men voert ze dikwils naar Engeland over. Ik zag ook nog eene andere zeer kleine wortel, waar aan men in Surinamen den naam van naapjes geeft. Men eet ze op dezelfde wyze, als de igname, maar zy is veel beter. Beiden vervullen hier de plaats van aardäppelen, wortelen en raapen, die ons in Engeland van zulk eene groote nuttigheid zyn. Dezelve tuin bevatte ook Turksch graan, of maïs, gelykende naar dat van Europa. Men teelt dit zeer veel in Surinamen: men geeft het niet alleen aan het gevogelte, en allerleije zoort van vee te eeten; maar men maakt 'er ook meel van, en de Creölen bakken 'er ook lekkere koeken van, die daarënboven zeer voedzaam zyn. Men eet ze zomtyds met wortels van althea. Deeze is een zeer kleine stronk, met langwerpige bladeren; dezelve wortels, wel gekookt, geeven een zeer goede saus, wanneer men ze met peper van Caijenne aanzet; maar derzelver slymige aart maakt ze niet zeer smakelyk. Den avond van den dag, die voor de schapen zoo doodelyk was, met myn snaphaan op den schouder wandelende, schoot ik een vogel, alhier Soubacou genaamd. Het was een zoort van grauwe ryger. Zyn bek en pooten waaren zeer lang, en van een zeer donker groene kleur. De laatstgemelde scheenen met breede schubben bedekt te zyn, van eene harde en hoornachtige zelfstandigheid; en de nagels van elken klaauw in het midden der poot waaren getand. Deeze vogel, schoon van de grootte van een gewoon hoen, was zoo ligt als een duif. Toen hy gereed gemaakt was, vonden wy in hem een visch-smaak. Ik heb zedert eenigen tyd geen trek van wreedheid aangehaald, en ik heb my deswegens zeer gelukkig geacht. Het is derhalven niet dan met weerzin, dat ik my gedwongen zie 'er eenige te verhaalen, welke ik zeker ben, dat de verontwaardiging en het mededogen van den lezer verwekken zullen. De eerste daad van onmenschelykheid, die myn mededogen gaande maakte, was eene strafoeffening, welke ik op eene nabuurige Plantagie aanschouwde. Een fraay Samboes meisje, omtrent agtien jaaren oud, en geheel en al naakt, was met de armen aan een boom vast gemaakt. In deezen staat wierd zy door zweepslagen, die twee Negers haar toebragten, zoo verschrikkelyk van één gereeten, dat het bloed uit haar lichaam van het hoofd tot de voeten gonsde. Dit ongelukkig schepzel had reeds twee honderd slagen ontfangen, toen ik haar vernam, hebbende het hoofd op haaren boezem hangende, en het akeligst schouwspel opleverende. Ik liep naar den Opzichter, en bad hem, dat hy haar oogenblikkelyk zoude doen losmaken, vermits zy haare straf geheel had ondergaan. Maar hy antwoordde my zeer eenvoudig, dat hy, om de vreemdelingen te beletten van zig met zyn bestuur te bemoeijen, zig tot eenen onveranderlyken regel had voorgeschreven, om de straf te verdubbelen, ingevalle iemand hunner voor den schuldigen spreeken wilde; en de wreedäart liet de straföeffening oogenblikkelyk op nieuw beginnen. Ik wilde hem, maar vrugteloos, tegen houden; hy verklaarde my, dat het minste uitstel, wel verre om hem van besluit te doen veranderen, zyne wraak slechts onverzoenbaarer en verschrikkelyker maakte. My stond niets anders te doen, dan dit afschuwelyk wangedrocht te ontwyken, en zig, even als een wild beest, met bloed te laten verzadigen. Van dien dag af, besloot ik alle gemeenschap met de Opzichters af te breken, en ik konde my niet wederhouden, om hen allen te vervloeken. Naar de reden van deeze onmenschelyke daad onderzoek gedaan hebbende, vernam ik met zekerheid, dat de eenige misdaad van dit ongelukkig meisjen daar in bestond, dat zy de omhelzingen van haaren vervloekten beul standvastig geweigerd had. De schelm, door jaloersheid en wraakzucht aangedreven, deed, onder voorwendzel van ongehoorzaamheid, haar zoo levendig van één ryten. Ik heb dit arm meisjen in den staat, waar in ik haar vond, afgeteekend, en ik ben overtuigd, dat dit gezicht het medelyden van elk gevoelig mensch verwekken zal. Tot hier toe geene gelegenheid gehad hebbende, om van de Samboes te spreken, zal ik tans zeggen, dat het een zoort is tusschen mulatten en negers in. Zy zyn van eene donkere koper-kleur; zy hebben zwarte en ligt gekrulde hairen. Deeze slaven, zoo mans als vrouwen, zyn over 't algemeen zeer fraay, en de Planters gebruiken ze voornamelyk tot den dienst binnen hunne huizen. By myne te rug komst op de Hoop, sprak de Opzigter der Plantagie, EBBER, my aan, en zeide my met traanen in de oogen, dat hy veroordeeld was in eene boete van twaalf honderd guldens, ter zaake dat hy dezelfde straf aan een mans slaaf had doen uitvoeren, maar met dit onderscheid, dat het ongelukkig slachtöffer staande de straföeffening stierf. Wel verre van hem te troosten, antwoordde ik hem, dat zyn hartzeer my een onuitspreekelyk genoegen deed. Zie hier de byzonderheden van deezen moord. Terwyl de Capitain TULLING op de Hoop het bevel voerde, en kort voor myne aankomst op deeze Plantagie, was een Neger op eene nabuurige Plantagie overgeloopen, van waar men hem te rug bragt, door twee gewapende slaven geleid wordende. De Neger, terwyl de Opzichter den brief van zynen medebroeder van de nabuurige Plantagie, hem over deeze zaak geschreven, las, vond middel om te ontsnappen, en verschool zig in het bosch. EBBER, woedend zynde, wreekte zig op de twee slaven, die den gevangen hadden laten ontkomen, en deed hen op de werkplaats van den timmerman vast binden. Op zyn bevel geesselde men hen zoo onbarmhartig, dat de Capitain TULLING geraden vond genade voor hun te verzoeken; maar hy ondervond het zelfde lot als ik, zyne tusschenkomst bragt eene geheel tegenstrydige uitwerking voort naar 't geen hy verwagtte. Het geruisch der slagen, en het grievend geschreeuw deezer ongelukkigen, lieten zig meer dan anderhalf uur hooren, en deeze wreede strafoeffening eindigde niet, dan met den dood van één van beiden. Men dagvaardde EBBER dadelyk wegens begaane moord. Hy wierd overtuigt, en alleenlyk in de zoo even gemelde boete verwezen. De bloedprys word altoos tusschen den Fiscaal en den eigenaar van den vermoorden slaaf verdeeld. 'Er is een wet in Surinamen, dat elke Planter, mits eene somme van vyfhonderd guldens betaalende, één van zyne Negers mag ter dood brengen; zoo hy 'er een van iemand zyner gebuuren doodt, moet hy hem schadeloos stellen, na van de misdaad overtuigd te zyn, een zaak, die in dit Land zeer moeielyk is, alwaar men geen getuigenis van een slaaf toelaat. Dusdanig is de wetgeving in Hollandsch Guiana, met opzigt tot de Negers. Gemelde EBBER was een verschrikkelyke wreedaart: een geheel jaar lang folterde hy een jongman van veertien jaaren, genaamd CADETTI; men geesselde hem alle dagen, geduurende de eerste maand; men liet hem op den grond en op den rug met yzers aan de voeten slapen, geduurende de geheele tweede maand; men deed hem een driehoek [4] om den hals, geduurende de derde maand, om hem te beletten van in de bosschen te loopen; geduurende de vierde maand ketende men hem nacht en dag in een honden-hok, aan den waterkant, met last om te roepen, zoo dikwils 'er een vaartuig of kano voor by voer; de Opzichter veranderde eindelyk de straf van maand tot maand, en altyd op eene nieuwe manier; het gevolg daar van was, dat deeze jongeling geheel krom wierd; hy scheen geheel van gevoel beroofd te zyn, en had geen ander voorkomen, dan van een beest. De schelm van een Opzigter was echter grootsch op de schoonheid der slaven, en zomtyds zelfs, uit vreeze van hunne huid te bederven, strafte hy verscheiden van hun, die door hunne rooveryen en misdaden de galeijen verdiend hadden, alleenlyk met een twintig-tal geesselslagen. Zie daar, welke de openbaare en huisselyke rechtsöeffening in de Volkplanting van Surinamen is. Deeze EBBER geraakte echter om deeze reden van de Plantagie de Hoop af, en zyn opvolger, (ten blyke dat hy meer menschelykheid bezat!) begon zyn bestuur, met alle de Negers der Plantagie, mans en vrouwen, te laten geesselen, om dat ze des morgens een quartier te lang geslapen hadden. De lezer verbeeld zig ongetwyffeld, dat dit de wreedheid in den hoogsten top is! hy bedriegt zig. Het geval, dat ik nog zal bybrengen, is in dit opzigt veel sterker, dan allen, die ik verhaald heb; en het was een vrouw, die 'er zig aan schuldig maakte. Mevrouw S.... in een open vaartuig, naar haare Plantagie gaande, wierd vergezeld van eene Negerin, die haar kind zoog. Deeze vrouw zat voor aan in het vaartuig, het kind schreeuwde, en zy kon het niet tot bedaaren krygen. Mevrouw S...., wien het geschrei van dit onnoozel wicht verveelde, gelastte aan haare slavin, om het by haar te brengen. Zy nam het kind toen by een arm, hield het onder water, tot dat het verdronken was, en vervolgens wierp zy het in den stroom weg. De moeder sprong uit wanhoop oogenblikkelyk in de Rivier, in het vast besluit, om aldaar haar leven te eindigen; maar dit lukte haar niet: een gedeelte der roeijers zwommen haar na, en bragten haar weder aan boord. Haare meesteresse deed, by haare komst op de Plantagie, haar drie of vier roede-slagen geven, om haar te straffen wegens de schade, welke zy, door zig van kant te helpen, aan haar had willen toebrengen. Den 20sten, verliet de Colonel FOURGEOUD met zyn krygsvolk, het welk in den deerniswaardigsten staat was, Maagdenberg; dienvolgende sloeg hy zyn leger neder op eene Plantagie, genaamd Nieuw Rozenback, gelegen tusschen mynen post van de Hoop en het Hospitaal. Ik ging dadelyk myne opwagting by mynen Colonel maken, en vernam aldaar den volgenden uitslag zyner krygsverrigtingen. Ik heb reeds gezegd, dat de Capitain FREDERIK was gewond geworden; een soldaat was verdwaald geraakt: een ander was door de muitelingen gehouwen; de gevangenen hadden met hunne ketenen de vlucht genomen; en de vyand spotte met deezen krygstocht.--Men had een zee-soldaat, die ziek was, aan zyn lot overgelaten; één der Slaven had den arm gebroken, ten gevolge van mishandelingen. Dusdanig waren de byzonderheden van deezen veldtocht. Ik moet egter niet vergeeten de edelmoedigheid van eenen armen Neger, die wegliep, om den elendigen soldaat te hulp te komen, en die, na hem den laatsten plicht bewezen te hebben, te rug kwam, om zyne straf te ontfangen; maar, tot zyne groote verwondering, genade kreeg. Ik moet den Colonel FOURGEOUD het recht doen wedervaaren, dat verscheiden deezer toevallen het onvermydelyk gevolg waren van zoortgelyke tochten in zulk eene luchtstreek. Zoo hy al, door een allerslegtsten levensregel, zyn krygsvolk deed omkomen, zonder muitelingen gevangen te nemen, deed hy ten minsten een gewichtigen dienst aan de Volkplanting, door den vyand te ontrusten, af te matten, en te vervolgen, derzelver legerplaatsen te verwoesten, en hunne schuilplaatsen te vernielen. De Colonel FOURGEOUD deelde in alle deeze vermoeienissen en gevaaren, en dat op zyne jaaren, het geen tegen de gebreken van zyn caracter in aanmerking moet genomen worden, en dienen kan, om hem den naam van geduldig en moedig toe te kennen. Ik zoude veel meer genoegen hebben, met tot zynen lof te schryven; maar de waarheid, en het algemeen voordeel, het welk het menschdom daar uit trekken moet, vorderen, dat ik, de goede hoedanigheden van den Colonel schetsende, ook opgeeve welke zyne gebreken waren, op dat anderen zig door zyn voorbeeld kunnen verbeteren. Was het niet belachelyk, om te Paramaribo, alwaar het papier volkomen goed was, zyn krygsvolk in geld te betaalen, en hun op de tochten niets anders te geven, dan die ingebeelde munt, waar mede het onmogelyk was eene enkele igname, of de minste vrucht van een plantain-boom te betaalen, Intusschen had hy geld tot zyne beschikking; maar hy wilde tien ten honderd winnen met de soldy van het geheele Regiment, en dit gedrag bragt hem by al het volk in eene algemeene verachting. Den 21sten kwamen verscheiden Officiers my verzoeken, om op de Hoop het middagmaal te houden, en ik deed hun veelerhande visch opdisschen, waar onder waren de Kawiry, de Lamper, en de Makrely-fisy. De Kawiry is een kleine visch zonder schubben, met een breede kop, en twee lange baarden, die uit het bovenste gedeelte van den bek uitsteeken: men vindt hem in alle deeze Rivieren in overvloed. De Lamper is een zoort van lamprey, zoo als men die in de Theems vangt: de Surinaamsche is van eene ronde gedaante, en niet zeer dik, maar slymig en zeer vet; hy heeft een zee-groene kleur, met geele vlakken, uitgenomen onder den buik, die wit is. Deeze visch word, even als de zalm, en in de zee en in de rivieren gevonden. De Makrely-fisy gelykt naar de makreel, die aan dezelve den naam geeft; de kleur is echter minder blaauwachtig, en minder schitterend. Deeze maaltyd deedt groot genoegen aan myne gasten, en wy waren zeer vrolyk; maar, des morgens van den 22sten, wierd myne arme JOANNA, die onze keukemeid geweest was, door eene geweldige koorts aangetast: zy betuigde my haar verlangen, om naar Fauconberg te rug te keeren, alwaar zy door eene van haare nabestaanden konde worden opgepast, en ik stemde daar in toe. Den 25sten, was zy zoo ziek, dat ik besloot haar zoo, veel mogelyk in stilte te gaan zien; want de Colonel moest des anderen daags op de Hoop komen, en ik had geen lust om zyn kortswyl af te wagten. Ik wist, dat de loffelykste beweegreden niemand voor beschimping veilig stelde. Het was in deeze onderneming moeielyk voor by den post van den Colonel te komen, zonder gezien te worden. Aan mynen vriend HENEMAN myn ontwerp hebbende mede gedeeld, stapte ik des avonds ten elf uuren in myn vaartuig; maar toen ik tegen over Nieuw-Rozenback was, hoorde ik zeer onderscheidentlyk de stem van den Bevelhebber, die met eenige Officieren door het zand wandelde; en oogenblikkelyk riep een schildwacht, om met het vaartuig aan wal te komen. Ik dacht, dat alles zoude zyn ontdekt geworden: egter dagt ik best, aan de Negers te zeggen, dat zy zouden antwoorden: Killestein Nova, het welk de naam was van eene naby gelegene Plantagie, en men liet ons voor by vaaren. Kort daar na, kwam ik gezond en behouden te Fauconberg, alwaar ik JOANNA veel beter vond. Maar, des morgens van den 26sten, nam ik den opkomenden dageraad voor het maanlicht, en versliep my. Ik wist niet, op welke wyze ik naar de Hoop te rug zoude komen; want myn vaartuig en myne Negers konden niet meer voor by komen, zonder door den Colonel herkend te worden. Alle uitstel was nutteloos. Ik ging dus weder scheep, my volstrektelyk verlatende op de behendigheid der slaven, die my, een oogenblik voor dat wy in 't gezicht van 't hoofd-kwartier waren, aan land zetteden. Een van hun, my door de bosschen geleid hebbende, kwam ik behouden weder op de Hoop aan. Myn vaartuig kwam schielyk aldaar aan, maar voorzien van eene goede wacht; en de Colonel zond my bevel, om hen allen te doen afkloppen, om dat zy zonder verlof waren uitgegaan; want zy hadden tot hunne verschooning gezegd, dat zy voor hunnen meester waren gaan visschen. Hunne getrouwheid jegens my, ter deezer gelegenheid, was waarlyk verwonderlyk: zy verklaarden allen, dat zy zig liever in stukken hadden laten houwen, dan de geheimen van eenen zoo goeden meester te verraden. Echter hield alle gevaar voor hun op. Ik bekragtigde het geen zy gezegd hadden, en voegde 'er by, dat de visch geschikt was, om 'er den Colonel op te onthalen. Ik deelde vervolgens twee kruiken rhum onder deeze brave lieden uit. Deeze trek kan een denkbeeld geven van de zwakheid van een Europeaan, zoo wel als van den moed en standvastigheid van een Africaan. Onäangezien alle myne toebereidzels, ontfing ik het bezoek van den Bevelhebber eerst op den 28sten; maar des morgens van den 26sten, kwam JOANNA te rug, vergezeld door eenen grooten Neger, die haar oom was, en op één der armen een zilvere plaat droeg, waar op deeze woorden stonden: Getrouw aan de Europeanen. Deeze man, genaamd COJO, die vrywillig en de eerste tegen de muitelingen gevochten had, had zig naderhand genoodzaakt gezien, om zig weder by hen te voegen, uit hoofde der mishandelingen van M. D. B. en van den Opzichter. Hy verhaalde my het volgende geval: "Gy ziet dit kind, zeide hy, my een klein meisje, TAMERA genaamd, het welk hy by de hand hield, aanbiedende: haar vader is genaamd JOLI-COEUR; hy is de eerste Capitain onder BARON, en de onverschrokkenste van allen de muitelingen van het bosch; het geen hy nog laatstelyk heeft doen zien op eene Plantagie, gelegen naby Nieuw-Rosenback, alwaar uw Colonel tegenwoordig het bevel voert. De Opzichter deezer Plantagie was een Jood, genaamd SCHOULTS, die het bevoorens op Fauconberg geweest was. De muitelingen verscheenen aldaar eensklaps, en maakten 'er zig meester van, zy bonden SCHOULTS, plonderden het huis, en begaven zig tot dansen, en het maken van goeden cier, alvoorens zy dagten om over hunnen gevangen te beschikken. In deeze akelige gesteldheid, verwagtte deeze niets anders dan het teeken tot zynen dood, wanneer zyn oog by toeval op den Capitain JOLI-COEUR viel, wien hy deeze woorden te gemoet voerde: "Myn lieve JOLI-COEUR, gedenk aan SCHOULTS, die alleenlyk de gemachtigde van uwen meester was; herinner u alle de vriendelykheden, die ik u geduurende uwe kindsheid bewezen heb; gy waart myn gunsteling; herinner u dit, en breng door uwen vermogenden invloed te weeg, dat men my het leven gunne".--Het antwoord van JOLI-COEUR is merkwaardig.--Ik herinner my dat alles volkomen; maar, geweldenaar, herinner u, dat gy myne arme moeder hebt geschaakt, en mynen vader, die haar ter hulpe kwam, door geesselslagen doen van één ryten; herinner u, dat gy haar in myne tegenwoordigheid hebt geschonden, toen ik nog maar een kind was. Herinner u deeze schenddaad, en sterf door myne hand!--Op deeze woorden hieuw hy hem met eenen byl het hoofd af". Na dit verhaal, vertrok COJO met de kleine TAMERA, en ik reikhalsde met ongeduld naar het nieuws, het geen ik dagelyks van Amsterdam te gemoet zag, en, zoo ik hoopte my zelf in staat zoude stellen, om de beminnelyke JOANNA van het juk van zulke gedrochten te verlossen. De Colonel FOURGEOUD kwam, den 28sten, met één van zyne Officiers aan. Zyne houding was uittermaten ernstig; het geen my zeer leed deed. Ik liet hem dadelyk in myne hut komen; en zoo dra hy myne gezellinne gezien had, verdweenen alle de rimpels van zyn voorhoofd, als een damp voor de stralen der zon. Nooit heb ik gezien, dat hy zig met zoo veel wellevenheid gedroeg. Ik behandelde hem zoo goed my mogelyk was, en waagde het, om hem een verhaal van myne reize naar Fauconberg te doen: hy lachte 'er hartelyk om; en ons beiden de hand gedrukt hebbende, keerde hy, in eenen goeden luim, en volkomen voldaan, naar Nieuw-Rosenback te rug.--Volgens alle de omstandigheden, in dit hooftstuk vervat, kan ik zeggen, dat het tydperk, waar over het zelve loopt, de gulde eeuw was van mynen tocht naar de West-Indiën. VEERTIENDE HOOFTSTUK. De Colonel FOURGEOUD keert naar Paramaribo te rug.--Het gevleugeld en gewapend Water-hoen van EDWARDS.--Bewys van onkunde in een Heelmeester;--van deugd in een slaaf;--van wreedheid in eenen Bevelhebber.--De roode Wulp.--De Wesp, Marobonso genaamd.--Orange-appelen en Limoenen.--De insecten, Chiques genaamd.--Het krygsvolk begeeft zig weder naar de bosschen.--De Kibry-Fowlo.--Verscheidene zoorten van wilde varkens.--Mieren.--De dans van Loango.--De Toreman.--De Poelsnip van Guiana.--Plantains en Bananes.--Manier om te visschen.--Visschen.--Vogelen. De Colonel, zyn vertrek tot den 29sten April hebbende uitgesteld, begaf zig eindelyk naar Paramaribo. Hy was door eenige Officiers vergezeld, die, zoo wel als hy, allernoodigst hadden zig aldaar te ververschen. Zyn krygsvolk, tot een zeer klein getal versmolten zynde, was niet meer in staat, om eenige krygsoeffening uit te houden, en verlangde naar rust. Geduurende zyne afwezigheid, vond ik my Bevelhebber der Rivier te zyn. Korten tyd voor zyn vertrek, zond hy my zeer merkwaardige Instructiën, onder anderen inhoudende: "Om aan de Planters te vragen, of de muitelingen op hunne Plantagiën kwamen, en zoo ja, hen aan te tasten, en op de vlucht te dryven; maar hen niet te vervolgen, zonder zeker te zyn, van hen geheel en al t'onder te brengen; en ik moest voor de uitvoering van deeze beveelen verantwoordelyk zyn". Dit wilde zeer eenvoudig zeggen: "Dat, indien ik den vyand zonder goed gevolg aantastte, ik gestraft zoude worden; en dat, zoo ik hem in 't geheel niet aantastte, ik rekenschap van myne achteloosheid zoude hebben te geven". Hoe oordeelkundig andere artikelen ook waren, konde ik my niet wederhouden van dit zeer ongerymd te vinden. Ik zond het dadelyk door een Officier te rug; en, op myn verzoek, verbeterde men het zoodanig, dat het een verstaanbaaren zin had. Hoe gelukkig was ik op dit oogenblik! My ontbrak niets, en ik had myne bevallige gezellin steeds by my. Haar beminnelyk gezelschap verrukte my; haare zoete stem streelde myn oor; haare tegenwoordigheid verbande alle hartzeer, alle akelige herdenking uit mynen geest. Op zekeren dag in de verdronken Savanen wandelende, schoot ik een vogel, dien ik voor het gevleugeld en gewapend Waterhoen van EDWARDS herkende. Deeze fraaije vogel behoort, zoo men zegt, tot het zoort der Pluviers; hy heeft de gedaante van een duif; zyne pluimaadje heeft eene donkere kaneel-kleur of zeer donker roodachtig oranje; de buik en hals zyn volmaakt zwart; de vouw van elke vlerk, waar van de vederen een schitterend geele kleur hebben, is gewapend met een spoor van eene zelfstandigheid, gelyk aan hoorn, en dienende tot verdediging van deezen vogel: hy heeft geen staart; zyn bek is byna twee duimen lang; zyne pooten zyn ook zeer lang, en, even gelyk de bek, van een geelachtig groene kleur; zyne klauwen, vooral de achterste, zyn uittermaten lang; zy schynen berekend, om de zwaarte van den vogel in het slyk te dragen, alwaar men hem dikwils ontmoet, mogelyk om aldaar zyn voedzel in het water te zoeken. Dit hoen, even als andere zoorten van Pluviers, zwemt nooit; zyn kop is verciert met een scharlaken hanekam, en kleine peerlen scheiden hem den bek van de oogen af, even als de Moscovische eendvogel. Men vindt de gewapende Pluviers altoos by koppelen; en wanneer zy vliegen, fluiten zy vry aangenaam. Hunne ongemeene schoonheid herinnert my een anderen vogel, welken ik op nabuurige Plantagiën gezien heb, ik bedoel de roode Wulp van Guiana, alhier Flamingo genoemd, [5] uit hoofde van de groote gelykvormigheid, die tusschen hem en den beroemden vogel van dien naam gevonden word. Men treft deezen Flamingo in Canada aan, en in verscheide noordelyke en zuidelyke gedeelten van America, en vooronderstelt, dat hy tot het geslacht der kraanvogels behoort, en zoo groot is, als een zwaan in Europa. De roode Wulp heeft echter alleenlyk de gedaante van een kleine Reiger; hy heeft geen staart; maar zyn hals, zyn gekromde en ronde bek, en zyne pooten zyn zeer lang; de laatstgemelde hebben vier klauwen, drie van vooren en één van agteren. De kop van deezen Wulp is zeer klein. Het wyfje legt altoos twee eieren, uit ieder van welke, na het uitbroeien, een jong voortkomt, eerst van een zwarte, vervolgens van een gryze, en dan van een witte kleur, naar mate hy in grootte toeneemt, en eindelyk word de geheele vogel scharlaken of karmozyn, of naar bloedkleur hellende. De roode Wulpen leven in gezelschap, even als de Oijevaars, en bewoonen voornamelyk de oevers der Rivieren, of de stranden der zee; en men vind ze aldaar