The Project Gutenberg EBook of Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana, by John Gabriel Stedman #4 in our series by John Gabriel Stedman Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the copyright laws for your country before downloading or redistributing this or any other Project Gutenberg eBook. This header should be the first thing seen when viewing this Project Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the header without written permission. Please read the "legal small print," and other information about the eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is important information about your specific rights and restrictions in how the file may be used. You can also find out about how to make a donation to Project Gutenberg, and how to get involved. **Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts** **eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971** *****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!***** Title: Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana Author: John Gabriel Stedman Release Date: May, 2005 [EBook #8099] [Yes, we are more than one year ahead of schedule] [This file was first posted on July 16, 2003] Edition: 10 Language: Dutch Character set encoding: ASCII *** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REIZE NAAR SURINAMEN *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreaders Team REIZE NAAR SURINAMEN EN GUIANA. IV. REIZE NAAR SURINAMEN, EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA; DOOR DEN CAPITAIN JOHN GABRIEL STEDMAN. MET PLAATEN EN KAARTEN. NAAR HET ENGELSCH VIERDE DEEL. TE AMSTERDAM, BY JOHANNES ALLART, MDCCC. INHOUD DER HOOFTSTUKKEN. XXIX. HOOFTSTUK. Byzonderheden, betreffende den beruchten GRAMAN QUACY.--Beschryving van eene Koffy-Plantagie.--Ontwerp tot verbetering van de Volkplanting van Surinamen.--Verscheiden zoorten van visschen.--Nieuwe trek van wreedheid.--Voorbeeld van menschlievendheid.--De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD wordt wederom ingescheept. XXX. HOOFTSTUK. De Schepen ligten het anker, en steken in Zee. Overtocht.--Het Zee-paard.--De Noord-kaper.--De Haay.--De Zuiger-visch.--Het Lootsmannetje.--De Bruinvisch.--Zee-orkaan.--De schepen landen in Texel aan.--Ontscheping van het krygsvolk in de Stad 's Hertogenbosch.--Dood van den Colonel FOURGEOUD.--Besluit. AANHANGZEL. VOOR-BERICHT. EERSTE BRIEF. Van den aart der Landen, derzelver vruchtbaarheid en plaatselyke ligging. TWEEDE BRIEF. Van de manier, om te arbeiden aan Dykagien, uitwaterende Vaarten, Sluizen en ander werk, het welk noodig is, om het Land ter bebouwing gereed te maken. DERDE BRIEF. Van het planten en aankweeken van Koffy, en van de noodige levensmiddelen tot onderhoud van de Planters; van het oogsten en bewerken der Koffy; van de gebouwen, en verdere noodzakelyke inrigtingen tot eene groote Koffy-Plantagie, volgens het gebruik der Hollandsche Volkplantingen in Guiana. VIERDE BRIEF. Antwoord op de drie eerstgemelde Brieven, waar by de Fransche Ingezeten de vraag omtrent de afschaffing der slavernye, in de Volkplantingen, alwaar dezelve nog plaats heeft, opzettelyk behandelt: hy raadt om deeze verandering, die noodzakelyk geworden is, te bevorderen; en geeft de middelen aan de hand, om daar toe te geraken, zonder aan den voorspoed der Volkplantingen nadeel toe te brengen. TWEEDE AANHANGZEL, OF BESCHRYVING DER VOLKPLANTING VAN CAYENNE. I. HOOFTSTUK. Aardrykskundige Beschryving van Fransch Guiana. II. HOOFTSTUK. Luchts-gesteldheid in Fransch Guiana. III. HOOFTSTUK. Geschiedkundige opgaave, betrekkelyk Fransch Guiana. IV. HOOFTSTUK. Bevolking van Fransch Guiana. V. HOOFTSTUK. Zeden en gewoonten der Indianen. VI. HOOFTSTUK. Behandelingen, welken de Indianen in Fransch Guiana ondergaan hebben.--Middelen om hun voor de Volkplanting nuttig te maken. VII. HOOFTSTUK. Hooge en laage landen.--Timmerhout.--Voortbrengzels van Fransch Guiana. Levensmiddelen, tot de tafel dienende. REIZE NAAR SURINAMEN, EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA. NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK. Byzonderheden, betreffende den beruchten GRAMAN QUACY.--Beschryving van eene Koffy-Plantagie.--Ontwerp tot verbetering voor de Volkplanting van Surinamen.--Verscheiden zoorten van visschen.--Nieuwe trek van wreedheid.--Voorbeeld van menschlievendheid.--De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD wordt wederom ingescheept. Andermaal in de hoofdstad te rug gekomen zynde, en van de beleefdheid van anderen geen misbruik willende maken, huurde ik een klein, maar gemakkelyk huis, aan den waterkant gelegen, en alwaar wy byna zoo gelukkig leefden, als op de Hoop. Het eerste bezoek, dat ik ontfing, was van den Capitain LEWIS, die my berigtte, dat MACDONALD, die dankbaare matroos, van wien ik hier boven gesproken heb, op zyne te rug reize, na eenen tocht van twaalf dagen was overleden. Deeze brave jongen had den Capitain verzocht my van zynent wegen te groeten, en my ter hand te stellen de schelp van paarel d'amour, met zilver omzet, welke ik hem gegeven had. Een groot aantal Planters en Colonisten wenschten ons geluk met onzen goeden uitslag tegen de muitelingen, De beruchte GRAMAN QUACY vertoonde my ook den fraaijen rok, en gouden gedenkpenning, hem door den Prins van Oranje geschonken. Deeze Africaan, want hy was van de kust van Guinee geboortig, vond middel, om, door zyn inneemend character en door zyne slimheid, zig niet alleen de vryheid, maar zelfs een gemakkelyk leven, te bezorgen. Onder de slaven van het laagste zoort den naam van Lockoman, of toovenaar, verkregen hebbende, werd 'er op de Plantagien geene misdaad gepleegd, of GRAMAN QUACY wierd geroepen, om den schuldigen te ontdekken; het geen hy zeer dikwils deed, uit hoofde zyner doorzichtigheid, geholpen door het vertrouwen, het welk de Negers op zyne tooverstreeken stelden, en door het gezag, het welk hy op hen verworven had. Dienvolgende kwam hy groote onheilen voor; en tot belooning van zyne diensten, ontfing hy nu en dan aanzienlyke geschenken. De bende Jagers, en, alle de vrye Negers, waren aan zynen invloed onderworpen. Hy verkogt hun zyne obias of tooverbanden, om hen onkwetsbaar te maken, en hun daar door alle vrees te benemen. Door deeze kunstgreep had hy aan de Volkplanting grooten dienst gedaan, en tevens goed zyn beurs gemaakt. De Negers baden hem als een God aan. Het maken van zyne tooverbanden kostte hem weinig: zy bestonden uit kleine steentjes, zeeschelpen, klein gehakt hair, vischgraaten, vederen, enz. dit alles wel by elkander gebonden, en een pakje uitmakende, wierd met een catoen lint om den hals gehangen, of aan eenig ander gedeelte van het lichaam geplaatst. Hy had, in 't jaar 1730, het geluk, om eenen geneeskrachtigen wortel te ontdekken, die naar hem Quassie- of Quacy-hout genoemd wierd. [1] Schoon dezelve thans in Engeland minder beroemd is, dan voor deezen, beschouwt men dien echter als een zeer krachtig middel tot versterking van de maag, en herstelling van eetlust. Behalven deeze eigenschap, levert dezelve ook een krachtig middel tegen de koorts op. De heer D'AHLBERG, dien ik reeds in het verhaal van deeze reize genoemd heb, maakte, in 't jaar 1761, het Quasie-hout aan den beroemden LINNAEUS bekend, en deeze Zweedsche Natuurkenner heeft naderhand eene verhandeling over deeze plant geschreven. Door middel van deeze gewichtige ontdekking, zoude QUACY groote rykdommen hebben kunnen verzamelen, zoo hy zig niet aan een liederlyk leven en verkwistingen had overgegeven, waar van de gevolgen zwaare ziekten waren, en inzonderheid de melaatsheid, die, zoo als ik reeds gezegd heb, volstrekt ongeneeslyk is. Hy moet niettemin eenen hoogen ouderdom bereikt hebben, schoon hy den juisten tyd van zyne geboorte niet wist, maar hy was dikwils gewoon te verhaalen, dat hy als trommelslager diende, en op de Plantagie van zynen meester alarm sloeg, toen de Fransche Admiraal, JACQUES CASSARD, in 't jaar 1712, de Surinaamsche Volkplanting onder schatting stelde. Het Portrait van deezen buitengewoonen man, met zynen gryzen kop, en zyn scharlaken en blaauwen rok, met goud omboord, afgereekend hebbende, biede ik het zelve den lezer aan. Zelfs in de week van myne te rug komst op Paramaribo, ondervonden wy nieuwe bewyzen van de goede uitwerkingen, welken de tooverbanden van GRAMAN QUACY te weeg bragten. Een Capitain der Jagers, HANNIBAL genaamd, bragt aldaar twee handen van twee oproerige Negers, die hy ontmoet, en zelf gedood had. Eene van die handen was afgehouwen aan den Neger CUPIDO, in 't jaar 1774, gevangen genomen door den Colonel FOURGEOUD, die hem in de bosschen agter aan voerde, tot dat het aan deezen Neger, in weerwil van de ketenen, waar aan hy geboeid was, gelukte te ontsnappen. Myne vrienden een bezoek gevende, ging ik den heer ANDREAS REYNSDORP zien, die my een liskoord en een knoop van een hoed, met diamanten, toonde, die hem twee honderd guinies gekost hadden.--Zoo groot is de weelde in Surinamen. Deeze pracht was nog verre beneden die van den heer D'AHLBERG die behalven eene goude snuifdoos, met edele gesteenten omzet, en hebbende de waarde van 600 ponden sterlings, my twee stukjes zilver geld vertoonde, met goude randen, en met diamanten omzet, met dit opschrift: Soli Deo gloria, fortuna beatum &c. My niet hebbende kunnen wederhouden, om hem myne verwondering te kennen te geven, dat hy zoo byzonder veel werk maakte van twee zulke ligte stukjes, gaf hy my ten antwoord, dat dit al het gereed geld was, het welk hy bezat, toen hy uit zyn vaderland, Zweden, in deeze Volkplanting kwam.--Werkte gy? zeide ik hem.--Neen.--Vroeg gy om een aalmoes?--Neen.--Gy hebt evenwel niet gestolen?--Neen; maar, onder ons, ik gedroeg my als een geestdryver; het geen nu en dan zeer noodzakelyk is, en de drie andere kostwinningen overtreft. Ik zal nog een voorbeeld bybrengen van de buitensporigheid van zommige inwooners deezer Volkplanting. Twee van hun geschil hebbende over een koets, die zeer cierlyk gebeeldhouwd en zeer kostbaar was, zynde kortlings uit Holland aangekomen, moest men zyne toevlucht nemen tot de rechtbank, om te weten, aan wien dezelve toebehoorde; en geduurende den tyd, dat het twistgeding duurde, bleef het rydtuig in de open lucht staan, en verloor al deszelfs waarde. Den 10den February, wanneer de meeste onzer Officieren te Paramaribo te rug gekomen waren, gaf de Colonel hun, in het hoofd-kwartier, een zoo genaamd festyn. Met de vreugde op het aangezicht geschilderd, gaf hy ons kennis, dat hy zynen tocht ten einde gebragt had. Zonder veel bloed te vergieten, had hy zyn oogmerk volmaakt bereikt, door een-en-twintig gehuchten of dorpen te vernielen, en twee honderd velden te verwoesten, waar op allerleije zoorten van planten groeiden, van welken het bestaan der muitelingen afhing. Hy bevestigde ons ook de tyding, dat zy byna allen de Rivier Maroni waren overgetrokken, en zig in de Fransche Volkplanting van Caijenne hadden nedergezet, alwaar men hun niet alleen eene schuilplaats verleende, maar zelfs alles verschafte, wat zy benoodigd hadden. Wy wenschten hem van goeder harten geluk, en wy dronken driewerf den voorspoed van de Surinaamsche Volkplanting, welkers toekomende veiligheid afhing van het nieuw cordon, of van den verschansten weg, die door het krygsvolk der Societeit en de Neger-jagers verdedigd wierd. De Colonel FOURGEOUD, en zyne krygsbende, worden, in het werk van Dr. FERMIN, twee malen aangehaald als de redders deezer Volkplanting. De Abt RAYNAL spreekt 'er ook met zeer veel roem van, en zyne loftuitingen zyn met de rechtvaardigheid en waarheid overeenkomstig. Eene zaak is 'er, die den Colonel oneindig veel eere aandeed, namelyk dat, hoe zeer hy zyne soldaten op geenerhande wyze spaarde, hy nimmer eenen gevangen muiteling in koelen bloede deed ombrengen; ja zelfs, wanneer het hem mogelyk was, ontweek hy om denzelven in handen van den Rechter over te leveren. Hy wist, dat zyn plicht medebragt de muitelingen te verjagen; maar hy wist ook tevens, dat geweldadige en onmenschelyke mishandelingen hen tot muiterye hadden doen overslaan. Ik zelf, die, in de drie eerste jaaren, door hem op eene ongepaste manier vervolgd wierd, moet tot zynen roem verklaren, dat hy onvermoeid in den dienst was, en dat hy, in weerwil van eenige gebreken, een uitmuntend Officier was. De Bevelhebber melde ons bovendien, dat twee schepen, die met krygsbehoeften voor ons geladen waren, op de reede van Texel waren gestrand; maar dat men een gedeelte van hunne lading geborgen had, en in twee andere schepen overgeladen, die in de Rivier Surinamen aankwamen. Ik stond toen in zulk eene blakende gunst by den Colonel, dat hy my zelfs tot zynen vertrouweling nam. Ik wist daar door zyn voornemen, om het nieuwlings ontscheepte krygsvolk nog verscheiden maanden na ons vertrek in 't veld gelegerd te houden, welke ongemakken zy 'er ook door lyden mogten. Hy noemde my vervolgens de Officiers, welken hy, na zyne aankomst in Holland, wilde tegenwerken, als mede welken hy door zyne aanbeveeling wilde doen bevorderen; maar ik nam de vryheid hem hier in de reden te vallen, en op myne eer te verklaren, dat de eerstgemelde door my weten zouden het gevaar, dat hun over 't hoofd hing, zoo hy 'er by bleef, om zulk een onrechtvaardig ontwerp ter uitvoer te brengen. Deeze verklaring bragt ten minsten die goede uitwerking te weeg, dat het gesprek van zulk een onaeangenaam voorwerp wierd afgeleid. Ik verzogt hem vervolgens, "dat hy zig de noodlottige gesteltenis herinneren zoude, waar in dit zelfde volk zig bevond aan de Cassipory-Kreek, terwyl hun Heelmeester goude horologien, en diamanten ringen overwon, met het genezen van de ingebeelde ziekten der aanzienlyke lieden op Paramaribo". Hy antwoordde my: Gy zyt een braave jongen; en beloofde 'er aan te zullen gedachtig zyn. Ik wierd toen door Capitain MACNEYL genoodigd, om eenige dagen op zyne Koffy-Plantagie te gaan doorbrengen; maar, hoe zeer ik deeze uitnoodiging niet konde aanneemen, zal ik my echter van deeze gelegenheid bedienen, om de nuttige plant, Koffyboom genaamd, te beschryven, die, niet oorsprongelyk uit Guiana herkomstig zynde, zoo men zegt, door den Graaf DE NEALE te Surinamen gebragt wierdt, schoon zommige Schryvers daar van de eer geven aan zekeren zilversmit, HANSBACH genaamd. De Koffy-boon [2] koomt voort van den Koffy-boom, welke eene bevallige gedaante heeft, en die men niet hooger laat groeijen, dan tot een mans hoogte, om de vrucht des te gemakkelyker te kunnen plukken. De schors van deezen boom heeft eene helder bruine kleur; en zyne bladeren, zynde altyd groen, glad, glinsterend en hoog gekleurd var boven, bleek van onderen, uitgesneden, maar zonder getand te zyn, aan de beide einden puntig, aan de buitenkant stomp, drie of vier duimen lang, en omtrent twee breed, zitten aan zeer korte steelen, en eene uitspringende kant verdeelt dezelve benedenwaarts in twee gelyke deelen. De boom is 'er geheel mede bedekt, en zyne takken spruiten op eenen kleinen afstand van den grond uit. Deszelfs bezien zyn eirond, in 't begin groen, en langzamerhand van kleur veranderende tot dat zy ryp zyn, wanneer zy eene heldere roode kleur vertoonen, even als de kerssen. Het vleesch van elk deezer bezien, hebbende eenen vry aangenaamen zoetaechtigen smaak, eene speceryen geur, en eene bleeke kleur, omgeeft twee nootedoppen, die dicht aan elkander zitten, en elk eene halve boon of zaad bevatten van een kraakbeenigen aart, eene bleeke of geelaechtige groene kleur, eyrond, aan de eene zyde bolrond, aan de andere plat, en aldaar over deszelfs geheele lengte met eene zeer diepe groeve doorsneden. Men zegt, dat een Koffy-boom drie of vier ponden koffy by elken oogst kan opleveren; en even als andere plantgewassen van dit Land geeft dezelve twee malen 's jaars vruchten. De gebouwen op eene Koffy-Plantagie, bestaan in het huis van den Planter, het welk men, om de aangenaamheid, doorgaans aan den oever van eenige Rivier plaatst; en dicht daarby, gemakshalven, de woning van den opzichter, van den boekhouder, de magazynen, en kleine bergplaatsen. De verdere gebouwen, tot de bewerking geschikt, zyn eene wooning voor den timmerman, een timmerwerf, een zoort van schuur om het vaartuig in te bergen, twee koffy-huizen, het een, om de boon van het verdere gedeelte der vrucht af te scheiden, en het ander, om dezelve te laten droogen. Het overige bestaat in woningen voor de Negers, in een hospitaal, een beestenstal, en magazynen. Het geheel heeft het voorkomen van een klein gehucht. Het koffy-huis alleen kost zomtyds vyf duizend ponden sterling, en zelfs meer. Maar om een volkomener denkbeeld van het geheel te geven, verwyze ik den lezer naar de daar van door my gemaakte afteekening. Hy zal op dezelve zien de plaats der gebouwen, de velden in hunnen vollen groei, de paden, de grachten, de Huizen, alles behoorlyk onderscheiden. Eene dergelyke Plantagie, op die wyze gerangschikt, vereenigt in zig aangenaamheid, gemak, en veiligheid: aangenaamheid, om dat zy volmaakt regelmatig is; gemak, om dat alles aldaar onder het bereik en het oog van den Planter verrigt wordt; veiligheid, om dat zy door eene zeer breede gracht omringd is, waar in het water uit de Rivier loopt, en waar over een valbrug legt, die des nachts wordt opgehaald, en alle gemeenschap van buiten afsnydt. De landen, tot bebouwing geschikt, zyn in groote vierkante vakken verdeeld, waarop doorgaans twee duizend fraaije koffy-boomen staan, die op den afstand van tien voeten van elkander geplant zyn. Deeze boomen, die op de drie jaaren vruchten beginnen te dragen, hebben op de zes jaaren hunnen volkomen wasdom bereikt, en worden dertig jaaren oud. In plaats van de boomen, die sterven, plant men jonge loten, die uit eene kweekery gehaald worden, zynde een zeer wezentlyk gedeelte, waar aan eene Plantagie nimmer gebrek moet hebben. Ik heb reeds opgemerkt, dat men twee maalen's jaars oogsten kan: de eerste heeft plaats op het einde van de maand Juny, de andere op het einde van November. Het is in dit oogenblik niet onaeangenaam, Negers van allerleijen ouderdom, deeze bezien van eene helder roode kleur te zien plukken; en terwyl de meer bejaarden hunne taak afwerken, vermaken zig de jongere, die reeds dezelve geeindigd hebhen, met onder een aangenaam groen te stoeijen. Zy verschynen vervolgens allen voor den Opzichter, die de geenen, wier manden niet vol genoeg zyn, doet zweepen, welke reden van verschooning zy ook mogen bybrengen. Dit gedaan zynde, worden de vruchten in de schuur gebragt, en de slaven keeren naar hunne woningen te rug. Om het vleesch der vrucht van de boonen af te scheiden, worden de vruchten in een molen, die daar toe gemaakt is, gewreven; vervolgens worden de boonen in water geworpen, waar in zy een nacht blyven; men spreidt ze als dan uit op een zoort van dorschvloer, gemaakt in de open lucht, en met platte steenen, om daar op de boonen te laten droogen. Deeze bewerking afgeloopen zynde, begint men wederom eene andere, byna van gelyken aart, daar in bestaande, dat men de boonen op den vloer van eene zolder uitspreidt. Aldaar dampen zy uit, en droogen inwendig, en men draagt zorg om ze dagelyks met houten schoppen om te roeren. Om de drooging volkomen te doen zyn, werpt men deeze zelfde boonen in kuipen, die op rollen loopen, en men draagt zorg, dat ze niet door den regen nat worden. Men wryft ze vervolgens in houten mortieren, om de schil of het vlies, waar mede de boonen in de vrucht aan elkander vast zitten, van een te scheiden. De Negers doen dit werk op de maat, onder een algemeen gezang. Eenige Koffy-Plantagien in Surinamen brengen jaarlyks meer dan 150,000 ponden gewicht voort; en, gelyk ik reeds heb opgemerkt, het jaar voor onze komst, voerde men, alleen naar Amsterdam, 12,267,134 ponden van dit aangelegen voortbrengzel uit, waar van de prys van zeven tot agtien stuivers verschilde, maar die, midden door gerekend, eene somme van 400,000 ponden Sterling opbrengen, zonder daar nog by te rekenen het geen naar Rotterdam en Zeeland verzonden wierd. Dit is genoegzaam tot betoog, dat het aankweken der koffy allen aandacht van de Planters verdient. Ten aanzien van derzelver hoedanigheden is het onnoodig den lezer te onderhouden. Met deeze beschryving zal ik de waarnemingen eindigen, door my omtrent de voortbrengzels van het Planten-ryk in deeze Volkplanting gemaakt, naar mate dezelve zig aan my aanboden. Ik zal 'er echter byvoegen, dat de verscheidenheid en buitengewoone eigenschappen der boomen, planten, wortelen, enz. in dit Land, van dien aart zyn, dat zelfs de oudste inwooners dezelven niet volkomen kunnen kennen. Het is eenige jaaren geleden, dat de Graaf GENTILLY, een kundig man, met verscheiden Indianen de woestenyen van Guiana doorreisde. Hy had een aantal aanmerkingen verzameld, waar uit de Kruidkunde groote voordeelen stond te trekken, toen hy door eene kwaadaeartige koorts wierd aangetast, die hem in het midden zyner zoo gewichtige als nuttige werkzaamheden in het graf sleepte. Na alzoo myne berichten nopens de verschillende voortbrengzels deezer Volkplanting, voornanamelyk catoen, suiker, cacao, indigo en koffy, geeindigd te hebben; na herhaald te hebben, dat de onderscheidene boomen, heesters, planten, wortels, gommen, en welriekende dingen, welken men aldaar ontmoet, uittermaten talryk zyn, en allen van eene uitmuntende hoedanigheid, is my thans nog overig de belofte te vervullen, door my gedaan, om aan het oordeel van het publiek eenige aanmerkingen te onderwerpen, waar van de gevolgen, wanneer ze beoeeffend werden, een oneindig nut aan alle de West-Indische Volkplantingen zouden aanbrengen, en haar groote rykdommen verschaffen, tevens het geluk der slaven bevorderende, zonder dat men noodig zoude hebben tot den handel op de kust van Guinee zyn toevlucht te nemen, om het dagelyks verlies der Negers te herstellen. Maar het is noodzakelyk voor af de manier aan te wyzen, op welke zy gerangschikt en behandeld worden, overeenkomstig de byzondere gewoonte van deeze Volkplanting; ik zal vervolgens opgeven, hoe zy, niet alleen volgens de wetten der menschelykheid, maar ook volgens die van het gezond verstand behooren te zyn. Ik heb reeds doen opmerken, dat 'er 75,000 slaven van allerleije benamingen in Surinamen zyn. Om een getal te hebben, het welk zig gemakkelyker laat verdeelen, zullen wy het stellen op 80,000, en, daar de Plantagien een getal van 800 beloopen, veronderstellen, dat elke Plantagie 100 slaven heeft, (schoon verscheiden derzelven 'er niet meer dan 24, en andere wederom 400 hebben,) dus zullen wy het getal van 80,000 vinden. De volgende staat of tafel wyst de onderscheidene diensten of werkzaamheden aan, waar toe zy gebruikt worden. De eerste reije bevat het getal der slaven van alle ambachten, die tot elke Plantagie behooren; de tweede, de by elkander gerekende getallen over alle de Plantagien. Staat der Negers, zoo mannen als vrouwen, tot eene Plantagie behoorende, volgens derzelver onderscheidene diensten. Op een Op 800 Plantagie. Plantagien. Vier mannen tot huisselyken dienst. 4 3,200 Vier vrouwen, dito 4 3,200 Een kok voor den Planter, Opzichter, enz. 1 800 Een jager 1 800 Een visscher 1 800 Een tuinman voor de bloem- en moestuin 1 800 Een Neger, die belast is met het weiden van paarden en ossen 1 800 Een om de geiten te weiden 1 800 Een tot het weiden van de varkens 1 800 Een Neger, wiens post is aan het gevogelte eeten te geven 1 800 Timmerlieden, om wooningen, vaartuigen, enz. te bouwen 6 4,800 Kuipers, om het vaatwerk te maken en te herstellen 2 1,600 Een metzelaar, om de steene grondvesten te bouwen en te herstellen. 1 800 Negers, die eenig handwerk oeffenen, en andere, die alleen tot pronk dienen, wonende op Paramaribo 15 12,000 Een Neger, den post van Heelmeester waarnemende 1 800 Zieken en ongeneeslyken 10 8,000 Eene minne voor de kinderen, die door hunne moeders niet gezoogd kunnen worden 1 800 Zeer jonge kinderen, die nog geen arbeid kunnen doen 16 12,800 Negers, die te oud zyn om te werken 7 5,600 Negers, alleenlyk geschikt om op het Land te arbeiden 25 20,000 --- ------- Het geheele getal der slaven 100 80,000 Uit deezen Staat kan men zien, dat het getal der slaven, die verwezen zyn om den geheelen last van den arbeid op het veld te dragen, slechts een vierde bedraagt van de gezamentlyke Negers der Volkplanting; en deeze zyn het voornamelyk, die vroegtydig sterven. Is het dus niet klaar, dat indien men tot den zelfden arbeid, met zoo veel gestrengheid, de vyftig duizend slaven gebruikte, die daar toe bruikbaar zyn, het getal der dooden, jaarlyks op vyf van 't honderd beloopende, ten minsten tot twaalf vermeerderen zoude, en deeze bevolking, in een weinig meer dan agt jaaren tyds, volkomen vernielen zoude. Na getoond te hebben, hoe de slaven verdeeld worden, moet ik kortelyk opmerken, dat zoo al dertig duizend van dezelven met meerder gemak leven, dan het gemeene volk in Engeland; en andere dertig duizend een ledig leven leiden, of ten minsten een leven, het welk tot in standhouding der Plantagien van geen nut is; de twintig duizend, die dan nog overig zyn, over 't algemeen onder de ellendigste schepzels, die op aarde woonen, gerangschikt kunnen worden. Men geeft hun naauwlyks te eeten, men put hen uit door vermoeijing, men mishandelt hen, men ryt hen door wreede straffen van een, zonder te gedogen, dat zy hunne vorderingen en klachten laten hooren, zonder dat men naar hunne verdediging begeert te luisteren, zonder dat men hun by eenige gelegenheid het minste recht laat wedervaren; en op die wyze kan men hen als levendig dood beschouwen, dewyl zy geene der voorrechten van de menschelyke maatschappy genieten. Ik moet aan ieder mensch van gezond verstand vragen, of eene dusdanige verdeeling niet strydig is met het waar belang der eigenaars, terwyl dezelve door een verstandiger bestuur hunne rykdommen zouden vermeerderen, en het leven van hunne slaven zoo zeer niet verkorten? Indien de onbedachtzaame inwooners deezer Volkplanting hunne weelde, ik zal niet zeggen 'er van afzien, maar matigen wilden, zouden ten minsten twintig duizend Negers by het getal der arbeidende gevoegd worden, het geen door aan de lediggangers werk te verschaffen, de anderen oneindig ontlasten zoude, en (mits zy allen met minder wreedheid behandeld werden,) het zoort van sterfte zoude doen ophouden, die zoo algemeen het lot der eerstgemelden is. Maar de hervorming moet begonnen worden met menschen, wier gedrag ten voorbeelde strekken kan. Het is noodig, dat zy, wien het uitvoerend gedeelte van het bestuur wordt toebetrouwd, geen belang hebben, om de oogen te sluiten voor buitensporigheden, die by de wetten verboden zyn: het is noodig, dat nimmer de Gouverneur, en Regeeringen der Volkplanting, eigenaars zyn van een grooter getal slaven, dan, overeenkomstig hunnen rang, tot den huisselyken dienst by hun noodzakelyk is; want ik heb meer dan eens gezien, dat zy, die de wetten maakten, of met derzelver uitvoering belast wierden, de eerste waren, die dezelven overtraden, het zy door de Negers te dwingen, om des zondags te werken, het zy door zig aan alle de geweldadigheid hunner driften over te geven. Het is derhalven van aanbelang, dat de Gouverneur en de voornaamste lieden der Regeering uit Europa gezonden worden; dat zy met de gaven der fortuin, en de voordeelen van eene goede opvoeding begunstigd zyn, maar bovendien, dat zy eenen edelmoedigen en standvastigen geest hebben; dat zy onvatbaar zyn voor omkooping, en zig door den glans van het goud niet laten verblinden; dat zy eindelyk met gevoelens van eer en menschelykheid bezield zyn; dat het volk, aan het welk zy eenen zoo wezentlyken dienst doen, dat de Volkplanting, welke zy zoo kragtdadig beschermen, hun op eene edelmoedige wyze beloone; maar dat hunne bezoldingen vast bepaald zyn, en niet van het zweet en bloed dier ongelukkige Africaanen afhangen; dat deeze zelfde Regeeringen wetten maken, waar by de arbeid der Negers bepaald wordt; dat deeze door andere beschermende wetten gevolgd worden, die niet gedogen, dat deeze ongelukkige slaven gefolterd, van een gereten, vermoord worden, of dat men hun al het geen den mensch lief is, hunne kinderen en vrouwen, onbeschaamdelyk ontroove; dat men hun behoorlyk voedzel geeft, en hun in hunne ziekten laat oppassen; maar voornamelyk, dat men hun recht laat wedervaren, dat men hen hoort, en hun toestaat, om de buitensporigheden, waar over zy zig beklagen, door getuigen te bewyzen, van welke kleur dezelve ook zyn mogen; dat men hun zelfs een voorrecht laat genieten, het geen voor ons zoo dierbaar is, om gevonnisd te worden door onaefhangelyke en onpartydige Rechters, uit hunne landgenooten gekozen. Indien gy eindelyk wilt, dat zy als menschen handelen en arbeiden, behandel hen dan op dien voet. Wanneer dusdanige wetten aangenomen en ter uitvoer gebragt werden, durve ik verzekeren, dat de Europeesche volken oneindige voordeelen van hunne Volkplantingen trekken zouden.--De Planters zouden ryk, en hunne Opzichters ordentelyke lieden worden; de slavernye zoude dan meer in naam, dan in de daad zyn; de Negers zouden hunne taak met vermaak afwerken; de bevolking zoude vermeerderen, en de vervloekte handel op de kust van Guinee zoude vernietigd worden. De eigenaars zouden hunne slaven als hunne kinderen beschouwen, en als de zoodanigen, van welken de vergrooting van hun fortuin afhangt; de slaven zouden van hunnen kant den dag zegenen, dat hunne vooroeuders in America zyn aangeland. Den 16den, by zyne Excellentie den Gouverneur ter maaltyd genoodigd zynde, liet ik hem zien de verzameling van myne teekeningen en aanmerkingen, die ik rakende de Volkplanting van Surinamen gemaakt had; hy wilde dezelvcn wel met zyne goedkeuring vereeren. Ik betuigde hem myne dank-erkentenis, niet alleen voor alle de geschikte gelegenheden, welken hy my bezorgd had, om dien arbeid aan te vullen, maar ook voor het allervriendelykst onthaal, het welk ik, geduurende myn verblyf in Guiana, van hem genoten had. Door de herhaalde betuigingen van zyne vriendschap aangemoedigd, dorst ik, twee dagen daar na, hem een zeer buitengewoon verzoekschrift aanbieden, het welk ik hem verzogt aan den Raad voor te dragen, zoo als hy my ook al glimlagchende, en my de hand drukkende, beloofde. Zie hier het zelve: Ik verbinde myn woord van eer, het eenigste goed, het welk ik, behalven myne soldye, bezit, tot borge, dat, indien de Raad myn voorig verzoek tot vrymaking van mynen geliefden zoon JOHNNY STEDMAN toestaat, dit kind nooit ten lasten der Volkplanting van Surinamen komen zal. (Getekend) Paramaribo, den 18. February J. G. STEDMAN. 1777. Daar mede alles, wat van my af hing, gedaan hebbende, wagte ik eenige dagen met angst, maar zonder hoop, het antwoord op myn verzoek af; en ingevalle hetzelve ongunstig uitviel, zag ik my genoodzaakt mynen zoon voor altyd te verlaten, of hem naar Europa mede te nemen, waar door ik den dolk in het hart van zyne moeder gestoken zoude hebben. Terwyl ik aan deeze zorgelyke onzekerheid ten prooije stond, wierden de Transport-schepen tot ons vertrek gereed gemaakt, en ik was onder het getal der geenen, die belast waren dezelven van eenen genoegzamen voorraad van hout te doen voorzien. De Officiers ontfingen de agterstallige soldye, die men hun verschuldigd was; en dertien soldaten verkregen hun pasport, van oogmerk zynde te Paramaribo te blyven. De bekwaame Colonel betaalde ons andermaal in papier. De Regeering had ons bovendien eenige honderde guldens toegestaan, om ons schadeloos te stellen wegens de betaling van onderscheiden lasten, maar men deed 'er nooit rekening van, of liever het was ons verboden om 'er van te spreken. Den eersten Maart, bragt een Sergeant, uit het leger aan de Cassipory-Kreek, alwaar het nieuwe krygsvolk geposteerd lag, aangekomen, bericht, dat de soldaten aldaar in grooten getale stierven, en verhaalde, dat zeker soldaat, die den 10den February verdwaald was geraakt, na verloop van zes-en-twintig dagen was te regt gekomen; dat hy de eerste negen dagen van eenige ponden scheeps-bisschuit geleefd had, en dat hy de zeventien andere dagen het leven alleen met water behouden had; dat hy zyne stem geheel en al had verloren, en dat hy, in de volste kragt van 't woord, slechts een geraamte vertoonde; maar dat de zorge, voor hem genomen, hoop gaf, dat hy het leven behouden zoude. Indien iemand weigert de mogelykheid van zulk een buitengewoon geval te gelooven, laat hy dan lezen een echten brief van den heer GODIN aan den heer DE LA CONDAMINE, waar in hy het tafereel schetst van het verschrikkelyk lyden, het welk zyne vrouw onderging, by het doortrekken der bosschen van Zuid-America, om zig van Rio-hamba naar Laguna te begeven, in de maand October 1769. Hy zal daar uit kunnen zien, hoe eene vrouw van een teeder gestel, na door de Indiaanen, die haar tot leidslieden dienden, verlaten te zyn geworden; na haare beide broeders, die onder den last van zoo veele vermoeyingen en ellende bezweken, verloren te hebben; tien dagen lang het leven behield, in een wild bosch, zonder eeten of drinken, onbewust, waar zy zig bevond, en door tygers, slangen en allerleije zoorten van gevaaren omringd. Laat men het omstandig verhaal van al het lyden deezer vrouw lezen, en men zal aan het verhaal omtrent deezen soldaat niet meer twyffelen. Ik heb in de daad nu en dan gebeurtenissen overgeslagen, die men, om haare vreemdheid, zoude hebben kunnen denken aan het wonderdadige zeer naby te komen; maar wanneer men van de bosschcn van dit gedeelte van America spreekt, is het nutteloos zyne toevlucht tot verdichtsels, of zelfs tot de minste vergrooting te nemen, om den lezer te verbaazen. Zoude men by voorbeeld gelooven, dat tachtig soldaten een zwaar bosch doortrekkende, de een na den ander een zoort van hoogte beklommen, welke zy op hunnen weg ontmoetten, en voor een grooten ter nedergevallen boom aanzagen, maar vervolgens onder hunne voeten voelden beweegen, en die niet minder was, dan eene zeer groote Aboma-Slang, welken de Colonel FOURGEOUD bevond dertig of veertig voeten lang te zyn? en met dit al, het gebeurde is met de waarheid overeenkomstig. Ik beroep my op een ander geval van gelyken aart; van eenen achtenswaardigen grysaart, FRANCIS ROWE van Philadelphia, die my verhaalde, dat hy aan een van zyne vrienden een bezoek zynde gaan geven, zyn paard eensklaps stil stond, verschrikt zynde door een zeer grooten ratelslang, die het voorbygaan belette. ROWE, die van het gewaand vermogen, aan dit zoort van dieren toegeschreven, had hooren spreken, en daar aan geloofde, steeg van zyn paard af, om het zelve te doen omkeeren; maar de slang, zig intusschen in malkander gekronkeld hebbende, liet het verschrikkelyk geluid van zyne staart hooren, en keek hem met zulke vuurige oogen aan, dat deeze onbeweeglyk op den grond bleef staan, en een koud zweet hem van het hoofd tot de voeten afliep; "met dit al, dus vervolgde ROWE, myne tegenwoordigheid van geest niet verloren hebde, wierd de vrees door mynen moed spoedig overwonnen; ik naderde het monster, en met eenen slag sloeg ik het de herssens in". Den 3den Maart, ging myn vriend DE GRAAF naar het Eyland St. Eustatius, alwaar zyn broeder Gouverneur was, te scheep, om zig van daar naar Holland te begeven. Tot myn groot genoegen nam hy HENDRIK, den jongsten broeder van JOANNA, met zig, en bezorgde hem vervolgens zyne vryheid. Ik zakte met hun de Rivier af, tot aan Kaap Braam, alwaar ik hun eene goede reize wenschte. My vervolgens in een visschers vaartuig naar 't strand begevende, bekroop my de lust, om in den Atlantischen Oceaan te gaan zwemmen. In dit zelfde vaartuig zag ik eene groote meenigte visschen, waar onder de zulken gevonden wierden, van welken ik nog niet gesproken heb, als daar zyn de Geel-rug, de Wipi en de Waracou. De eerste ontleent zyn naam naar zyne kleur, volmaakt gelykende naar die van een limoen, maar zyn buik is wit. Hy is twee of drie voeten lang. Zyn kop is zeer breed, en van twee lange knevels voorzien. Zyn lyf is dun en zonder schubben. Het vleesch van deezen visch is smakeloos en droog. De twee andere zyn zeer klein: de een gelykt naar een zweep; de ander, die lekker om te eeten is, heeft voor 't overige niets, het welk eene byzondere beschryving verdient. Den 8sten Maart vierden wy in het hoofd-kwartier den verjaardag van den Prins van Orange. Na den maaltyd vernemende, dat de Capitain VAN GUERICK, Adjudant van den Colonel FOURGEOUD, den Capitain BOLTS te onrecht laakte, uit hoofde zyner aanbeveeling van een jong vrywilliger, een mensch van een uitmuntend character, maar die weinige vrienden tot zyne voorspraak had, ging ik in den kring, die hen omringde, en deed vry ernstige verwytingen aan den Adjudant, zelfs in tegenwoordigheid van den Colonel, het geen een geschil veroeorzaakte, waar van het gevolg was eene uitdaging tegen des anderen daags morgens by het opkomen van de zon. Wy bevonden 'er ons beiden op den bepaalden tyd, en gingen zonder medehelpers ter zyde af in de Savane, alwaar wy, met den degen in de vuist, eenige vrugtelooze aanvallen deeden, waar na, den degen van den Capitain in tween gebroken zynde tegen het gevest van den mynen, die byna door en door was gestoken, hy geheel in myne macht was. Ik wilde van dit voordeel geen gebruik maken, en bood hem aan, om het gevecht op nieuw te beginnen, met nieuwe wapenen: maar hy vond dit voorstel zoo edelmoedig, dat hy, my by de hand vattende, my verzocht hem myne vriendschap wederom te geven. Wy erkenden toen, dat wy beiden al te driftig geweest waren, en gingen oogenblikkelyk een bezoek geven aan den Capitain BOLTS, die niets van onze wandeling van des morgens wist. Hy verzoende zig, schoon met moeite, met den Adjudant, en de geheele zaak wierd op die manier bygelegd. Den 10den, bragt ik het grootste gedeelte van den dag by den Gouverneur door; des avonds ging ik aan boord, om de toebereidzels onzer reize te bezichtigen. Ik vond onze goederen zoodanig door muizen en rotten beschadigd, dat ik wel zes katten noodig had, om die dieren uit te roeijen. De katten zyn, uit hoofde van de warmte der luchtstreek, zoo levendig en zoo talryk niet in Surinamen, als in Europa; ik merkte ook op, dat zy kleiner en magerer zyn, en dat zy zeer spitse ooren en bek hebben. Den 11den, zag ik met de grootste smart en verwondering de jonge Juffrouw JETTY DELAMARE, dochter van wylen den heer DELAMARRE, een fraai Mulatten meisjen, ten hoogsten veertien jaaren oud, die in den Christelyken Godsdienst onderwezen was, en eene volmaakte opvoeding genoten had, in ketenen geboeid, gelyk ook haare moeder, en eenigen van derzelver naastbestaanden, en door een wacht van soldaten voor den Raad gebragt wordende. Dit jong ongelukkig meisjen my herkend hebbende, riep my, en zeide my, bitterlyk schreiende: "dat de eigenaar, aan wien haare moeder toebehoorde, SCHOUTEN genaamd, haar voor de Rechtbank deed brengen, om dat zy weigerde het werk van eene gewoone slavin te verrigten, vermits zy buiten staat was zulks te doen, en ook, volgens de opvoeding, welke zy ontfangen had, tot op dit akelig oogenblik daar op nimmer had gerekend". De wetten van dit Land noodzaakten haar, niet alleen om zig aan dit ellendig lot te onderwerpen, maar zy veroeordeelden haar bovendien, als mede haare moeder, en die geenen van haare naastbestaanden, welken men verdagt hield, dat haar in de vordering van haare vryheid zouden begunstigen, om in het geheim de straf te ontfangen, die voor de slaven geschikt was; en zonder de menschlievendheid van den Fiskaal WICHERS zoude dit verschrikkelyk vonnis zekerlyk ter uitvoer gebragt zyn geworden. Zie daar, welke de gevolgen waren van de weinige zorge, die DELAMARE had aangewend, om aan zyne dogter en derzelver moeder haare vryheid te doen erlangen. De smartelyke vertooning, waar van ik oog-getuige was, deed my voor mynen zoon beven; maar myne vrees was niet van langen duur; want dien zelfden dag, op het oogenblik, dat ik zulks het minst verwagtte, ontfing ik eene zeer beleefde boodschap van Gouverneur en Raaden, medebrengende: "Dat de Raad, overwogen hebbende myne diensten, myne menschlievendheid, en de oprechtheid, waar mede ik myn woord van eer tot borg voor mynen zoon aanbood, ten einde hem, alvorens hem te verlaten, een vry burger der weereld te zien; eenparig besloten had, my by eenen brief plechtiglyk kennisse te geven, dat zonder verderen omslag of kosten, myn verzoek was toegestaan; en dat, uit kragte van dien, myn zoon voor altyd vry was". Niemand gaat schielyker van overmaat van smarte tot die van vreugde over, dan ik zelf op dit oogenblik. De gevoelige JOANNA stortte tranen van teederheid en erkentenis. Wy gevoelden ons geluk des te sterker, om dat wy alle hoop verloren hadden, en byna veertig kinderen van beiderleije kunne thans aan eene altoosduurende slavernye door hunne vaders waren overgelaten, waar van zommige zelfs zig niet eens verwaardigden, om eenige tyding van hun te vernemen. Eene omstandigheid, die my in de daad zeer buitengewoon toescheen, bestond hier in, dat, schoon zommige fatsoenlyke lieden myne gevoeligheid ten hoogsten prezen, het grootste getal echter myne vaderlyke teederheid afkeurde, en dezelve als zwakheid of dwaasheid beschouwde. In de eerste vervoering van myne vreugde, schoon ik weinige goederen bezat om over te beschikken, maakte ik een uitersten wil ten voordeele van dit geliefde kind. Ik benoemde de heeren GORDON en GOURLAY tot uitvoerders van denzelven, en tot voogden over mynen zoon, geduurende myne afwezigheid. Ik stelde hun vervolgens alle myne papieren verzegeld ter hand, met verzoek dezelven te bewaren, tot dat ik ze weder zoude opeisschen, of tot mynen dood; en dit gedaan zynde, ging ik een bezoek geven aan den heer SNYDERHANS, Predikant te Paramaribo, om hem te verzoeken tot het bepalen van eenen dag, op welken JOHNNY STEDMAN zoude kunnen gedoopt worden. [3] Den 18den, kwam het overschietend krygsvolk van den Colonel FOURGEOUD uit het leger aan de Cassipory-Kreek, en wy zetteden alle de toebereidzels tot ons vertrek met yver voort. De vreugde, die het klein getal zee-soldaten, welke hunne medgezellen overleefden, wegens het te rug keeren naar hun vaderland gevoelde, was oorzaak, dat zy hunne agterstallige soldye, welke zy ontfingen, aan overdadige verteeringen besteedden, die gelegenheid gaven tot twisten, zoo onder elkander, als met de soldaten van 's Compagnies krysvolk. Verscheiden wierden gewond, anderen afgeklopt; en de rust herstelde zig niet dan met veel moeite. Het oogenblik van ons vertrek steeds meer en meer naderende, verliet ik myne wooning; en, op de uitdrukkelyke uitnoodiging van Mevrouw GODEFROY, bragt ik eenige dagen door in het huis, het welk zy in het midden van haaren fraaijen tuyn, en onder de schaduwe van tamarinde- en oranje-boomen, had laten bouwen, om JOANNA en haaren zoon daar in te ontfangen, aan wien zy bovendien twee Negerinnen gaf, om haar te dienen. Deeze aangenaame wooning was wel voorzien van huisraad, het welk fraaiheid en gemak zamenpaarde. Hoe gelukkig zoude ik geweest zyn met myn leven aldaar door te brengen.--Maar het noodlot had dit anders bepaald. Den 22sten, vervoegde ik my met den Capitain SMALL, (die voor twee maanden verlof had gekregen,) by den Predikant SNYDERHANS, welke, tot myne groote verwondering, weigerde mynen zoon te doopen, onder voorwendzel, dat ik, naar Holland vertrekkende, geene zorge konde dragen, dat hy eene Christelyke opvoeding ontfing. Ik gaf hem ten antwoord, dat ik mynen zoon aan voogden toevertrouwde; maar alle vertogen waren vrugteloos; en aan dit styfhoofdig mensch geene reden kunnende doen verstaan, ging ik heen, onder betuiging, dat al wilde hy nu zelfs in het verzogte toestemmen, ik het niet begeeren zoude. Vermaken en vreugde heerschten toen te Paramaribo, even als by onze aankomst. In alle wyken gaf men middag- en avond-maaltyden en dans-partyen; maar ik was by geene, dan by die van myne beste vrienden, tegenwoordig, waar onder ik steeds den Gouverneur NEPVEU rekende. Hy besloot alle deeze festynen, waar in de inwooners der Surinaamsche Volkplanting zoo verkwistend zyn, met een der treffelykste en kostbaarste maaltyden. Den 25sten, wierd al het goed aan boord van het schip gebragt. Ik ontfing eindeloos veel geschenken van alle de lieden, met welken ik eenige vriendschap gehad had. Myn voorraad van allerleije zoort zoude voldoende voor my geweest zyn, om 'er den aardbol mede rond te reizen. In een klein kistjen met sterken drank, vond ik een fles oprechte oranje-oly, en nog een, welke men hier noemt oly van tonca boonen. De eerste wordt gemaakt van oranje-schillen, welken men tusschen den duim en voorsten vinger drukt; een langwyligen en verdrietigen arbeid. Eenige droppels van deeze oly met suiker zyn uitmuntend tot versterking van de maag, herstelling van eetlust, en bevordering der verteering. Men heeft slechts een droppel noodig, om de geur door eene geheele kamer te verspreiden. De tonca-boonen groeijen, zoo men zegt, in eene dikke vleesachtige vrucht, en op een zeer grooten boom. Ik heb geene andere dan drooge gezien, en dan gelyken zy veel op pruimen. Zy dienen om aan de tabak, zoo in bladen, als om te snuiven, een aangenaamen geur mede te deelen. Den 26sten, gingen wy gezamentlyk van zyne Excellentie den Gouverneur afscheid nemen. Eenige oogenblikken daar na, kwamen de Officiers van het krygsvolk der Societeit in het hoofdkwartier, om ons eene behoudene reize toe te wenschen. De Colonel FOURGEOUD, ons dien zelfden dag ter maaltyd onthaald hebbende, drukte my twintig malen de hand na den maaltyd, zeggende: "Dat ik die jongeling was, dien hy op de weereld het meest beminde, om dat, indien hy my bevolen had in het vuur of in het water te loopen, ik het gedaan zoude hebben". Hy voegde 'er nog andere beleefde aanmerkingen by; maar ik erken, dat, schoon ik wist te vergeven, ik de verschrikkelyke gevaaren en onheilen, waar aan ik buiten noodzaak bloot gesteld was geworden, niet vergeten kon. De Colonel berigtte my tevens, dat hy niet met ons vertrekken zoude; maar dat hy voornemens was, met het overschot van het nieuwe krygsvolk, in 't kort zyn Regiment te volgen; en dat hy, by zyne aankomst in Holland, my alle diensten bewyzen zoude, waar toe hy eenigzints in staat was. Welke ook de beweegreden van zyne schielyke verandering ten mynen opzigte moge geweest zyn, het is my genoeg te zeggen, dat 'er toen geene twee betere vrienden waren, dan de Colonel FOURGEOUD, en de Capitain STEDMAN. Des avonds van dien dag nam ik in korten tyd afscheid van Mevrouw GODEFROY, van den Heer en Mevrouw DEMELLY, van den Heer en Mevrouw LOLKENS, van den Heer en Mevrouw GORDON; van den Heer GOURLAY, van den Capitain MACNEYL, en Doctor KISSAM, die my allen de grootste beleefdheden en het levendigst belang, zedert myne komst in de Volkplanting, betoond hadden; maar ik had te veel te doen met iemand, die my veel liever was, dan dat ik, met van hun afscheid te nemen, het leed gevoeld zoude hebben, het welk ik by eene andere gelegenheid zoude hebben ondervonden. Terwyl ik alle de hevigheid van myne aandoening ten toon spreide, liet JOANNA niets van dien aart in myne tegenwoordigheid blyken. Ik drong nog eenmaal by haar aan om my naar Europa te vergezellen, en ik wierd door alle haare vrienden en door Mevrouw GODEFROY daar in ondersteund. Zy was even onbuigzaam als te vooren, en antwoordde my: "Dat hoe smartelyk ook eene scheiding, die misschien voor eeuwig zyn zoude, vallen mogte, zy niettemin verkoos in Surinamen te blyven, dewyl zy volmaakt overtuigd was, dat zy niet gevoeglyk over haar zelven beschikken konde, en om dat het, in haare tegenwoordige gesteldheid, beter was, dat zy de eerste van haren rang in America bleef, dan een voorwerp van verachting, of een last voor my, in Europa, te worden, het geen zeker stond te gebeuren, zoo lang ons fortuin niet onaefhangelyker was". Op deeze laatste woorden was zy blykbaar aangedaan, en zy ging ter zyde, om alleen tranen te storten.--Wat konde ik zeggen of doen?--Niet wetende te antwoorden, besloot ik, om, zoo mogelyk deeze moedige vrouw na te volgen, en my aan myn lot te onderwerpen, tot het aandoenlyk oogenblik, dat ik een vaarwel zoude uitspreken, het welk myn hart my aankondigde het laatste te zullen zyn. De geheele krygsbende, den 27sten, des morgens ten zeven uuren, bevel ontfangen hebbende, om zig naar den Colonel FOURGEOUD in het hoofdkwartier te begeven, onttrok ik my aan alles, wat my in de weereld lief was, aan zoon en moeder, zonder hen in hunnen slaap te stooren, ten einde eene al te aandoenlyke vertooning voor te komen. De Colonel geleide ons tot aan den oever, en wy gingen aan boord, door de vlag en het geschut van het Fort en van de Schepen, die op de rheede lagen, begroet wordende. Alle de Officiers met den Lieutenant Colonel DE BORGNES, die geduurende den overtocht het bevel moest voeren, het middagmaal gehouden hebbende, noodigde my de Colonel FOURGEOUD, om hem, tot des anderen daags morgens, naar de stad te vergezellen; maar daar myn hart van droefheid overstelpt was, bedankte ik hem voor zyn vriendelyk aanbod. Hy wenschte ons dus eene voorspoedige reize, en keerde te rug in het gezelschap van zynen Adjudant, den Capitain VAN GUERICK. By zyn vertrek, wierd hy door negen kanon schoten, en een driewerf geroep van hoezee, begroet. Den 29sten Maart, des middernachts, het sein gegeven zynde, gingen onze beide schepen onder zeyl, en zakten af tot aan het Fort Amsterdam, alwaar zy het anker wierpen. De heeren GORDON en GOURLAY, welken ik tot voogden over mynen zoon benoemd had, by den Colonel SEYBOURG, aan boord van het schip Hollandia, ter maaltyd onthaald zynde, gaven zy my een bezoek; en verzogten my met hun naar Paramaribo te rug te keeren. Het was my onmogelyk om voor de tweede maal te wederstaan aan een aanzoek, om twee voorwerpen, die aan myn hart zoo dierbaar waren, nog eens te zien. Ik stemde 'er in toe, en (moet ik het zeggen,) ik vond JOANNA, die in myne tegenwoordigheid zoo veel kragt en moed betoond had, in tranen wegsmeltende, en voor de overmaat van haare moedeloosheid zwigtende. Zy had geen voedzel, hoe genaamd, gebruikt, geen enkel oogenblik had zy de zoetigheden van den slaap gesmaakt, noch een enkel woord uitgebracht, noch zelfs de plaats verlaten, waar ik haar des morgens van den 27sten agterliet. Dewyl de schepen eerst na twee dagen zee moesten kiezen, was ik zeer gereed om dezelven met deeze gevoelige vrouw door te brengen, het geen haar moed scheen in te boezemen: maar, helaas! wy betaalden deeze al te korte oogenblikken zeer duur. Naauwlyks waren 'er eenige uuren verloopen, toen een matroos my eensklaps kwam kennis geven, dat een sloep my wagte, om oogenblikkelyk aan boord te gaan. De moeder van JOANNA nam het kind, dat in de armen van haare dochter rustte, terwyl de laatstgemelde door Mevrouw GODEFROY ondersteund wierd. Haare broeders en zusters omringden my, den Hemel deszelfs bystand voor my afsmeekende, en eene treurige klaagstem opheffende. De ongelukkige JOANNA, een meisje van slechts negentien jaaren oud, de oogen op my gevestigd houdende, drukte my met kragt de hand. Zy kon niet spreeken, haar geest was verwilderd; maar de tyd was daar! Ik drukte haar met drift tegen mynen boezem, en nam een van haare hairlokken. Insgelyks niet in staat zynde, een enkel woord uit te brengen, bad ik inwendig den Hemel, om voor moeder en kind te waken. Toen sloot JOANNA haare lieflyke oogen; de bleekheid van den dood overdekte haar aangezicht; haar hoofd hing naar de laagte, en zy viel beweegloos in de armen van haare aangenomene moeder. Ik verzamelde hier al myn moed en kragt by elkander, en verliet de beide voorwerpen van myne levendigste teederheid, die echter door de zorgen, omtrent haar aangewend, aan niets gebrek hadden. Daar de sloep my steeds wagtte, ging ik, door myne vrienden vergezeld, mynen ouden Colonel bezoeken; en hem de hand drukkende, vergaf ik hem uit den grond myns harten, en stilzwygende, alle de verdrietelykheden, die hy my veroorzaakt had. Hy was aangedaan; en ongetwyffeld, dit was hy my verschuldigd! Ik wenschte hem allen voorspoed, en zakte eindelyk de Rivier Surinaamen af. De schepen lagen dwars over kaap Braam, toen ik aankwam. De Vice-Gouverneur TEXIER kwam ons aldaar goeden dag zeggen. Hy gebruikte het middagmaal aan boord van een der twee schepen, en keerde te rug in het gezelschap van de Capitains SMALL en FREDERIK, die my uitgeleide gedaan hadden. By zyn vertrek wierd hy door zeven kanonschoten begroet. DERTIGSTE HOOFTSTUK. De Schepen ligten het anker, en steken in zee.--Overtocht.--Het Zee-paard.--De Noordkaper.--De Haay.--De Zuiger-visch.--Het Lootsmanmetje.--De Bruinvisch.--Zee-orkaan.--De Schepen landen in Texel aan.--Ontscheping van het krygsvolk in de stad 's Hertogenbosch.--Dood van den Colonel FOURGEOUD.--Besluit. Toen alles tot ons vertrek volkomen in gereedheid was, ligtten de beide schepen, onder bevel van den Lieutenant Colonel DES BORGNES het anker den 1sten April 1777, en zeilden noord- en noord-west-waarts met een oosten wind, en stevige koelte. Ik bleef als een beweegloos en stom mensch, in het agterste gedeelte van het schip, tot dat de wolken ons beletteden land te bekennen. Na verloop van eenige dagen echter gelukte het my, om myne droefgeestigheid te boven te komen, en eene zoort van rust te erlangen. Daar toe was ongemeen dienende deeze troostende aanmerking, dat, zoo ik my zelven in zeker opzigt al benadeeld had, ik ten minsten drie belangryke persoonen, JOANNA, JHONNY en QUACO namelyk, aan de slavernye onttrokken had, welke weldaad zy overwaardig waren. Ik was voor deeze goede daad in voorraad betaald, door de zorgvuldigheden van twee derzelven, waar aan ik het behoud van myn leven te danken had, terwyl een oneindig getal menschen rondoem my onder den last der onheilen bezweken was, anderen hunne gezondheid, verscheiden het gebruik van hunne ledematen, zommigen hun geheugen, en eindelyk een of twee hun verstand verloren hadden; zynde allen de slagtoeffers van eenen gestrengen dienst in eene noodlottige luchtstreek. Van byna twaalf honderd wel gestelde mannen, die tot deezen tocht waren ingescheept, kwamen 'er ten hoogsten honderd in hun vaderland te rug, en onder deezen bevonden 'er zig misschien geen twintig in volmaakte gezondheid. Men telde onder de dooden, (de Heelmeesters daar onder gerekend) tusschen de twintig en dertig Officiers, onder wier getal drie Colonels en een Major waren. Dusdanig moet de uitslag zyn van de gelukkigste krygsoenderneemingen in een brandend heet land, het welk met moerassen en bosschen doorsneden is. Den 14den April gingen wy over den zonne keerkring. Vervolgens de koers veranderd hebbende, zeilden wy noord-noord-oost, en noord-oost-waarts, en wy wierden door stilte overvallen. Ik moet niet vergeten te verhaalen, dat wy ons op vyftien graden noorder breedte bevindende, de streeken overzeilden, welken men doorgaans de groene Zee noemt, uit hoofde van de meenigvuldige zeegewassen, waar van zommige, tusschen twee bladen papier uitgespreid en in de zon gedroogd zynde, zeer merkwaardig zyn, en boomen, heesters, bloemen vertoonen, en stukjens van verschillende zoorten van visschen en schelpen in zig bevatten. Wy zagen ook het Zeepaard, een visch, die agt of negen voeten lang is: deszelfs lichaam is met kraakbeenige ringen gevormd; zyn bek is langwerpig, en zyn kop met een zoort van hoofdhair bedekt. Den 19den, hield de stilte nog aan. Dagelyks wierden wy vermaakt door het gezicht van eene groote meenigte vliegende visschen, zee-braassems en noord-kapers, die voor en agter de schepen zwommen en speelden, als of zy ons gezelschap hadden willen houden. De Noordkaper is een visch, tot het geslacht der groote visschen behoorende; hy gelykt een weinig naar den Dolphyn, maar is veel grooter, en koomt in gedaante na by den walvisch; zomtyds is hy twintig voeten lang, en ongemeen vet. Zyn kakenbeen is van veertig zeer scherpe tanden voorzien. Hy werpt het water uit, door twee neusgaten, en zyne kleur is bruin. Wy zagen ook van tyd tot tyd, op eenigen afstand van de schepen, en boven de golven, groote Noordkapers. Dit zoort van visch gelykt zeer veel naar de Groenlandsche walvisschen, maar hy is veel gevaarlyker, om dat zyne gestalte kleinder, en zy ne gedaante platter is. Zyn kakebeen is ook korter, en van kleine knevels voorzien. Zyne huid is witter, en zeldzaam geeft hy meer dan dertig vaten traan. Den 22sten, begon het weder op eene zichtbaare manier te veranderen. Al het scheepsvolk wierd door verkoudheid, en verscheiden door de koorts aangetast. Den 30sten, was een ieder zoo zwak, dat de dienst met moeite volvoerd wierd. Wy hadden reeds twee matroosen en een soldaat verloren. Den Lieutenant Colonel DES BORGNES zig zeer ongesteld bevindende, wierd my het bevel voor eenige dagen opgedragen. Dewyl het andere schip toen voor uit, en byna buiten het gezicht was, liet ik een vlag opheisschen, en een kanon-schoot doen, om het zelve te rug te roepen, gelyk ook oogenblikkelyk gebeurde. Toen dien zelfden dag een groote Haay aan een der zyden van ons schip zwom, deeden wy vergeefsche pogingen om hem te vangen. De zee bevat verscheide zoorten van visschen van den zelfden naam, maar deeze is de verschrikkelykste van allen, uit hoofde van zyne grootte, want hy weegt zomtyds duizend ponden, en is zestien of agttien voeten lang. Zyn kop is platachtig en breed, en men bespeurt in den zelven twee gaten, door welken het dier het water laat uitspringen. In alle rigtingen draait hy zyne vooruitstekende oogen, die zyne vraatzucht te kennen geven. Beneden dezelve is zyn bek geplaatst, die zoo breed is, dat hy een grooten hond in eens zou inslokken. Zyne tanden, in vyf of zes reijen gerangschikt, zyn zoo snydend en sterk, dat hy den arm of het been van een mensch met het grootste gemak afbyt; het geen verscheidene maalen gebeurd is. Zyn geheele lyf gelykt volmaakt naar dat der zee-honden, welken men in de Noordelyke Zeeen vindt. Hy heeft vyf vinnen, een op den rug, twee aan de borst, en twee aan den buik. Zyn staart is vorkswyze uitgesneden; maar het bovenste gedeelte is het langste. Van zyne ruwe en slymige huid maakt men segryn leder. De Haay zwemt altyd met kragt, maar hy is genoodzaakt zig op zyde te wenden, om zynen buit te pakken, het geen oorzaak is, dat hem verscheiden visschen ontsnappen. De Zuiger-visch is een visch, welken men dikwerf vindt, aan de kiel der schepen en aan de groote zee-monsters, zoo als 'er aanstonds een derzelven door my beschreven is, vast zittende. Hy heeft eene gryze kleur, en is twintig duimen lang. Zyn lyf, van eene ronde gedaante, wordt naar de staart dunner. Zyne vinnen zyn geplaatst, als die van de Haay. Zyn zuiger maakt hem het meest merkwaardig. Het is eene kraakbeenige zelfstandigheid, van eene eironde gedaante, door zydelingsche balken van gelyken aart, die snydend en getand zyn, afgedeeld. Dit gedeelte van den Zuiger-visch hecht zig met zulk eene kragt aan alles vast, dat, wanneer hy vast zit, de zwaarste golven niet in staat zyn hem los te maken. Het is gepast alhier melding te maken van het Lootsmannetje. Hy is klein, en verrykt met de schitterendste kleuren, namelyk bruin met een gouden weerschyn. Men zegt, dat hy niet alleen gevoed wordt door het overschot der visschen, welke de Haay laat vallen, maar zelfs dat hy by deszelfs buit de wacht houdt, en van die byzonderheid zynen naam ontleent. Van het begin van den overtocht af, ging ik bloots hoofds en barrevoets; maar den eersten May, juist een maand na ons vertrek, was ik genoodzaakt my te kleeden, even als myne mede-reisgenooten. De Heer NEYSSENS, een van onze Heelmeesters, een Crabbo-dago, een zeer verslindend dier, aan boord hebbende, geraakte dezelve omtrent te deezer tyd uit zyn hok los, en doodde in eenen nacht alle de aapen, alle de papegaijen, en al het gevogelte, dat zig op het verdek bevond. De lieden, die de wacht hadden, redden zig met weg te loopen, maar een van hun had de onverschrokkenheid, om hem met een stuk hout dood te slaan. Den 3den, hadden wy, op veertig graden zuid-ooster breedte, zwaare regenbuien, en stormwind. Dezelve vermeerderde dagelyks tot den 9den, wanneer hy gematigder begon te worden. Wy zagen toen Bruinvisschen. De visch van deezen naam heeft vyf of zes voeten lengte, is zeer vet, zonder schubben, en van eene zwartachtig blaauwe kleur. Zyne oogen zyn klein; hy heeft puntige tanden, en een zeer langwerpigen bek. Hy heeft drie vinnen, een op den rug, en twee aan de borst. Zyn staart is horizontaal, op dat hy boven het water zoude kunnen springen; het geen hy meenigmalen doet, het zy om te snuiven of adem te halen, en men kan dan van zeer verre af het gesnuif van zyne neusgaten hooren. Het vleesch van den Bruinvisch is rood, en gelykt veel naar zommige zoorten van varkensvleesch. Den 13den, geduurende een vierde gedeelte van den morgen, en op een korten afstand van de Azorische Eilanden, wierden wy door eenen geweldigen storm uit het oosten beloopen. Eene bramsteng dreef kort daar na op zyde van ons schip voorby. Wy vernamen vervolgens, dat dezelve van een Hollandsch Oost-Indisch Compagnies Schip was, het welk in zyne te rug komst in de nabyheid van het Eiland Tercera met man en muis verging. Den 14den, was de wind zoo geweldig, dat wy onze groote bramsteng verlooren, en het groote zeil scheurde. Het andere schip verloor te gelyker tyd zyn boeg-spriet. Den 15den, kregen wy een orkaan, vergezeld van blixem, donder, en zeer zwaren regen. Dezelve duurde den geheelen nacht, en nam onze mast weg. Het volk was uittermaten vermoeid, en naauwlyks bestand tot den arbeid, die 'er noodig was, om eene schipbreuk voor te komen. De twee volgende dagen behielden wy tegenwind, met een reef in het fokkezeil. De golven klommen bergs hoogte, en sloegen aanhoudend over het schip heen. Nacht en dag moesten wy pompende blyven. Kort daar na deeden wy de gewoone groete aan het Hollandsch Fregat de Alarm, het welk ons zulks wederkeerig bewees. Den storm eindelyk ophoudende, peilden wy negen vademen water. Maar de wind eensklaps noord-oost-waarts draaijende, dreeven wy den mond van het Kanaal in, tot des morgens van den 21sten, wanneer, ten half twee uuren, het andere schip een schot deed, om ons te berigten, dat de vuurbaak der Sorlings Eilanden in het gezicht was; en des morgens ten vier uuren kwam 'er een loots aan boord. Op de hoogte van Douvres eene stilte van agten-veertig uuren gekregen hebbende, zagen wy eerst den 27sten de Hollandsche kust. Dien zelfden dag kogten wy beste visch, ons door eene Scheveningsche pink aangebragt, en wy onthaalden 'er al het volk op, schoon nimmer een schip beter van voorraad voorzien was. Ons geduurende den nacht van de wal afhoudende, kregen wy eindelyk Kykduin en den Helder in 't gezicht. Den 28sten, des morgens ten drie uuren, wierpen de beide schepen het anker op de rheede van Texel, na negen kanon-schoten gedaan te hebben. Den 30sten, in de Zuiderzee het kleine Eiland Urk voorby gezeild zynde, geraakten de beide schepen, het voor den wind hebbende, van zelf op het Pampus, eene zeer groote zandbank, met water overdekt, niet verre van Amsterdam afgelegen, en aan deeze Stad tot een natuurlyke wal ter beschutting tegen alle buitenlandsche vyanden dienende. Alle schepen moeten daar over heen gaan, of tusschen beiden door geleid worden; en dit laatste middel verkozen wy. Eenige Noorweegsche schepen kwamen te gelyker tyd met ons aan. Allen, die zig op dezelven bevonden, zaten in hun hembd op het dek, en waren nat van het zweeten, terwyl wy in mantels gedoken waren, en gevoerde mutsen op het hoofd hadden, om ons tegen de koude te beveiligen. De stad Amsterdam zond thans eene groote meenigte ververschingen aan boord, dezelven aan de verlossers eener Volkplanting aanbiedende, by welke zy een zoo merkelyk belang had. Het volk van onze beide schepen, op 't punt zynde van hunne nabestaanden en vrienden weder te zien, was opgenomen van vreugde. Men moet echter daar van een enkelen uitzonderen, die thans van zyn geluk verstoken was. Den 3den Juny, ging ons volk over op zes kleine vaartuigen, waar mede zy naar 's Hertogenbosch werden overgevoerd, eene Stad, alwaar men deeze krygsbende voltallig maakte, en dezelve in bezetting hield. By het ontschepen begroetten ons onze schepen met negen kanon-schoten, en wy beantwoordden hen met een driewerf geroep van Hoezee. Wy namen den weg over Saardam, Haarlem en ter Goude, welke plaatsen ik zeer fraay vond: ik bewonderde vooral de geschilderde glazen van de hoofdkerk der laatstgemelde stad. Maar de inwooners, die, door nieuwsgierigheid gedreven, ons in meenigte omringden, scheenen my toe een wonderlyk slag van menschelyke wezens te zyn, met lappen bekleed, en door de gaven der natuur zeer weinig begunstigd. Het was tegen dit volk niet alleen, dat ik zulk een vooroeordeel had; alle de Europeanen hadden by my een gelyk voorkomen, wanneer ik ze vergeleek by de geenen, die ik verlaten had, by die menschen, wier oogen vol vuur zyn, de tanden zoo wit als ivoor, en de huid steeds van eene ongemeene zindelykheid glinsterende. Intusschen dagt ik niet aan het buitengewoon voorkomen, het welk wy maakten, wier taanige kleur door de zon verbrand was, en die, door zoo veele ellenden en vermoeijenissen uitgeput, niets meer dan wandelende geraamten waren. Ik zoude 'er kunnen byvoegen, dat wy zoo lang in de bosschen geleefd hebbende, geen ander voorkomen dan van wilde menschen hadden; en ik zelf in 't byzonder verdiende en verkreeg dien bynaam. In dien staat kwam ik in de Stad s' Hertogenbosch aan, alwaar onze laatste ontscheping den 9den plaats had. Op deeze wyze eindigde een der buitengewoonste tochten, die immer door Europeesch krygsvolk waren ondernomen, en waar by men slechts op eenen verren afstand den oorlog tegen de Americaansche Zeeroovers in vergelyking stellen kan. By onze aankomst ontmoetten wy den Lieutenant Colonel WESTERLOO, die, in 't jaar 1773, in Europa ziek was te rug gekomen, en thans zelfs nog niet geheel en al hersteld was. Hy noodigde my, benevens eenigen van myne medgezellen, ter maaltyd aan eene gemeene tafel, voor een gedeelte bestaande uit Hollandsche Officiers, die zig beklaagden, dat het eeten naar den rook smaakte, en dat het rundvleesch slecht was; terwyl wy, ellendige gelukzoekers, verklaarden nooit beter maaltyd gedaan te hebben. Maar te gelyker tyd, dat deeze heeren de lekkerheid der aardbezien, kerssen, en andere Europeesche vruchten roemden, vonden wy dezelven verre beneden de advocaaten-peer, de water-meloen, de ananas, enz. die ons zoo langen tyd tot eene lekkernye gestrekt hadden.--Alles wat in deeze weereld goed of kwaad is, is enkel betrekkelyk, of door vergelyking. Des anderen daags wierden wy op de parade aan den Generaal HARDENBROEK voorgesteld. Den 18den, ontfingen wy onze agterstallige soldye, en men stond aan allen, wien zulks geliefde, toe, om tot hun voorig Regiment te rug te keeren. Zommige soldaten hadden vier of vyf honderd guldens; maar zy bragten ze zeer schielyk door. Het was toen het oogenblik ter uitvoering van myn reeds voorlang genomen besluit, om namelyk het Regiment van den Colonel FOURGEOUD te verlaten. Dadelyk na onze ontscheping, verzogt ik myn ontslag aan den Prins van Oranje, die my het zelve den 20sten verleende, en my aanstelde tot Capitain onder het Regiment van den Generaal STUART, het welk ik in September 1772 verlaten had. Ik veranderde dus van monteering, en kleede mynen getrouwen QUACO in eene deftige livrey. Ik onthaalde vervolgens myne reisgenooten, met welken ik zoo veele gevaaren had doorgestaan, ter maaltyd, en wy scheidden van elkander met wederzydsche betuigingen van eene eeuwigduurende vriendschap. Des anderen daags morgens vertrok ik, om my by myne oude krygsbende te vervoegen, alwaar ik met de blyken van de levendigste vreugde ontfangen wierd. Den 25sten Augustus, begaf ik my naar het Lusthuis het Loo, in Gelderland, alwaar ik door mynen Colonel wierd voorgesteld aan zyne Doorluchtige Hoogheid, den Stadhouder, die my op de vriendelykste wyze ontfing, en my spoedig bevorderde tot den rang van Majoor in het Regiment, waar toe ik thans behoorde. Ik had ook het genoegen, om eenigen van myne oude medgezellen, en zelfs die geenen, die zonder het te weten, met hunnen ondergang bedreigd waren geworden, op eene eerlyke wyze beloond te zien. Den 24sten September, ging ik naar den Hage, alwaar ik zyne Doorluchtige Hoogheid verzogt, om agttien beeldtenissen van wasch, door my zelven gegoten, als een blyk van erkentelykheid te willen aanneemen, gelyk hy ook de goedheid had te doen. Zy verbeeldden Indianen van Guiana, en Negers uit de Volkplanting van Surinamen, met onderscheiden arbeid bezig zynde op een Eiland, het welk op een glas van krystal geplaatst was. Ik gaf ook mynen Neger QUACO (met zyne toestemming,) aan de Gravin VAN ROSENDAAL, aan wier geslacht ik groote verpligtingen had, tot een geschenk. Deeze vrouw, verrukt over het goed gedrag en de eerlykheid van deezen jongen Neger, liet hem met myne goedkeuring naar mynen naam doopen, met belofte, dat zy altyd voor hem zoude zorgen, en hem voordeelen doen genieten, welken ik niet in staat was hem te beschikken. Omtrent op het einde van de maand October, boden de Bewindhebberen der Compagnie van de Berbices my den post aan van Vice-Gouverneur deezer Volkplanting, in de nabyheid van die van Surinamen gelegen. Ik begaf my dus naar Amsterdam, om te vernemen, welke hunne voorslagen waren. Zy bepaalden my eene zeer zwaare bezolding, en beloofden my groote voordeelen; maar ik hield aan op de belofte, om aan den tegenwoordigen Gouverneur by deszelfs eerder afsterven te zullen opvolgen, als mede op eene behoorlyke jaarwedde, by myne te rug komst, na een bepaald getal van jaaren. Deeze heeren beweerden dit verzoek niet te kunnen toestaan, en dienvolgende bedankte ik hun voor hun aanbod. Ik oordeelde het voorzichtiger te zyn myne gezondheid in Europa te herstellen, dan andermaal in de gezengde luchtstreek te gaan kwynen, zonder hoop om, in myn vaderland te rug komende, myne dagen in stilte te kunnen eindigen. Intusschen kreeg ik spoedig myne kragten wederom, en was zoo welvarende, als ik immer geweest was. Onder honderd van myne medgezellen was 'er ter naauwer nood een enkele, die op zulk een geluk roemen konde. De Colonel FOURGEOUD zelf had weinig genot van zyn fortuin. Eenigen tyd na zyne te rug komst in Holland, wierd hy in zyn bed dood gevonden. Hy wierd met alle krygseer in den Hage begraven. Zyn gezworen vyand, de Gouverneur der Volkplanting Surinamen, overleefde hem niet lang. Zyne plaats wierd door den Colonel TEXIER met eere vervuld, aan wien de waardige heer WICHERS naderhand opvolgde. [4] Den Duitschen Keizer de grenssteden van Holland in 't jaar 1782. hebbende ingenomen, was het Regiment van den Generaal STUART het laatste, het welk de stad Namur ontruimde, alwaar het Keizerlyk krygsvolk dien zelfden dag, dat hy 'er uittrok, binnen rukte. Kort daar na wierd de Schotsche Brigade, waar van de soldaten uit lieden van allerleije natien bestonden, door de Staaten van Holland, genaturaliseerd, dat is, tot drie Hollandsche Regimenten gevormd, ter gelegenheid van den oorlog met Groot-Britannien, die ons, de meeste voornaame Officiers en my zelven, noodzaakte om ons afscheid te nemen, als tegen onzen Koning en ons Land niet begeerende te dienen. De Prins van Orange gaf my, by het verleenen van myn afscheid, den rang van Lieutenant-Colonel. Toen wy allen in Engeland waren te rug gekomen, nam zyne Brittannische Majesteit, uit hoofde van onze getrouwheid, ons onder zyne bescherming. Den 18den Juny, wierden elf van de onzen, onder wier getal ik het geluk had te behooren, te Saint James door den Generaal CONWAY aan den Koning voorgesteld, en hadden de eer om de hand van zyne Majesteit te kussen. Den 27sten van dezelfde maand, wierd ons allen, door het Huis der Gemeente in het Engelsch Parlement, eene halve soldye toegestaan, volgens den rang, dien elk van ons bekleedde op het oogenblik, dat hy uit het Regiment ontslagen wierd. [5] Het Publiek zal zig een denkbeeld van de oudheid en dapperheid der Schotsche Brigade kunnen vormen, wanneer hy onderrigt wordt, dat dezelve in 't jaar 1570. in Holland ontscheepte, onder den naam van vrye Compagnien, onder het bevel van eenige Edellieden van den eersten Schotschen adel; en dat zy naderhand altyd heeft uitgeblonken in de oorlogen, door Holland gevoerd, zoodanig dat zy den eernaam verdiend heeft van het bolwerk der Republiek. Ik zal myn verhaal besluiten met nog eenmaal aan te stippen eenen naam, dien men zoo dikmaals heeft aangetroffen, den naam van JOANNA, van JOANNA, die niet meer in leven is! In den loop van de maand Augustus 1783, ontfing ik van den heer GOURLAY eenen brief, die my het hart doorboorde. Dezelve gaf my bericht, dat de schoone en deugdzaame JOANNA den 5den November was overleden, en dat men haaren dood aan vergif toeschreef. [6] Men had verdenking, dat haar vergif was ingegeven uit nyd en jaloersheid, die men tegen haar had opgevat, uit hoofde van de blyken van byzondere achting, die haar van wegen haare meer dan gemeene hoedanigheden door de aanzienlykste lieden in de Volkplanting bewezen werden. Haare moeder door aanneming, Mevrouw GODEFROY, bezorgde aan haar lyk eene eerlyke begravenis in het bosjen van oranje-boomen, door haar bewoond. Het beminnelyk kind, het welk zy my agterliet, wierd my toegezonden met een bankbriefjen van twee honderd ponden sterling, zynde deszelfs byzondere eigendom, door hem van zyne moeder geerfd: zyne beide voogden overleden korten tyd daar na. Hy wierd in het Graafschap Devon opgevoed, en muntte uit door schielyke vorderingen in zyne studien. Hy bezat alle de goede hoedanigheden van eenen zeeman, en deed twee reizen naar de Westindien. In den oorlog tegen Spanje, diende hy met eere als Adelborst op de schepen zyner Majesteit Southampton en Lezard. Hy was steeds gereed, om ten nutte van den dienst zig aan alle gevaaren bloot te stellen. Maar hy leeft niet meer; hy is op zee gebleven, op de hoogte van het Eiland Jamaica. Ik heb dus aan den lezer niets meerder te berigten aangaande het lot der geenen, die my zoo dierbaar waren. Laat het my alleenlyk geoeorloofd zyn, hem by het slot van dit myn verhaal te herinneren, dat ik in alle myne opgaven de eenvoudige waarheid steeds tot leidsvrouwe genomen heb. Einde der Reize van den Capitain STEDMAN. AANHANGZEL TOT DE REIZE VAN J. G. STEDMAN, ACHTER DE FRANSCHE VERTAALING VAN DEZELVE GEVOEGD VOOR-BERICHT. De Burger LESCALLIER, Oud-Bestuurder van Guiana; Aan Den Burger BUISSON, Boekhandelaar. Parys, den 1sten Fructidor, 't VIde Jaar der Republiek. Ik heb, Burger! het werk gelezen, door u aan my medegedeeld, ten titul voerende; Reize naar Surinamen, en door de binnenste gedeelten van Guiana, door den Capitain STEDMAN, uit het Engelsch vertaald. Ik heb het, over het algemeen, belangryk gevonden; het behaagt my inzonderheid uit hoofde van den geest van menschlievendheid en eerlykheid, die daar in doorstraalt. Zoo dikwils hy het stuk der slavernye behandelt, als mede het droevig lot der zwarten in deeze Volkplantingen, ziet men, dat deeze Schryver met vrymoedigheid ontvouwt, en ten hoogsten afkeurt de wreede handelwyze van zommige dienaaren, en de lydende menschelykheid oprechtelyk beklaagt. Ik heb echter met eenig leedwezen gezien, dat hy zelf, in verscheidene omstandigheden van zyn gedrag, ten deezen opzigte niet altyd onbesproken geweest is. Ik beroep my, onder anderen, op de behandeling, welke hy, op een valsch bericht, aan zynen Sergeant FOWLER aandeed, wien hy, zonder een woord te spreken, zes bambous-rieten op het hoofd aan stukken sloeg; zynde dit geweest het ellendig uitwerkzel van gramschap, die voor geene reden vatbaar is: (zie I. Deel, bladz. 256.) maar men moet dit een en ander over het hoofd zien, wanneer men daar tegen met een gunstig oog beschouwt den nadruk en de waarheid, die een verhaal kenschetsen, waar van zelfs de Schryver niet heeft agterwegen gelaten, het geen in zyn nadeel was, als mede een jeugdig, opvliegend en driftig gestel, het welk in zekere oogenblikken zig zelven niet meer meester is. Gy verlangt, om dit werk vollediger te maken, eenige nadere hyzonderheden rakende de verdere gedeelten van Hollandsch en Fransch Guiana, welken ik bewoond en doorkruisd heb. Gy hebt gemeend, dat ik u de middelen zoude kunnen aan de hand geven, om, tot vermaak en ten nutte van het Publiek, deeze beschryving van Guiana aan te vullen, door eenige andere aanmerkingen, betrekkelyk deeze landstreeken, by elkander te verzamelen. Altyd gereed, om aan myne mede-burgeren nuttig te zyn, heb ik niet geaarzeld de gelegenheid waar te nemen, welke gy my aanbood: met dit al, na rypelyk daar op te hebben doorgedacht, heb ik in deeze onderneming veele hinderpalen ontmoet, die my wel niet van de uitvoering myner belofte doen te rug keeren; maar my de toegevendheid van het Publiek doen verzoeken, daar de aanmerkingen, om verscheidene redenen, die ik u ontvouwen zal, zoo volledig niet zyn kunnen, als ik wel verlangd hadde. Het is veertien jaaren geleden, dat ik de eene, en elf jaaren, dat ik de andere deezer Volkplantingen niet gezien heb. Zedert dien tyd hebben verschillende bezigheden van eene oneindige beslommering, andere reizen, myn geheugen met een aantal denkbeelden, en nieuwe zaken beladen. Om een behoorlyk werk over deeze twee gedeelten van Guaina by een te brengen, zoude ik meer dan ooit noodig hebben in het bezit te zyn van de gedenkschriften en geschrevene berigten, welken ik by elkander had verzameld; maar, door onderscheidene toevalligheden, zyn de meeste myner papieren en handschriften verloren of verstrooid geraakt. Aan den anderen kant heb ik, ten nutte van het Regeerings-Bestuur, een werk over Fransch Guiana [7] uitgegeven, waar in ik alle die gezichtpunten heb by een verzameld, die ik het nuttigst oordeelde, en de byzonderheden, die my met opzigt tot deeze landstreeken het gewichtigst voorkwamen: ik zoude hier niets anders kunnen doen, dan het door my reeds geschrevene te herhaalen. Wat Hollandsch Guiana betreft, zynde gelegen boven Surinamen, dat is meer naar de west-zyde, en het welk ik twee jaaren lang bewoond en als Opperhoofd bestuurd heb, het zelve bestaat in drie Volkplantingen, aan de oevers van drie voornaame Rivieren gelegen; de Volkplanting de Berbices, waar van de grensscheidingen zig tot aan de Rivier Corantyn uitstrekken; die van Demerary en van Essequebo, zig met Spaansch Guiana uitstrekkende tot de Rivier Poumaron. Deeze Volkplantingen by elkander gerekend, bevatten eene uitgestrektheid van zestig mylen aan de zeekusten, waar van de beschryving in veele opzichten dezelfde zoude zyn, als die der kusten van Fransch Guiana. Maar derzelver wezentlyk onderscheid bestaat in de merkelyke vorderingen, die de bebouwing der laage landen in deeze Volkplantingen gemaakt heeft; het welk een nuttig voorbeeld verschaft voor onze Volkplanting van Guiana, die wel eenige proeven van dien aart gedaan heeft, maar welke volstrekt in de eerste beginzelen zyn blyven steken. Om een nuttig Aanhangzel tot het werk van den Capitain STEDMAN, raakende Surinamen, te leveren, oordeele ik niets beters te kunnen doen, dan om, by wegen van eene briefwisseling tusschen een Hollandsch en een Fransch Ingezeten, aan het Publiek eenige aanmerkingen omtrent het bebouwen der lage landen optegeven; aanmerkingen, welken ik geduurende myn verblyf in deeze Volkplantingen heb opgezameld, en waar uit de Planters, die met eenige gelden in ons Guiana eenige onderneming zouden willen doen, groot voordeel trekken kunnen. Ik heb verschooning noodig aangaande den styl, rangschikking en manier van schryven, naar mate van den korten tyd, dien ik aan deezen arbeid heb kunnen besteeden, met andere beslommerende bezigheden dagelyks bezet, welke my zeer weinige oogenblikken vryheid overlaaten. Ik weet wel, dat het Publiek, over 't algemeen, niet gewoon is op dusdanige verschooning veel acht te slaan; en indien men aan zyn voorgesteld doeleinde niet voldoet, zegt het met den Menschen-hater van MOLIERE: De tyd doet niets ter zaak. Dus draag ik deeze redenen van toegeeflykheid alleenlyk voor aan u, en aan het klein getal van Lezers, die dezelven wel zullen weten op prys te stellen. INHOUD DER BRIEVEN. EERSTE BRIEF. Van den aart der Landen, derzelver vruchtbaarheid en plaatselyke ligging. TWEEDE BRIEF. Van de manier, om te arbeiden aan Dykagien, uitwaterende Vaarten, Sluizen en ander werk, het welk noodig is, om het Land ter bebouwing gereed te maken. DERDE BRIEF. Van het planten en aankweeken van Koffy, en van de noodige levensmiddelen tot onderhoud van de Planters; van het oogsten en bewerken der Koffy; van de gebouwen, en verdere noodzakelyke inrigtingen tot eene groote Koffy-Plantagie, volgens het gebruik der Hollandsche Volkplantingen in Guiana. VIERDE BRIEF. Antwoord op de drie eerstgemelde Brieven, waar by de Fransche Ingezeten de vraag omtrent de afschaffing der slavernye, in de Volkplantingen, alwaar dezelve nog plaats heeft, opzettelyk behandelt: hy raadt om deeze verandering, die noodzakelyk geworden is, te bevorderen, en geeft de middelen aan de hand, om daar toe te geraken, zonder aan den voorspoed der Volkplantingen nadeel toe te brengen. AANHANGZEL. EERSTE BRIEF. Van den aart der Landen, derzelver vruchtbaarheid en plaatselyke ligging. De weinige ledige tyd, die my overblyft van eenen post, met eene meenigte bezigheden vergezeld; eene zeer flaauwe kennis van de Fransche taal, aan welke een aantal Schryvers zulk eene volkomenheid bezorgd hebben, dat het aan weinige vreemdelingen gelukken mag in eenen middelmatigen styl te schryven; de ongenoegzaamheid myner kundigheden; alle deeze redenen zouden meer dan voldoende zyn, om uw verzoek te weigeren, ten einde myne gedachten te vernemen omtrent den grond der Volkplantingen van Guiana, zoo Fransch als Hollandsch, omtrent het zuiveren en droogmaken der landen, en omtrent de byzonderheden van derzelver bebouwing, van de verblyfplaatsen en huisvestingen, van het inoeogsten en zuiveren der volwassene vruchten, met al het geen tot deeze onderscheidene voorwerpen eenigzints betrekkelyk is: maar wanneer ik acht geef op de byzondere diensten, welken het Fransch Bestuur aan de Republiek bewezen heeft, vermeene ik, dat elk waar Hollander gereed moet zyn, om, zoo veel zyne kundigheden zulks toelaten, te arbeiden aan alles, wat den Franschen aangenaam zyn kan. Alvorens tot de opzettelyke behandeling der voorwerpen van onze briefwisseling toe te treden, oordeele ik het geenzints ongepast te zyn, om in weinige woorden te doen zien de verandering, welke de Volkplanting van Fransch Guiana t'eeniger tyd zal kunnen ondergaan, en by gevolg, welk nut dezelve aan onze scheepvaart en algemeenen koophandel zal kunnen aanbrengen, indien zy t'eeniger tyd, zig niet meer tot de hooge landen bepaalende, beter gebruik maakt van de vruchtbaare oevers van haare Rivieren Aprouago en Oyapok, als mede van de zee-kusten en binnen-landen, tot welken men door gegraavene vaarten tusschen deeze verschillende Rivieren den toegang zoude kunnen baanen. Men ziet dit nog heden ten dage te Cayenne en in de Berbices; de geschiedenis van Surinamen en der Volkplanting van Demerary bewyst het ons: men heeft, door geheel Guiana zig het eerst op de hooge landen beginnen neder te zetten. Het is onnoodig de redenen daar van op te spooren; het is genoeg te melden, dat ongetwyffeld de schatten, welken de ryke grond van dit gedeelte van America in zig bevat, zig niet kunnen ontdekken, dan door het opdroogen van haare moerassen. Surinamen is eerst eene Volkplanting van aanbelang geworden, zedert dat men begonnen heeft de lage landen van de Rivier Commewyne uit te droogen; en de schepen, welken zy nog tegenwoordig afzendt, zyn grootendeels beladen met koopwaren, komende uit den mond van deeze ryke Rivier, waar in die van de Cottica, en verscheide aangelegde kreeken, zig ontlasten. De ladingen van drie vierde der schepen, welken de Volkplanting de Berbices in eene kleine hoeveelheid afzendt, bestaan in de voortbrengzels van een klein getal Plantagien, gelegen in de lage landen van het gedeelte, het welk Maripaan, dat is, het lage van de Rivier, genoemd wordt. Wat de Volkplantingen Demerary en Essequebo betreft, de voortbrengzels van de hooge gedeelten deezer beide Rivieren, zyn naauwlyks noemenswaardig, zedert men zig te Essequebo heeft toegelegd op het bebouwen der landen, die aan de monden der Rivier, en de kusten der nabuurige Eilanden, gelegen zyn; en zedert dat men te Demerary de Plantagien, die te veel van het een of ander moeras aan haaren mond verwyderd lagen, byna geheel verlaten heeft, heeft men zig van dien tyd af niet alleen met yver op de lage landen der beide oevers ter nedergeslagen, maar men heeft bovendien den landbouw langs de beide kusten der zee voortgezet; zynde die aan de west-zyde reeds volkomen bebouwd tot aan Borassire Kreek, terwyl die aan de oostzyde spoedig bebouwd zal zyn tot aan de Maheyca Kreek, en tot boven aan de Coerabanne Kreek. Om u des te beter te doen gevoelen, welke uitwerking die verandering in deeze Volkplanting heeft te weeg gebragt, zal ik u eene tafel vertoonen van haare uitvoeringen naar Europa voor dien tyd, en ook daar na. De Registers van het jaar 1745 tot het jaar 1761 toonen, dat het hoogste van die jaaren heeft opgeleverd 3579 vaten Suiker, en het minste 285 vaten, zonder byna eenige andere koopwaren; dat in de volgende jaaren, van 1762 tot 1770, in welken tyd het bebouwen der lage landen begonnen is, zoo in Essequebo, als in Demerary, men bevindt, dat in de drie eerste jaaren het hoogste niet meer bedroeg dan omtrent 3000 vaten Suiker, 19 oxhoofden en 664 balen Koffy, en 4 balen catoen; terwyl de uitvoering in 1767 reeds was opgeklommen tot 4745 vaten Suiker, 72 oxhoofden en 2740 balen Koffy, met 84 balen Catoen, welk artikel twee jaaren daar na opklom tot 337 balen, en, negen jaren later, tot 2868 balen in een enkel jaar: dit is vervolgens by aanhoudenheid naderhand zeer spoedig vermeerderd; zoo dat, in de maand September laatstleden, de Registers aantoonen, dat de Schepen, naar Holland en Zeeland vertrokken, zedert het begin van het tegenwoordig jaar, [8] hebben uitgevoerd 4021 en een half vaten Suiker, 1340 oxhoofden en 36315 balen Koffy, en 2992 balen Catoen, welken men hier doorgaans maakt van 300 tot 340 ponden gewicht, terwyl men in verscheidene andere Volkplantingen de balen catoen niet zwaarder maakt dan van 200 tot 250 pond: men moet die zelfde aanmerking maken, ten aanzien van de suikeren, welken de meeste Planters tegenwoordig in vaten pakken van omtrent duizend ponden netto, terwyl men dezelven voorheen deed in vaten van omtrent 600 ponden. Om den uitvoer van dit geheele jaar 1785 volledig op te geven, ontbreekt het geen nog uitgevoerd zal kunnen worden met zeker schip, het welk in lading ligt, en voor het einde van het jaar vertrekken moet. Voeg hier by het geen een goed aantal schepen van de Americanen en van de Eilanden (die zedert den eersten January uit Demerary zyn uitgezeild.) van die zelfde drie koopwaren ter smuik hebben uitgevoerd; eindelyk, het geen een aantal onbekende vaartuigen uit de Rivier Essequebo uitgevoerd hebben; het welk een handel van aanbelang uitmaakt, schoon een weinig minder dan in Demerary. Oordeel hier uit van de gewichtige gevolgen van het bruikbaar maken der lage landen en der zee-kusten! Indien de vertogen, door de Planters in 't jaar 1785 aan de Regeering gedaan, ingang vinden, en indien men voortgaat met van hun slechts matige belastingen te vorderen, indien men den handel niet dwingt door nadeelige Reglementen, is 'er geen twyffel aan, of de uitvoer naar Europa zal in veel minder dan vyftig jaren het dubbeld opbrengen. Ik geef u deeze byzonderheden op, ten aanzien van de vermeerdering van de voortbrengzels deezer Volkplanting, om u door daadzaken te bewyzen, dat indien men zig te Caijenne op het bebouwen der lage landen met yver toelegt, deeze Volkplanting, wel verre van aan 's Lands schatkist tot een last te zyn, onder het getal zal komen van die genen, die den koophandel en de scheepvaart der verschillende Fransche havens doen herleven. Ik kan niet ontkennen, dat de inrigtingen, die men op deeze landen aanlegt, geduurende het eerste en tweede jaar haare onaangenaamheden hebben: een vochtig land, en het welk nog niet lang genoeg door de stralen van de zon is bescheenen geweest, om volkomen droog te worden; onaangenaame insecten, die u des avonds, des nachts en des morgens kwellen; het gebrek aan goed water en verscheide andere zaken, of de moeilykheid om zig zulks aan te schaffen, maken, dit erken ik gaarne, het leven in den eersten tyd onaangenaam: maar laat men in aanschouw nemen, dat deeze ongemakken slechts voor een tyd zyn, terwyl de rykdom der voortbrengzels, welken deeze onuitputtelyke landen opleveren, de moeielykheden en het gebrek, die men aldaar in het begin ondervindt, spoedig zullen doen vergeten. Voor 't overige kan men zig eenigermaten beveiligen tegen het ongemak van het steken der kleine en groote muggen, door het weghakken van het geboomte, stronken en doornheggen, die langs den oever der Rivieren groeien, en waar in deeze insecten huisvesten. Al verder, naar mate het getal der beplantingen vermeerdert, verminderen de onaangeraimheden. Zoo lang de nieuwe Planter zyne omheining nog niet geeindigd heeft, zyne uitwatering bepaald, en de gebouwen voor hem en zyne Negers opgerigt, is hy gehuisvest by zyn buurman, die zig daar toe des te gemakkelyker leent, om dat de nieuw aankomende door zyne omheining, en het hakken van zyn hout, de uitwerking der zoele winden vermeerdert, de insecten doet verdwynen, en hem ontlast van de zorgen der bedykingen, zoo aan de kanten, als in 't midden, in den tyd der zwaare regenbuien: op die wyze zyn in korte jaaren deeze moerassen, waar aan men te recht den naam van woesten klomp zoude kunnen geven, in eenen Hof van Eden veranderd en hervormd. Het gezegde moet, zoo my dunkt, de geheele wereld overtuigen, dat het bebouwen der lage landen oneindig voordeeliger is boven dat der hooge landen; en ik twyffele niet, of een ieder zal de oude vooroeordeelen ten deezen opzigte spoedig laten varen. Na deeze inleiding, welke ik noodig geoeordeeld heb vooraf te laten gaan, zal ik overgaan tot de behandeling van het hoofd-onderwerp van deezen, en van de volgende brieven. Alvorens ik echter met u begin te spreken over den grond der Volkplantingen van Guiana, wil ik u myne denkbeelden en myn gevoelen mede deelen omtrent de manier van het inrigten der bebouwing van de oevers der Rivieren in dit geheele vaste Land: het is voordeeligst de zuivering der gronden te beginnen aan de wederzydsche oevers by den mond der Rivier, en daar mede voort te gaan, altyd van de laagte naar de hoogte opklimmende. Verscheiden redenen overtuigen my, dat deeze manier de beste zyn zoude. Het is buiten allen twyffel, dat over den geheelen aardbol, maar vooral en in 't byzonder tusschen de zonne-keerkringen, de zeelucht, en de winden, die langs de zeekusten waaijen, niet alleen over dag, maar zelfs des nachts, vooral by droog weder, ongemeen heilzaam zyn: de Negers zyn aldaar veel minder aan zweren onderworpen, dan aan het hooge einde der Rivieren; en wanneer zy die al hebben, worden zy veel spoediger genezen. De lucht aan de kust is bovendien een byzonder geneesmiddel tot spoedige herstelling van maag-kwalen, als mede van alle andere ziekten uit verstoppingen, die aldaar met eene verwonderlyke gemakkelykheid genezen worden. Aan den anderen kant is het ontwyffelbaar, dat de eerste openingen in de lage landen de ongezondste zyn, en is het by gevolg niet veel voorzichtiger dezelven te beginnen aan dat gedeelte der Rivier, alwaar wind en lucht eene onbelemmerde dreef hebben, de vochtige uitdampingen oogenblikkelyk doen verdwynen, en den al te waterachtigen en rotachtigen staat van den dampkring verbeteren. Ik weet zeer wel, dat een enkel voorbeeld de gezondheid van eene landstreek niet met zekerheid bewyst; maar dit is echter zeker, dat de eerste bewoners, die zig op de lage landen der binnenste Rivieren van Demerary hebben ter neder gezet, grootendeels zeer jong gestorven zyn, terwyl men voorbeelden heeft van zulken, die zig aan den mond der Rivier gevestigd hebben, en tot eenen hoogen ouderdom gekomen zyn. Eene andere reden, waarom dit meer verkieslyk is, bestaat hier in, dat gy plant op dat gedeelte der lage landen, het welk de spoedigste, vruchtbaarheid en de meeste voortbrengzels belooft: de voordeelige invloed van den zee-dampkring, welke men als de kragtdadigste medehulp beschouwen moet, is gelegen in het helpen en voortzetten der groeying, het bevorderen van de vruchtdraging der boomen, uit hoofde van de zoutachtige deelen, die deeze lucht met zig voert, welke door de luchtgaten der bladeren ingezogen zynde, de werking der aardachtige zouten bespoedigen. Eene ondervinding van agt jaren in deeze Volksplanting heeft my geleerd, dat Koffy-Plantagien, die het naast aan den mond der Rivier en op de kusten gelegen waren, doorgaans meer opgebragt hebben, dan die verder van de zee af lagen. Daarenboven is het zeker, dat de eerste ondernemingen van dien aart meestal zyn aangelegd door lieden van bepaalde vermogens: ook heeft men in de landen, aan de monden der Rivieren en aan de Kusten gelegen, 1. het voordeel, dat men geene groote boomen behoeft om te hakken; 2. een land, zeer geschikt om met gemak te worden omgespit. Ik heb met myne eigene oogen op deeze kusten, door twee, drie of vier spittende Negers, met het graven van grachten eenen verbazenden arbeid zien verrichten; en 3. zoo dra de kleinste omheining geeindigd is, kan men aldaar catoen boomen planten, die, na verloop van negen maanden, reeds eenigen oogst opleveren. By deeze redenen zal ik nog eene laatste voegen, die, naar myn begrip, het meest afdoet, namelyk dat men, beginnende met het zwaare hout aan den zeekant weg te nemen, aan het afgelegener gedeelte der Rivier een gezonder lucht bezorgt; het zelve wordt vruchtbaarer en aangenaamer voor den nieuwen Planter, die zig aldaar nederzet. Myne Plantagie is omtrent drie vierde van een myl van den mond der Rivier af gelegen, en ik houde my verzekerd, dat noch ik, noch myne gebuuren, zoo veel koffy als tegenwoordig niet zouden inoeogsten, indien onze aanleg afgescheiden, en op zig zelfstaande, in de diepte der bosschen was gemaakt, en ik ben inwendig overtuigd, dat onze oogst merkelyk bevorderd wordt, doordien de bosschen, aan den oostkant van den mond der Rivier, byna geheel en al zyn weggehakt, en alle de Plantagien van beneden af, tot by my, open zyn, of van het zwaare hout beroofd, ter diepte van vier honderd en vyftig, tot zes honderd vyftig roeden. [9] Bewyst de ondervinding dit niet overal? Het klein getal Plantagien in de Berbices, aangelegd op lage landen aan de Maripaan, aan den westelyken oever der Rivier, en alzoo het genot hebbende van de passaatwinden, die door den breeden mond van die Rivier onbelemmerd heen waaijen, maakt jaarlyks voordeelige oogsten; en een oud Surinaamsch Colonist, een zeer goed Planter, schryft my, dat alleenlyk de Plantagien, gelegen aan de Kreeken, die in de Commewyne uitloopen, en het genot der zeelucht hebben, by aanhoudendheid veel koffy opbrengen. Ik vermeene u door alle deeze redenen overtuigd te hebben, dat het veel gezonder, veel gemakkelyker, en veel voordeeliger is, om de bebouwing der landen te beginnen aan den mond der Rivieren en aan de Zeekusten, niet alleen voor de geenen, die zig aldaar nederzetten, maar ook voor de Planters, die zig hooger op geplaatst hebben, of zulks by vervolg nog zouden kunnen doen. Na u in 't algemeen myne denkbeelden te hebben medegedeeld, hoedanig men zig omtrent de bebouwing der lage landen in Guiana heeft te gedragen, gaa ik over tot de byzonderheden van derzelver bearbeiding, zuivering van stronken en wortels, enz. en ik zal beginnen met den aart van den grond van deeze landen. Voor eerst zal ik toegeven, dat 'er op de hoogere en van de zee meer afgelegene landen, plaatsen zyn, wier grond zoo fraay en vruchtbaar is, als in de laagte; maar deeze plaatsen staan op zig zelven, en bestaan in kleine gedeeltens; zy genieten nooit die lucht, die voor de menschen gezond, en voor de groeizaamheid nuttig is, als de landen in de nabyheid der zee gelegen; het toemaken en bebouwen van dezelven is altyd oneindig moeijelyker, en vordert meerder werkzaamheid. Men zal derhalven altyd aan den grond der lage landen den voorrang moeten geven, en uit dezelven moet men, zoo als ik hier boven gezegd heb, de schatten van Guiana haalen. De teekenen, waar aan men goede landen kennen kan, bestaan daar in, dat zy, op de diepte van verscheiden voeten, een blaauwachtig, zacht, slyk hebben, het welk het water gemakkelyk laat doorzinken. In onze beide Rivieren vindt men een grond, alwaar dit slyk met zandkorrels vermengd is: dewyl dit nu den doortocht van het regenwater des te gemakkelyker maakt, schynt het zeker, dat de laatstgemelde grond den voorrang verdient boven de eerste, vooral voor het suiker-riet. Ik heb te Essequebo suiker gezien, die op dit zoort van land geoeogst, en allerfraayst was, schoon de Plantagie slecht was uitgedroogd, slecht bearbeid, en slecht bebouwd: niets tog bewyst beter de goede hoedanigheid van den grond, dan wanneer men goede waaren, om zoo te spreken, van zelf ziet geboren worden. Schoon ik het blaauwachtig slyk opgeeve als het teeken van den besten grond, wil ik wel met u toestemmen, dat het graauwachtige slyk, mits het zacht en tot het doorlaten van het water geschikt is, insgelyks goed kan zyn; echter zoude ik, met een hedendaagsch Schryver, die over den landbouw in Surinamen gehandeld heeft, 'er voor zyn, om het zelve in den tweeden rang te plaatsen. Beide zoorten van slyk moeten met eene zwartachtige, vette en gebondene aarde, als met eene goede wel verrotte mest, overdekt worden; deeze beweegbaare aarde vindt men van onderscheidene dikten: echter ben ik geenzints van het gevoelen van hun, die stellen, dat de rykdom van den grond geevenredigd is aan de dikte van dit overdek van aarde. Integendeel zyn in Demerary alle de landen, alwaar die aarde ten hoogsten van 20 of 22 duimen diepte is, in verre na niet die geene, welke den voorrang verdienen: veel verkieslyker zyn die landen, alwaar men deeze aarde alleenlyk vindt ter diepte van 16 of 18 duimen, welke vervolgers tot 6 of 8 duimen vermindert door de indrooging, die na de omheining van den grond door de sterke zonnestraalen plaats heeft. Zelfs heb ik in de laagte van de Maripaan, en in het benedenste gedeelte der Rivier Canje, in de Volkplanting de Berbices, uitmuntende landeryen gezien, alwaar de Koffy- en Cacao-boomen tot de grootste volkomenheid opgroeiden, schoon zy niet dan een zeer dun overdek van zwarte aarde hadden. Naar mate men aan de zee, of aan den mond der Rivieren nadert, wordt het slyk minder vet en zagter: zoo is het ook langs de zee-kusten, alwaar men den naam van slyk in dien van uitgedroogde modder zoude kunnen veranderen, waar van de bagger uit de gegravene vaarten een overtuigend blyk oplevert. Deeze bewerking moet alle twee jaaren geschieden op de Plantagien, die langs de kusten gelegen zyn. Het geen 'er uitgebaggerd wordt, werpt men aan de beide kanten dier vaarten, en twee jaaren daar na is van het zelve niets meer te vinden; het is wederom in de vaart afgezakt, welke 'er op nieuw mede bezet is. Ik had my altyd verbeeld, dat dit zoort van landen minder vruchtbaar was, en dat de Koffy-boomen aldaar korter duurden; maar ik heb het laatste jaar twee stukken land gezien, met Koffy-boomen beplant, behoorende tot de oudste Plantagie aan de westkust, zynde in den besten staat en vol vruchten; en de eigenaar heeft my verzekerd, dat deeze stukken zedert 22 of 23 jaaren waren beplant geweest: ten duidelyken blyke, dat deeze landen zeer lang in hunne vruchtbaarheid volharden. Voor een blyk van goed land houdt men vry algemeen een zoort van palmboom, waar aan men by u den naam van Pinot geeft. De Schryver, die den Surinaamschen landbouw behandeld heeft, zegt, dat hoe meer men van die boomen vindt, hoe vruchtbaarer de grond is. Ik stem gaarne toe, dat de landen, hier boven door my als de beste opgegeven, 'er rykelyk van voorzien zyn; maar verscheide inwooners, die de hooge landen in Demerary vruchteloos bebouwd hebben, hebben my verzekerd door dit blyk bedrogen te zyn geworden; ik zoude daarom altyd raden, zig daar op niet eeniglyk te verlaten, maar tevens te onderzoeken, of de grond ook andere blyken, welken ik ontvouwd heb, oplevert. Behalven de verandering, die in den grond bespeurd wordt, naar mate men digter aan de zee nadert, vindt men ook, dat het hout uit minder sterke en een ander zoort van boomen begint te bestaan. Men ziet minder Manis, en van die boomen, welken de Indianen alhier noemen Warokoerie, de Creolen Schepperboom, dat is roey-riemen-hout, om dat het zig gemakkelyk laat klooven, en veel al tot het maken van roey-riemen gebruikt wordt; ter zelfder tyd vermeerdert het getal der Paletuvier-boomen. Men vindt den boom, Coeraharie genaamd, niet meer in grooten overvloed. Deeze boom, wiens Surinaamsche naam my niet bekend is, is geschikt tot timmerhout, en kan dienen tot het maken van palen of stylen; mits men dezelven op steene grondvesten plaatst; men gebruikt het ook tot ribben en balken, eindelyk tot alles wat beschut of bedekt is. Men vindt aldaar ook zeer fraaije vierkante blokken, waar van men planken zaagt, die zeer geschikt zyn om de huizen te beschieten; maar niet zeer goed zyn voor vloeren of zolders, om dat dit hout krom buigt. Men vindt deezen boom insgelyks in de diepten der Plantagien, aan de west-kust; maar zy zyn aldaar kleiner. De Balata, die in Surinamen en de Berbices zoo gemeen is, is hier uittermaten zeldzaam. Insgelyks zyn de banken van schulpvisschen aan de oevers van Surinamen en de Berbices zeer gemeen; maar men vindt dezelven in 't geheel niet aan die van de Rivieren Essequebo en Demerary. Men begint eenige schelpvisschen te zien, wanneer men de Coerabanne naar den oostkant voor by vaart, gaande naar den kant van de Maheyca; maar aan de oostzyde van deeze laatstgemelde Kreek, of beter gezegd, Rivier, is eene zeer groote bank, en van daar tot aan Mahicony is 'er de kust vol van. Om zyne keuze te bepalen omtrent die plaatsen, waar de beste landen gelegen zyn, kan men, volgens de zekerste berigten, die ik heb kunnen opspooren, in Demerary alleenlyk voor behoorlyk vruchtbaare landen houden die geenen, welke aan den oostelyken oever gelegen zyn, gerekend van de Plantagie, de groote Diamant, tot omtrent twee mylen van den mond der Rivier; en aan den westelyken oever, van de Plantagie Laurentia, een halve myl hooger op, tot aan den mond der Rivier. Te Essequebo bepalen zig de goede landen tot die van de Eilanden Legouane, Arobabiche, en Waakkename; en zelfs op dit laatstgemelde Eiland is het zuidelykst gedeelte, het welk het verste van de Zee af ligt, reeds van veel mindere waarde. Aan den oostelyken oever van deeze Rivier, kan men geene goede landen hooger op rekenen, dan de Plantagie Patrica, een myl van den mond der Rivier af, en aan den westelyken oever van de Plantagie, Adventure genaamd. TWEEDE BRIEF. Van de manier, om te arbeiden aan Dykagien, uitwaterende vaarten, sluizen en ander werk, het welk noodig is, om het Land ter bebouwing gereed te maken. In den vorigen brief heb ik u myne gedachten opgegeven, hoe uitmuntend geschikt de lage landen in Guiana ter bebouwing zyn, en welke keuze men onder de verschillende zoorten en liggingen van deeze landen te maken heeft: in deezen brief zal ik u ontvouwen de manier, om die landen toe te bereiden en bruikbaar te maken. Dewyl deeze landen, of byna altyd onder water staan, of door de verwisseling van ebbe en vloed, aan overstroomingen onderworpen zyn, moet men dezelven droog maken, en door dyken beletten, dat het buitenwater niet kan doordringen tot het land, het welk men voornemens is tot bouwland aan te leggen. Ik vooronderstel dus, dat de keuze van het land gedaan is. Men moet, voor alle dingen, het hout laten weghakken, en het geheele land, het welk men voorgenomen heeft te bedyken, of ten minsten het gedeelte, waar de dyken gelegd moeten worden, tot op eene zekere breedte, doen zuiveren. Vervolgens kunt gy overgaan tot het leggen van die dyken, welke een vierkant, dat evenwyd is, zullen vormen, waar van de eene kant uwe voorgevel of scheidsmuur, aan de Rivier of Zee-kust, zal uitmaken; eene andere, aan de eerste gelyk zynde, zal gelegd worden in de diepte van dit zelfde land, op den afstand, welken gy wilt toebereiden en beplanten; de twee andere zyden, die beide even groot zyn, zullen lynrecht tegen de twee eerste overstaan, en u van uwe gebuuren, ter rechter en ter linker zyde, afscheiden. Tot dit einde moet men, in den geheelen omtrek van dit vierkant, beginnen met een kleine gracht te graven, welke gevonden moet worden onder het midden der breedte van den dyk, en daar aan als tot een grondvesting dienen. Deeze kleine gracht wordt genoemd de pit of blinde groeve: dezelve moet omtrent drie voeten breedte hebben, voor een dyk, die twaalf voeten en meer tot zynen grondslag heeft. Het is van aanbelang dezelve te graven tot de diepte van ten minsten twee goede schuppen, en aldaar geene stammen van boomen, geen hout, geene wortels over te laten, maar daar van volkomen te zuiveren. Wanneer deeze blinde groeve gemaakt is, zult gy beginnen met de uitwaterende grachten te graven: men is gewoon 'er daar van twee te maken, de eene van buiten aan den dyk, de andere van binnen. De eerste dient, om den dyk met slyk aan te vullen, de binnen-gracht daar toe zomtyds niet voldoende zynde, wanneer deeze dyk van vry wat aanbelang moet zyn. Deeze buitenste gracht bevordert daarenboven den uitloop van een gedeelte der omringende wateren, en belet dezelven, door middel van dien uitloop, tegen den dyk aan te perssen. Het is nutteloos deeze buitenste gracht zeer diep uit te graven; zy vordert zoo veel oplettendheid niet, als de binnenste gracht, die net en regelmatig moet bewerkt worden; terwyl men in de buitenste de stronken en wortels laten kan, mits zy aan de uitdieping niet te hinderlyk zyn. Men moet altyd eene bekwame tusschenruimte tusschen deeze gracht en den dyk houden. In welk zoort van lage landen het ook zy, is de bagger, die men voor de eerste keer uit deeze grachten haalt, te veel met vreemde lichamen vermengt, en al te los, om tot bekwame grondslagen voor den dyk te kunnen dienen. Men moet ten minsten de twee eerste baggers, die men 'er uit haalt, aan deeze zyde werpen, dat is tusschen de gracht en den dyk; en wanneer men de slyk of grond vast en bekwaam genoeg vindt, laat men dezelve op den dyk werpen, het zy in eens, het zy in twee keeren, zoo als gewoonlyk plaats heeft, om reden, dat men tusschen den dyk en de omringende grachten een tusschenvak moet laten van 20 of zomtyds 30 voeten. Indien men deeze voorzorg verzuimde, zoude men gevaar loopen, om de kanten van den dyk, en van de grachten, door de onmatige zwaarte van de aarde, waar van de dyk gemaakt is, spoedig te zien instorten. Men graaft de omringende grachten tot de vereischte diepte, die niet altyd dezelfde is, maar waar van de gewoone maat bedraagt zes voeten voor de binnen-gracht: men moet wel opletten, om aan deeze gracht de noodige opgaande schuinte te geven, naar mate men dezelve graaft. De evenredigheid van deeze opgaande schuinte is van 5 of 6 duimen van elke voet; en naar mate men de kanten van deeze gracht in die schuinte graaft, maakt men dezelve met het platte van de schup effen en gelyk. Men zoude vervolgens deeze binnen-gracht kunnen eindigen, zonder andere voorzorgen in acht te nemen; maar dan zou men gevaar loopen, om door het hooge water overvallen te worden, en daar door veel tyd te verliezen; behalven dat het te vreezen is, dat het water deeze grond of slyk, welke daar door gedeeltelyk in beweging gebragt wordt, week zoude maken, en daar door verzakkingen veroorzaken. Men keert dit ongemak af, door, van den beginne af aan, een vierkante pyp of sluis te plaatsen, die in dit land genaamd wordt coffre d'ecoulement, het zy een groote, het zy by voorraad een kleine, die ten minsten het water op de gewoone getyen kan tegen houden. Om deeze uitwaterende sluis te plaatsen, graaft men daar toe opzettelyk een gat in den dyk, aan den kant, die aan de Rivier of de Zee gelegen is, indien men in het land geene kreek heeft, die daar toe geschikt is. Maar doorgaans vindt men verscheiden van die kreeken of vaarten, door de natuur zelve gevormd, waar door het ryzend water in overvloed in de landen inloopt, en het vallend water weder afloopt. In het begin moet men alle deeze kreeken door goede kistdammen schutten. Zulk een kistdam is niet moeijelyk te maken; maar dit moet met oplettendheid en vastheid geschieden: men begint met het vak of de plaats, alwaar die kistdam gelegd moet worden, te zuiveren. Men neemt vervolgens twee zwaare stukken hout of ribben, van eene genoegzame lengte, om de geheele kreek en derzelver oevers te beslaan van den eenen tot den anderen kant, ter wydte van omtrent zes voeten: dit vak van zes voeten wordt tot op een goede schup diepte, beneden het bed van de kreek, weggegraven. De twee houte ribben worden mitsdien dwars op den grond van de kreek gelegd, op een zekeren afstand van elkander: vervolgens plant men eenige zwaare heypalen aan de buitenzyde, voor elk einde van deeze houte ribben, om de uitwyking voor te komen van de aarde of het slyk, waar mede men het vak tusschen de twee ribben vullen moet, om den kistdam te maken. Wanneer deeze houte ribben wel geplaatst, en behoorlyk vast gemaakt zyn, plant men langs elk van dezelven, zoo aan de binnen- als buitenzyde, een rey heypaalen, van zwaare stukken hout, welken men naast, en zoo dicht mogelyk aan elkander, inslaat: men moet om die reden rechte stukken daar toe verkiezen. Wanneer alle deeze paalen zyn ingeheyd, vult men het tusschen-vak met slyk, welke men aldaar met kragt inwerpt, en die eindelyk een klomp wordt, waar door het water niet kan heen dringen. Men vindt op de plaatsen zelven altyd hout, het welk geschikt is, om tot deeze ribben te dienen, vermits zy niet langer dan twee of drie jaaren behoeven te duuren, na verloop van welken tyd de kistdam stevig genoeg is, en geen steunzel meer noodig heeft. Thans, om de sluis te kunnen plaatsen, zuivert men de kreek, waar in men die plaatsen wil, van derzelver vuiligheden, of men graaft opzettelyk eene vaart, indien men geen gebruik van eene kreek maakt. Men moet eenige duimen lager graven, dan het waterpas van het laagste gety van de Rivier of Zee kust, waar in men de uitwatering verkiest. Wanneer de plaats, alwaar men de sluis stellen wil, is uitgegraven, brengt men die sluis voorwaarts naar een der oevers van de vaart, welke men daar voor gegraven heeft: men plaatst dezelve aldaar op eenige houte balken, die voor uit moeten steken tot byna op de helft van de opening der gegravene vaart. Die sluis aldaar geplaatst zynde, keert men de zelve op zyde, zoo dat de grond of het onderste van de sluis recht over einde staat aan de zyde van de uitgegravene plaats, en byna tegen den kant aan. Vervolgens slaat men om de twee uiteinden van de sluis twee zwaare touwen, waar van men de einden behoorlyk vast maakt. Op elk derzelven plaatst men een takel, waar van men de wederzyde op eenige stronken van boomen doet rusten, of, zoo 'er die niet zyn, op twee zware palen, daar toe opzettelyk geplant, aan de zelfde zyde, waar de sluis geplaatst is. By elke takel zet men eenig volk, met last om gelykelyk en van langzamerhand schoot te geven, naar mate daar toe bevel gegeven wordt; vervolgens wordt door eenige arbeiders, die langs de sluis geplaatst zyn, dezelve op de balken voortgeduwd naar het gat, waar in dezelve moet inzakken. Wanneer de sluis, alzoo voortgestooten zynde, geheel van den grond af is, begint dezelve wederom in haare natuurlyke gesteldheid om te wenden, dat is, met den bodem naar beneden; als dan moet het volk, het welk de takels tegen houdt, de touwen eensklaps los laten, om de sluis in het gat te doen nederzakken. De balken, waar op men de sluis heeft laten voortglyden, dienen in dit oogenblik tot een wip, om de sluis naar beneden in de gegravene vaart te wenden, alwaar men dezelve nederzet, waterpas en plat, zoo naauwkeurig maar eenigzints mogelyk is. Wanneer de sluis zoodanig geplaatst is, als men verlangt, trekt men de takels en andere touwen te rug: men plaatst, even als by het maken van eene gewoone en volkomene kistdam, hier boven reeds beschreven, twee houte ribben, de eene beneden, en de andere boven de sluis, vlak tegen dezelve aan. Men plant aldaar eene reije van houte staken, uitgenomen op de plaats, welke de sluis beslaat, waar van men de opening niet sluiten moet: men neemt in plaats derzelven aldaar zware planken, of, indien men wil, ronde stukken hout, met den grond gelyk en in de dwarste. Deeze kistdam vult men met slyk, zoo als hier voren reeds is opgegeven, en men overdekt daar mede de sluis. Indien men alleenlyk by voorraad eene kleine sluis wilde plaatsen, om de eerste bewerking des te gemakkelyker te maken, zulks zoude veel eenvoudiger zyn; dezelve wordt gemaakt van vier zwaare planken aan elkander gevoegd, zoo dat elk derzelven een van de kanten uitmaakt: aan het buitenste einde plaatst men eene kleine sluisdeur of duiker, die nederhangt, om de sluiting des te gemakkelyker en zekerder te hebben. Hier mede behooren wy over te gaan tot de ontvouwing van de manier, op welke eene groote sluis gebouwd wordt, die men veronderstelt eene opening van drie voeten te hebben. De bouwstoffen, daartoe vereischt wordende, zyn de volgende: 1. Zes zwaare planken van 26 voeten lengte, op 13 duimen breedte en twee duimen dikte. 2. Vyftien zwaare planken van 12 voeten lengte, twaalf duimen breedte, en anderhalve duim dikte. 3. Vier zwaare planken van twaalf voeten lengte, twaalf duimen breedte, en twee en een halve duim dikte. 4. Twee stukken hout van vyf voeten lengte, op zeven duimen breedte in 't vierkant. 5. Een paar hengzels, van twee en een halve voeten lengte, en twee en een halve duimen breedte, met twee zwaare yzere duimen, waar van de punten lang genoeg zyn, om door het stukje hout of klamp, het welk men boven de sluisdeur plaatst, heen te gaan, en voorts genoegzaam uitstekende, om met een schroef of schaar vast gemaakt te worden. 6. Vier yzere banden, waar van de einden omgebogen zyn naar vereisch van de houte klampen, en hebbende de lengte van twee en een half voeten, om op de sluis te spykeren, tot derzelver meerdere vastheid. 7. Eindelyk de noodige spykers, die voor een sluis van dit maakzel, en van die evenredigheid, ten naasten by zullen bedragen twaalf ponden van 5 of 6 duimen, en twintig of vier-en-twintig ponden kleiner spykers van 3 duimen. Om deeze sluis te maken, begint men met de zwaare planken van 26 voeten lengte gelyk te maken; men zet die in elkander, drie van de eene en drie van de andere zyde, zoo dat elke kant, uit drie te zamen vereenigde planken bestaande, eene gelyke breedte maakt; men hakt het einde van deeze planken schuins, in de evenredigheid van ten minsten drie duimen op elken voet. Deeze schuinte is alleen aan die zyde, welke naar de Rivier of Zee geplaatst wordt, en alwaar ook de sluis-deur moet gemaakt worden. De vier planken van twaalf voeten lengte, en twee en een halve duimen dikte, dienen om de vierkanten of vakken van de sluis te maken. Daarom klooft men dezelven in de breedte midden door, het geen de planken alleenlyk zes duimen breed maakt; men hakt dezelve in vier stukken, elk van drie voeten lang; men maakt deeze stukken van eene even gelyke grootte, en voegt die met rechte hoeken en een zwaluwen staart te zamen, zoo dat men van vier stukken een vierkant maakt; en dewyl elke plank agt stukken oplevert, maakt zulks twee vierkanten op elke plank, en voor de vier, agt vierkanten of vakken, die tot de vastheid van de sluis op eene lengte van 26 voeten volkomen voldoende zyn. Het vierkant, het welk aan het einde der lange planken, die schuins gehakt zyn, geplaatst is, moet insgelyks in de schuinte gehakt worden, om op de andere schuinte volmaakt te sluiten. Wanneer de vierkanten gemaakt zyn, spykert men dezelven op gelyke afstanden van elkander aan de lange planken vast: wanneer de sluis van wederzyden aan die vierkanten is vast gespykerd, gaat men over tot de twee andere zyden, die den bodem, en het boveneinde van de sluis uitmaken: men gebruikt daar toe de vyftien planken van anderhalve duim dikte: men hakt die alle aan stukken van drie voeten lengte, het geen voldoende is, om de beide zyden van de sluis aan de einden gelyk te doen dragen: na deeze stukken zoo gemaakt te hebben, dat ze volmaakt op elkander passen, spykert men ze overdwars aan de sluis vast, zoo van boven als van onderen. De deur van deeze sluis wordt geplaatst aan die zyde, alwaar de planken met een schuinse inham gehakt zyn; men geeft 'er het fatsoen aan overeenkomstig deeze zelfde schuinte, en hangt dezelve aan twee hengzels, waar van de yzere duimen zyn geklonken in een stuk hout van het beste zoort, het welk men boven aan de sluis vast maakt, door het zelve vooraf met het vierkant, waar op deeze deur rust, zamen te hegten; en vervolgens met twee yzere krammen, die het zelve aan drie kanten omvatten, en waar van de platte einden gespykerd zyn op de planken, welken men overdwars boven de sluis geplaatst heeft, terwyl men onder aan een gelyk stuk hout plaatst, op dezelfde wyze vast gehecht, waar op de sluisdeur rust, wanneer die gesloten is. De yzere duimen gaan door de breedte heen van het stuk hout, waar in zy geklonken zyn, en van agteren zyn zy met een schroef of schaar vast gemaakt, zoo dat men ze naar vooren of naar agteren kan draaijen, naar dat de vaste sluiting van de sluisdeur zulks vordert. Het geheel van deeze sluisdeur bestaat uit in elkander gevoegde stukken hout, die wel gelyk gemaakt zyn, en overdekt met eene dubbele laag hout met regte hoeken, insgelyks in elkander gezet: dezelve moet breeder zyn, dan de opening van de sluis, dat is, gelyk met derzelver geheele breedte, de buitenste kanten daar onder gerekend. Die zyde van de deur, alwaar de planken vlak of overdwars zyn in elkander gevoegd, moet binnenwaarts geplaatst worden, dewyl het hout op die manier zig minder uitzet, en de sluisdeur dan minder bloot gesteld is, om in wanoerde te geraken, en naauwkeuriger sluit. Om aan deeze sluisdeur meer gewicht te geven, en dezelve gemakkelyker van zig zelve, en door haare zwaarte, te doen sluiten, voegt men 'er van weerskanten een zwaar stuk hout by, het welk men aan de buitenste oppervlakte vast spykert; dit stuk moet de dikte hebben van vier of zes duimen in de laagte, en naar de bovenkant hoeksgewyze eindigen. Eene uitwaterende sluis van de hier boven opgegevene grootte, is volkomen voldoende tot het droogmaken van een stuk van 150 hond lands: men kan een tweede aanleggen, of 'er een maken, die grooter is, naar mate eene grootere uitgestrektheid gronds moet worden droog gemaakt. Deeze zoort van sluisdeuren of duikers is de eenvoudigste en min kostbaarste, om te dienen tot loozing van het binnen-water van een land, het welk men wil droogmaken en bebouwen. Voor 't overige, wanneer men 'er de middelen en den tyd toe heeft, kan men aldaar sluizen maken op de manier, die in Europa bekend is, het zy van hout, het zy van steen. 'Er zyn veele Planters in de Hollandsche Volkplantingen van Guiana, die deeze laatstgemelde hebben. Wanneer de grachten rondoem gegraven en de sluis geplaatst is, moet men dadelyk zyn werk maken van de afdeeling van den grond, en van de wegen, waar door elke afdeeling wordt afgescheiden. Deeze wegen moeten door gegravene vaarten omgeven zyn, die tamelyk groot en ten hoogsten honderd toisen van elkander afgelegen zyn. Indien de tusschenruimten grooter waren, zoude de afloop van het water te langzaam en onvoldoende zyn: men moet ze ook niet te digt by elkander maken, om den arbeid niet noodeloos te vermeenigvuldigen. Deeze verdeelingen zyn willekeurig, en hangen van des Planters goedvinden af. Men maakt de midden-laanen meer of min breed, en aan de kanten plant men vrugtboomen, bananen-boomen, ananassen, en andere nuttige planten. 'Er zyn Planters, die, behalven de groote midden-laan, nog eene andere van wederzyden maken, minder breed, in het midden van het vak tusschen de groote laan en elke dyk, waar door het geheele stuk gronds in vier gelyke deelen verdeeld is: men kan deeze verdeeling nog eenvoudiger maken, om den arbeid te verminderen. 'Er is nog eene manier, die veel voordeeliger is, en daarom veel meer aan te raden: hier in bestaande, om in plaats van den middenweg, eene groote vaart te graven, beginnende van het achterste gedeelte der gebouwen tot een einde voor aan in het bosch, en in de dwarste loopende voor den agterdyk. Men bedient zig van de aarde, die daar uit gegraven wordt, om aan wederzyden van deeze vaart, de dyken op te hoogen, die een zeer goeden weg opleveren ter rechter en ter linker zyde, welken men ieder met ryen boomen beplant. Het nut van zulk eene gegravene vaart is onwaardeerbaar; dezelve dient, om de koffy of andere waaren in den oogst-tyd met schepen of ligte vaartuigen te vervoeren, het geen veel handen arbeid kan voorkomen. Deeze vaart is het geheele jaar door vol goed en zoet water, het welk uit het bosch afdaalt. Dit water dient tot besproeijingen, tot verscheidene benoodigdheden der Planters, om zig te baden, en tot het vervoeren van hout voor vaatwerk, en brandhout, het welk men als een vlot laat afzakken, enz. Na dat men eenige maanden aan het maken der omringende dyken gearbeid heeft, wanneer de grond is ingezakt en vast geworden, maakt men de dyken volkomen af, en gelyk, en geeft aan de onderpaden en schuinse afhellingen derzelver regelmatige gedaante. De hoogte van deeze dyken moet altyd zyn een voet boven het hoogste water. In dit bearbeiden der lage landen, na den grond van het zwaare hout en de takken gezuiverd te hebben, het geen altyd een lang en moeijelyk werk is, voornamelyk wanneer de gronden met paletuvier-boomen bewassen zyn, is men gewoon in het begin bananen-boomen te planten, die tot voedzel voor de beplanters dienen, en met hunne zwaare bladeren de heestergewassen, het kleine geboomte, en planten, die op den grond overig blyven, overschaduwende, dezelven eindelyk geheel doen te niet gaan. Waar na men dezelven uittrekt, en nuttige planten, die men voornemens is aldaar aan te kweeken, in de plaats zet, om 'er voordeel mede te doen. Indien dit koffy-boomen zyn, plant men dezelven, geduurende het eerste en tweede jaar, in de schaduwe der bananen-boomen, waar van men een gedeelte laat staan. Voorts moeten wy nog aanmerken, dat op de groote, en vooral op de Suiker-Plantagien, de verdeeling der grachten een weinig anders zyn moet. Voor eene Suiker-Plantagie, alwaar men een water-molen maken wil, moet men afzonderlyke gegravene vaarten hebben, benevens genoegzaame vyvers, en bewaarplaatsen van water, die in slaat zyn het zelve aan de molen te verschaffen; als mede eene bekwaame helling, geduurende al den tyd, dat de Zee laag genoeg is, om de molen te kunnen laten malen. 'Er zyn ook grachten of vaarten noodig, die bevaarbaar zyn voor ligte vaartuigen, rondoem elke verdeeling, ten einde het suiker-riet met gemak en vaardigheid naar den molen te kunnen overvoeren. Op de groote Koffy-Plantagien graaft men ook eenigen van deeze vaarten, tot het vervoeren van de ingeoeogste vruchten in kleine vaartuigen; het geen aan den arbeid der wyd afgelegene Plantagien byzonder veel gemak aanbrengt. Het is tot dit einde genoeg, een gracht te hebben van twintig voeten breedte, die midden door de Plantagie, en vervolgens naar de diepte heen loopt. Deeze gracht of vaart moet geene gemeenschap met de anderen hebben; dewyl men zorgen moet, dat daar in altyd water genoeg is, om te kunnen varen, en wel zoet water, gelyk reeds hier vooren is opgemerkt; ook is het noodig aldaar eene kleine sluis te leggen, die haar uitloop heeft naar de groote sluis, welke voor de geheele droogmaking dient, ten einde deeze vaart te kunnen ontledigen, wanneer 'er te veel water in is, of zelfs geheel en al uit te droogen, indien dit noodig is, om dezelve schoon te maken, en diergelyken. Ten aanzien van eene Suiker-Plantagie, is het met de verdeeling deezer grachten en vaarten geheel anders gelegen: twee zaaken komen aldaar in aanschouw; voor eerst, het maken van plaatsen, die geschikt zyn om het water te bewaren, het welk noodig is, om den molen aan den gang te houden; ten tweeden, om de middelen te verschaffen, tot het rondoem vaaren van elk stuk lands, met suiker-riet beplant, en het zelve alzoo naar den molen te kunnen vervoeren. Men moet die vaarten dus veel grooter en meerder in getal maken. Zie hier de verdeeling van dezelven. Men begint met omringende grachten te maken, die in grootte aan de uitgestrektheid van het stuk lands geevenredigd zyn; men maakt vervolgens verdeelingen van 100 tot 100 toisen, maar niet verder, dan tot omtrent in het midden van de diepte der Plantagie. De groote gegraven vaart van zoet water, waar van wy gesproken hebben, en die van de gebouwen der Plantagie af, tot in derzelver diepte, boven den agter-dyk, doorloopt, moet eene veel grootere breedte hebben omtrent de plaats, waar de molen staat, dan in een afgelegener gedeelte. Op deeze vaart loopen andere kleinere vaarten of grachten uit, die geplaatst worden tusschen de afdeelingen heen, zoo dat zy met de uitwaterende vaarten geene gemeenschap hebben, maar alleenlyk met de middelste, waar van zy als zoo veele armen uitmaken. Behalven deeze groote vaart, en derzelver rechthoekige armen, zyn de verdeelingen van den grond omringd door eene uitwaterende vaart of gracht, en hebben nog eene andere in het midden van derzelver breedte, alle welke met de omringende en uit waterende vaarten gemeenschap hebben: en op die wyze geschiedt de droogmaking van den grond, als mede van de afgedeelde stukken, die men, even gelyk in alle andere droogmakingen, van 30 tot 30 voeten maakt. Wanneer eene Suiker-Plantagie, of andere, van eene zekere uitgestrektheid is, zyn 'er twee uitwaterende sluizen noodig, een aan elk uiteinde van het voorste gedeelte des lands: men legt ook nog een derde aan den ingang van de groote vaart, dienende tot een bewaarplaats van water, om, wanneer men wil, het water in alle de grachten te kunnen laten inloopen: en deeze sluis zet men open, wanneer het buiten-water te hoog is. DERDE BRIEF. Van het planten en aankweeken van Koffy, en van de noodige levensmiddelen tot onderhoud van de Planters; van het oogsten en bewerken der Koffy; van de gebouwen, en verdere noodzakelyke inrigtingen tot eene groote Koffy-Plantagie, volgens het gebruik der Hollandsche Volkplantingen in Guiana. Ik heb nu de manier ontvouwd van het droogmaken van een stuk grond, het inrichten van de grachten en uitwaterende sluisen, en het toemaken van het land, het welk voor deezen verdronken land was, ten einde daar van zoodanige Plantagie te maken, als men geraden zal oordeelen aldaar te vestigen. Ik zal vooroenderstellen, dat het koffy-boomen zyn, welken gy voornemens zyt op uw land voort te teelen; het onderwerp van deezen brief zal derhalven bestaan in u opzettelyk de middelen aan te wyzen, waar door men zulk eene Plantagie kan aanleggen, mits 'er de behoorlyke zorge toe aanwendende. Na dat de doorsnydingen of kleine grachten tot afscheiding der bedden gemaakt zyn, houdt men zig met de beplanting bezig. Het is vry algemeen aangenomen, o