The Project Gutenberg EBook of De Koran This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. Author: Annotator: L. Ullmann, G. Weil, R. Sale Editor: S. Keyzer Translator: M. Kasimirski Release Date: September 25, 2006 [EBook #19786] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KORAN *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ De Koran Voorafgegaan door Het leven van Mahomed, Eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. Met ophelderende aanmerkingen en historische aanteekeningen van M. Kasimirski, Dr. L. Ullmann, Dr. G. Weil en R. Sale Uitgegeven onder toezicht van Dr. S. Keyzer Vierde druk Waaraan is toegevoegd Een overzicht van de geschiedenis der Turken voornamelijk in hunne verhouding tot het overige Europa Door Dr. N. Japikse Met 3 in kleuren gedrukte Kaartjes Rotterdam--D. Bolle VOORBERICHT BIJ DEN TWEEDEN DRUK. Toen de eerste druk van den Koran, nu 20 jaar geleden onder toezicht van den bekwamen Hoogleeraar Keyzer bij mij het licht zag, werd er bepaald op gewezen, dat de kennis van de godsdienstgebruiken der Mahomedanen een noodzakelijk vereischte is, om tot een juiste beoordeeling te komen der geduchte macht, die haar hoofdzetel in Konstantinopel heeft, en vandaar zich over geheel Azië en Afrika uitstrekt. Honderd dertig millioen Mahomedanen staan in de voornaamste werelddeelen steeds gewapend tegenover drie honderd zestig millioen Christenen. Gedurende meer dan twaalf eeuwen is de Turk de openbare vijand van den Christen en heeft deze laatste den Mahomedaan als zijn erfvijand leeren beschouwen. En toch is de Christen over het algemeen al zeer oppervlakkig in zijne beschouwing van den Muzelman, slechts schaars bekend met den godsdienst van Mahomed. Sinds meer dan twaalf eeuwen hebben honderden millioenen menschen in dit geloof hun levensgids gevonden. Men noeme dezen godsdienst een dwaling: 't is zeker, dat geen Christensecte tot op dezen dag voor haar geloof zóó heeft geleden en gestreden als deze geminachte Muzelman voor het zijne. De leer van Mahomed heeft slechts drie geloofsartikelen: "Er is maar één God;"--"Mahomed is Zijn profeet;"--"Niemand kan het lot, dat éénmaal onveranderlijk over hem is vastgesteld, ontgaan!" Mahomed noemde zichzelf Gods profeet,... de Christenwereld noemde Mahomed een kwakzalver. Het is bezwaarlijk aan te nemen, dat een Godsdienst, waarin honderden millioenen schepselen, van gelijke beweging als wij, leven en sterven, gedurende nu meer dan twaalf eeuwen,.... dat zulk een godsdienst geheel op kwakzalverij berust. Wanneer wij er Mahomed een verwijt van maken, dat hij zijn godsdienstige leerstellingen doordreef met het zwaard, dan mogen wij, Christenen, niet vergeten, dat de grondlegger van onzen godsdienst wel een godsdienst des vredes en der liefde predikte, doch dat Karel de Groote eveneens het zwaard gebruikte om de door hem overwonnen volkeren tot het Christendom te bekeeren. En als de Christen zijn Bijbel hoog in eere houdt, dan zien wij, dat de eerbied, die den Muzelman voor zijn Koran heeft vooral niet minder is. Is het Mahomedanisme in Europa nog een groote kracht, gelijk uit den laatsten worstelstrijd met Rusland blijkt; blijft het in het Britsch-Indische rijk het allesbeheerschend element, ook in onze Nederlandsch-Indische bezittingen is het opgegroeid tot eene verbazende macht. Sedert Europa en Indië in versnelde gemeenschap zijn, de afstand tusschen beiden van maanden tot weken is ingekrompen, elke maand honderden van Europa naar Azië afreizen, is de noodzakelijkheid vermeerderd om de grondbeginselen te kennen van de kracht, die daar alles beheerscht, welker voorhoede reikt tot aan de grenzen van Rusland en Oostenrijk, en eenmaal zelfs voor de poorten van Weenen de vlag van den profeet ontplooide. Ziedaar, waarom het wenschelijk mag genoemd worden, dat een tweede vermeerderde druk van de Nederduitsche vertaling van den Koran daarin een licht ontsteke, dat velen welkom zal zijn. Haarlem 1878. J. J. van Brederode. VOORBERICHT BIJ DEN VIERDEN DRUK. Wat de vorige uitgever, in zijn Voorbericht bij den Tweeden Druk, ten opzichte van doel en strekking van dit boek heeft gezegd, is heden nog even juist en actueel als het destijds was; bij dezen vierden druk behoeft daaraan niets te worden toegevoegd. Alleen aangaande het Overzicht van de Geschiedenis der Turken, zij opgemerkt, dat dit hoofdstuk door Dr. N. Japikse geheel opnieuw werd geschreven ten behoeve van den derden druk, en thans weder door hem werd herzien. De drie kaartjes bij dit hoofdstuk behoorend werden speciaal voor deze uitgave ontworpen en geteekend door den heer H. Hettema Jr. Rotterdam 1916. D. Bolle. INHOUD. I. Levensschets van Mahomet 1 II. De Koran. Algemeen overzicht 41 III. De Islam. Algemeen overzicht 57 IV. De Koran. I. Inleiding. Gegeven te Mekka.--7 verzen 69 II. De Koe. Gegeven te Medina.--286 verzen 70 III. De familie Imram. Gegeven te Mekka.--200 verzen 108 IV. De Vrouwen. Gegeven te Medina.--175 verzen 129 V. De Tafel. Gegeven te Medina.--120 verzen 152 VI. Het Vee. Gegeven te Mekka.--165 verzen 171 VII. Al Araf. Gegeven te Mekka.--205 verzen 189 VIII. De Buit. Gegeven te Medina.--76 verzen 211 IX. De Verklaring van Vrijstelling. Gegeven te Medina.--130 verzen 219 X. Jonas. Gegeven te Mekka.--109 verzen 235 XI. Hoed. Geopenbaard te Mekka.--123 verzen 245 XII. Jozef. Gegeven te Mekka.--111 verzen 260 XIII. De Donder. Gegeven te Mekka.--43 verzen 276 XIV. Abraham. Geopenbaard te Mekka.--52 verzen 282 XV. Al Hedjr. Geopenbaard te Mekka.--99 verzen 288 XVI. De Bij. Gegeven te Mekka.--128 verzen 294 XVII. De nachtelijke Reis. Geopenbaard te Mekka.--111 verzen 309 XVIII. De Spelonk. Geopenbaard te Mekka.--110 verzen 322 XIX. Maria. Geopenbaard te Mekka.--98 verzen 336 XX. T. H. Geopenbaard te Mekka.--135 verzen 344 XXI. De Profeten. Geopenbaard te Mekka.--112 verzen 355 XXII. De Pelgrimstocht. Gegeven te Mekka.--78 verzen 365 XXIII. De ware Geloovigen. Geopenbaard te Mekka.--118 verzen 374 XXIV. Het licht. Geopenbaard te Medina.--64 verzen 381 XXV. Al Forkan. Geopenbaard te Mekka.--77 verzen 393 XXVI. De Dichters. Geopenbaard te Mekka.--228 verzen 400 XXVII. De Mier. Gegeven te Mekka.--95 verzen. 410 XXVIII. De geschiedenis (of de lotgevallen). Gegeven te Mekka.--88 verzen 419 XXIX. De Spin. Geopenbaard te Mekka.--69 verzen 429 XXX. De Grieken. Geopenbaard te Mekka.--60 verzen 435 XXXI. Lokman. Geopenbaard te Mekka.--34 verzen 441 XXXII. De Aanbidding. Gegeven te Mekka.--30 verzen 445 XXXIII. De Verbondenen. Geopenbaard te Medina.--73 verzen 448 XXXIV. Sara. Geopenbaard te Mekka.--54 verzen 461 XXXV. De Engelen, of de Schepper. Geopenbaard te Mekka.--45 verzen 468 XXXVI. Y. S. Geopenbaard te Mekka.--83 verzen 472 XXXVII. Zij die zich in orde scharen. Geopenbaard te Medina.--182 verzen 478 XXXVIII. S. Geopenbaard te Mekka.--88 verzen 485 XXXIX. De Scharen. Geopenbaard te Mekka.--75 verzen 491 XL. De ware Geloovige. Geopenbaard te Mekka.--85 verzen 498 XLI. De duidelijk Uitgelegden. Geopenbaard te Mekka.--54 verzen 505 XLII. Overweging. Geopenbaard te Mekka.--53 verzen 510 XLIII. De gouden Versierselen. Geopenbaard te Mekka.--89 verzen 515 XLIV. De Rook. Geopenbaard te Mekka.--59 verzen 520 XLV. De Nederknieling. Geopenbaard te Mekka.--36 verzen 523 XLVI. Alahkaf. Geopenbaard te Mekka.--35 verzen 526 XLVII. Mahomet. Geopenbaard te Medina.--40 verzen 530 XLVIII. De Overwinning. Geopenbaard te Medina.--29 verzen 534 XLIX. De Binnenvertrekken. Geopenbaard te Medina.--18 verzen 539 L. K. Geopenbaard te Mekka.--45 verzen 541 LI. De Verspreiding. Geopenbaard te Mekka.--60 verzen 544 LII. De Berg. Geopenbaard te Mekka.--49 verzen 547 LIII. De Ster. Geopenbaard te Mekka.--62 verzen 549 LIV. De Maan. Geopenbaard te Mekka.--55 verzen 552 LV. De Barmhartige. Geopenbaard te Mekka.--78 verzen 555 LVI. De Onvermijdelijke. Geopenbaard te Mekka.--96 verzen 558 LVII. Het IJzer. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--29 verzen 562 LVIII. De Klaagster. Geopenbaard te Medina.--22 verzen 565 LIX. De Landverhuizing. Geopenbaard te Medina.--24 verzen 568 LX. Zij, die beproefd is. Geopenbaard te Medina.--13 verzen 571 LXI. Slagorde. Geopenbaard te Mekka.--14 verzen 574 LXII. De Vergadering. Geopenbaard te Medina.--11 verzen 575 LXIII. De Huichelaars. Geopenbaard te Medina.--11 verzen 577 LXIV. Wederzijdsche Teleurstelling. Gegeven te Mekka.--18 verzen 578 LXV. De Echtscheiding. Geopenbaard te Medina.--12 verzen 579 LXVI. Het Verbod. Geopenbaard te Medina.--12 verzen 581 LXVII. Het Koninkrijk. Geopenbaard te Mekka.--30 verzen 584 LXVIII. De pen. Geopenbaard te Mekka.--52 verzen 586 LXIX. De onvermijdelijke Dag. Geopenbaard te Mekka.--52 verzen 588 LXX. De trappen. Geopenbaard te Mekka.--44 verzen 590 LXXI. Noach. Geopenbaard te Mekka.--29 verzen 592 LXXII. De Geniussen. Geopenbaard te Mekka.--28 verzen 594 LXXIII. De Omwikkelde. Geopenbaard te Mekka.--20 verzen 596 LXXIV. De (met den mantel) Bedekte. Geopenbaard te Mekka.--55 verzen 598 LXXV. De Opstanding. Geopenbaard te Mekka.--50 verzen 600 LXXVI. De Mensch. Geopenbaard te Mekka.--31 verzen 601 LXXVII. De Gezondenen. Geopenbaard te Mekka.--50 verzen 603 LXXVIII. Het nieuws. Geopenbaard te Mekka.--41 verzen 605 LXXIX. Zij, die de zielen uitscheuren. Geopenbaard te Mekka.--46 verzen 606 LXXX. Hij fronste het Voorhoofd. Geopenbaard te Mekka.--42 verzen 607 LXXXI. De opgevouwen Zon. Gegeven te Mekka.--29 verzen 609 LXXXII. De gespleten Hemel. Geopenbaard te Mekka--19 verzen 610 LXXXIII. De Bedriegers. Geopenbaard te Mekka.--36 verzen 611 LXXXIV. De geopende Hemel. Geopenbaard te Mekka.--25 verzen 612 LXXXV. De Hemelteekenen. Geopenbaard te Mekka.--22 verzen 613 LXXXVI. De Nachtster. Geopenbaard te Mekka.--17 verzen 614 LXXXVII. De Verhevenste. Geopenbaard te Mekka.--22 verzen 615 LXXXVIII. De Overvallende. Geopenbaard te Mekka.--26 verzen 616 LXXXIX. De Morgenschemering. Geopenbaard te Mekka.--30 verzen 617 XC. Het Grondgebied. Geopenbaard te Mekka.--20 verzen 618 XCI. De Zon. Geopenbaard te Mekka.--15 verzen 619 XCII. De Nacht. Geopenbaard te Mekka.--21 verzen 619 XCIII. De Ochtendglans. Geopenbaard te Mekka.--11 verzen 620 XCIV. Hebben wij niet geopend? Gegeven te Mekka.--8 verzen 621 XCV. De Vijg. Gegeven te Mekka of te Medina.--8 verzen 621 XCVI. Het gestolde Bloed. Geopenbaard te Mekka.--19 verzen 622 XCVII. Al Kadr. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--5 verzen 623 XCVIII. Het duidelijke Teeken. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--8 verzen 623 XCIX. De Aardbeving. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--8 verzen 624 C. De Oorlogspaarden. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--11 verzen 625 CI. De Slag. Geopenbaard te Mekka.--8 verzen 625 CII. De Begeerte zich te Verrijken. Geopenbaard te Mekka of Medina.--8 verzen 626 CIII. De Namiddag. Geopenbaard te Mekka.--3 verzen 626 CIV. De Lasteraar. Geopenbaard te Mekka.--9 verzen 627 CV. De Olifant. Geopenbaard te Mekka.--5 verzen 627 CVI. De Koreïshieten. Geopenbaard te Mekka.--4 verzen 628 CVII. De Aalmoes. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--7 verzen 628 CVIII. Al Kauther. Gegeven te Mekka.--3 verzen 629 CIX. De Ongeloovige. Geopenbaard te Mekka.--6 verzen 630 CX. De Hulp. Geopenbaard te Mekka.--3 verzen 630 CXI. Aboe Lahab. Geopenbaard te Mekka.--5 verzen 631 CXII. Gods Eenheid. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--4 verzen 631 CXIII. De Dageraad. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--5 verzen 632 CXIV. De Menschen. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--6 verzen 632 V. Algemeen Register der voornaamste onderwerpen in den Koran behandeld, en der noten desbetreffende 633 VI. Kort Overzicht van de Geschiedenis der Turken, voornamelijk in hunne verhouding tot het overige Europa 667 I. Inleiding 667 II. De Opkomst en Bloei der Turksche macht in Europa 675 III. De Achteruitgang der Turksche macht in Europa 691 I. LEVENSSCHETS VAN MAHOMET. De _Koran_ is eene onregelmatige en onsamenhangende verzameling van zedelijke, godsdienstige, burgerlijke en politieke voorschriften, gemengd met vermaningen, of beloften en bedreigingen, met het leven hier namaals in betrekking staande, zoowel als van verhalen, die nu eens getrouw en dan weêr op ongetrouwe wijze, aan de bijbelsche oudheid, aan de Arabische overleveringen, en zelfs aan de geschiedenis van de eerste eeuwen des Christendoms ontleend zijn. Evenzeer vindt men er toespelingen op zaken die gebeurd zijn ten tijde dat de Koran geschreven is, op pogingen door den nieuwen godsdienst aangewend, om overwicht te krijgen op den afgodendienst, of op de worstelingen die zij had te bestaan. Die toespelingen zijn echter, doorgaans, in zulke algemeene en onbepaalde uitdrukkingen vervat, dat zin en beteekenis ons dikwijls zouden ontsnappen, indien wij hier geen geleiders vonden in de uitleggers van den Koran en de historische verhalen ten opzichte der vestiging van den _Islam_ of het _Islamisme_. Niet meer dan drie van Mahomets tijdgenooten worden, in het voorbijgaan, door den Koran genoemd. Wat Mahomet zelven betreft, wordt deze alleen vermeld bij wijze van toespraak, die God verondersteld wordt tot hem te richten. Daaruit volgt, dat de Koran ons bijna geene narichten geeft omtrent het leven en den persoon van den profeet der Arabieren. Deze bijzonderheid is overigens in overeenstemming met het algemeene en erkende karakter van den Koran: deze toch stelt Gods woord voor, dat aan Mahomet geopenbaard en door diens mond aan het Arabische volk overgeleverd is. Als een muzelman een gezegde uit den Koran aanhaalt, dan zegt hij nooit: Mahomet heeft het gezegd; maar: God (of de Allerhoogste, het Opperwezen) heeft het gezegd; en het was daarom niet te wachten, dat God aan de medeburgers van Mahomet bijzonderheden omtrent diens verwanten, zijn' oorsprong en zijne levensgevallen zou openbaren [1]. Dat stilzwijgen van den Koran wordt echter door de overlevering ruimschoots vergoed, en wij bezitten over Mahomet, ten minste van het oogenblik dat hij als Godsgezant optrad, historische bronnen, die, hoezeer met legenden vermengd, den beoefenaar tot een onbedriegelijk richtsnoer verstrekken, waaraan zijne openbaringen verbonden kunnen worden. De gezellen van den profeet (de _Ashab_), zijne helpers (de _Ansar_), de aanhangers van den profeet die hun vaderland om de zaak van den nieuwen eeredienst hadden verlaten (de _Moehadjirs_), allen die Mahomet gevolgd zijn (de _Tabi'_, in het meervoud _Tabi'in_), en allen die dezen hebben opgevolgd, hadden het zich tot plicht gesteld, òok de minst beteekenende bijzonderheden uit het leven van hunnen apostel, wetgever en zoowel geestelijk als tijdelijk opperhoofd, met godsdienstigen eerbied te bewaren en aan hunne nazaten over te leveren. Die bijzonderheden zijn overgegaan in de eerste historische boeken, door de Muzelmannen [2] samengesteld, en vormen heden ten dage een werkelijk en onmisbaar gedeelte van elk werk over de algemeene geschiedenis, en dus voorzeker van eene geschiedenis der Arabieren. Men bevroedt gemakkelijk, dat door de godsdienstige geestdrijverij onder een volk, hetwelk, over het algemeen, ongeletterd en van het overige gedeelte der wereld afgezonderd was, waarin menige twijfelachtige verhalen en verdachte overleveringen hebben moeten binnensluipen; dat de fictie en het wonderbaarlijke, voor zeker gedeelte, gemengd zijn in de geschiedenis van Mahomets zending, even als dit in de geschiedenis van de meeste andere godsdiensten plaats heeft. Misschien kan echter de geschiedenis van Mahomets zending, gemakkelijker dan eenige andere godsdienst uit het Oosten, van dat inmengsel van versiering en het wonderbaarlijke worden ontdaan, voor hetwelk slechts een Muzelman zich verplicht acht, met eerbiedigheid te blijven staan. Maar zelfs indien men er het karakter van heiligheid aan ontneemt, is zoowel het ontstaan als de voortplanting van het Islamisme desniettemin een der buitengewoonste gebeurtenissen in de jaarboeken des menschdoms. Het is niet overbodig hier te doen opmerken, dat het groote Arabische schiereiland niet altijd door éen volk van hetzelfde ras en met dezelfde taal is bewoond geworden. De Arabische schrijvers onderscheiden er drie verschillende menschenrassen, die elkander in Arabië hebben opgevolgd en die allen Arabieren genoemd zijn geworden. Het eerste ras wordt er aangeduid door den naam van Arabieren, _el-Ariba_ [3] volbloed-Arabieren of van onvermengd ras, of met andere woorden, oorspronkelijke Arabieren. Dit ras bevat de volken, die langen tijd voor Mahomet uitgestorven of uitgeroeid waren. Dit zijn de _Adieten_, de _Thémoedieten_, de _Amalika_ of _Amalekieten_, de bevolkingen van _Tasm_ en _Djadis_, die, volgens de Arabische geschiedschrijvers, uit Sem of Cham, zonen van Noach, zijn gesproten. Het tweede ras is dat van de Arabieren, _Moetéarriba_ (Arabieren die dat zijn geworden). Men beschouwt deze als voortgekomen uit Kaktan of Joktan, zoon van Heber; dezen hebben zich aanvankelijk in het gebied van _Yemen_ (in _Gelukkig Arabië_) gevestigd, van waar zij zich naar alle overige gedeelten van Arabië hebben verbreid, door het uitzenden van volkplantingen, en nu eens door zich met de oorspronkelijke stammen te vermengen, of dan eens door hen te vervangen in het uitsluitende bezit van verschillende streken. De Himyarieten behooren tot de _Moetéarriba_-Arabieren, of, zoo als Caussin de Pergeval hen noemt, _secondaire_ Arabieren. Het derde ras is dat van de _Moesta'riba_-Arabieren, (die met de andere Arabieren gelijk zijn gesteld); dit zijn de afstammelingen van Ismaël, den zoon van Abraham. Deze hebben zich in het gebied _Hedjaz (woest Arabië_) gevestigd en achtereenvolgens zich in al de andere gedeelten van Arabië verspreid: dit zijn de tertiaire, of Ismaëlitische Arabieren. Tot dat ras behooren de Arabieren, die sedert onheugelijke tijden rondom _Mekka_ gevestigd zijn, en in het bijzonder het geslacht der Koreïshieten, waaruit Mahomet geboren werd. Alhoewel de Arabieren de grootste zorg hebben gedragen om hunne geslachtslijsten te bewaren, zijn toch al de pogingen der Arabische geschiedschrijvers, om de rechtstreeksche afstamming vast te stellen van Mahomet tot Ismaël, gedurende een tijdverloop van twintig eeuwen, vruchteloos geweest; maar over het algemeen komen zij wel overeen betrekkelijk zijne geslachtsrekening tot Adnan, die voor een' afstammeling van Ismaël gehouden wordt. Neemt men drieëndertig jaren voor elk menschengeslacht aan, dan kan men het tijdvak van Adnan op omstreeks 130 jaren voor Chr. stellen, zoodat er dan alleen enkele namen overblijven van degenen, welke door de geschiedschrijvers vermeld worden, om de heele tijdruimte aan te vullen, die er verloopen is tusschen Ismaël, den zoon van Abraham, en Adnan, een' persoon die meer nabij ons tijdvak heeft geleefd. Hoe groot nu ook die gaping zij, zoo bestaat er toch geen eenige grond om het geslachtsregister van Mahomet in twijfel te trekken. Integendeel zijn er twee beschouwingen, die ten voordeele daarvan schijnen te pleiten. In de eerste plaats zijn dit onderscheiden gedeelten van den Bijbel, te beginnen met de boeken van Mozes tot aan de profeten [4], die daarin overeenkomen, dat zij de Arabieren uit _Woest Arabië_ (van _Hedjaz_ en _Mekka_) als Ismaëlieten beschouwen, en voorts ook de eerbied dien zij voor de nagedachtenis van Abraham hebben bewaard. Inderdaad zou, volgens de overlevering uit den tijd voor Mahomet, de vermaarde tempel van _Caaba_, die ten doel strekte van de pelgrimstochten der Arabieren, en veel ouder is dan de stad _Mekka_ zelve, door Abraham gedurende zijn verblijf in Arabië opgericht zijn; en eindelijk in dienzelfden tempel, welke eene soort van pantheon voor de Arabieren is geworden, zag men, ten tijde van Mahomet, een figuur, die Abraham, den stichter der eeredienst van den eenigen God, voorstelde en naast de Arabische godheden of de Christen heiligen geplaatst was. Moge nu die aaneenschakeling al of niet gegrond zijn, moge zij zeer oud wezen of nabij het tijdstip van den Islam liggen, zooveel is waar, dat die afkomst van Mahomet eene belangrijke rol in zijne zending speelt, en niet weinig tot zijn' opgang bijgedragen moet hebben. Vooral in den aanvang van zijn apostelschap, toen het er nog op aankwam, de Arabieren van de afgodendienst los te maken, vond Mahomet in het voorbeeld van Abraham een grooten steun voor den door hem gepredikten godsdienst, en hij plaatste dien godsdienst onder de bescherming van een' persoon, wiens nagedachtenis onder zijne landgenooten algemeen geëerbiedigd werd. De stad _Mekka_ is niet vroeger dan in de vijfde eeuw onzer jaartelling gesticht; maar de vallei van _Mekka_ strekte sedert de vroegste tijden tot verblijf der Arabische stammen, die zich in den omtrek der overblijfsels van den _Caaba_-tempel nedersloegen, waarvan zij de bewaking en het bestuur als eene eer en als gevende aanspraak op den eersten rang, elkander onafgebroken betwistten. Omstreeks het jaar 200 der gewone jaartelling, werd een der afstammelingen van Adnan, Firh geheeten en El Koreïsh bijgenaamd, de stamvader van den vermaarden stad der Koreïshieten, die in het vervolg een' grooten invloed te _Mekka_ verkreeg. Kossaï, een van zijn afstammelingen in het vijfde geslacht, slaagde er niet alleen in, de _Khozzaas_, een andere Arabischen stam, als beheerders van _Mekka_ uit den zadel te lichten, maar ten einde die belangrijke betrekking ten eeuwigen dage aan zijn geslacht te verzekeren, wist hij de Koreïshieten te belezen, rondom den _Caaba_-tempel eene stad te bouwen, waarvan de verschillende gedeelten door de leden van den uitgestrekten stam der Koreïshieten bewoond zouden worden. Voor zich zelven bouwde Kossaï een huis, dat aanzienlijker dan de andere was, en vestigde er den zetel van den raad (_nadwa_), waarin al de Koreïshieten toegang hadden en waarin alle zaken in het openbaar werden behandeld. In dat Raadhuis (_Dar-ennadwa_) ontvingen de Koreïshieten, als zij een' anderen stam gingen bevechten, de banier uit handen van Kossaï. Op Kossaïs raad gaven de Koreïshieten hunne toestemming om zich aan eene belasting te onderwerpen, _rifada_ (hulp) genaamd, welke zij, in het tijdvak van den pelgrimstocht, aan Kossaï betaalden, en die door dezen werd besteed om aan de behoeftige pelgrims, gedurende drie dagen dat zij te _Mina_, op eenigen afstand van _Mekka_, verbleven, kosteloos levensmiddelen te verschaffen. Kossaïs gezag vermeerderde nog, toen hij op zijnen persoon eenige andere posten wist te vereenigen, die met den dienst in den _Caaba_-tempel in verband stonden. Die ambten waren de volgenden: _sikaïa_, bestuurder van het water en de uitreiking daarvan, _hidjaba_, wachter van den _Caaba_-tempel en van den dienst in dezen. Bij dezen ambten dient men die te voegen van _rifada_, de ontvangst van de belasting der hulpverstrekking, van _liwa_, die het recht gaf eene kap van witte stof aan den standaard der Koreïshieten te hechten, als deze ten strijde gingen, en van _nadwa_, raad, zijnde het voorzitterschap van de vergadering Eenige mindere betrekkingen werden door Kossaï aan andere Arabische stammen overgelaten. Door het vorenstaande ziet men, dat de Koreïshieten, omstreeks twee honderd jaren voor Mahomet (tegen het jaar 440 na Chr.) niet alleen te _Mekka_ in het bezit waren van een regelmatig gevestigd gezag, maar ook dat hun invloed en aanzien zich naar buiten verbreidden, en eindelijk dat de naam der Koreïshieten, door den toevloed van pelgrims naar de alouden tempel van _Caaba_, in al de gedeelten van Arabië bekend was. Door den handel dien zij met voortbrengsels van _Gelukkig Arabië_ (_Yemen_) in _Syrië_, _Mesopotamië_ en _Egypte_ dreven, en van waar zij, in ruiling, stoffen, graan en andere voorwerpen [5] terugbrachten, hadden zij een zekere gegoedheid, ja zelfs aanmerkelijke rijkdommen verkregen. Kossaï of Koesseï had vier zonen. Abdeddar, Abdelozza, Abd en Abdmenaf. Wij zullen alleen over dezen laatsten tijd spreken, omdat hij in de rechte lijn de voorzaat van Mahomet is. Abdmenaf werd evenzeer vader van vier zonen, zijnde: Abdchams, Nowfal, Hachim, en Mottalib. Hachim, die de rijkste der broeders en, bijgevolg, het best in staat was, in de behoefte der pelgrims te voorzien en de zaken van _Mekka_ te besturen, werd met de gewichtigste betrekking der vereeniging bekleed. Deze voerde onder de Koreïshieten 't gebruik in, jaarlijks twee karavanen uit te zenden: de eene des winters, naar _Yemen_ en de andere, 's zomers, naar _Syrië_, ook was hij het, die het eerst aan de behoeftige Koreïshieten eene soort soep uitdeelde, welke _tharid_ genoemd werd en samengesteld was uit vleeschnat en tot kruim gewreven brood, hetgeen oorzaak was, dat zijn oorspronkelijke naam Amr in dien van Hachim--den kruimelaar--veranderd werd. En den naam van Hachmieten wordt aan den geheelen opgaanden zijtak van Mahomet gegeven. Cheïba, de zoon van Hachim, werd ook Abdelmottalib genaamd, omdat hij door zijn oom Mottalib als zoon werd aangenomen. Hij volgde zijn vader te _Mekka_ in diens gewichtigste ambten op, te weten in die van _sikaïa_ en _rifada_. Zijne edelmoedigheid en zijn braaf gedrag hadden hem de algemeene achting doen winnen. Deze hoedanigheden scheen echter in de oogen zijner landgenooten het middel niet, te vergoeden, dat hij maar een' eenigen zoon had; want evenals de Israëlieten, stelden de Arabieren den hoogsten prijs op een groot aantal mannelijke nakomelingen. Dat denkbeeld was bij de Arabieren zóó vast geworteld, dat Abdelmottalib op zekeren dag van een' zijner landgenooten beleedigingen moest ondergaan, omdat hij maar één' zoon had. In zijne ergernis zwoer hij, dat indien God hem tien mannelijke kinderen gaf, hij hem er één' voor den _Caaba_ van zou offeren. Abdelmottalibs wensch werd verhoord. Na de geboorte van zijn' eersten zoon (528 na Chr.) tot het jaar 569 kreeg hij twaalf zonen en zes dochters. Op zekeren dag verzamelde hij, vast besloten zijn eed te vervullen, de tien oudste van zijne zonen; hij deelde hun den eertijds door hem gedane eed mede; een ieder van deze wilde er zich aan onderwerpen, het slachtoffer te worden, en allen begaven zich naar den _Caaba_ voor den afgod _Hobal_ om te loten. Het lot viel op Abdallah, die door zijn' vader het meest werd bemind. Het offer stond op het punt volbracht te worden, op eene plaats die gewoonlijk bestemd was voor het slachten der offers, toen de Koreïshieten toesnelden, den arm van Abdelmottalib tegenhielden en hem rieden, eene waarzegster te raadplegen die zich te _Kaïbar_ bevond, dat eene versterkte en door Israëlieten bewoonde Stad was. De waarzegster vroeg, wat de boete was, die voor een' manslag werd betaald, en toen men haar antwoordde, dat de boete tien kameelen bedroeg, ried zij, Abdallah aan de eene zijde, en aan de andere tien kameelen te plaatsen; dat men daarna het lot zou raadplegen, en verklaarde zich dit tegen Abdallah, dat men wederom tien kameelen bij de eerste voegen en daarmede telkens voortgaan zou, tot het lot op de kameelen viel. Abdelmottalib onderwierp zich aan de uitspraak der waarzegster, en nademaal het lot tienmalen achtereen ten nadeel van Abdallah uitviel, kocht de vader zijn' eed eerst tegen honderd kameelen los. Sedert dien tijd werd de bloedprijs onder de Arabieren op honderd kameelen bepaald. Dadelijk na deze gebeurtenis huwde Abdelbottalib zijnen zoon Abdallah uit aan Amina, de dochter van Wahb, een' der afstammelingen van Abdmenaf. Uit dit huwelijk werd Mahomet geboren. [6] Mahomets geboortejaar kan niet gemakkelijk worden vastgesteld. Er zijn echter drie gegevens, die dienen kunnen om het ten minste bij benadering te bepalen. Volgens de overlevering zou Mahomet gezegd hebben: "Ik ben geboren onder de regeering van den rechtvaardigen koning." Die rechtvaardige koning was Kesra Anoechirvan (Kosroës _de Groote_), die zevenenveertig jaren en acht maanden heeft geregeerd. Neemt men nu met een' Arabischen geschiedschrijver (Ibn El-athir) aan, dat Mahomet zeven jaren en acht maanden voor Anoechirvans dood ter wereld kwam, dan zou zijn geboortejaar in het jaar 570 n. Chr. vallen. Ten andere valt Mahomets geboorte, volgens de overlevering, in het jaar van den krijgstocht van den Æthiopischen koning Abraha tegen _Mekka_ (zie de noot op hoofdstuk CV van den Koran). Deze krijgstocht eindigde door de volkomene vernieling van Abrahas leger; maar de Arabische geschiedschrijvers stemmen zoo weinig ten aanzien van dien krijgstocht overeen, dat Mahomets geboorte in het 34e of in het 40e of in het 41e, of in het 42e jaar der regeering van Kesra Anoechirvan zou vallen. Ook is algemeen de meening aangenomen, dat Mahomet, in 632, in den ouderdom van drie en zestig jaren gestorven zij, waardoor zijne geboorte in het jaar 569 zou vallen. Hierdoor ontstaat een nieuw vraagpunt, en wel dat, of het cijfer van die drie en zestig jaren, bij benadering, is opgegeven in maanjaren, gelijk die bij de Arabieren in gebruik zijn, of dat daarbij gerekend zij op de tusschenvoeging welke in 413 geschied is [7]. De Muzelmansche godvruchtigheid bleef niet ten achter bij de ingeschapen neiging, die de wieg van buitengewone menschen door den glans van mirakelen en merkwaardige natuurverschijnsels doet omringen. Die godvruchtigheid is oorzaak, dat de verhalen daarvan volgaarne worden aangenomen, zonder bron of grondslag te onderzoeken; door diezelfde beweegoorzaak worden zij voortgeplant en als geloofspunt vastgesteld. Volgens die verhalen, welke wij niet met stilzwijgen zouden kunnen voorbijgaan, omdat zij den Muzelman altijd voor den geest zijn, zoude, op het oogenblik waarop de toekomstige profeet der Arabieren geboren werd, de geheele wereld in beweging geweest zijn. Het paleis van Cosroë te _Clesiphon_ schudde, en veertien van zijne torens stortten in: het heilige vuur der _pyreen_ ging uit, in weerwil van het onafgebroken toezicht der _magiërs_; het meer van _Sawa_ droogde uit, de groot-_moubed_ der Perzianen droomde, dat _Perzië_ door de Arabische kameelen en paarden bezet zou worden, en Amina verhaalde haren schoonvader, dat zij gedurende hare zwangerschap had gedroomd, dat een buitengewoon licht zich uit haren boezem verspreidde om de wereld te verlichten; Abdelmottalib, eindelijk, die op zekeren dag zijn kleinzoon was komen zien, bemerkte tot zijne verwondering, dat hij besneden geboren was. Het kind, dat door zijnen grootvader Mahomet genaamd werd (en hij was de eerste die dezen naam onder de Arabieren droeg), werd door zijne moeder toevertrouwd aan eene Bedouinsche min, die Halima heette, en welke het naar heuren stam in de woestijn medenam. Na twee jaren werd hij gespeend, maar zijne aanwezigheid in Halimas gezin, had daar zoo veel geluk en overvloed in schijnen te brengen, dat zij Amina verzocht haar het kind te laten opvoeden. De overlevering verhaalt, dat het kind aan eene ziekte onderhevig was, waarvan men zich geene rekenschap wist te geven, maar welke men aan de werking des duivels toeschreef [8]. Toen Mahomet later een voorval verhaalde, dat grooten schrik aan zijne min had gebaard, zeide hij, dat, in zijne kinderjaren, toen hij met zijne jeugdige makkers in de vlakte speelde, twee in het wit gekleede mannen, dat engelen waren, hem op den grond geworpen, de borst geopend en het hart er uitgenomen hadden, om het te wasschen en te zuiveren. Een hoofdstuk van de Koran (hoofdstuk XCIV) begint inderdaad met woorden die aldus vertaald kunnen worden; _Openen wij niet den boezem_, of _zetten wij de borst niet uit_, of wel; _hebben wij_ de _borst niet geopend_. Terwijl nu zekere uitleggers daarin slechts een figuurlijke uitdrukking zien, voor een hart, dat door God geschikt is gemaakt om de wijsheid en de openbaring er in op te nemen, willen andere er eene toespeling in vinden op het voorval, dat door de overlevering vermeld wordt, en volgens hetwelk Mahomets hart werkelijk door de engelen gewasschen en gereinigd, en zoodoende sedert zijne kindsheid een uitverkoren vat zou zijn geworden. Overigens is dat niet het eenige gedeelte van den Koran, waarin een figuurlijke of overdrachtelijke uitdrukking, ingevolge de overlevering, eene gewrongen uitlegging en een' bovennatuurlijken en wonderbaarlijken zin hebbe verkregen (zie Hoofdst. XVII, LIV). Op den ouderdom van zes jaren verloor Mahomet zijne moeder en werd door zijn' grootvader Abdelmottalib opgenomen, die hem eene vaderlijke genegenheid toedroeg. Drie jaren later ontviel Mahomet ook die steun, daar Abdelmottalib in den ouderdom van meer dan tachtig jaren stierf. Toen belastte Aboe-Talib, zijn oom, zich met hem en nam hem later met zich naar _Syrie_, waarheen de karavaan der Koreïshieten Arabische voortbrengselen ging voeren. Toen zij te _Bosra_ waren gekomen, ontmoetten zij een' Arabischen christen monnik, welken de Arabieren Bahira en de Christenen Bjirdjis (George) of Serdjis (Sergius) noemden. Er wordt verhaald, dat Bahira door Mahomets uiterlijk getroffen zou zijn geweest en in diens gelaat zijne toekomstige bestemming hebben weten te lezen, en dat hij, bij het afscheid nemen van de Arabische karavaan, Aboe Talib aanbevolen zou hebben over Mahomet te waken en hem te bewaren voor de kunstenarijen der Joden, die het op zijn leven zouden toeleggen, indien zij tot de ontdekking kwamen, dat hij, Bahira, in dien knaap _het zegelmerk der profetie_ had ontdekt. Dit zegelmerk van profetie was, naar men zegt, een teeken, dat Mahomet tusschen de schouders had, even als dit het geval met al de andere profeten en met al zijne voorzaten uit den stam Ismaël was, maar op eene veel duidelijker wijze dan bij deze allen. Bij den terugkeer van dien tocht nam Mahomet, veertien jaren oud zijnde, aan den tweeden der oorlogen deel, die bij de Arabieren bekend zijn onder den naam der oorlogen van _el-fidjar_, of der schending van de heilige maand, of ook van de misdaad, welke oorlogen de Koreïshieten tegen den stam der _Benou-Hawasin_ voerden. Volgens het verhaal echter van Mahomet zelven, dat door de overlevering bewaard is gebleven, bepaalde zich het aandeel, dat hij in dien tweeden oorlog nam, bij het oprapen der pijlen, die door de vijanden afgeschoten waren, en deze aan zijn ooms ter hand te stellen, welke een werkdadiger deel in den strijd namen. De overlevering heeft geen enkel belangrijk feit van Mahomets leven bewaard, gedurende de tien jaren, die na deze gebeurtenis verliepen. Alles wat men weet is, dat de jeugdige Koreïshiet, door zijn gedrag en manier van handelen, zijne snedigheid en ernstig karakter, dat tot gepeinzen en eenzaamheid neigde, de achting en eerbied zijner medeburgers wist te winnen. Op den ouderdom van vijfentwintig jaren belastte hij zich met het doen eener handelreize naar _Syrië_ voor eene rijke weduwe, Khadidja genaamd, dochter van Khowaïlid, even als Mahomet gesproten uit Kossaï, over wien boven gesproken is. Mahomet kweet zich met zulk een goed gevolg van zijne taak, dat Khadidja een gunstige meening voor hem opvatte. Dit gunstige denkbeeld nam nog toe, toen Khadidjas' slaaf, die Mahomet naar _Syrië_ had vergezeld, haar verhaalde, dat hij onderweg Mahomet eens door twee engelen met hunne vleugels tegen de hitte der zonnestralen had zien beschutten. Khadidja bood Mahomet derhalve hare hand aan en alhoewel zij op dat tijdstip tusschen de dertig en veertig telde, dat een meer dan rijpe leeftijd voor eene Arabische vrouw is, nam Mahomet den voorslag spoedig aan. Naar het gebruik der Arabieren, biedt de man, aan de door hem te huwen vrouw eene huwelijksgift aan, welke _sadak_ wordt genoemd: Mahomet bood dan ook Khadidja, als zoodanige gift, twintig kameelen aan. Het huwelijksmaal, waaraan de verwanten van man en vrouw deel namen, was schitterend en vroolijk en werd door dans en muziek begeleid, en voor de talrijke gasten werden twee kameelen geslacht. Bij Khadidja kreeg Mahomet weldra een zoon, dien hij El-kachim noemde en sedert dien tijd werd hij Aboelkachim (vader van El-kachim) genoemd. Khadidja schonk hem nog twee zonen, die echter op zeer jeugdigen leeftijd stierven, en vier dochters. In het jaar van zijn huwelijk met Khadidja, werd Mahomet lid van eene vereeniging, die zich onder de Koreïshieten had gevormd tot bescherming der vreemdelingen, of der zwakke burgers van _Mekka_ tegen de onrechtvaardigheden der machtige Koreïshieten, en hij stelde er altijd eene eer in, tot deze vereeniging te hebben behoord, welke zelfs nog na de vestiging van het Islamisme bleef bestaan. Sedert zijn huwelijk hield Mahomet zich weinig meer met handelszaken bezig, maar wijdde zich meer aan godsdienstige bespiegelingen. In die neiging werd hij vooral versterkt door een' neef zijner vrouw, Waraka Ibn Raufa genaamd, welke reeds te voren den afgodendienst had verworpen, die in _Arabie_ heerschte, en zoowel den Mozaïschen als den Christelijken godsdienst had leeren kennen. Door dezen Waraka, die niet ongeletterd was, had hij waarschijnlijk het Israëlietische Monotheïsme leeren kennen, en Mozes en Christus als Godsgezanten aanzien; maar beide godsdiensten schenen hem de oorspronkelijke zuiverheid verloren te hebben. Alleen Abraham, die menschenmin met het geloof aan een eenig God verbond, scheen hem in den Bijbel, dien hij ten deele vervalscht achtte, de beste verpersoonlijking van een' Godsgezant. Bovendien kon hij, bij die keuze en het voorstellen van Abraham als toonbeeld, op te meer sympathie rekenen, nademaal diens herinnering niet slechts in geheel _Arabie_ nog levendig was, maar de overlevering hem daar, als stamvader, in eerbiedig aandenken gehouden had en hem was blijven vereeren als den grondvester des heiligen tempels, naar welken men sedert onheugelijke tijden in bedevaart optrok. Wij hebben reeds gezegd, dat Mahomet in zijne jeugd de algemeene achting had weten te winnen; zijne erkende eerlijkheid had hem El-Emin, de rechtschapene, de vertrouwen verdienende, de getrouwe doen noemen. Eene toevallige gebeurtenis, die er plaats had toen hij vijfendertig jaren oud was, schonk hem in de oogen zijner medeburgers nog meer aanzien. In 605 besloten de Koreïshieten den _Caaba_-tempel te herbouwen, die eenige jaren te voren door brand vernield was. De eerbied voor dat overblijfsel uit de Ismaëlitiesche oudheid boezemde aan alle takken van den stam der Koreïshieten een' buitengewonen ijver in: tegelijkertijd werd echter daardoor een wederkeerige naijver opgewekt. Toen de werkzaamheden van den bouw gevorderd waren tot de hoogte waar de zwarte steen geplaatst moest worden, die het voorwerp van bijzondere vereering was, betwistten al de takken der Koreïshieten elkander de eer van die taak. De mannen van twee takken des stams, die besloten hadden hunne aanspraken tegen al de anderen staande te houden, dompelden hunne handen in een vat dat met bloed gevuld was, en zwoeren veeleer te sterven dan toe te geven. De werken werden geschorst, en men riep eene vergadering in het binnenste van den tempel zelven bijeen, om over de middelen te beraadslagen, ten einde den burgeroorlog af te wenden, die dreigde uit te barsten. Een oude Koreïshiet deed nu eensklaps den voorslag, den eerste, die de ruimte zou binnentreden waar de vergadering werd gehouden, tot scheidsman te nemen. Men kwam dit overeen, en toen nu aller blikken op den ingang gevestigd waren, verscheen El-Emin (Mahomet) en werd tot scheidsrechter genomen. Hij doet een' mantel op den grond uitspreiden, kiest de vier aanzienlijkste personen uit de vier voornaamste takken van den stam, en laat elk van hen eene slip van den mantel vasthouden, waarop de steen rust. Zoodra de steen door dit middel op voegzame hoogte is geheven, vat Mahomet hem met zijne eigene handen, om hem in den muur te bevestigen, en bevredigt dusdoende de aanspraken der mededingers, terwijl hij bovendien een aanzienlijk deel in die verrichting neemt. Weinig tijds daarna verloor Mahomet al de mannelijke kinderen, die Khadidja hem had gebaard; derhalve ook omdat de schaarschte van levensmiddelen, die toen zich te _Mekka_, voornamelijk bij de mingegoede en met een talrijk gezin bezwaarde personen deed gevoelen, nam hij den jongen Ali, zoon van zijnen oom Aboe-Talib tot zich. Sedert dien tijd was Ali zijn onafscheidelijke, trouwe gezel en zijn verkleefdste volgeling. Dikwijls vervulde hij de betrekking van secretaris bij hem, huwde later Mahomets dochter Fatima en werd eindelijk tot _Khalif_ verheven. Eerst op veertigjarigen ouderdom voelde Mahomet zich geroepen, een nieuwe godsdienst aan de Arabieren te prediken. Te zijnen tijde vormde het Arabische ras niet een enkel volk: de Perzen en Romeinen oefenden op de Arabische stammen, die het dichtste bij de provinciën der Perzen en van het Romeinsche keizerrijk woonden, een zekere heerschappij uit, ofschoon die ten deele in naam bestond. De Arabieren der woestijn daarentegen leefden in volslagen onafhankelijkheid en zonder dat zij eenig middenpunt van nationaal gezag bezaten. Zij beleden ook niet allen denzelfden godsdienst: onder de Arabieren in de steden had zich de Christelijke godsdienst verspreid; eenige stammen, die evenzeer in steden gevestigd waren, beleden den Mozaïschen godsdienst, zooals de stammen der _Koraïza_, _Nadhir_, die _Yathrib_ (_Medina_) en _Khaibar_ bewoonden; maar de overgroote meerderheid der Arabieren was aan den afgodendienst overgegeven. De _Caaba_-tempel, die, gelijk wij hebben gezien, werd aangemerkt als de vroegere verblijfplaats van Abraham en de zetel van den dienst aan een eenig God, was het middenpunt geworden van al de Arabieren, die den afgodendienst volgden. Elke stam had eene godheid, een' bijzonderen afgod dien hij aanbad; maar even als het Romeinsche heidendom, in zijn pantheon of afgodentempel, aan alle eerediensten eene plaats inruimde en zelfs geneigd was er Christus in toe te laten, zoo waren ook de Arabieren zeer verdraagzaam ten aanzien der godheden, van welken oorsprong die ook waren, als men maar den eeredienst van de hunne eerbiedigde, en niet aan de gebruiken en bijgeloovigheden raakte, die in de zeden waren overgegaan. Bij een zwervend volk, dat door zijne geographische ligging van het overige der wereld afgescheiden en bijna in den toestand van wilden was, konden de wetenschappen en kunsten der andere staten, die in beschaving meer vooruit waren, zich alleen met moeite en door middel der handelsbetrekkingen met het Romeinsche Keizerrijk en _Perzië_ verspreiden, welke betrekkingen zeer beperkt waren, even als dit het geval was met de voortbrengselen, welke dat volk kon aanbieden en met de behoeften die het had te voldoen. De oude schriften der Himyarieden (van _Yemen_) waren bijkans verloren gegaan; die der Hebreeuwen en der Syriërs gingen alleen de Israëlietische Christelijke Arabieren aan, en datgene wat bekend is onder den naam van _Dejzm_, en in _Mekka_ weinig tijds voor Mahomets geboorte werd ingevoerd, was alleen aan een klein getal bekend. De Arabieren der woestijn kenden derhalve geene andere bezigheid dan den oorlog, geene andere geschiedenis dan die van hunne geslachtsrekening. Zij bekreunden zich dan ook om niets dan om hunne kudden schapen en kameelen; zij beoefenden geene andere kunsten dan de dichtkunst en hunne taal, die buigbaar, bovenal zeer rijk en, naar men zou zeggen, sedert hare geboorte aan zeer vaste regels gebonden was. Ten tijde van Mahomet bestonden de hartstochten, zeden en gebruiken der Arabieren in dobbelspelen, het dikwijls onmatig gebruik van wijn, de veelwijverij, welke overigens aan alle volken van het Semitische ras gemeen was, het sluiten van huwelijken, die elders voor bloedschande werden gehouden; in liefdesavonturen en persoonlijke wraakoefeningen, die dikwijls in hardnekkige oorlogen tusschen geheele stammen ontaardden; het gebruik om de meisjes levend te begraven, ten einde zich zoo van vele monden te ontdoen, die in tijden van schaarschte overbodig zouden zijn; het stelen en rooven, dat dikwijls met gastvrijheid en edelmoedige vormen gepaard was. Op dat tijdstip werd de aldus gevestigde Arabische maatschappij door niets ter wereld tot eenige daad naar buitengedreven. In zulke oogenblikken van kalmte heeft de maatschappij meer tijdruimte om in eigen boezem te zien. Zoowel het Joden- als het Christendom maakten weinig proselieten, maar beiden traden vrijelijk op en predikten, juist onder begunstiging van de godsdienstige onverschilligheid of den twijfel, die meer verbreid was dan men wel denkt. Juist uit die innerlijke werking eener heidensche maatschappij heeft het voorgevoel kunnen ontstaan van eene op handen zijnde hervorming, welke door eenige schrijvers ten tijde van Mahomet werd aangeduid, maar welke ons toeschijnt, noch aan dat tijdstip eigen, noch genoegzaam betoogd te zijn. Mahomet was niet de eenige die zich door den beklagenswaardigen, zedelijken toestand der Arabieren getroffen voelde, maar hij was de eenige, die de vastberadenheid bezat en vooral de roeping gevoelde, daarin verandering te brengen. Indien men op de overlevering afgaat, die uit zijn eigen verhaal is geput, dan openbaarde zich dat besluit in hem als een plaatselijke lichtstraal. Mahomet, die ernstig van aard was en van nature tot peinzen overhelde, dwaalde dikwijls in de ravijnen rond die nabij _Mekka_ lagen, en werd toen ongetwijfeld reeds door het denkbeeld beheerscht, dat God uit het binnenste eens bergs tot hem zou spreken, even als tot Mozes, over wien hij op zijne reize naar Syrië, of in zijne gesprekken met de Joden en de Christenen, of wel met een' Arabier--Waraka, zoon van Nowval, een neef van Khadidja--een man die, gelijk wij boven zeiden, in de schrift bedreven was [9], had hooren spreken. Tot dien tijd kon hij ter goeder trouw wezen. Hij had de gewoonte de maand _ramadhan_ op den berg _Hira_, nabij _Mekka_, in afzondering door te brengen. Op zekeren nacht (in December 610 of Januari 611), zond Khadidja, toen zij hem niet meer naast zich vond, bedienden uit om hem op te zoeken. Ondertusschen kwam Mahomet terug en verhaalde haar het volgende: "Ik lag in diepen slaap, toen een engel mij in droom verscheen. Hij hield een stuk zijden stof in zijne handen dat met schriftkarakters bedekt was; hij bood het mij aan met de woorden: '_Lees!_'--_Wat zal ik lezen?_ vroeg ik. Hij omwikkelde mij toen met die stof en herhaalde zijn gezegde _'Lees!'_ Ik herhaalde mijne vraag; _Wat zal ik lezen?_ Hij antwoordde: _'Lees! In den naam van den God die alle dingen heeft geschapen, lees; bij den naam van uwen Heer, die edelmoedig is; Hij is het die het schrift onderwezen heeft. Hij heeft den mensch geleerd wat deze niet wist'_ [10]. Ik sprak die woorden na den engel uit en hij verwijderde zich. Ik ontwaakte en ging uit om naar de berghelling te gaan. Daar hoorde ik boven mijn hoofd eene stemme die sprak: 'O Mahomet! _gij zijt de gezant van God en ik ben_ Gabriël.' Ik sloeg de oogen op en bemerkte den engel; ik bleef onbewegelijk staan, met den blik op hem gevestigd, tot hij verdween." Khadidja was door dat verhaal getroffen, en deelde het aan Waraka mede, van wien wij boven hebben gesproken. Sedert dien tijd ontving Mahomet, die naar _Mekka_ terug was gekeerd, gedurig goddelijke openbaringen, door tusschenkomst van den engel Gabriël (Djebreil). De eerste zaak welke de engel hem onderwees, bestond in het gebed, door wasschingen voorafgegaan. Op zijne beurt onderwees Mahomet dit aan Khadidja, die langs dien weg de eerste proseliet van het Islamisme werd: zijn tweede bekeerling was Ali, de zoon van Aboe-Talip. Vervolgens Zeïd of Seïd, zijn aangenomen zoon, die de eenige van Mahomets volgelingen is, welke in den Koran wordt vermeld [11]. Bovendien wordt aangehaald Abdelcaaba, bijgenaamd _el-Atik_, (de edele), een man, wien, uithoofde zijner kennis van de Arabische geslachten, groote eerbied werd toegedragen. Hij was bekleed met een ambt van boet- of lijfstraffelijk rechter, en moest uitspraak doen in zaken van moord en boeten, en men wendde zich tot hem tot het uitleggen van droomen. Toen Abdelcaaba (dienaar van den _Caaba_) het nieuwe geloof aannam, welks grondslagen nauwelijks gevormd waren, nam hij ook den naam aan van Abdallah (dienaar Gods, en dus gelijk staande met Gottschalk en Godschalk), terwijl hij later, toen hij zijne dochter Aïcha aan Mahomet ter vrouw gaf, den naam van Aboebekr (vader der maagd) aannam. Dit nu is dezelfde, die vervolgens de eerste _Khalif_, of opvolger van Mahomet werd. De eerste bekeeringen tot het nieuwe geloof, welks voornaamste en steeds zeer gewichtig leerstuk, de volstrekte eenheid Gods was, en hetwelk de strekking had tot afschaffing der afgoderij [12] geschiedden in het geheim, en gedurende drie jaren was Mahomets zending alleen bij zijne aanhangers bekend. Dit wordt door den geloofwaardigsten geschiedschrijver van Mahomets zending gezegd. Deze omstandigheid verdient opmerking: zij verklaart ten deele het zeer treffende verschil, dat er bestaat tusschen de laatste hoofdstukken van den Koran (die, wat den stijl betreft, zeer veel overeenkomst hebben met het hoofdstuk, dat, volgens Mahomets verhaal, het eerste geopenbaard is geworden) en de hoofdstukken die, volgens de tegenwoordige redactie van den Koran, de voorste plaatsen innemen. Deze dragen den stempel van eene godsdienstige geestdrijverij, die zich in het onbepaalde uitgiet en zich aan niets stelligs hecht, terwijl de lange hoofdstukken afkomstig zijn van een' man, die met zijne tegenstanders aan het worstelen is; van een' zendeling, die voor een volk spreekt; van een' wetgever. Op Gods stellig bevel begon Mahomet zijn' godsdienst in het openbaar te prediken. Zijn eerste predikingen wekten in den aanvang alleen spotternij en gelach op; zijne volharding, zijne lastigheid, zijne stoutmoedigheid om in den _Caaba_ zelven de vernieling der afgoden te prediken, gaf, van de zijde der Arabieren, weldra aanleiding tot beleedigingen, tegen welke hij nochtans door zijne ooms beschermd werd, hoezeer dezen het Islamisme nog niet hadden omhelsd. Mahomet had aanvallen en handtastelijkheden te verduren; somtijds dreigde men hem om te brengen; dikwijls vervolgde de samengerotte menigte hem met geschreeuw en gejouw, en men schold hem dan: logenaar, bedrieger, gek en bezetene. Tot een van die tusschengebeurtenissen zijner zending heeft hoofdst. LXXIV betrekking, dat hem geopenbaard werd om hem over dit hoonen te troosten en hem aan te moedigen, zijn' arbeid voort te zetten. Het aantal zijner aanhangers nam voortgaande toe gedurende de pelgrimsreis naar _Mekka_, toen de bedevaartgangers, die uit alle hoeken van _Arabie_ bijeengestroomd waren, en wien zijne predikingen niet onbekend konden zijn, het verhaal van deze naar hunne woonplaatsen terug brachten. Op deze wijze werd het getal zijner aanhangers te _Yathria_ (_Medina_) door nieuwe aanhangers vermeerderd, welke hem weldra tot groote hulp waren. Ten gevolge der geheime bekeeringen en der openbare predikingen zag men, gelijk dit verschijnsel bij het invoeren van nieuwe godsdiensten, ja zelfs bij wijzigingen en hervormingen van bestaande, zich altijd heeft opgedaan, dikwijls gezinnen in twee godsdienstpartijen verdeeld. In zulke gevallen baarden de vernederingen, die den lasteraar der goden kwistig werden toegevoegd, een onverzoenlijken en hevigen haat. Aangezien nochtans eenige daad van geweld, op Mahomet gepleegd, onmisbaar tot bloedvergieten zou hebben geleid, stelden eenige Koreïshieten bij hem eene laatste poging in het werk, _Mekka_ te verlaten, of zijne predikingen te staken. Men bood hem rijkdommen en eereplaatsen in zijne geboortestad aan, en wilde eindelijk zich verbinden, de bekwaamste geneesheeren te doen komen, om hem van zijne ziekte te genezen zoo zijne handelingen inderdaad het gevolg van geestverbijstering of van den invloed des duivels waren. Tot eenig antwoord begon Mahomet, voor hen die tot hem spraken, met het opzeggen van het hoofdstuk Ha-mim: _Zie hier de openbaring, die van den grootmoedige over den barmhartige komt_, enz., zijnde hoofdstuk XLI. Toen de Koreïshieten zagen dat zij hem niet konden overtuigen, vroegen zij hem ten minste eenige wonderwerken van God voor _Mekka_ te verkrijgen. Het antwoord door Mahomet gegeven is, in menig opzicht, hoogst opmerkelijk en spreekt te zijner gunste; want hij zeide, dat zijne zending alleen bestond in het prediken van den eeredienst aan den eenigen God, en de menschen tot de waarheid te roepen, maar dat hem het doen van wonderwerken niet gegeven was. De Koreïshieten, die door dit antwoord ongeduldig waren geworden, beschuldigden hem toen, dat hij alleen de weerklank van eenige Christenen was [13], en het ontbrak in _Mekka_ niet aan menschen, voor wie die voorgewende openbaringen des Hemels niets anders waren, dan een onsamenhangend weefsel van verhalen, die, èn wat vorm èn wat wezen betreft, veel minder beteekenden dan de godsdienstige boeken en zelfs dan de historische of poëtische geschriften der andere volken [14]. Volgens eenige levensbeschrijvers van Mahomet, zouden de Koreïshieten eene deputatie naar de rabbijnen van _Yathrib_ (_Medina_) hebben gezonden, om hun Mahomet af te malen, hun een kort bericht over diens godsdienst te geven en om hun te vragen wat zij er van dachten. De rabbijnen zouden, volgens die levensbeschrijvers, geantwoord hebben: "vraagt hem, wie zekere lieden der verloopen eeuwen zijn, wier voorval een wonder vormt? Wie is de man die de grenzen der aarde ten oosten en ten westen heeft bereikt? Wat is de ziel? Antwoordt hij nu," zouden zij gezegd hebben, "op die en die wijze, dan is hij werkelijk een profeet, zoo niet, dan is hij een bedrieger." Toen de afgezondenen te _Mekka_ terug waren gekeerd, deden zij Mahomet de drie vragen; hij beloofde des anderen daags te antwoorden, maar uithoofde hij vergeten had daarbij te voegen: _als het Gode behaagt_, strafte God hem en deed hem veertien dagen op die openbaring wachten, gedurende welken tijd de ongeletterde man daarop eenig antwoord wist in te winnen. Na verloop van veertien dagen eindelijk antwoordde hij door de geschiedenissen der zeven slapers en van Alexander _de Groote_ (hoofdstuk XVIII). Wat de vraag ten aanzien der ziel betrof, antwoordde hij, juist ter snede, dat God alleen wist, wat deze was [15]. Zijne levensbeschrijvers zeggen, dat die zegepraal van Mahomet op de ongeloovigen de teleurstelling en wrok der Koreïshieten ten top voerde, en zij toen een' ieder verboden, de predikingen des profeets aan te hooren. Door de strenge maatregelen die men tegen de aanhangers van den nieuwen eeredienst nam, werd een zeker aantal (in het vijfde jaar van Mahomets zending, zijnde in het jaar 615) weldra gedwongen, _Mekka_ te verlaten en een toevluchtsoord in _Abyssinie_ te zoeken. Daar werden zij met welwillendheid door den koning van _Abyssinie_ ontvangen, die christen was. Spoedig werd de eerste landverhuizing door eene tweede gevolgd: in het geheel bedroegen die twee groepen honderd vijftien personen van beiderlei geslacht. De Koreïshieten zonden eene deputatie naar _Abyssinie_, om de uitlevering dier uitgewekenen te vragen; maar de koning weigerde dit, terwijl hij hun gedrag in zoodanige uitdrukkingen lof toezwaaide, dat zij, volgens de Muzelmansche geschiedschrijvers, tot een bewijs konden strekken voor zijn heimelijk overhellen naar den Islam. De partij van den nieuwen eeredienst werd op dat tijdstip onvoorziens versterkt, door dat er zich een man bijvoegde, die sedert in de Mohammedaansche jaarboeken zeer vermaard is geworden, en welke, meer dan al de anderen, bijdroeg, om dezen eeredienst te verbreiden. Dit was Omar, de zoon van Khattar, die, even als zijn vader, aanvankelijk Mahomet zeer vijandig was en, uithoofde van zijnen moed en zijne hevigheid, zich bij de Muzelmannen zeer gevreesd had gemaakt. De Islam had in zijne familie, en vooral bij de vrouwelijke leden, toegang gevonden. Onder deze was Fatima zijne zuster; maar de vrees voor haren broeder gaf haar aanleiding om den Koran niet anders dan in het geheim te lezen. Op zekeren dag verraste Omar haar te midden van dat lezen, en vervoerd door toorn kwetste hij haar. Op het zien van het vloeien des bloeds zijner zuster bedaart hij eensklaps; daarop doet hij zich eenige verstrooide bladen van den Koran toonen; hij staat opgetogen van bewondering, is tegelijk verteederd, en begeeft zich dadelijk tot Mahomet, om in zijne handen belijdenis van het Muzelmansche geloof af te leggen. Al die gelukkige gebeurtenissen wekten bij den grooten hoop der Koreïshieten zwaren wrok op twee takken van den stam, namelijk die der _Hachim_ en die der _Mottalib_, welke uithoofde hunner verwantschap met Mahomet, hem een' machtigen steun gaven. Er werd een verbond tegen die twee takken gevormd, met het doel, hen van alle burgerlijke en handelsbetrekkingen uit te sluiten, en deze soort van ban werd geschreven door eene, op perkament geschreven acte, die in den _Caaba_ nedergelegd werd. Deze maatregel baarde aan de beide in den ban gelegde takken ernstige ongerustheid ten aanzien van hunne veiligheid. Zij besloten derhalve, op een enkel punt van _Mekka_ samen te trekken, in plaats van, gelijk tot hiertoe het geval was geweest, huizen te bewonen, die door de stad verspreid waren. Dit gebeurde in het zevende jaar van Mahomets zending. Deze staat van vijandelijkheid in de Muzelmansche of niet-Muzelmansche gezinnen der Koreïshieten, duurde tot in het tiende jaar der zending; toen besloot men eene verzoening te bewerken; maar op zekeren dag, terwijl men over deze zaak beraadslaagde, verscheen Aboe-Talib, de oom van Mahomet, en verkondigde aan de afgoden-dienende Koreïshieten, dat Mahomet door eene openbaring vernomen had, dat de acte van het verbond, die in den _Caaba_ was bewaard, door God aan de wormen ten prooi gegeven was. Men begaf er zich heen en vond, naar het bericht der geschiedschrijvers, het perkament door de wormen geheel weggeknaagd, met uitzondering der woorden: "In Uwen naam, o God," die zich aan het hoofd bevonden. Aangezien de acte nu vernietigd was, viel ook het verbond uiteen, en de gezinnen die in den ban gedaan waren, betrokken hunne oude woningen weder. Het blijkt intusschen niet, dat de afgodendienaars door die voorgewende bewijzen voor het goddelijke van Mahomets zending zóó sterk getroffen zouden zijn geworden, dat zij daardoor den Islam zouden hebben omhelsd. Mahomet, die in zijn geboortestad teruggestooten werd, begaf zich naar _Taif_ eene stad die met _Mekka_ wedijverde; maar zijne predikingen ontmoetten er even sterke tegenkanting, beleedigingen en haat. Mahomet keerde toen weder naar _Mekka_ terug en gedroeg zich voorzichtiger; hij predikte toen niet meer in het openbaar en onthield zich ook van het beleedigen en bespotten der afgoden. Zijn verblijf te _Mekka_ werd nochtans steeds onhoudbaarder, vooral toen hij zich in 619 of 620, door den dood van Aboe-Talib [16] en Khadidja, van hunnen steun beroofd zag. In zulk een gevaarlijken toestand was het voor Mahomet van gewicht, eenige andere stad te vinden, die tot middenpunt voor zijnen werkkring kon dienen. Hij vond deze te _Yathrib_. Die stad was hoofdzakelijk bewoond door twee stammen van afgodendienende Arabieren en twee Joodsche stammen. De Arabieren, die de Israëlieten hadden hooren spreken van de te verwachten verschijning eens profeets, welke de geheele wereld aan zijn bestuur onderwerpen zou, en waarmede deze natuurlijk den te verwachten Messias bedoelden, voelden zich niet ongeneigd, het verhaal van de predikingen, door Mahomet te _Mekka_ gehouden, gunstig op te nemen. De pelgrimstocht naar _Mekka_ bracht hen gemakkelijk in betrekking met Mahomet, en ten gevolge van eenige enkele bekeeringen van Arabieren uit _Yathrib_, begon de nieuwe eeredienst er weldra talrijke aanhangers te bezitten. In het elfde jaar van Mahomets zending, hadden twaalf personen, die van _Yathrib_ gekomen waren, met hem eene samenkomst op den berg _Akaba_, een' heuvel in de nabijheid van _Mekka_, in welke bijeenkomst hij hun de hoofdpunten van zijn' godsdienst ontvouwde en hen vermaande, die te volgen. Deze bijeenkomst is bekend onder den naam van _de eerste eed van Akaba_, omdat die twaalf personen daar zwoeren, de voorschriften door Mahomet ingeprent te volgen. Op dat tijdstip zijner zending vergde hij van zijne bekeerlingen nog niet, zich ter verdediging van zijn godsdienst te wapenen, maar het duurde niet lang of zij verbonden zich daartoe, en wel bij de volgende gelegenheid: in het volgende jaar, zijnde het twaalfde zijner zending, of het jaar 622, begaf eene karavaan van de inwoners van _Yathrib_ zich naar _Mekka_; zij was samengesteld uit Muzelmannen en afgodendienaars. Onder begunstiging van den nacht, toen de afgodendienaars in diepen slaap waren gedompeld, hadden de Muzelmannen eene geheime samenkomst met Mahomet; daarin beloofden zij hem te ondersteunen en eene schuilplaats te verleenen, ja zij noodigden hem zelfs, zich bij hen te komen vestigen. "Als wij het leven voor u laten, wat zal dan onze belooning zijn?" vroegen zij hem. "Het Paradijs!" antwoordde Mahomet--"Maar als wij tot het welgelukken uwer onderneming bijdragen, zult gij ons dan niet verlaten om naar _Mekka_ terug te keeren?"--"Nooit! Ik zal bij u leven en sterven!" hernam hij, en deze belofte werd met een' handslag bezegeld. Tot eer van Mahomet dient men hier te doen opmerken dat deze belofte nimmer door hem gebroken, maar met de meeste eerlijkheid gehouden is, (wat ook de geschiedenis bevestigt) welke gronden en omstandigheden hem later daartoe ook mochten hebben uitgelokt. Dit was _de tweede, of groote eed van Akaba_ ook de _eed der vrouwen_ genoemd. Welke pogingen men ook moge hebben aangewend, om het verbond met de Arabieren van _Yathrib_ zeer geheim te houden, werd het echter aan de Koreïshieten bekend, waarop deze besloten, zich van Mahomet te ontdoen. Nademaal Mahomet de mogelijkheid voorzag, dat er geweldige maatregelen konden worden genomen, drong hij bij vele Muzelmannen van _Mekka_ aan, naar _Yathrib_ uit te wijken. Deze Muzelmannen zijn bekend onder den naam van _moehadjirs_ (uitgewekenen). Mahomet zelf, eindelijk, wist de waakzaamheid zijner vijanden te ontgaan, die al zijne stappen bespiedden, en verliet _Mekka_ in de eerste helft van Juni des jaars 622 [17]. Deze vlucht, _hidjret_ genaamd, waarvan wij _hedjira_ of _hegira_ hebben gemaakt, is het aanvangspunt der Mahomedaansche jaartelling. Deze is nochtans zeventien jaren later, onder den Khalif Omar ingesteld. Op zijne vlucht werd Mahomet door Aboe Bekr vergezeld. De twee vluchtelingen, die door een' troep Koreïshieten vervolgd werden, verborgen zich in eene grot van den berg _Thour_, op drie mijlen zuidelijk van _Mekka_ gelegen. Reeds maakten de Koreïshieten, die hem vervolgden, zich gereed om er binnen te dringen, toen zij bemerkten, dat eene duif aan den ingang van het hol twee eieren had gelegd, en eene spin haar webbe had gesponnen. Daaruit maakten zij op, dat niemand kort geleden in die grot kon zijn doorgedrongen en verwijderden zich [18]. Mahomet kwam na eenige omwegen, ten noorden van _Mekka_, op den weg naar _Yathrib_, waar hij in het begin van Juli 622 aankwam, nadat hij te _Koba_, een dorp op twee mijlen afstands van _Yathrib_, den eersten steen voor de eerste Muzelmansche moskee had gelegd. Dadelijk na zijne aankomst te _Yathrib_, begon hij eene moskee te bouwen en vestigde zijne woonplaats in die stad, welke van dien tijd _Medinet-en-nabi_ (stad van den profeet) of _el-Medineh_ (de stad), _Medina_ begon genoemd te worden. De twee Arabische stammen van _Yathrib_, die, na jaren van haat en oorlog, door den Islam verzoend waren, ontvingen de benaming van _ansar_ (helpers, bondgenooten), zoodat Mahomets aanhangers op dit tijdstip bestonden uit de _moehadjirs_ (uitgewekenen van _Mekka_) en de _ansar_ (van _Medina_), die allen begrepen werden onder den naam van _ashab_ (gezellen). De Muzelmannen die zich op deze wijze te _Medina_ kwamen vestigen, waren niet aan de genade der inwoners overgegeven; maar om hunne veiligheid nog beter te verzekeren, sloot men eene overeenkomst, waarbij hunne wederzijdsche betrekkingen en hunne rechten werden vastgesteld. Krachtens die overeenkomst moesten de Koreïshieten, inwoners van _Mekka_, en de Arabieren van _Medina_ voortaan slechts een enkel volk uitmaken. Onder die bepalingen kwamen er ook voor, van eenen aard, welke men niet alleen in dat verwijderd tijdstip en uitsluitend in het Muzelmansche burgerlijk wetboek aantreft, maar waarvan nog negen, tien en elf eeuwen daarna en nog later, de wetboeken van de meeste Europeesche volken bedroevende en menschonteerende stalen opleveren, terwijl die nog in den tegenwoordigen tijd--om maar iets te noemen--ten aanzien der Russische lijfeigenen enz. in Europa voorkomen; van andere werelddeelen willen wij niet eens spreken. De bedoelde bepalingen waren, b.v., dat een Muzelman geen' Muzelman mocht dooden, om den dood van een' ongeloovige te wreken, en ook niet voor een' ongeloovige tegen een' Muzelman partij mocht trekken. Voorts moesten de rijke en machtige lieden de zwakken eerbiedigen. Geene partij der geloovigen mocht afzonderlijk vrede met de ongeloovigen sluiten. De Israëlietische bondgenooten der Muzelmannen moesten voor alle beleedigingen of afpersingen beveiligd worden, en mochten hunnen godsdienst vrijelijk uitoefenen; maar zij moesten zich ook bij de Muzelmannen voegen, om _Medina_ tegen alle aanvallen te verdedigen, of moesten tot de oorlogskosten bijdragen. Eindelijk vond men er eene bepaling, volgens welke iedere twist, die er mocht ontstaan tusschen hen, welke het verbond hadden gesloten, aan het oordeel van God en van Mahomet zou worden onderworpen. Om elken naijver tusschen de _Ansar_ en de _Moehadjirs_ te voorkomen, vormde Mahomet eene soort van broederschap, in welke een ieder van de _Ansar_ bij een' _Moehadjir_ gevoegd was. Op dat tijdstip waren vele godsdienstige instellingen en voorschriften nog niet gevestigd: zoo wendde men zich, b.v., bij het gebed naar de zijde van _Jeruzalem_, dat noordelijk lag, gelijk men de Israëlieten zich daarheen zag wenden, in stede van zich zuidelijk, naar den _Caaba_ te keeren. De _edhan_ of _izan_--de oproeping tot het gebed--werd eerst eenige maanden na Mahomets vestiging te _Medina_ vastgesteld, maar er bestond reeds eene zekere organisatie, die alleen de bezegeling der zegepraal noodig had om te wortelen. Zoodanige overwinning kwam Mahomets werk weldra ter hulp. Het was in de maand _Ramadhan_ van het jaar 624 en in het tweede jaar der _hedjira_. Mahomet had toen vernomen, dat eene karavaan van _Syrië_, tusschen _Medina_ en de zee, naar _Mekka_ terugkeerde. Hij nam het besluit haar aan te vallen; maar het hoofd der karavaan, die van Mahomets voornemen onderricht werd, deed ijlings te _Mekka_ hulp vragen. Die van _Mekka_ kwamen, ten getale van omtrent duizend manschappen en honderd paarden, de karavaan helpen. Mahomet had niet meer dan driehonderd veertien manschappen, die slechts zeventig kameelen bezaten; dit was dus één kameel op vier of vijf personen, die den kameel beurtelings bereden. Bij dien troep waren slechts drie paarden, wier namen, zoowel als de kleinste bijzonderheden dier onderneming, bewaard zijn gebleven. In weêrwil van het mindere aantal zijner lieden, viel Mahomet de Koreïshieten te _Bedr_ aan en sloeg hen, na een' tamelijk warmen strijd van eenige uren, op de vlucht. Dat gevecht had plaats den 16den dag der maand _Ramadhan_ in het tweede jaar der _hedjira_. De Muzelmannen, die zelven over hunne zegepraal verbaasd stonden, schreven die aan de hulp der engelen toe, welke zij, naar hun zeggen, de ongeloovigen hadden zien bestrijden; en Mahomet zegt uitdrukkelijk in den Koran (III, 119 en VIII, 9), dat God drieduizend engelen te zijner hulpe had gezonden. In het begin van het gevecht onthield Mahomet zich in eene hut, en zond vurige gebeden tot God op; doch zoodra de strijd algemeen was geworden, kwam hij er uit, en terwijl hij zich onder de strijdenden mengde, wierp hij eene handvol zand op de vijanden. Die trek wordt onder de door Mahomet verrichte wonderwerken geteld. De karavaan die kennis had van Mahomets bewegingen, vermeed _Bedr_ en naderde de zee, terwijl zij tevens den weg naar _Mekka_ vervolgde. Mahomet, die de hoop had opgegeven haar nog te bereiken, keerde met de gevangene Koreïshieten en den krijgsbuit naar _Medina_ terug. Behalve het na kort proces en spoedig ter dood brengen van eenige Koreïshieten, door wie Mahomet voorheen beleedigd en zijne zending bespot was, hadden al de andere gevangenen reden, over de menschelijkheid der Muzelmannen voldaan te zijn. Na verloop van zes weken werden die gevangenen door de bewoners van _Mekka_ losgekocht. Wel verre dat de laatstgenoemden door de nederlaag van _Bedr_ ontmoedigd zouden zijn geweest, besloten zij integendeel daarover wraak te nemen, en besteedden de helft der winst welke de ontzette karavaan had gemaakt, aan het uitrusten der troepen; terzelfder tijd stuurden zij zendelingen uit, om de Arabische stammen ten krijg tegen Mahomet op te zetten. Zij hadden weldra drieduizend strijders vereenigd, waaronder een zeker aantal, die hunne vrouwen mede namen, welke in last hadden op tambourijns te slaan, liederen ter eere van de bij _Bedr_ gedoode krijgslieden te zingen, en door hare aanwezigheid den ijver harer mannen aan te vuren. Het leger der Koreïshieten trok eerst op _Medina_ aan, toog de stad toen voorbij en nam ten noordoosten, nabij den berg _Ohod_, eene stelling in. Mahomet trok _Medina_ aan het hoofd van duizend man uit, om de Koreïshieten aan te vallen. De Muzelmannen putten hun vertrouwen uit de herinnering van den gelukkigen uitslag te _Bedr_; de Koreïshieten daarentegen vonden zich bemoedigd door hun getal en hunnen haat; en hun aanvoerder had twee afgodsbeelden met zich gevoerd, om den moed zijner troepen aan te wakkeren. De strijd was zeer hardnekkig, en reeds waande Mahomet dat hij overwinnaar was, toen een gedeelte zijner troepen bij het vervolgen van den vluchtenden vijand zich op de bagage wierp om die te plunderen. De Koreïshieten hereenigden zich toen en vielen de Muzelmannen aan. Mahomet stort in een ravijn en wordt door een' steen getroffen, die hem een tand aan stukken slaat; desniettemin roept hij zijn krijgsmakkers toe: "wie wil zijn leven voor mij geven? Hij die zijn bloed met het mijne vermengt, zal niet door het helsche vuur bereikt worden." Men snelde te zijner hulp, maar eenigen van zijne dapperste krijgsmakkers werden daarbij gedood, en de Muzelmannen trokken naar een hollen weg terug, waar zij door de Koreïshieten niet vervolgd werden. Het gevecht bij _Ohod_ was verloren en men vatte van wederzijde het voornemen op, het volgende jaar elkander te _Bedr_ nogmaals te ontmoeten. In den Koran heeft Mahomet de oprechtheid gehad, de nederlaag van _Ohod_ niet te verzwijgen, maar toe te schrijven aan het te groot vertrouwen der Muzelmannen op hunne krachten en aan de groote hebzuchtigheid, waarmede zij zich op den buit hadden geworpen. Bij die gelegenheid was het, dat Mahomet verbood de dooden van het slagveld te vervoeren om die elders te begraven. Hij verbood zelfs hun het bloed af te wasschen, daar hij zeide, dat de martelaars op den dag der opstanding met hunne bloedende wonden verschijnen en eene muskuslucht van zich geven zouden. Hij beval hun slechts aan, een gebed voor de lijken te doen. Wij zouden de grenzen van deze levensschets te buiten gaan, door hier een omstandig verhaal te geven van de tochten, de marschen en gevechten, waartoe Mahomet, in de jaren die op de gevechten van _Bedr_ en _Ohod_ volgden, bij zijne botsingen, vooral met de afgodendienaars, verplicht was. Wij zullen ons derhalve bij een zeer beknopt verslag van die worstelingen bepalen. De Koreïshieten kwamen in het vierde jaar der _hedjira_ niet opdagen voor het treffen bij _Bedr_, gelijk men elkander in het vorige jaar beloofd had, doch daarentegen vormde zich tegen Mahomet een verbond van Arabische en Joodsche stammen, naar Mahomets meening vooral op aandrijven der Joden van _Medina_, die den stam van _Koraïza_ uitmaakten. Dit verbond liep uit op het belegeren van _Medina_ en aangezien de Muzelmannen op drie zijden van _Medina_ eene gracht groeven, is die oorlog bekend onder den naam van _den oorlog der gracht_. Deze gebeurtenis had plaats in het vijfde jaar der _hedjira_ (627), en op dat verbond heeft het hoofdstuk uit den Koran betrekking, het welk _Al-ahzab_ (de verbondenen) heet, zijnde het XXXIIIe. Bij die gracht hadden eenige gevechten tusschen de belegerden en de belegeraars plaats. Het beleg duurde omstreeks eene maand, maar door den naijver welken de heimelijke aanhangers van Mahomet in het leger wisten op te wekken, ging het verbond, dat tienduizend man telde weldra uiteen en het beleg werd toen opgeheven. Aan het hoofd van drieduizend man ging Mahomet nu, terecht of niet, wraak nemen op den Joodschen stam _Koraïza_--aan den anderen waagde hij zich niet--en belegerde hen in hunne versterkingen. De _Koraïza_, die geene levensmiddelen hadden, gaven zich na eenigen tijd over. Mahomet deed toen al de hoofden ombrengen en verdeelde al de overigen benevens hunne vrouwen, hunne kinderen en al hunne roerende en onroerende eigendommen, onder de Muzelmannen. In het zesde jaar der _hedjira_ ondernam Mahomet, zoowel in eigen persoon als door zijne krijgsbevelhebbers, eenige kruistochten tegen onderscheidene Arabische stammen, welke hij spoedig onderwierp. Zonder moeite namen deze den Islam aan. Uit dien tijd verhalen Mahomet's levensbeschrijvers een' menschlievenden trek van hem ten aanzien der afgodendienende Koreïshieten. Er waren eenige pas bekeerde stammen die geweigerd hadden _Mekka_ van levensmiddelen te voorzien, waar toen schaarschte daarvan was, doch Mahomet hief dat verbod op. Het was evenzeer na een' dezer krijgstochten--dien tegen de _Mostaliks_--dat de gebeurtenis voorviel met Aïsha, Mahomets vrouw, die door het algemeen gerucht beschuldigd werd, in misdadige betrekking te staan tot een jong Muzelman. De openbaring nu, vervat in Hoofdstuk XXIV is door Mahomet niet alleen gewijd aan het doel om Aïsha te zuiveren van de lasteringen te haren aanzien verbreid, maar ook om in het vervolg de rechtspleging in gevallen van overspel te regelen. In het zesde jaar der _hedjira_ beschouwden Mahomet en de Muzelmannen, die sedert hunne vlucht uit _Mekka_ niet ter bedevaart naar den heiligen tempel waren geweest, het als plicht, dit te bewerkstelligen. Mahomet deed daartoe de Koreïshieten verlof vragen, tegelijkertijd verklarende, dat zijne bedoelingen vredelievend waren, hetzij nu dat hij werkelijk geene andere voornemens koesterde, hetzij dat hij op eenige gunstige gebeurtenis wachtte, om zich van _Mekka_ meester te maken, bij gelegenheid dat hij deze bedevaart zou houden aan het hoofd der Muzelmannen, bij welke zich de Arabieren zouden hebben gevoegd, welke nog den afgodendienst waren toegedaan. Maar de Koreïshieten lieten zich niet gemakkelijk belezen om dat verlof toe te staan, en al de stappen door Mahomet gedaan, hadden alleen tot uitslag, het sluiten eener overeenkomst, welke als eene zedelijke nederlaag kan worden beschouwd. Deze overeenkomst bepaalde: 1º. een tienjarig bestand zal getrouwelijk tusschen de Muzelmannen en de Koreïshieten in acht worden genomen; 2º. ieder persoon die de Koreïshieten mocht verlaten, om, zonder verlof zijner hoofden, tot Mahomet over te gaan, zal aan de Koreïshieten uitgeleverd worden; 3º. zij die van Mahomets partij tot die der Koreïshieten mochten overgaan, zouden niet uitgeleverd worden; 4º. den Arabischen stammen wordt vrijheid gelaten, zich met de Koreïshieten of met de Muzelmannen te verbinden; 5º. Mahomet en de zijnen zullen onmiddellijk zich uit den omtrek van _Mekka_ terugtrekken; 6º. het volgende jaar zullen zij den _Caaba_ kunnen bezoeken, maar zij zullen er niet langer dan drie dagen blijven, en geene andere wapens dragen dan hunne sabels, die zij niet uit de scheede zullen trekken. Deze overeenkomst, waarin het gewone verschijnsel--overmoed tegen de zwakken, kruipen voor de sterken zichtbaar was--mishaagde den Muzelmannen zeer, maar Mahomet deed, vooral ten aanzien der artikelen 2 en 3, opmerken, dat God degenen niet zou verlaten, welke aan de Koreïshieten mochten worden overgeleverd, en wat diegenen betrof, welke tot de afgodendienaars mochten overgaan, dat het openlijke verlaten door eenige huichelaars veeleer voor- dan nadeel was. Deze overeenkomst werd gesloten te _Hodaïbiia_. Voor dat jaar moest Mahomet van de bedevaart naar _Mekka_ afzien, en zelfs weinig tijds na het sluiten der overeenkomst, toen een Koreïshiet tot den Islam overging en door zijne hoofden opgeëischt werd, haastte zich Mahomet om hem uit te leveren, waarover de Muzelmannen zeer misnoegd waren; maar hij deed het stilzwijgen der overeenkomst ten aanzien der vrouwen gelden, toen eenige vrouwen na het verlaten van _Mekka_ in zijn kamp den Islam kwamen omhelzen, en gaf haar niet aan hare mannen terug, die haar kwamen opeischen. In hetzelfde jaar, het zesde der _hedjira_, zond Mahomet een' gezant aan den koning van _Perzië_, om bij hem aan te dringen tot het aannemen van zijn godsdienst. De brief dien hij Cosroës toezond, begon met de volgende woorden: Mohammet zoon van Abdallah, gezant van God, aan Kesra (Cosroës), koning van _Perzië_. Men kan begrijpen met welke verachting dat schrijven door de Perzianen ontvangen moet zijn, als men weet, dat deze al de Arabieren als een lomp en barbaarsch volk beschouwden, dat ten deele aan de macht van _Perzië_ onderworpen was. De koning en de koningin verscheurden Mahomets brief. Toen deze het vernomen had, riep hij uit: "Dat God zijn rijk verscheure!" en deze vloek werd aangezien als een onfeilbaar voorteeken van den spoedigen val der Perzische monarchie. Die voorzegging werd echter eerst in het achttiende jaar der _hedjira_ onder het khalifaat van Omar vervuld. Volgens de Muzelmansche geschiedschrijvers werden de gezantschappen, die door Mahomet aan den koning van _Abysenie_ en den gouverneur van _Egypte_ werden gezonden, met eerbied ontvangen. Het zevende jaar der _hedjira_ werd door eene belangrijke overwinning gekenmerkt en wel door die op de Joden van _Khaïbar_, eene stad die door onderscheidene forten verdedigd werd, en die drie of vier dagreizen van _Medina_, te midden eener vruchtbare landstreek was gelegen. Mahomet toog naar _Khaïbar_ aan het hoofd van veertien honderd man, waarbij twee honderd ruiters. Het beleg duurde omstreeks twaalf dagen, en de Muzelmannen vonden er een' krachtigen tegenstand; maar na eenige hardnekkige gevechten, in welke Ali, Mahomets schoonzoon zich onderscheidde, werden al de forten, het een na het andere ingenomen, en daardoor de macht der Joden van _Khaïbar_ vernietigd. Maar aangezien zij aan hun land waren gehecht, bleven zij in het bezit er van; dit was echter niet langer als eigenaars, maar als pachters der Muzelmannen, en dit tengevolge eener met Mahomet gesloten overeenkomst. Deze wederrechtelijke en door niets te weeg gebrachte nederlaag der Israëlieten, deed bij eene van Mahomets vrouwen, die ook tot dezen godsdienst behoorde, de zucht ontstaan haar landgenooten te wreken. Zij gaf hem daarom een stuk vergiftigd schapenvleesch te eten, en alleen ternauwernood was het, dat hij aan den dood ontsnapte. De overmeestering van _Khaïbar_ werd door die van _Fadak_ gevolgd, zijnde dit een vlek dat tot _Khaïbar_ behoorde. Mahomet maakte _Fadak_ tot zijn bijzonder eigendom, hetwelk aan zijn dochter Fatima overging, die met Ali gehuwd was. De Israëlieten van _Wadi-l-Kora_ ondergingen hetzelfde lot, en die van _Taima_, op de grenzen van _Syrië,_ achtten het voorzichtig, eene onvermijdelijke vernieling voor te komen, en zonden hunne onderwerping aan Mahomet in. In hetzelfde jaar zond de nieuwe profeet een' gezant aan keizer Heraclius [19] die zich toen, bij zijn terugkeer van den veldtocht naar _Perzië_, in _Syrië_ bevond. De Muzelmansche levensbeschrijvers zeggen, dat Heraclius den Muzelmansche gezant met onderscheiding ontving; maar de gezantschappen die Mahomet aan twee Ghassanidisch-Arabische vorsten zond, welke leenmannen van het Romeinsche keizerrijk waren, werden met verontwaardiging en verachting ontvangen; in zijne brieven had Mahomet hen uitgenoodigd, het Islamisme te omhelzen. Op het einde van het zevende jaar der _hedjira_ (629), hetgeen het tijdstip was voor de bedevaart naar _Mekka_, vastgesteld in de overeenkomst, die in het vorige jaar met de Koreïshieten gesloten was geworden, kon Mahomet eindelijk de gelofte van het bezoeken der heilige plaatsen volbrengen, en hij volbracht haar op vreedzame wijze. Hij trok _Mekka_ binnen, te midden van een grooten toeloop van afgodendienaars. Hij zat op zijn wijfjes-kameel _Koswa_ en werd omringd door zijne leerlingen, die te voet waren en de sabel op zijde hadden. Hij nam al de godsdienstgebruiken waar, en wel niet alleen diegene, welke sedert onheugelijke tijden ingesteld waren, en door niets gekenmerkt werden wat naar afgoderij geleek, maar ook die, welke hij, in zijne hoedanigheid van apostel, zelf pas had ingesteld. De zeven omgangen rondom den _Caaba_, de zeven gangen tusschen de heuvels van _Safa_ en _Merwa_, het slachten der offers in de vallei van _Mina_ en het Muzelmansche gebed, dat door zijn bijzonderen uitroeper aangekondigd werd, kortom alles had vreedzaam en in ongestoorde orde plaats; maar de Koreïshieten stonden er op, dat hij, onmiddellijk na het verblijf van drie dagen, dat door de overeenkomst was bepaald, vertrekken zou, en wilden zelfs niet de uitnoodiging aannemen tot een gastmaal, dat Mahomet hun voor zijn vertrek wenschte te geven. Tengevolge van dien vreedzamen tocht, welke Mahomet wist dienstbaar te maken aan het vermeerderen zijns aanziens in de oogen der Arabieren, en die oorzaak werd dat er vele en belangrijke bekeeringen plaats hadden, ondernam de profeet der Arabieren, die reeds door den glans eens vorsten omringd was, een' krijgstocht tegen het Romeinsche keizerrijk, of om beter te zeggen tegen de Ghassanidisch-Arabische vorsten, die aan de Romeinen schatplichtig waren, en door Romeinsche troepen ondersteund werden. Een Muzelmansch leger, drie duizend man sterk en door zijn' vrijgemaakten slaaf Seïd aangevoerd, toog naar _Moeta_, een vlek in het zuid-oostelijke uiteinde van _Syrië_, en had daar bloedige gevechten te bestaan tegen de Arabieren en Romeinen, die veel sterker in getal waren. De uitslag van dien oorlog was voor de Muzelmannen noodlottig. Nadat zij achtereenvolgens twee opperbevelhebbers hadden verloren, waren zij genoodzaakt naar _Medina_ terug te trekken. Intusschen deed dat verlies Mahomets macht niet verzwakken; want eenige Bedouynsche stammen haastten zich het Islamisme te omhelzen en zich onder zijne banier te scharen; daaronder behoorde de stam _Abs_, waartoe de vermaarde held Antara [20] had behoord. Mahomet, welke de afgezanten van dien stam ontving, zeide hun dat Antara, voor eenige jaren gestorven, de Bedouynsche held was, welken hij het sterkst had verlangd te zien. Om al den voorspoed in Arabië de kroon op te zetten, ontbrak Mahomet nog maar de vermeestering van _Mekka_. Daartoe deed zich in het achtste jaar der _hedjira_, eene gunstige gelegenheid op, toen de stam _Khozaa_, die Mahomets bondgenoot was door de overeenkomst, twee jaren vroeger te _Hodaïbiia_ geteekend, door den stam _Doïl_ (bondgenoot van _Mekka_) en door die van _Mekka_ zelven werd aangevallen. Mahomet achtte zich daarvoor van alle verplichtingen ontslagen, en besloot dadelijk de meeste partij van die breuk te trekken; daarom wees hij de openingen der Koreïshieten af, ten aanzien eener voldoening en eener schikking. Hij vertrok uit _Medina_ op den 10den dag der _ramadhan_ van het achtste jaar der _hedjira_ (630) aan het hoofd der _Ansar_ en der _Moehadjir_, en waarbij onderweg zich de stammen kwamen voegen, die kortelings tot zijne leer waren overgegaan. Volgens Mahomets geschiedschrijvers beliep dat leger tien duizend man. Tien dagen later trok het Muzelmansche leger de heilige stad binnen, zonder dat er eenige verdediging plaats had en zelfs zonder veel wederstand; zóó geheim had men den beraamden tocht weten te houden, en zóó snel waren de bewegingen geschied; maar een troep Koreïshieten, die de Muzelmansche voorhoede bij het intrekken van _Mekka_ aanviel, werd nedergesabeld en alleen Mahomets spoedige aankomst op de slagplaats was in staat, een groot aantal schuldelooze offers te sparen. Zeventien bewoners van _Mekka_ werden van de algemeene kwijtschelding uitgesloten, en Mahomet gaf verlof hen te dooden, al waren zij ook in den _Caaba_ verborgen. Mahomet begaf zich dadelijk naar den tempel, ging er zevenmalen omheen, en raakte met eerbiedigheid den zwarten steen met zijn' _mihdjan_ aan, zijnde dit een staf, die aan het eene einde omgebogen was. Hij vroeg vervolgens den sleutel van den tempel en drong in het binnenste door. Hij zag er beelden en voorstellingen van engelen, die op de muren geschilderd waren, eene houten duif die aan de zoldering was opgehangen en die vermoedelijk ontleend was, hetzij aan de Oud-Testamentaire vrededuif, aan de duif der Samaritanen, of misschien aan het zinnebeeld van het Nieuwe Testament; voorts een beeld, hetwelk men zeide dat van Abraham te zijn, en hetwelk de pijlen in de hand had, door middel van welken de Arabieren gewoon waren het lot te raadplegen. In den tempel waren drie honderd zestig afgodsbeelden vereenigd; naarmate Mahomet deze voorbijging, hief hij zijn _mihdjan_ op, en na dat teeken verbrijzelde men die terstond, terwijl hij de woorden sprak: "De waarheid verscheen en de logen verdween." Op het middaguur klom zijn bijzondere uitroeper, Belal genaamd, op den _Caaba_ en verkondigde het uur van het gebed. Denzelfden dag werd de geheele bevolking van _Mekka_ verwittigd, dat zij zich had te begeven naar den heuvel _Safa_, om den profeet te erkennen en hem den eed van gehoorzaamheid _bi'at bi'a_ te doen, welke daarin bestond, dat een ieder Mahomet de hand moest geven. Bij die gelegenheid was Omar Mahomets vertegenwoordiger; hij stak elk der omstanders de hand toe, terwijl Mahomet op een' verheven zetel geplaatst was. Na de mannen, werden de vrouwen toegelaten, om evenzeer den eed te doen; zij beloofden, noch schelmerij, overspel, hoererij noch kindermoord te plegen, en zich aan geen liegen of kwaadspreken schuldig te maken. Mahomet bleef omstreeks veertien dagen te _Mekka_. Gedurende dien tijd deed hij, in den omtrek, de afgodsbeelden en de tempels der afgodendienaars vernielen, en zond detachementen ruiterij uit, om de bewoners der omgelegen streken tot den Islam te roepen. Hoezeer hij zijne troepen had bevolen, hunne wapenen niet anders dan alleen in den uitersten nood te gebruiken, volgden eenige hoofden deze orders niet op en richtten moordtooneelen aan, welke Mahomet zich verplicht achtte, openlijk te ontkennen als op zijn bevel geschied te zijn, en die te veroordeelen. Een enkele machtige stam, die sedert lang naijverig op de Koreïshieten was, weigerde zich te onderwerpen, en trok tegen _Mekka_ op. Mahomet trok die stad binnen aan het hoofd van een indrukwekkend leger, en het gezicht van die strijdmacht boezemde de Muzelmannen een zoodanig vertrouwen in, dat zij zich onverwinbaar achtten. Dat vertrouwen wordt echter in den Koran (IX:25) gegispt; inderdaad toen dan ook, de Muzelmannen eene enge vallei binnentrokken en te _Honaïn_ aankwamen, dat op tien mijlen afstands van _Mekka_ is gelegen, werden zij door de _Hawazin_, en wel met zulke hevigheid aangevallen, dat er wanorde in hunne gelederen ontstond, en dat het Mahomet eerst na de uiterste pogingen gelukte, de vluchtenden tot staan te brengen en hen te hereenigen. Hij beval zijn' witten muilezel _Doldol_ te gaan liggen, en wierp toen, even als te _Bedr_, eene handvol zand naar den vijand, en door dit wonderwerk, zeggen de geschiedschrijvers verschafte hij zich de overwinning. De vijand werd op de vlucht gedreven en trok af naar _Taif_, eene stad ten westen van _Mekka_ gelegen, en omringd door eene zeer vruchtbare streek, welke stad door den handel rijk geworden en door muren omringd was. Toen nu de belegering der stad lang begon te duren, wilde Mahomet eerst al de wijngaarden in den omtrek verwoesten, maar zag, op de aanhoudende verzoeken van de Arabieren uit den omtrek, daarvan af; terzelfder tijd deed hij echter afkondigen, dat iedere slaaf die uit _Taif_ naar het leger der Muzelmannen overliep, vrij zoude zijn. In weêrwil nochtans dat daarop een aanmerkelijk getal overloopers aankwamen, hield de stad hare verdediging vol, en Mahomet achtte het raadzaam het beleg op te breken, nadat hij twintig dagen lang vergeefsche pogingen had aangewend om de stad te onderwerpen. Het mislukken van dien tocht werd echter door de onderwerping van andere stammen vergoed. Toen Mahomet te _Medina_ terugkwam, liet hij te _Mekka_ een' onderbevelhebber achter, die belast was met het bestuur over de feesten en plechtigheden der pelgrimstochten. Wat hierbij opmerking verdient, is, dat de afgodendienaars onder de Arabieren, die er aankwamen, van die plechtigheden niet uitgesloten waren. Het volgende jaar echter deed Mahomet dit gebruik eindigen en gebood, dat de afgodendienaars volstrektelijk zouden uitgesloten wezen, waarbij hij hun een' termijn van vier maanden liet, om zich te bekeeren. Het 9e jaar der _hedjira_ (631) was getuige van de bekeering en onderwerping van eenige andere, zoowel heidensche als christenstammen. De bekeering der laatsten had plaats na eene redetwist, die door Mahomet zelven werd gehouden met bisschoppen en Christenen van _Nedjram_, in welken redetwist de Christenen, volgens het zeggen van de Muzelmansche geschiedschrijvers, zich overwonnen verklaarden. Op het einde van hetzelfde jaar richtte Mahomet, die vernomen had, dat er een Romeinsch leger tegen de Muzelmannen in aantocht was, eene algemeene oproeping aan al de ongeloovigen, en vereenigde een leger van dertigduizend man, dat hij naar _Taboek_ op de grenzen van _Syrië_ voerde. Men zag toen, dat de tijding van het aanrukken der Romeinen valsch was, maar de aanwezigheid van zulk een aanmerkelijk leger had de onderwerping van _Aïla_ tengevolge, dat eene handeldrijvende stad aan de _Roode zee_ was, en ook van eenige plaatsen in de nabijheid van _Taboek_ gelegen. De stad _Taïf_, die, ten vorige jare de aanvallen van Mahomet had wederstaan, onderwierp zich in dit jaar evenzeer. Dit jaar werd dan ook _het jaar der gezantschappen_ genoemd, uithoofde van het aantal deputatiën die elkander onophoudelijk opvolgden, om aan Mahomet de onderwerping van steden en stammen te komen betuigen. Het volgende jaar, zijnde het 10e der _hedjira_ (632), groeide het aantal bekeeringen en onderwerpingen nog altijd aan. Tot hiertoe zich hebbende bepaald bij _Hedjaz_ en de noordelijke streken van _Arabië_, breidden zij zich, van toen, naar de zuidelijke en oostelijke gedeelten uit. Nu huldigden de streken, welke bekend zijn onder de namen _Hadramaut_, _Yemen_ en _Nedjd_ den eeredienst onder een eenig God en tegelijk ook de profetenzending van Mahomet. Het dient daarbij opgemerkt te worden, dat de profeet der Arabieren zich niet tevreden hield met de belijdenis van den eeredienst des eenigen Gods, als die niet het erkennen zijner zending tot gevolg had. "Er is geen andere God dan God (_Allah_) en Mahomet is Gods gezant", was de vastgestelde formule: dit waren de twee onmisbare getuigenissen (_Chehadeteïn_), om aangezien te worden als Muzelman (_Moeslim_), of als man die aan Gods wil onderworpen is. Het werk van Mahomet was dan nu, na twintigjarige, volhardende pogingen, verricht, de eerste helft van welk tijdverloop hem niet anders dan teleurstelling scheen te bereiden, en hem niets anders dan bespotting, beleedigingen en haat had opgeleverd. Om den gelukkigen uitslag zijns arbeids plechtig te vieren, maakte Mahomet, in het 10e jaar der _hedjira_, zijn voornemen kenbaar, eene plechtige bedevaart naar _Mekka_ te doen, en dadelijk stroomde van alle zijden van _Arabië_ eene groote menigte toe, om hem in dat herkomstige godsdienstgebruik te vergezellen. Volgens eenigen bestond de stoet uit negentig duizend, volgens anderen uit honderdveertigduizend man. Toen de karavaan te _Mekka_ was aangekomen, verrichtte Mahomet al de plechtigheden, welke door het gebruik waren vastgesteld; zeide de gebeden op en begaf zich den volgenden dag naar den berg _Arafat_, waar hij eene toespraak hield, welke vervolgens werd herhaald door een' Koreïshiet, die eene doordringende stem bezat, ten einde de menigte, die langs de helling van den berg bijeen was, hem zouden kunnen hooren. Die toespraak, welke door de overlevering is bewaard gebleven, bevatte een beknopt overzicht van de voornaamste voorschriften, die in den Koran vervat zijn. De aanspraak prentte rechtvaardigheid, menschelijkheid, welwillendheid, broederschap tusschen de Muzelmannen, goede behandeling der vrouwen en rechtschapenheid bij alle betrekkingen van het maatschappelijk verkeer in; zij verbood ook het invoegen van dagen, om de maanmaanden te verbeteren. Mahomet eindigde met de woorden: "Ik laat u eene wet achter, die u voor dwaling zal behoeden; eene wet, die duidelijk en stellig is; een boek eindelijk, dat van boven is neêrgezonden." Hij besloot met uit te roepen: "O! mijn God! heb ik mijne zending vervuld?" waarop aller stem antwoordde: "Ja, gij hebt haar vervuld!" Den volgenden dag, zijnde voor de slachtoffers bestemd, offerde Mahomet, met eigen hand, drieënzestig kameelen en schonk aan drieënzestig slaven de vrijheid, welk getal juist gelijk was aan zijnen ouderdom, in maanjaren geteld, welker behoud hij pas had aanbevolen. Vervolgens deed hij zich het hoofd kaal scheren; want gedurende den pelgrimstocht is het niet geoorloofd, het hoofd te scheren of de nagels te knippen. De personen die het dichtst bij hem waren, verdeelden toen de afgesneden haren onder elkaâr. De bedevaartstocht, waarvan wij zoo even hebben gesproken, wordt de afscheidspelgrimage genoemd. In Mahomets aanspraak op den berg _Arafat_ had hij doen doorschemeren, dat het hem wellicht niet zoude vergund zijn, _Mekka_ weêr te zien. Inderdaad werd hij eenigen tijd na zijn' terugkeer te _Medina_ ziek. Hoezeer die krankte zijne lichaamskrachten verzwakte, werden zijne geestvermogens er niet door benadeeld. Gedurende die ongesteldheid vormde hij het plan voor eenen nieuwen tocht tegen de Romeinsche provinciën, en wees zelfs Oekama, den zoon van zijn vrijgemaakten slaaf Seïd, aan, als het hoofd der troepen, die dezen krijgstocht zou aanvoeren. Omstreeks dat tijdsgewricht brak er een storm in _Arabië_ zelf uit. In drie verschillende provinciën, noemden drie onderscheidene personen zich profeet der Arabieren. Een van dezen was Tolaïka, de tweede was Mossaïlama, en de derde Aïhama (die ook el-Aswad of _de zwarte_ werd genaamd) van den stam der _Ans_ of der _el Ansia_. Deze profeten, welke door de Muzelmannen niet anders dan als valsche profeten konden worden beschouwd, hadden onder de kortelings bekeerde, maar van _Medina_ verwijderde stammen eenige vorderingen gemaakt; en Mossaïlama richtte zelfs een schrijven aan Mahomet, waarin hij hem voorsloeg, de macht met hem te deelen, aangezien zij beiden gelijkelijk profeten en Godsgezanten waren. Op deze boodschap antwoordde Mahomet door de volgende woorden: "Mahomet, gezant van God, aan Mossaïlama, den bedrieger. Heil, hun die den rechten weg volgen [21]. De aarde behoort aan God en Hij geeft haar bezit aan wien het hem behaagt. Zij alleen die den Heer vreezen, hebben voorspoed." De uitdrukkingen van dat antwoord gaven te kennen, dat Mahomet niet van de beslissing der wapenen zoude laten afhangen, aan wien de macht zou behooren; in afwachting daarvan zond hij aan zijne legerhoofden bevelen, om de vorderingen der bedriegers te beletten. Hem werd echter alleen de nederlaag van el-Aswad bekend, welke door een' van zijne eigene bevelhebbers werd gedood. Meer vernam hij niet; want de koorts die hem verlaten had, keerde na weinig tijds terug en deed al zijne krachten zinken. Toen hij gevoelde, dat hij al zwakker en zwakker werd, vestigde hij zich in het verblijf zijner vrouw Aïsha, en bepaalde zeer nauwkeurig de wijze waarop hij begraven wilde worden. "Zoodra gij mij gewasschen en in de doodskleederen zult hebben gehuld," zeide hij tot zijne verwanten, "zult gij mij, op dit bed, aan den rand van mijn graf plaatsen, dat in ditzelfde vertrek gegraven moet worden, op de plaats waar ik mij nu bevind; daarna zult ge mij alleen laten en wachten tot de engel Gabriël en al de engelen des hemels voor mij gebeden hebben. Vervolgens zult gij binnen komen, namelijk eerst mijn gezin en hierna al de Muzelmannen, om bij mij te bidden." In weêrwil zijner zeer groote zwakte, begaf hij zich nog, door zijn beide neven ondersteund, naar de moskee of Mahomedaansche kerk, en toen hij er het gestoelte (_minber_) had bestegen, hield hij de volgende toespraak aan de Muzelmannen. "O! Muzelmannen, heb ik iemand onder u geslagen, zie hier dan mijn rug; laat hij mij terugslaan. Is er iemand door mij beleedigd geworden, laat hij mij dan beleediging met beleediging vergelden; heb ik iemand zijn goed ontroofd, laat hij het dan terug nemen. Men vreeze niet, daardoor mijn' haat op te wekken; de haat ligt niet in mijne natuur [22]." Een persoon kwam toen drie dirhems [23] van hem terug vorderen. Mahomet gaf hem die dadelijk terug, met de woorden; "Het is beter schande in deze wereld, dan in de andere te hebben." Toen hij, eenige dagen daarna, zich te zwak gevoelde om het bed te verlaten, zeide hij eensklaps, in een oogenblik waarin hij schier aan het ijlen was geraakt, tot de omstanders: "Laat men mij inkt en papier brengen; ik zal u een geschrift geven, dat u altijd voor dwaling zal behoeden." Maar Omar belette het uitvoeren van dat bevel. "De profeet is aan 't ijlen," zeide hij. "Hebben wij niet den Koran om ons te leiden?" Onderwijl men aan't twisten was over de vraag, of men de bevelen moest uitvoeren van iemand die reeds stervende was, zeide Mahomet tot de omstanders: "Gaat heen! het is niet voegzaam in tegenwoordigheid van den gezant Gods aldus te twisten." Hij verscheen nog eens in de moskee, waartoe men uit zijne kamer toegang had, en dezen keer gaf hij de aanbeveling, den Koran te volgen, als eene onfeilbare gids te midden der beproevingen, die de Muzelmannen stonden te wachten. Deze raadgevingen werden uitgesproken met eene krachtige en helderklinkende stem die scheen aan te duiden, dat de krachten terugkeerden. Dit was echter niet meer dan het laatste opflikkeren van een licht, dat weldra uit zoude gaan. Toen hij in zijn vertrek was teruggekeerd, bleef hij eenige uren ineengezakt zitten, nadat hij eenige afgebroken woorden had uitgesproken, als: "Mijn God ... ja... met den gezel van boven (de engel Gabriël)." Hij stierf op de knieën van Aïsha, den 13den dag der maand _Rabi_ van het tiende jaar der hedjira (8 Juni 632), hetgeen Maandag was. Zijn graf is derhalve te _Medina_, welke stad, uit dien hoofde den bijnaam _monewwereh_, de verlichte, heeft verkregen. De tijding van zijnen dood verspreidde zich weldra te _Medina,_ en veroorzaakte er eene algemeene verslagenheid. Eenigen wilden het niet gelooven, anderen waren geneigd om weder tot den afgodendienst terug te keeren; maar Aboe Bekrs besluit, dat met spoed genomen werd, verstikte de wanorde in de kiem en vestigde voor altijd de toekomst van den Islam. Door hetgeen hier gezegd is, ziet men, dat Mahomet volstrekt geen opvolger had aangewezen [24]. Bij zijn afsterven liet hij geen enkel kind van het mannelijk geslacht na. Hij had in alles vijftien vrouwen gehuwd en met twaalf van haar echtelijke gemeenschap gehad. Met uitzondering van Israhim, een zoon, welken hij bij de Kophtische Maria had, die eerst zijn bijwijf en naderhand zijne vrouw was geweest, en welke zoon vóór hem stierf, waren ook al de andere kinderen hem door zijne eerste vrouw, Khadidja, gebaard, en de zonen der overige vrouwen vóór hem gestorven. Dit waren vier zonen: Kacim, Taiib, Tahir, Abdallah, en vier dochters: Fatima, die gehuwd was met Ali, Rokaïa en Omm Kolthoem, beiden gehuwd met Othman, die later Khalif was, en eindelijk Zeïnab (Zenobia). Onder diegene zijner vrouwen, welke eenige vermaardheid hebben verkregen, behooren: Khadidja, dochter van Kwowaïlid; Aïsha, dochter van Aboe Bekr; Hafsa, dochter van Omar; Omm Habiba, dochter van Aboe Sofian, een der machtige Koreïshieten; Safia eene Israëlietin en Zeïnab, dochter van Djahch, die eerst gehuwd was aan zijn vrijgemaakten slaaf Seïd (zie Hoofdstuk XXXIII ten aanzien van dat huwelijk). Negen van zijne vrouwen overleefden Mahomet; maar aangezien hij de Muzelmannen had verboden, haar na zijn dood te huwen (XXXIII : 53), hertrouwde geene van haar. Dat aantal vrouwen is lijnrecht in strijd met het voorschrift van den Koran, waarbij aan de Muzelmannen verboden wordt, te gelijk meer dan vier wettig gehuwde vrouwen te hebben, (Hoofdst. IV) maar het was een voorrecht, dat Mahomet, in zijne hoedanigheid van geestelijk opperhoofd en profeet, voor zich zelven had ingeroepen. Mahomet had, zegt men, in tegenwoordigheid van Aboe Bekr verklaard, dat al wat een profeet bij diens dood bezat, weer aan het volk, dat is aan den Staat, terug moest komen. Bij zijnen dood ging men waarschijnlijk van deze woorden uit, om aan zijne vrouwen een jaargeld op de schatkist aan te wijzen, en, anderdeels, om zijner dochter Fatima de eigendom te ontnemen van _Fadak_, een vlek, dat op de joden veroverd was. Krachtens de voorschriften van den Koran, had het hoofd van den Staat, die ook het geestelijke hoofd, of de opperpriester was, aanspraak op het vijfde gedeelte van den buit welke op den vijand was veroverd. Nadat Mahomet zijn vijfde gedeelte, na elken gelukkigen tocht had genomen, besteedde hij een groot gedeelte aan ondersteuning van armen, weduwen en weezen. Zijne matige en eenvoudige levenswijze, zijne onafgebroken werkzaamheid brachten hem niet tot bovenmatige uitgaven; maar het onderhouden van een groot aantal vrouwen, waarvan elkeen een afzonderlijk huis of verblijf bewoonde, verzwolg zijn vermogen. Hij bezat tweeëntwintig paarden, twee ezels _Ofair_ en _Ya'foer_; vijf muilezels, vijf wijfjes kameelen, welke hij bereed, waartoe ook die behoorde, welke bekend was onder den naam van _Koswa_ (met afgesneden ooren); voorts nog twintig melkkameelen, honderd schapen en eenige geiten. Van negen sabels was diegene de beroemdste, welke naderhand in het bezit van Ali overging en _dhoelfikar_ heette; zijnde een sabel die bestond uit twee klingen, welke naar de punt uiteenliepen; voorts had hij drie lansen, drie bogen, zeven harnassen, drie schilden, een standaard (_liwa_) van een witte kleur, en een andere, die zwart was en _okuk_ (zwarte adelaar), genoemd werd, en welke, naar men zegt, nog dezelfde is, dien men tot op onze dagen, onder den naam van _sandjak sherif_ (doorluchtige vaan) te Konstantinopel bewaard heeft. Vervolgens liet hij na: een mantel (_borda_) thans nog in de laatstgenoemde stad bewaard, onder den naam van _kherkaï sherifsh_ en, naar men zegt, dezelfde welken Mahomet aan den dichter Ca'b gaf, die zijne lofrede had geschreven. De groene tulband werd later het onderscheidingsteeken van de afstammelingen, die uit zijne dochter Fatima waren voortgesproten, terwijl de zwarte dat van den zijtak werd, die uit Abbas, den stamvader des Abbassiden, voortgesproten waren. Mahomet was, wat zijn uiterlijk voorkomen betreft, van middelbare gestalte en had een stevig gebouwd en welgevormd lichaam. Hij had zwarte oogen, zwart, sluik haar, een' arendsneus, gladde en blozende wangen, en zijne tanden stonden een weinig van een. In weêrwil van zijn gevorderden ouderdom, bemerkte men nauwelijks eenige grijze haren aan hem. Overigens had hij, naar het gebruik der Arabieren, de gewoonte, die zwart te verven, en zijne nagels door middel der _henna_ te kleuren, en _collyre_ op zijn oogleden te doen. Hij was er op gesteld, een spiegel te gebruiken, of zich in een met water gevuld vat te spiegelen, om zijn tulband in orde te schikken. Wat zijne neigingen betreft, vermeldt men van hem de woorden: "waar ik ter wereld het meest op gesteld ben, zijn de vrouwen en de reukwerken, maar wat mij de ziel verstrekt, is het gebed." Het innemende van zijn uiterlijk voorkomen werd overigens door eene sterke uitdrukking van goedheid en minzaamheid verhoogd. Hij verliet nimmer het eerst dengeen die hem aansprak, en trok zijne hand nooit terug, vóór de hand van dengeen die haar drukte, werd teruggetrokken. In Hoofdstuk LXXX doet hij zich een streng verwijt, omdat hij een armen man op onvriendelijke wijze had ontvangen. Hij gebruikte nochtans de voorzorg, zich van de lostigheden en de onbeschoftheid zijner medeburgers te vrijwaren, door gedeelten van den Koran, waarin de regelen der wellevendheid worden onderwezen. Hij, die zich bovenal met zijn voornamen doel bezig hield, wist scheldwoorden en beleedigingen met geduld te verdragen, en vond niet het minste behagen in het voldoen zijner persoonlijke wraak, als het goede gevolg zijner zaak die nutteloos maakte. Na het innemen van _Mekka_, voerde men een zijner hardnekkigste vijanden voor hem; hij zweeg geruimen tijd en eindigde met hem vergiffenis te schenken. "Ik heb gezwegen," zeide hij tot zijne aanhangers "in afwachting, dat er een opstaan en dien man dooden zou." Zij antwoorden daarop: "wij hebben een teeken van u, o profeet, afgewacht," Hij hernam: "Teekens van verstandhouding geven, die een verraad zouden zijn, voegt den profeet niet." Daarmede scheen hij eenigermate kenbaar te maken, hoedanig men het zwijgen van den profeet tegenover een vijand had uit te leggen. De overlevering heeft onderscheidene trekken uit Mahomets leven bewaard, die hem als een zeer zachtaardig, zeer menschelijk en zeer welwillend man schetsen, ten aanzien van allen die aan hem verknocht waren. Hij had echter een diep gevoel van de hekeldichten, door sommige dichters der afgodendienaars geschreven, en belastte eenigen van hem, die zijne partij hadden omhelsd, hun te antwoorden. De vermaardste dier aan Mahomet verknochte dichters zijn Hassan, zoon van Thabit en Ca'b, zoon van Zohaïr. Wat hemzelven betreft, was poëzie hem zóó vreemd, dat men voorbeelden van hem aanvoert, waarin hij, bij het herhalen van het vers eens dichters, de woorden derwijze verplaatste, dat maat en rijm er geheel door verloren gingen. Het oordeel, dat hij in den Koran (hoofdstuk XXVI), over de dichters in het algemeen velt, mag doen aannemen, dat hij evenzeer geneigd was, zich, in zijn' Muzelmanschen staat, zonder hen te behelpen, als Plato het was, om hen uit zijne republiek te verjagen. Terzelfder tijd dient men te erkennen, dat de godsdienstige overspanning, welke het medeslepen door den nieuwen eerdienst voorbracht, de poëtische verheffingen van het heidendom eenklaps heeft onderdrukt. Een beroemd Arabisch dichter, Lebid genaamd, schreef geene verzen meer, van het oogenblik dat hij Muzelman was geworden, en Mahomets lofdichters kunnen niet wedijveren met Amrilkaïs, Chanfara, Tarafa enz. Het laat zich moeilijk beslissen, of Mahomet lezen en schrijven kon. Het gedeelte van den Koran, waarin de engel Gabriël hem zegt: "Lees!" en zijn antwoord: "wat zal ik lezen?" zoude doen aannemen, dat hij kon lezen, terwijl de omstandigheid, dat hij weinige dagen voor zijnen dood, pen en inkt vroeg, om zijne meeste beschikkingen op te schrijven, grond schijnt te leveren tot het veronderstellen, dat hij schrijven kon. In allen gevalle en hoe het daarmee gelegen zij, bediende hij zich gaarne van zijne secretarissen, welke nederschreven wat hij hun voorzegde. Die geheimschrijvers waren Ali, Othman, Seïd, Obaï, Moawia. Wat nu eenige letterkennis betreft, gelijk die, op dat tijdstip, onder de Israëlieten en Christenen kon bestaan, zoo bezat hij deze niet, en kende van de heilige schriften dier beide godsdiensten alleen brokstukken, gelijk men ze in gesprekken of van hooren zeggen opdoet. Dit is dan ook oorzaak, dat eenige bijbelsche verhalen, welke door den Koran worden aangevoerd, verminkt en verward zijn, en dat het valsche en twijfelachtige er, bijna doorgaans, naast het ware en echte ligt. Overigens erkent Mahomet zelf, dat hij een ongeletterd profeet (_ommi_) is, die tot de ongeletterden gezonden was, hetgeen waarschijnlijk geschiedde om zijn karakter, als man die door den hemel bezield was, des te beter te doen uitkomen. Eenige Muzelmansche schrijvers wenden nochtans voor, dat het woord _ommi_ (moederlijk, of gelijk men is als men uit het moederlijf komt, te weten: onwetend, ongeletterd), als het op Mahomet toegepast wordt, niets anders beteekent, dan dat hij geboortig was van _Mekka_, welke stad _Ommoel-Koera_ of _moeder der steden_, genoemd wordt [25]. De eigen bekentenis, welke Mahomet bij herhaling van zijne gebrekkige kunde aflegt en van zijne onbekendheid ten aanzien der toekomst, zijn voor zijne metgezellen, en nog veel meer voor de latere geslachten, geen beletsel geweest, om hem de gaaf toe te schrijven, in de toekomst te lezen en mirakelen te doen. De godsdienstige overspanning, de ijver voor het uitbreiden van eenen godsdienst, die reeds grond had gewonnen, en ook het godsdienstbedrog--al welke oorzaken aanleiding geven tot zoodanige wonderwerken, welke in geene enkele der verkondigde godsdiensten ontbreken--hebben zich tot de onwetenden en lichtgeloovigen gewend en Mahomet als den bewerker van duizende mirakels doen voorkomen [26]. Daarbij bleef men echter zelfs niet staan. Toen, op de natuurlijke helling van eenen eeredienst in de ontwikkelingsperiode, de godsdienstige redetwisten over de leerstukken geopend werden; toen de Muzelmansche eerdienst met het joden- en christendom in aanraking kwam, werd men tot de verzekering gebracht, dat de Koran, die voor eene rechtstreeksche openbaring van God en zijn woord werd verklaard, eene zaak even eeuwig als God, en niet geschapen was. Zoodra men zekerheid had, dat Mahomet gestorven was, begonnen de twisten over de keuze van een' _Khalif_. Aangezien Ali echter niet daaraan deel nam, zoo had de partij die voor Aboe Bekr was, alleen de aanspraken van een deel van die van _Medina_ te bestrijden, aan welker hoofd Saad Ibn Ibada stond. Aboe Bekrs welsprekendheid en Omars zielskracht, gevoegd bij de tweespalt tusschen _Medinas_ inwoners, waren oorzaak van het beslissen der zege, en dat de eerstgenoemde door de aanzienlijkste Muzelmannen te _Medina_ gehuldigd werd. Wij vermelden hier nog, dat zijne grafstede, vroeger in de woning van Aïcha of Aïsha gelegen, later, door de vergrooting der moskee, binnen deze kwam. Nog het een en ander willen wij omtrent zijne vrouwen hierbij voegen en terwijl wij de Kophtische Maria, welke hij van den stadhouder van Egypte ten geschenke had gekregen, slechts in het voorbijgaan aanvoeren; omdat zij aanleiding heeft gegeven tot eenige merkwaardige Koranverzen, zullen wij eenige oogenblikken langer verwijlen bij Aïsha of Aïcha, die evenzeer oorzaak is van het ontstaan van een gedeelte des Korans. Met Aïsha, de dochter van Aboe Bekr verloofde Mahomet zich eenige maanden na Khadidjas dood; aangezien zij echter toen niet ouder dan zeven jaren was, huwde hij haar eerst later te _Medina_. Zij was de eenige van Mahomets vrouwen, welke hij niet als weduwe gehuwd had, en zij werd ook het meest door hem bemind. Zij oefende een' grooten invloed op hem uit en gaf het bestaan aan de meeste overleveringen, welke tot grondslag dienen, zoowel van de Muzelmansche legenden, als van de geschiedenis der vestiging van het Islamisme, terwijl zij zelfs eene rol speelde in de burgeroorlogen, die onder het Khalifaat van Othman begonnen en met de overwinning der Omejjaden eindigden. Alvorens echter over te gaan tot het mededeelen der gebeurtenis, waardoor Aïsha aanleiding gaf tot een gedeelte van den Koran, en waardoor eene belangrijke bijdrage wordt geleverd tot de kennis van Mahomet als wetgever en profeet, noemen wij nog eene andere zijner vrouwen. Dit is Hafsa, de dochter van Omar, welke evenzeer aanleiding gaf tot het ontstaan van eene plaats in den Koran, en bovendien degene was, bij welke de eerste verzameling bewaard bleef van de fragmenten des Korans, door Aboe Bekr bijeen gebracht, en waarvan Othman verdere afschriften maakte. De bedoelde plaats in den Koran, waartoe Hafsa aanleiding gaf, ontstond bij de volgende gelegenheid: Mahomet had namelijk op zekeren dag eene heimelijke bijeenkomst met de reeds genoemde Maria, en wel, op zeer onvoegzame wijze, in de woning van Hafsa, die hen bijeen vond. Om nu de minijverige en gekwetste echtgenoot tevreden te stellen, beloofde hij niet weêr gemeenschap met Maria te hebben. Hafsa maakte desniettemin geen geheim van de zaak, en Mahomet werd door zijn' geheelen harem, maar vooral door Hafsa en Aïsha met zulke kleinachting behandeld, dat hij eene geheele maand in een zolderkamertje alleen doorbracht. Toen echter dreigde hij, in naam des Hemels, met echtscheiding, en veroorloofde zich, evenzeer ten gevolge eener openbaring, weder den omgang met Maria [27]. De Openbaring en de wet op overspel, waartoe Aïsha aanleiding gaf, ontstond bij eene belangrijke gebeurtenis. Aïsha (of Aïcha) vergezelde Mahomet op een' veldtocht tegen de _Benoe Moestalik_. Zij bleef nochtans op den laatsten dag van den terugkeer achter, toen de troepen in de vroegte opbraken, en kwam toen met Moeattal, die tot de achterhoede behoorde eenige uren later te _Medina_ aan. Daardoor gold Aïsha in de oogen der menigte natuurlijk als een overspeelster, en Mahomet vond in dat voorval grond genoeg, om aan hare echtelijke trouw te twijfelen; want hare verontschuldiging scheen hem niet geheel voldoende. Zij verklaarde namelijk, dat zij, toen zij in haren draagstoel wilde stijgen, haar halsketen gemist had, en dat zij weder was teruggekeerd, om die op te zoeken. Intusschen hadden nochtans hare kameeldrijvers, meenende dat zij werkelijk ingestegen was, den draagstoel, als gewoonlijk, op den kameel vastgebonden en dezen voortgedreven. Toen zij nu terug kwam, was de draagstoel verdwenen, en de manschap reeds zoover vooruitgetrokken, dat zij dezen niet meer kon inhalen. Mahomet behandelde haar koel en met onverschilligheid, gedurende de ziekte, waaraan zij--schijnbaar of werkelijk--kort na hare aankomst leed, en liet haar zelfs later naar het huis harer ouders brengen. Geheel _Medina_ sprak over dat voorval, en zelfs Mahomet maakte er bij zijne vrienden geen geheim van, dat hij aan Aïshas onschuld twijfelde. Omstreeks eene maand nochtans na die treurige gebeurtenis, zegepraalde de liefde voor Aïsha, en misschien ook het gevoel voor zijn' oudsten en getrouwsten aanhanger--zijn schoonvader Aboe Bekr--bij hem, op den minnenijd en het wraakgevoel. Hij bezocht haar toen in haars vaders woning en verklaarde, na een' aanval van vallende ziekte, door welke zijne openbaringen dikwijls werden voorafgegaan, in naam des Hemels, dat zij onschuldig was. Diegenen, welke op de meest bepaalde wijze tegen zijne vrouw hadden gesproken, werden gegeeseld, en deze straf werd ook van toen af, tegen een' ieder bepaald, welke eens anderen vrouw van ontrouw beschuldigt en zijne beschuldiging niet door vier geloofwaardige getuigen kan bewijzen. [28] De zwakheid, welke Mahomet in zijne betrekking tot het vrouwelijke geslacht vertoonde, en die gewis reeds volstaat om een zeer dubbelzinnig licht op zijn karakter als profeet te werpen, is overigens de eenige, welke wij in zijn bijzonder leven opmerken. In elk ander opzicht was hij een toonbeeld van huisselijke en gezellige deugd. In zijne woning, manier van leven en spijze, heerschte de grootste eenvoud, ja zelfs was daarin somtijds gebrek en armoede. Hij maakte zoo weinig aanspraak op hulde, dat hij niet wilde, dat zijne aanhangers hem eenigerhande uiterlijk bewijs van eerbied zouden geven, ja dat hij diensten welke hij zelf verrichten kon, niet eens van zijne slaven aannam, zoodat hij dikwijls in persoon ter markt ging, om levensmiddelen in te koopen en deze zelf toebereidde, zijne kleederen verstelde, zijn geiten melkte en zijne woning veegde. Een elk had vrijen toegang tot hem, en zelfs op straat verleende hij elkeen gehoor, welke iets had te verzoeken. Zijne weldadigheid en mildheid waren onbegrensd, zoodat hij, in spijt van zijn groot aandeel in allen buit, altijd arm bleef en bij zijnen dood slechts weinige dinars naliet. Niet alleen jegens armen echter maakte zijne weldadigheid zich kenbaar; hij zocht ook, op alle mogelijke wijzen, alle andere lijdenden te troosten. Niemand was in _Medina_ ziek, of hij bezocht hem, en niemand stierf daar ter stede, of hij voegde zich bij hen die het lijk volgden. Niemand ondervond eene onrechtvaardigheid, die hij niet ter hulpe ijlde; overal waar het gold, den zwakke tegen den sterke te verdedigen, was hij. Alleen waar de staatkunde het gebood, kon hij zich tot de grootste wreedaardigheden laten wegslepen; maar in alle overige gevallen, toonde hij zich uiterst toegevend en grootmoedig. Men vindt wel menige voorbeelden van ter dood gebrachte misdadigers of werkzame vijanden van den Islam, maar in evenredigheid van den duur zijner heerschappij is het aantal van dezen zeer gering. Een der bloedigste moordtooneelen richtte hij onder de _Benoe Koraïza_ aan. Dit was niet zoo zeer uit godsdiensthaat, als wel omdat zij hem in het oogenblik van gevaar verlaten hadden, en tot den vijand waren overgegaan; iets waardoor hij zijn' ondergang nabij was geweest. Moesten wij nu Mahomet, die zich profeet en Godsgezant noemt, niet strenger beoordeelen dan een gewoon opperhoofd der Arabieren, dan zouden, in onze oogen, de vlekken, welke wij in zijne levensgeschiedenis waarnemen, des te gemakkelijker verdwijnen, uithoofde zij door de zeden en gebruiken van zijnen tijd zijn te rechtvaardigen. Wij zouden hem een' sluwen staatsman noemen, welke, ten deele uit liefde tot zijn volk, ten deele uit eerzucht, groote zaken heeft volvoerd. Ook als verbeteraar der zeden, als verkondiger van het monotheïsmus of stelsels van de eenheid Gods, der leer van de onsterfelijkheid der ziel en de vergelding, welke hij 't eerst in _Arabië_ deed wortelen, kunnen wij hem onzen bijval en, met het oog op zijn menigvuldig lijden in den eersten tijd, zelfs onze bewondering niet onthouden. Dat hij echter volstrekt niet opgewassen was tegen de rol van stichter van eenen nieuwen godsdienst en van wetgever, blijkt uit een nauwkeurig onderzoek van den Koran, niet minder dan uit zijn leven. II DE KORAN. Algemeen overzicht. Wat wij Mahomet niet kunnen vergeven, is, dat hij zijne voorgewende of werkelijke openbaringen, welke, gelijk hij zelf zich dikwijls uitdrukt, de geloovigen voor alle tijden licht en leiding zouden verschaffen, niet bij zijn leven, volgens chronologische orde, of volgens den inhoud, tot een geheel heeft doen verzamelen [29]. De Muzelmannen, wel is waar--doch blijkbaar alleen met het doel om hunnen profeet te verontschuldigen en de echtheid des Korans te verdedigen--stellen vast, dat dit niet noodig was, omdat de door hem geopenbaarde verzen door zijne volgelingen van buiten geleerd, en langs dien weg aan de vergetelheid onttrokken werden. Zien wij echter niet bij Mahomets dood, dat, behalve Aboe-Bekr, niemand iets van een vers wist, waarin Mahomets sterfelijkheid bepaald uitgedrukt zou geworden zijn? [30] Stelt ook Omar niet vast, dat het vers, waarbij, echtbreuk met den dood wordt gestraft, en eenige andere verloren zouden zijn gegaan? En hoe dikwijls werden niet vroegere voorschriften door latere veranderd, zonder dat altijd degenen, welke zich de vroegere voorschriften in het geheugen hadden geprent, bij het herroepen tegenwoordig waren? Moest Mahomet toen niet veronderstellen--wat naderhand inderdaad gebeurde--dat er ten minste over de letter zijner openbaringen, later twist zou ontstaan. Moest hij niet vreezen, dat men er geheel vreemdsoortige dingen onder zoude schuiven? Dit toch moest hij te eerder, omdat hij aanneemt, dat zoowel de Joden als de Christenen de Heilige Schrift vervalscht hebben? Voor deze zorgeloosheid nu weten wij geen' anderen grond op te geven, dan dat de meeste dusgenoemde openbaringen alleen door de omstandigheden van het oogenblik in het leven werden geroepen, en derhalve niet meer dan een tijdelijke beteekenis hadden, zoodat het bewaren van deze, hem niet zeer gewichtig scheen te zijn. Voorts schijnt het, dat hij, uithoofde der menigvuldige tegenstrijdigheden in zijne openbaringen vervat, hebbe geaarzeld, deze als een geheel aan de toekomst over te geven, terwijl hij ook vóór zijnen dood, waarvan hij natuurlijk het oogenblik niet kende, speelruimte wilde houden om er verbeteringen en bijvoegsels in te brengen. De volgende overlevering van een rechtzinnigen Muzelman toont ons, hoe gewichtig het voor Mahomet was, zijne openbaringen elk oogenblik te kunnen wijzigen, wat niet zoo gemakkelijk had kunnen geschieden, indien hij die, bijeengebracht en gerangschikt, aan de handen der geloovigen had overgegeven. Toen het vers verscheen: "Zijn ook misschien zij die te huis blijven, (voor God) gelijk aan hen die voor hun geloof strijden [31]?" zeide Abd Allah Ibn Djahsh en Ibn Um Maktum tot Mahomet: "Wij zijn blind, en zou nu geene uitzondering met ons gemaakt worden?" en dadelijk openbaarde hem God: "Met uitzondering dergenen, welke lichaamsgebreken hebben." De profeet deed zich hierop het schouderblad brengen, waarop dit vers geschreven was en beval zijnen secretaris Zeïd Ibn Thabit, die woorden er bij te voegen. "Ik verbeeld mij--verhaalde Zeïd naderhand--als zag ik nog die plaats naast eene spleet op het schouderblad." Eene andere overlevering, volgens welke Abd Allah Ibn Masoed, een der gezellen van Mahomet, des avonds een vers opschreef, dat hij den volgenden ochtend niet meer vond, en tot wien Mahomet zeide, dat het weder in den hemel teruggenomen, of met andere woorden, dat het door hem des nachts uitgewischt was, bewijst, dat, indien eene nieuwe openbaring met eene vroegere streed, hij er zich niet mede vergenoegde, deze als niet geldig te verklaren, maar haar vernietigde, zoo het nog in zijne macht stond. Nog eene onbetwiste overlevering in den Koran zelf [32] bevestigt dit, gelijk ook, dat, indien herroepen openbaringen reeds van buiten waren geleerd, zij weder moesten worden vergeten. Wij gelooven derhalve niet te ver te gaan, door aan te nemen, dat, volgens Mahomets bedoeling, de Koran in het geheel geene herroepene plaatsen moet bevatten, en dus Aboe Bekr tegen den wil des profeets handelde, toen hij verzen, welke desniettemin opgeteekend, of bij eenig Muzelman in het geheugen gebleven waren, in den Koran opnam. Mahomet immers heeft zelfs de goddelijkheid des Korans ook, onder anderen, willen betoogen door de omstandigheid, dat die vrij van tegenstrijdigheden was. Maar hebben wij Mahomet eens gekenschetst als een man, die er voor terugdeinsde, datgene wat hij, in eene reeks van drieëntwintig jaren, in den naam des Hemels had verkondigd, aan de geloovigen als een volkomen godsdienst- en wetboek achter te laten; hebben wij hem daarin de grootste schuld opgeladen, die tegen zijne waarheidsliefde en rechtschapenheid spreekt, zoo mogen wij toch de gebreken, welke wij thans in den Koran waarnemen, niet hem, maar wel aan Aboe Bekr en Othman toeschrijven. Na den oorlog met den valschen profeet Mossaïlama, die aan vele Koranlezers het leven kostte, liet de eerstgenoemde alles wat van Mahomets openbaringen op perkament, palmbladen, beenderen, steenen en andere ruwe schrijfmaterialen opgeteekend en onder de Muzelmannen verstrooid was, bijeenzamelen en, uit wezenlijke of gehuichelde vroomheid, zonder eenigerlei zifting opzamelen. Ook de khalif Othman, die later eene tweede redactie van den Koran bezorgde [33], droeg geene zorg voor diens inwendige verbetering en rangschikking, maar vestigde zijn oogmerk slechts op één punt, en wel om er weder eenheid in te brengen, uithoofde reeds in zijnen tijd onderscheidene lezingen van den Koran in omloop waren, die natuurlijk onder de geleerden tot hevige twisten aanleiding gaven. Hij deed derhalve, naar de oorkonden, welke door Zeïd, onder Aboe Bekr, verzameld en door Omars dochter Hafsa bewaard geworden waren, nieuwe afschriften vervaardigen, welke slechts in zooverre van die van Aboe Bekr verschilden, dat de onderscheiden lezingen, welke door dezen opgenomen waren, achterwege bleven en daarin slechts ééne leeswijze opgenomen werd. Aan de kritiek des Korans bracht Othman nochtans het grootste nadeel toe, door het bevel, hetwelk hij gaf, al de vroegere afschriften van den Koran te verbranden, zoodat slechts de lezingen die van hem waren uitgegaan, in de kopieën van deze, voor het nageslacht bewaard bleven. Wel is waar de Muzelmannen stellen vast, dat die varianten alleen verschillen van dialecten hadden gegolden, nademaal de Koran door Mahomet zelven in zeven verschillende dialecten geopenbaard zoude zijn geworden, en dat Othman, onder deze, het dialect gekozen had, hetgeen het nauwste met dat der Koreïshieten verwant was. Maar deze stelling is tegenover eene gezonde kritiek niet alleen onhoudbaar, zij is ook in strijd met andere erkende en geloofwaardige Muzelmansche overleveringen. In de eerste plaats toch wordt verhaald, dat Omar het 25e hoofdstuk eens door Hisham anders had hooren lezen, dan het hem door Mahomet geopenbaard was geworden. Hij geleidde hem derhalve tot den profeet en deed dat hoofdstuk door hem herhalen; toen zei ook hij het op, en Mahomet gaf beiden gelijk, terwijl hij verklaarde, dat de Koran naar zeven verschillende leeswijzen geopenbaard was geworden. Wij gelooven reeds uit die overlevering te kunnen besluiten, dat er hier geen sprake van eenige provincialismen kan zijn; want dan hadden immers niet beiden het geheele hoofdstuk behoeven te lezen. De genoemde stelling der Muzelmannen wordt echter nog krachtiger door de volgende overlevering wedersproken: "Elk jaar in de maand Ramadhan herhaalde Mahomet voor den engel Gabriël, wat tot dat tijdstip van den koran geopenbaard was: men zegt zelfs, dat hij in zijn laatste levensjaar dit twee malen zoude herhaald hebben. Zoo dikwijls hij nu eene nieuwe lezing er bij voegde, of iets wegliet, waaruit de eerste zeven uitgaven ontstonden, prentten zijne volgelingen zich die wijzigingen dadelijk in het geheugen; en handelden overeenkomstig die bijvoegsels of veranderingen [34]. Hier zien wij duidelijk dat de voorgewende, van elkaâr afwijkende openbaringen, waardoor Mahomet, in gevallen, als dat tusschen Omar en Hisham, zich uit elke verlegenheid vermocht te redden, niet alleen de uitdrukkingen maar ook den inhoud betroffen. Onder de verschillen die Othman wegliet, behooren derhalve ook dezulken en zijne weglatingen bepaalden zich geenszins alleen bij dialectverschillen, gelijk men tot hiertoe meende. Door het vernietigen van alle varianten of tekstverschillen, wilde Othman dus éénen Koran vormen, over welks inhoud niet meer getwist kon worden Aan de zuiverheid en gelijkmatigheid, uit het oogpunt van spelling en spraakleer, schijnt hij echter minder zorg besteed te hebben. In dien zin verstaan wij dan ook eene overlevering, volgens welke Otham, toen hij in de afschriften des Korans, welke op zijn bevel waren vervaardigd, spelfouten ontdekt had, gezegd zoude hebben: "Laat die staan! De Arabieren zullen die wel verbeteren." Op dezelfde wijze begrijpen wij ook de volgende overlevering, waaraan door de Muzelmannen de zonderlingste uitleggingen worden gegeven, om elken twijfel aan de reinheid van den Koran tegen te gaan: "Hisman de zoon van Urwas verhaalt, dat zijn vader eens Aïsha gevraagd had, hoe er toch zoo menigvuldige feile