The Project Gutenberg EBook of Wat er te zien valt in Armenië, by Noël Dolens This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: Wat er te zien valt in Armenië De Aarde en haar Volken, 1907-1908 Author: Noël Dolens Release Date: September 17, 2006 [EBook #19306] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT ER TE ZIEN VALT IN ARMENIË *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ WAT ER TE ZIEN VALT IN ARMENIË Naar het Fransch van Noël Dolens. Waar wonen de Armeniërs? Men zou allicht denken, dat zij in Armenië verblijf hielden. Doch dit is een schromelijke dwaling, waarvan men helaas te laat is genezen, toen voor kort nog de onmogelijkheid is gebleken, om de Armeniërs tot een onafhankelijk volk te vormen, of zelfs hun een afzonderlijke regeering te schenken. Wat zouden de talrijke Mohammedanen, waartusschen de weinige Armeniërs, die getrouw bleven aan hun eigenlijken geboortegrond, bijna verloren gaan, er wel van zeggen, indien men hen dwong, zich naar de luimen hunner naburen te schikken, 't zij in het rijk van den Sultan, of dat van den Czar? Zoowel de aanmatigende en hebzuchtige aard der feitelijke heerschers, als de wraakzuchtige en onverdraagzame gezindheid der onderdrukten verhinderen ons, de minste hoop te koesteren, dat beide partijen zich verstandig zouden gedragen, in geval men poogde verandering te brengen in de bestaande toestanden. Het zou al veel zijn, indien daarin eenige verbetering werd gebracht. Het is daarom nog volstrekt niet noodig, de Turken als kannibalen te beschouwen, of de Armeniërs als onhandelbare oproerlingen, of gewetenlooze bedriegers. Op dit punt heerschen vele volkomen onjuiste en ongegronde meeningen, welke in de volgende bladzijden, ook zonder dat wij ze opzettelijk bestrijden, allicht zullen worden toegelicht en uit den weg geruimd. De Turken en Kurden buiten beschouwing gelaten, die trouwens zoo kwaad niet zijn, zoolang men ze niet tot woede prikkelt, of hun hebzucht gaande maakt, verdienen in elk geval de Armeniërs onze belangstelling en sympathie, al zijn wij verplicht, ook met hun gebreken rekening te houden. Wat hen in 't bijzonder kenmerkt, is hun merkwaardige gave van assimilatie. Een volk, dat zich zoo gemakkelijk onze gebruiken eigen maakt, zal allicht op den duur ook onze denkbeelden overnemen en zich in elk opzicht gedragen op een wijze, die strookt met onze opvattingen. Vooral moeten zij de noodzakelijkheid leeren erkennen, om met de heerschende macht op een goeden voet te blijven. Dit wordt hun, in Anatolië bij voorbeeld, al zeer gemakkelijk gemaakt. De vreemdelingen, die met de twee laatste valis (gouverneurs) van het vilayet Erzeroem in aanraking zijn gekomen, kunnen voor deze waardigheidsbekleders niet anders dan groote achting en sympathie gevoelen. De eerste, Réouf Pacha, die thans naar Tripoli in Barbarije is verplaatst, was wel is waar een Turk van den ouden stempel, en dus den Christenen onverbiddelijk vijandig gezind, maar met dat al strikt rechtvaardig; een eerlijk man, die veel belang stelde in onzen vooruitgang, zeer gemakkelijk en vloeiend Fransch sprak en steeds het grootste vertrouwen inboezemde door zijn oprechtheid. Op dezelfde eigenschappen mag zijn opvolger bogen, Nazim Bey, wiens beide oudste zonen, evenals hun vader, op elken bezoeker den gunstigsten indruk maken. Zij zijn het type van den verlichten Turk, die genoeg ontwikkeld is, om te weten, dat de Christenen geen honden zijn, en hun gaarne recht laten wedervaren, zelfs waar dit recht niet alleen op mohammedaansche instellingen, maar op algemeene menschelijkheid is gegrond. Nazim Bey wordt niet alleen hoog geacht wegens de tactvolle wijze, waarop hij met vaste hand de Armeniërs beschermt en het fanatisme tegen gaat, dat de dweepzieke mollahs onder de mohammedaansche bevolking trachten aan te wakkeren, maar evenzeer wegens de verbeteringen, die hij in de provincie heeft aangebracht ten voordeele van de volksgezondheid en ter bevordering van het handelsverkeer. Dank zij zijn bemoeiingen breidt de stad zich zeer uit en worden overal wegen aangelegd. Men moet echter toegeven, dat deze uitstekende mannen, al kunnen zij als slagend voorbeeld dienen, om te bewijzen, dat ook de Turken in staat zijn hun macht op de meest gewettigde en loffelijke wijze te handhaven, toch uitzonderingen zijn. Wie weet, hoe Chakir Pacha en zijn gehoorzame volgeling Hassib Bey, in 1895 uit Konstantinopel gezonden om de onlusten in Armenië te onderdrukken, zich kweten van die taak, kan licht begrijpen, hoe hun komst voldoende was, om den smeulenden haat te doen losbarsten, die het volk tot de verschrikkelijkste uitingen dreef. De bedrijvers dier gruwelen hadden licht kunnen voorzien, dat de Armeniërs, gering in aantal en weinig zeker van hun zaak, zoowel door het onvoorbereide van den opstand, die niet algemeen was, als door gemis aan vaste organisatie, hun geen vrees hadden behoeven in te boezemen, en gemakkelijk te onderwerpen waren geweest door eenig vertoon van militaire macht, en een gematigd optreden der politie. Want wat zou een volk vermogen, dat nergens de meerderheid vormt? De Turken hadden geen gevaar behoeven te duchten, en de Europeanen hadden geen reden tot de onderstelling, dat zich een nieuw organisme kon ontwikkelen uit den schoot der armenische bevolking. Men zal zich hiervan het best kunnen overtuigen, door het nagaan van een hier volgend statistisch overzicht door den schrijver dezer bladzijden, volgens betrekkelijk zekere gegevens, opgesteld. Het is echter zeer moeilijk, dergelijke gegevens in Turkije te verzamelen. De Armeniërs hebben getracht, hun aantal grooter voor te stellen dan het was, toen hun belang dit medebracht, en hun Katholikos, Monseigneur Khrimeian, heeft zelfs het congres van Berlijn op dit punt bedrogen. Later echter zijn zij weder van taktiek veranderd, en thans is het hun bedoeling, minder talrijk te schijnen, dan zij zijn, om zoodoende de belasting te ontduiken, die hun door de turksche regeering is opgelegd, na hun vrijstelling van den militairen dienst. Nu eens willen de Turken van hun kant hun aantal overdrijven, dan weder doen zij juist het tegendeel, al naar hun wisselende belangen dat medebrengen, zoodat onze opgaven ten slotte gegrond zijn op de inlichtingen van onpartijdige en wel onderrichte Armeniërs. Men ziet daaruit, dat het armenische volk over de geheele wereld is verspreid, en dat men, om de Armeniërs als volk te leeren kennen, behalve de eigenlijke Armeniërs, ook nog zou moeten bestudeeren Turken en Kurden, Circassiërs en Kezilbachen, Yezids en Nestorianen, Assyriërs, Grieken, Georgiërs en Laziërs. Om het gewicht van zulk een statistiek goed te beseffen, doet men wel, zich rekenschap te geven van enkele bijzonderheden, waaruit ten duidelijkste blijkt, hoe onmogelijk het is, Armenië te vergelijken bij eenigen anderen staat, die van het turksche rijk is afgescheiden. Het volk dat de "armenische kwestie" in het aanzijn heeft geroepen, is verspreid over een reusachtig grondgebied, tusschen den Balkan, den Kaukasus, en Mesopotamië. En het aantal, dat in hun oorspronkelijk vaderland is gebleven, bedraagt nauwelijks anderhalf millioen, terwijl ook deze omringd zijn door, en vermengd met tallooze andere volksstammen. Hoe zou het zelfs hun dan mogelijk zijn, een zelfstandig volk te vormen, daargelaten nog, dat hiervan voor de buiten het eigenlijke Armenië wonenden volstrekt geen sprake kan zijn? Transkaukasië: Erivan 509985, Ielizavetpol 293632, Tiflis 218841, Bakoe 81615, Alibi 128718. Totaal 1232791 Europeesch Rusland 10000 Aziatisch Turkije (Het oude Armenië): Sivas 170000, Diarbekir 80000, Erzeroem 135000, Bitlis 132000, Kharpoet 70000, Van 81000, Mohamm. bev. dezer 6 vilayets met Kurden etc. 3500000. Totaal 668000 Aziatisch Turkije (Niet armenische provincies): Ismidt 50000, Angora 94500, Brousse 89000, Trebizonde 47500, Adana 98000, Passim 8688, Aleppo 38000. Totaal 425688 Perzië: Azerbedjan 28890, Djoufla (Ispahan) 14110. Totaal 43000 Europeesch Turkije en Balkanstaten: Konstantinopel 180000, Bulgarije, Roemenië en Roemelië 18000, Alibi 2000. Totaal 200000 Het overige gedeelte van Europa: Oostenrijk, Frankrijk, Duitschland, Zwitserland, Engeland 3000 Uitgewekenen in Polen, Transsylvanië, Italië 7500 Vereenigde Staten van Amerika 25000 Indië en Australië. (Bij benadering; in wording zijnde kolonies) 1000 Totaal (bij benadering) 2615979 Ziedaar de feiten,--en ongetwijfeld is het toe te schrijven aan onbekendheid met deze noodzakelijke gegevens, wanneer eenige edelmoedig gezinde hervormers plannen hebben willen verwezenlijken, die voor de Armeniërs de noodlottigste gevolgen na zich sleepten. Niet minder belemmerend voor de vorming van een juist en onpartijdig oordeel is de onzekerheid, waarin men tot nog toe verkeert, omtrent de toestanden in Anatolië, Kurdistan, de streken rondom den Ararat, en de verschillende stammen, die daar, 't zij in vrede, 't zij op voet van oorlog, verblijf houden. In den strijd om de oppermacht in Klein-Azië, zal dàt volk de meeste kans hebben op de overwinning, dat het best de karaktertrekken der verschillende stammen heeft weten te doorgronden, hun behoeften kent, en dus zal weten te bevredigen, en vooral door het verschaffen van goed onderwijs het peil van hun zedelijke en stoffelijke welvaart zal weten te verhoogen. Voor alles dienen wij ons nauwkeurig rekenschap te geven omtrent de gesteldheid van het land, waar deze volken verblijf houden; het klimaat, de ligging der bergen en den loop der rivieren, en den staat der wegen en verkeersmiddelen. Het eigenlijke Armenië wordt gevormd door een zeer hoog gelegen plateau. De hoofdstad, Erzeroem (60000 inwoners) ligt tegen den berg gebouwd, tusschen een hoogte van 1920 en 2000 Meter. De Ararat is nog 300 M. hooger dan de Mont Blanc. Aan den voet der hooge bergtoppen strekken zich groote vlakten uit, die door bergen zijn ingesloten, en waartusschen slechts onderlinge verbinding bestaat door de passen in deze bergketens, die dikwijls 3000 M. hoog zijn. De grootste dezer vlakten, die van Mouch, strekt zich uit over een lengte van 40 kilometer. Daar de bodem gedeeltelijk bestaat uit vulkanische asch en aanslibbingen, zijn zij zeer vruchtbaar, en zouden een veel talrijker bevolking levensonderhoud kunnen verschaffen. De bewoners, Armeniërs, die in Turkije vermengd zijn met Turken en Kurden, in Rusland met Georgiërs en Tscherkessen, en in het Zuiden met verschillende mohammedaansche stammen, Turkomanen en Tartaren, zijn zeer bedreven in besproeiing en veldarbeid, en weten uitstekend partij te treken van de smalle stroompjes, die van de hoogten vloeien. Door deze vlakten stroomen groote rivieren, benevens een aantal kleinere zijtakken, die van nog meer belang zijn. Armenië is even rijk aan rivieren als Frankrijk. In het Oosten zien wij de Araxe, die zich met den Koeros vereenigt, kort voor deze zich uitstort in de Kaspische zee. De Araxe, die langs de Noordzijde van het gebergte Ararat stroomt, vormt de grens tusschen Armenië en Perzië. Het stroomgebied dezer rivier is uiterst vruchtbaar en rijk bebouwd; het klimaat is er gematigd in de bergen, en in de dalen warm. In het midden besproeit een tak van den Eufraat, (de Kara Soe of Zwart water in het Turksch) de heerlijke vlakte van Erzeroem, eer zij zich naar het Zuiden wendt, om zich met den anderen tak, de Moerad Soe, te vereenigen en daarna den eigenlijken Eufraat te vormen, die met zijn bijrivier, de Sultan Hoe, door de vruchtbare vlakte van Malatia kronkelt, eer hij Zuidwaarts stroomt naar Mesopotamië. De Moerad Soe doorloopt de geheele Westelijke helft van Kurdistan van het koude Noorden, tot het verschroeiende Kharpoet in het Zuiden. Eveneens treffen wij in het Zuiden de twee stroomen aan, die door hun samenvloeiing den Tiger vormen, terwijl een bijvloed van deze rivier, de Bitlis Soe, door de stad van dien naam en de vlakte van Sert stroomt. Het Noorden des lands is niet minder rijk aan stroomen. Drie rivieren kronkelen daar door vruchtbare vlakten, eer zij zich uitstorten in de Zwarte Zee. De Tschorokh besproeit het dal van Baïboert, neemt vervolgens den Tortoem Soe op en wendt zich dan naar russisch Trans-kaukasië, om zich in de Zwarte Zee uit te storten. In het Westen heeft de rijke landstreek Tokat haar vruchtbaarheid te danken aan de Yechil-Irmak, die evenwijdig loopt met den grooten Kezil-Irmak, waaraan de belangrijke stad Sivas ligt. De bergketens, die deze vlakten omringen, en de dikwijls zeer hooge bergwanden, die ze scheiden, vangen een voldoende hoeveelheid regen en sneeuw op, om in het voorjaar zich te bedekken met gras, dat voedsel levert voor de kudden, en in de valleien, waarheen de stroomen vloeien, die van hun toppen naar beneden dalen, grazige weiden te vormen, die, als de winter niet te lang aanhoudt, tweemaal per jaar een rijken hooioogst opleveren. Toch is een groot gedeelte van den bodem in Armenië onvruchtbaar. Al groeit nog koren op een hoogte van 2500 M., de plaatsen, die geschikt zijn om bebouwd te worden, zijn schaarsch in aantal; het gras groeit alleen dáár, waar de rotsen langzaam zijn vergruisd en in vruchtbare aarde overgegaan, doch zeer vele plaatsen in deze bergketens zijn vulkanisch, en vertoonen niet anders dan lava en granietvormingen. Daar de bosschen overal zijn verdwenen, en men weken lang kan reizen zonder een boom te zien, heeft het land een treurig en verlaten voorkomen. Niets is zoo droefgeestig, als het gezicht van die kale hoogten, in eindelooze opeenvolging, die doen denken aan de ruggen en de logge ledematen van reusachtige, versteende, voorwereldlijke dieren. Wanneer de weg langs den voet dier gebergten leidt, zooals bij Kop Dagh, op den weg naar Trebizonde, ziet men niet anders dan steenachtige hellingen, zoo ver het oog reikt, waarboven nog enkele besneeuwde toppen zich verheffen. Alleen de middenloop der Kara Soe en die van den Tschorokh kenmerken zich door meerdere schilderachtigheid. De vulkanen zijn hier bijzonder talrijk, zooals trouwens overal in Klein-Azië. De Ararat was ook een vulkaan, waarvan de krater voor de helft is ingestort. In het Zuiden liggen in een rij de Tendörek, die nog werkt, de Sipan en de Nimroed, die zich verheffen boven het meer Van. De vorming van hun kraters is zeer merkwaardig. Reusachtig groot, vormen zij een volkomen cirkelvormige kom, zoo regelmatig, dat zij door menschenhanden schijnt uitgehold, en waarin men op den bodem een heldere waterplas ziet, in den vorm van een halve maan, naast een grasvlakte, waarop de prachtigste bloemen groeien, die nergens anders in de omstreken worden aangetroffen. Het is niet te verwonderen, dat deze ligging der armenische hoogvlakten, die zoo streng zijn omcirkeld en afgesloten, heeft medegewerkt tot de vorming van vele stilstaande wateren, die geen afvoer vinden. Een aantal kleine meren strekt zich uit tusschen de Zwarte en Kaspische en Middellandsche Zee. Het belangrijkste is dat van Tortoem, dat bij zijn uitstorting in de rivier van dien naam een waterval vormt, dien Elisée Reclus den schoonsten van Klein-Azië noemt. Kleine binnenzeeën vormen het meer Goktscha in Rusland, dat van Van in Turkije, en van Oermiah in Perzië. Het laatste grenst enkel aan de Westzijde aan het grondgebied van het oude Armenië. Het meer Goktscha is ook eerst in den laatsten tijd armenisch geworden. Het meer Van is dat echter altijd geweest. Het is een zoutwaterplas, en visch wordt er slechts gevonden in de buurt van de mondingen der rivieren, die zich erin uitstorten, en waarvan het water, door een zonderling verschijnsel, bovendrijft, aan de oppervlakte van het brakke water van het meer. Men heeft opgemerkt, dat de hoogte van den waterspiegel aan verandering onderhevig is, en rijst of daalt, zonder dat men de oorzaak hiervan kan verklaren. Het wordt weinig bevaren; want de meeste reizigers zijn er niet op gesteld, zich te wagen in de lompe zeilbooten, en trekken liever te paard het meer om. Als de wind gunstig is, kan men het meer in een dag oversteken; maar dikwijls gaat een week voorbij, zonder dat er een koeltje aan de lucht is, terwijl somtijds heftige stormen opsteken, waartegen de booten niet bestand zijn. 't Is het best, den noordelijken weg naar Van te kiezen. Daar ziet men voor het eerst na het liefelijk gelegen vilayet Trebizonde weer een plekje groen. De geheele streek, en de bergen in den omtrek, zijn kaal en woest; maar de tuinen, die de oude stad Van omringen, en waarheen zich elken dag de bewoners begeven om hun groenten en vruchten te kweeken, zijn verrukkelijk gelegen, in de schaduw hunner vruchtboomen, en Turken en Armeniërs arbeiden daar samen in broederlijke eendracht. Hier bevindt men zich dan ook in een gematigde luchtstreek, die naar het Zuiden bijna tropisch warm wordt, doch in het Westen en Noorden grenst deze streek aan de hoogvlakte, waar een continentaal klimaat heerscht. Land- en tuinbouw zouden hier nog veel grootere resultaten leveren, als zij, die ze beoefenen, meer vooruitstrevend waren gezind. Waarschijnlijk is deze streek vroeger bedekt geweest met bosschen; maar rondom het meer Van zijn deze thans geheel verdwenen. In Kurdistan ziet men echter nog prachtige alleenstaande noteboomen. Keghi, op de hellingen van den Dersim gelegen, is de boschrijkste plek van Armenië; maar in de meer naar het Zuiden gelegen zeer vruchtbare streken van Malatia, Kharpoet, en Diarbekir zijn slechts enkele tuinen, waarin moerbeziën en wingert groeien. In het Westen treft men in het vilayet Sivas, vooral naar de zijde van Tokat, uitgestrekte bosschen aan. In de dalen van den Tschorokh en den Tortoem zijn de bosschen te hoog gelegen, om geveld te kunnen worden, daar de ossen die steile hoogten niet kunnen beklimmen. Ook de hellingen van Azort en Narimân ten Oosten van Tortoem, op de russische grens, blijven dichtbegroeid, omdat men niet over de noodige middelen beschikt, om het hout te kappen. Op de hoogvlakte zelf zijn alleen in de omstreken van Erzindjan nog bosschen te vinden. Hier heeft men dan ook niet zooveel brandhout noodig, daar deze streek door klimaat en vruchtbaarheid nog als tot de gematigde luchtstreek behoorende kan beschouwd worden. Maar overal, waar het klimaat het verbruik van groote hoeveelheden brandstoffen noodzakelijk maakt, is geen hout meer te vinden. Het moet van veraf gelegen plaatsen worden aangevoerd, en is daardoor zeer kostbaar. Tot de dunste eikenstammetjes worden met wortel en al uitgegraven, en zoodoende breidt deze verwoesting zich over een steeds toenemende oppervlakte uit. Deze onnadenkende handelwijze, die zulke nadeelige gevolgen na zich sleept, en niet eens gerechtvaardigd is, daar overal kolen worden gevonden, vloeit voort uit de zeer hevige koude, die op de hooger gelegen plaatsen heerscht gedurende meer dan zes maanden in het jaar. De bewoners loopen daar voortdurend gevaar, van koude om te komen. In 1903 daalde de thermometer te Erzeroem tot 39° onder nul en 's winters heeft men daar dikwijls weken en maanden achtereen een temperatuur van 15°-25° onder nul. Zelfs in de gematigde luchtstreek doet zich de onmiddellijke nabijheid van dat continentaal klimaat gevoelen, al naar de hoogte, waarop de verschillende plaatsen zijn gelegen. Zoo ligt bijvoorbeeld te Bitlis de sneeuw op de bergen, in de stad, en de vallei dikwijls vijf meter hoog; maar de koude is er toch veel minder hevig en de winter minder lang, dan in het midden van het land. De streek tusschen Baïazid en Sivas zou men een tweede Siberië kunnen noemen. Het reizen te paard is er uiterst moeilijk, en als men er door een sneeuwstorm wordt overvallen, gaat men een wissen dood tegemoet. Toch is hier een weg gebaand, waarlangs de gemakkelijk glijdende sleden geregeld het verkeer onderhouden, terwijl tusschen Mouch en Bitlis de sneeuw zoo hoog ligt, dat hier slechts kleine sleden, door één man getrokken, in gebruik zijn; paarden zouden daar wegzinken. Dat klimaat is een ramp van Armenië, en het zou slechts kunnen worden bestreden met alle hulpmiddelen, die der beschaving ten dienste staan. Gedurende de grootste helft van het jaar zijn de boeren zonder werk en genieten hun _kief_ (zalige rust, afgewisseld door ruzie en vechtpartijen) in het hoekje van den haard, verzameld rondom den _tonir_ (een in den grond gemetseld en oven) onder een wijde schouw, waarin tesek wordt gebrand, als men geen hout heeft. Tesek zijn koeken van gedroogde koemest. Het verzamelen hiervan maakt de voornaamste bezigheid van stad- en landbewoners uit, zoodat er slechts een geringe hoeveelheid overblijft, om het land te bemesten. Op die lange koude volgt, nadat gelukkig door het smelten der sneeuw de bodem week is geworden, bijna zonder voorjaar, de korte gloeiende zomer. De herfst is er echter zacht en droog, en duurt dikwijls tot het laatst van October. Het leven op de hoogvlakten van Armenië is dus ver van aangenaam, hoewel de lucht er gezond is, en zóó helder, dat men bij onbewolkten hemel duidelijk een vijftiental dorpen onderscheidt, die op tien of vijftien kilometer afstand liggen. Een ander verschijnsel, dat het leven hier bemoeilijkt, zijn de herhaalde aardbevingen. In 1901 hebben verschrikkelijke schokken plaats gehad, waarbij de ellendig gebouwde huizen van de turksche wijk te Erzeroem instortten en omstreeks twintig menschen werden gedood. Alle huizen in de stad hebben daarbij meer of minder geleden en velen moesten worden herbouwd. De stad Malazguert ten Noorden van het meer Van is totaal verwoest, en zeer hecht gebouwde armenische kerken, die reeds meer dan tien eeuwen hadden getrotseerd, zijn tot puinhoopen geworden. Ieder oogenblik kan zulk een geduchte ramp zich herhalen. Geregeld ieder jaar hebben zulke aardschokken plaats, soms zonder ander gevolg, dan dat een weinig pleister van de muren valt, doch soms ook zijn zij de voorboden van vreeselijke verwoestingen. Toch schijnen de fatalistisch gezinde bewoners er volstrekt geen bezwaar in te zien, als zij genoodzaakt zijn, eenige maanden in tenten te leven, bij een felle koude, en een sneeuwlaag, die beurtelings smelt, en tot ijs bevriest. Zij vinden dat bestaan veel meer naar hun zin, dan het verblijf in een gemakkelijk ingericht woonhuis, en in den zomer slaan de stedelingen overal in het open veld hun tenten op, om de genoegens te smaken van het voorvaderlijk nomadenleven. Men kan zich thans een voorstelling vormen van de moeilijkheden, waarmede het verkeer gepaard gaat. In zulk een warrelklomp van bergen zijn natuurlijke wegen zeldzaam, ondanks het groote aantal bergstroomen, want deze banen zich dikwijls een weg tusschen nauwe rotswanden, of verloopen op de hoogvlakte in wijde poelen en moerassen. De begaanbare paden volgen bijna nimmer hun loop. Deze paden zijn meestal niet anders dan de in het warme jaargetijde droge beddingen van vroegere rivieren, die in lang vervlogen tijdperken den steenachtigen bodem der passen hebben geëffend, Hierlangs kan men te paard zonder al te groote bezwaren, zijn reis voortzetten. Er zijn hier geheele streken, zooals het Oosten en Zuiden van Kurdistan, waar nog nimmer een voertuig op wielen is aanschouwd. Men moet de bergwanden, die de dalen scheiden, overklimmen, en dat is een ware Hercules-arbeid. Om zich naar Khenoes, Bitlis en Sert te begeven, moet men den Palandöken bestijgen, die zich boven Erzeroem verheft. De naam beteekent in het turksch: vallend zadel. Het pad is hier dan ook werkelijk zoo steil, dat de koopwaren dikwijls van den rug der lastdieren glijden, en dat de ruiter valt, zoodra hij den hals van zijn paard loslaat. Om het land te voorzien van de wegen, waaraan het behoefte heeft, zouden grootsche werken moeten worden ondernomen. Maar om dergelijke zaken bekommert men zich daar al heel weinig. De vali van Erzeroem is de eenige, die de middelen, welke hem ten dienste staan, aanwendt tot dit doel. Hij heeft van uit de hoofdplaats twee wegen laten aanleggen, een naar Erzindjan, en een andere naar Kars, in Rusland. Dit heeft nog niet eens veel te beteekenen. Men kan slechts in een wagen rijden op den slechten weg van Sivas naar Samsoen, aan de Zwarte Zee, en op den iets beteren grooten weg van Trebizonde naar Erzeroem. Deze laatste werd in 1864 en 65 door fransche ingenieurs aangelegd; maar wordt zoo slecht onderhouden, dat hij op verschillende plaatsen instort, en men moet, als de houten bruggen verrot en gebroken zijn, den stroom te voet doorwaden, terwijl het rijtuig, met horten en stooten, half over de rotsachtige bedding wordt geschoven en getild. Toch is deze verkeersweg van groot belang voor de welvaart van Noordelijk Armenië. Dat de weg thans minder druk begaan wordt dan voorheen, is toe te schrijven aan het feit, dat de perzische karavanen het voordeeliger vinden, naar Transkaukasië te trekken, waar de spoorweg de waren goedkooper vervoert, over Tiflis en Bakoe. Maar dit is een kunstmatige afwijking; de weg over Erzeroem en Trebizonde is korter en gemakkelijker. Hij zal dan ook opnieuw de groote verkeersweg worden, als naast de russische spoorweglijnen ook hier een zal worden aangelegd; d.w.z. wanneer Rusland over dit gebied de heerschappij zal hebben verkregen. Het heeft zich dan ook de concessie voor deze lijn reeds verzekerd, om de turksche regeering te verhinderen, haar te laten aanleggen, teneinde voor het troepenvervoer over de grenzen te dienen; maar toch zal die spoorweg niet worden gebouwd, eer geheel Armenië aan Rusland onderworpen is. De Armeniërs beweren, dat Rusland op alle mogelijke wijzen de verzwakking der turksche grensprovincies in de hand werkt, en met dit doel ook de gruwelen lijdelijk heeft aangezien. Zich voortzettend naar het Oosten, maar na Erzeroem geen straatweg meer, gaat de weg verder naar Malazguert, Baïazid en het meer Van; daarna over Khoï naar Perzië; komt uit te Tebriz en loopt vervolgens in verschillende richtingen naar de perzische hoofdplaatsen. Hij vormde de helft van den grooten handelsweg der oudheid, die langs geheel Klein-Azië liep. Maar van dit westelijk deel is zeer weinig overgebleven. Slechts op enkele plaatsen ziet men er nog de sporen van. Evenzoo is het gegaan met den tak, die van Tokat naar Mossoel liep over Sivas (Sebaste), Malatia (Melitta), Kharpoet en Diarbekir, hoewel de groote Sultans van den ouden tijd, vooral Moerad, in de 16e eeuw, hier verscheiden prachtige khans (pleisterplaatsen) lieten bouwen, waarvan sommige, schoon thans vervallen en ongebruikt, nog bestaan. Hoe zou een land tot welvaart kunnen geraken, waar alles op den rug van lastdieren moet worden vervoerd? Alleen de bovengenoemde wegen zijn door voertuigen berijdbaar, die zeer zelden gebruikt worden; omdat zij duur zijn, en niemand in snelheid eenig voordeel ziet. Die snelheid is dan ook bovendien niet noemenswaard. Een span paarden moet den geheelen afstand afleggen; zes dagen hebben zij noodig voor de 340 kilometer van den straatweg, en acht of tien, als het dooiweder is. Des winters valt aan reizen niet te denken tusschen November en April. Men heeft wel plannen gemaakt, om pleisterplaatsen op te richten, waar andere paarden zouden zijn te krijgen, om zoodoende den weg in twee of drie dagen te laten afleggen, waardoor een gedeelte der perzische handelswaren weder langs dezen weg zou worden vervoerd; maar daar uit Europa geen hulp was te verwachten, bleven de inwoners werkeloos. Men bedient zich, hoewel dit vervoermiddel nog tweemaal zooveel tijd vereischt, van _arabas_, kleine logge, krakende karretjes, op dichte wielen, die door ossen wordt getrokken. Het is een zonderling gezicht, die kleine lompe voertuigjes, vooral wanneer daarin een zestal armenische vrouwen zijn gezeten, in europeesche kleederdracht. De weg wordt druk begaan door de vele lastdieren, ezels, muilezels, paarden en vooral kameelen. Het is voor den vreemdeling altoos een merkwaardig schouwspel, deze wanstaltige, maar sterkgebouwde dieren in lange rijen te zien voorbij trekken, beladen met bergen van pakkisten, en met hun bengelende klokjes aan den hals. Zij worden goed verzorgd; zelfs op de rustplaatsen, waar zij gedrenkt worden, nadat hun last in een der khans is nedergelegd, worden hun de dekkleeden niet afgenomen. De aanvoerder van den kameelen-optocht prijkt met een prachtig soort tuig van bontgekleurde wol, versierd met witte schelpen en kleine spiegeltjes. Trotsch houdt hij zijn kop met de roode en blauwe vederbossen omhoog geheven, treedt voorzichtig langs het smalle spoor, dat door menschen schijnt gebaand, en weet met zekeren stap alle oneffenheden van den bodem te vermijden. Zij zijn de eenige dieren, die midden in den winter deze tochten blijven volhouden. Dan komen zij, met hun ruige, wit berijpte vacht, als spoken in de verte opdagen, en ijskegels hangen als een franje aan hun langen hals, daar hun adem bevriest in de ijskoude lucht. Geen wonder, dat met zulke onvoldoende hulpmiddelen de zaken niet bijster vlot gaan. Feitelijk is Armenië een dood land. Maar het zou kunnen leven, en in de inwoners schuilt genoeg kracht om het te doen _herleven_, wanneer daartoe slechts van buitenaf de stoot werd gegeven. Christenen zoowel als Mohammedanen zijn hier traag en onverschillig, maar vasthoudend, geduldig en taai, als hun kameelen en hun arabas. Noch godsdienst, noch rassenverschil maakt tusschen hen veel onderscheid. Ze hebben allen dezelfde gebreken en dezelfde goede hoedanigheden; alleen in de steden wint de Armeniër het van den Turk, echter niet door zedelijk overwicht, zooals later zal blijken. Buiten, op het land, levend in dezelfde omstandigheden, en denzelfden arbeid verrichtend, gaan zij broederlijk met elkander om. Men kan dit het best beoordeelen, wanneer men, zooals ik, deze regels heeft geschreven, ten aanschouwe van verbaasde Armeniërs, Turken en Kurden, inwoners van één dorp, die eendrachtig mijn photographieën kwamen bewonderen, en een vriendschappelijk praatje maken. Zij dragen allen dezelfde kleeding, spreken hetzelfde turksche dialect, wijden zich met denzelfden bedaarden ijver aan het inhalen van den oogst, en zien met dezelfde onverschillige gelatenheid den winter tegemoet. Den vreemdeling beschouwen allen met een mengeling van welwillende nieuwsgierigheid en wantrouwen. Zij zouden het wel gaarne evenver hebben gebracht als hij; maar 't moet hun geen moeite kosten. Ze zijn bang, dat wij hun land komen bederven met onze nieuwerwetsche uitvindingen; zij willen veel liever blijven voortleven in den ouden zorgeloozen sleur. Als men hun voorstelt, verbeteringen aan te brengen in hun wijze van het land te bebouwen, zeggen zij: "God--of Allah--heeft de aarde zoo geschapen. Wij kunnen daaraan niets veranderen". Tenzij zij van bevriende zijde nu en dan eens een kleine aansporing ontvangen, zullen zij, zoolang de wereld bestaat, blijven voortgaan, met langzamen tred hun kameelen te vergezellen, het land te bebouwen met hun zware ploegen van assyrisch model, hun voorvaderlijk nomadenleven getrouw te blijven, en den vreemdeling geen andere schuilplaats aan te bieden, dan een stal, waar menschen en dieren zijn opeengedrongen, en geen ander voedsel, dan yogourt (gestremde melk) en eieren. In de steden kunnen zij onze kleederdracht en manieren naäpen; maar hun traagheid en hebzucht blijven onveranderd. Toch zijn ook zij voor ontwikkeling vatbaar, en zouden door gedurige aansporing een ijverig, rechtschapen en verstandig volk kunnen worden, ook zonder dat zij zich daarom behoefden te onttrekken aan de turksche heerschappij. In een streek, waar het klimaat zoo afwisselend is, als in Armenië, kan men verwachten, de meest uiteenloopende voortbrengselen van den bodem aan te treffen. Op dit punt vertoont het land overeenkomst met Frankrijk; maar er is toch nog grooter onderscheid tusschen de dadels van Diarbekir, de tabak van Mouch en de kusten der Zwarte Zee, en de beetwortels van Erzeroem, dan tusschen de producten van Provence en onze Noordelijke provinciën. Armenië, Georgië, en het Noorden van Perzië zijn het oorspronkelijk vaderland van de meeste onzer vruchtboomen. Peren en appelen; perziken en abrikozen, kersen en pruimen, druiven en kornoeljes vindt men hier in rijken overvloed, waar de zon maar schijnt. Behalve het Zuiden leveren ook vele plaatsen in het gebergte de heerlijkste vruchten op, en deze zouden zelfs op de zeer hoog gelegen vlakten wel kunnen worden gekweekt; maar hiertoe zou een mate van zorg vereischt worden, die de bewoners niet geneigd zijn, aan eenigen arbeid te besteden. Zij stellen zich tevreden, met te verzamelen, wat de natuur hun wel wil schenken. Als zij in de gunstig gelegen districten zich de moeite wilden getroosten, de soorten te verbeteren, zouden zij alle mogelijke variëteiten kunnen verkrijgen; maar het ontbreekt hun ten eenenmale aan initiatief. Behalve de genoemde vruchten vindt men hier ook veel meloenen, watermeloenen, kweeën, en zelfs chinaasappelen. Verder worden maïs en rijst verbouwd, en de moerbeiboom gekweekt, waarvan de bladeren tot voedsel dienen voor zijdewormen, en de vruchten versch worden gegeten, of ook wel geconfijt om er een lekkernij van te bereiden uit moerbeiengelei en notenpitten, terwijl zij ook gebruikt worden voor de bereiding van raki, een sterke likeur. Uit hun druiven weten zij echter geen goeden wijn te bereiden. Die van Kharpoet is zuur en slecht, wat weder niet het geval behoefde te zijn, indien men bij de bereiding op europeesche wijze te werk ging. Aan groenten is groot gebrek. Drie kwart van Armenië moet het daar zonder zien te stellen. Zelfs in de groote steden eet men noch aardappelen, noch wortelen, en onze overige groenten, zooals bloemkool, schorseneren, prei, asperges, zijn er geheel onbekend. De bewoners zouden ze trouwens misschien ook niet weten te waardeeren. Op straat ziet men dikwijls net gekleede heeren, met keurige boorden en dassen, uit alle macht kauwen op rauwe kool, rauwe rapen en wortelen en allerlei wilde planten. Toch zouden in de meeste streken al onze groenten kunnen verbouwd worden; 't geen reeds is gebleken uit de met goeden uitslag bekroonde pogingen van enkele stedelingen, die echter geen navolging vonden. Men zou oneindig meer voordeel kunnen trekken uit de vele voortbrengselen, die het land oplevert, indien hier in deze hoogvlakten fabrieken werden gebouwd, en de vruchtenteelt in het groot werd ondernomen. Armenië zou onder ander beheer een rijke kolonie kunnen worden. Maar zooals thans de zaken staan, laten de Armeniërs liever hun koren op het veld verrotten, zooals somtijds gebeurt, door den al te grooten overvloed, dan de handen uit de mouw te steken. Zonder spoorwegen is geen uitvoer van graan mogelijk; op elken Hectoliter haver, die van Erzeroem naar Trebizonde wordt vervoerd, zouden vier gulden vervoerkosten komen. Alleen het Araxe-dal heeft een verbinding met Transkaukasië. Het Oosten en Zuiden kunnen met hun producten nergens een heenkomen vinden. Het land wordt bebouwd op een wijze, die reeds in het oude Assyrië moet in zwang geweest zijn, en met uiterst primitieve werktuigen. Groote provincies verbouwen niet anders dan tarwe, gerst, gras en klaver. Om de drie jaren laat men het land braak liggen. Kunstmatige bemesting is onbekend; de gedroogde koemest dient als brandstof, en geen enkel eigenaar zal ooit een werk over landbouwkunde opslaan, om gewaar te worden, hoe hij den bodem zou kunnen verbeteren, of welk voortbrengsel voor een bepaalden grond het best geschikt is. Gedeeltelijk uit geldgebrek; maar meer nog uit gemis aan ondernemingsgeest denkt niemand eraan, voor den veldarbeid machines aan te schaffen, of zelfs een ploeg op wielen te gebruiken. Men bedient zich voor het ploegen van een boomstam, die door ossen wordt voortgetrokken, en aan welks uiteind een kromme haak, met een scherpe ijzeren punt, is bevestigd. Alleen in het Westen, in de buurt der spoorweglijnen, die loopen tot Angora en Konia, begint men iets te beseffen van het voordeel, dat verbeterde werktuigen aanbrengen. Daar treft men boerderijen aan, die eenigszins op europeesche leest zijn geschoeid, en in het Westen van Tokat worden zelfs varkens gefokt, die voor de Mohammedanen zorgvuldig worden verborgen gehouden. Overal elders zijn deze dieren onbekend. Bij den oogst gaat men ook op zonderlinge wijze te werk. Zeisen zijn alleen in de omstreken der grootere steden in gebruik; in den regel bedient men zich van sikkels, die niet scherp genoeg zijn, en waarmede men de wortels der halmen uittrekt. Al het graan wordt vervolgens op een grooten leemen dorschvloer in de open lucht uitgespreid, en hierover trekken ossen een ruwe plank voort, die aan de onderzijde van een honderdtal puntige steenen is voorzien. Deze wijze van dorschen, waaraan de boeren zeer gehecht zijn, omdat zij geen groote inspanning van hen vordert, is natuurlijk zeer tijdroovend en duurt weken achtereen. En wat door deze behandeling verkregen wordt, is een mengsel van fijngewreven stroo, zonder een enkelen gaven halm; steenen en aarde, die aan de wortels zijn blijven hangen, en gepelde, gekneusde graankorrels. Dit alles wordt op een hoop geworpen, en met houten schoppen in de lucht gegooid, opdat de wind het kaf van het koren zal scheiden. Als het graan ten slotte wordt in den handel gebracht, is het vermengd met stellig een tiende deel vreemde bestanddeelen, die mede in het brood worden gebakken, daar men alweder niet de noodige hulpmiddelen bezit om het meel te zuiveren. Een ding is zeker: de mest van de ossen wordt er niet in aangetroffen; want de voerman van ieder span zamelt zorgvuldig met eigen hand die kostbare zelfstandigheid op; geen mensch komt op het denkbeeld, voor dat doel eenig ander werktuig te gebruiken. De enkele watermolens, waar zuiver meel wordt gemalen, zijn groote zeldzaamheden. Alleen de vreemdelingen eten hier trouwens gerstebrood; de inwoners geven de voorkeur aan _somin_, een slecht gebakken, grof, grijs brood; _lavach_, dat geel en plat is, of een andere soort, armenische lavach, dunne koeken, die in den tonir gebakken worden, en vrij smakelijk zijn. Bij de meer gegoede gezinnen wordt het graan bewaard in groote kisten, waarin van onderen een luikje is. Van dat graan bereiden zij hun geliefkoosd gerecht, de _beulghour_, die echter niet in den smaak van vreemdelingen valt. Evenals bij de _pilaf_ (de perzische pilau) worden de graankorrels vermengd met in water gekookte rijst en gesmolten boter. Deze lekkernij wordt zonder kauwen doorgeslikt, alsof het soep was, hoewel het volkomen droog is. _Pilaf_ eten alleen de rijke lieden; de armen slechts bij feestelijke gelegenheden. Aan elken welvoorzienen disch vormt deze schotel het nagerecht, en men zou den gastheer beleedigen, indien men niet een lepelvol uit de schaal schepte; want dit gerecht is het zinnebeeld van het door God geschonken dagelijksch brood, dat ieder gelijkelijk en zonder aanzien des persoons wordt toebedeeld. Rijk is in Armenië wie veel ossen en buffels bezit. De buffels, groote zwarte dieren, zijn bijzonder sterk, en al hebben zij veel voedsel noodig, zij zijn dan ook met alles tevreden. Men ziet ze behagelijk rondwentelen in de modder, en hun honger stillen met planten, die andere dieren nooit zouden aanraken. Ongelukkig legt de regeering beslag op het vee, als de bevolking in gebreke blijft, behalve het twaalfde van den oogst, ook nog de overige belastingen op te brengen. Ook de Kurden stelen veel van de kudden, waardoor zoowel Christenen als Mohammedanen zware verliezen lijden. Vleesch wordt weinig gegeten. 't Is zelfs in de groote steden zeer moeilijk, een stuk ossenvleesch te krijgen. De dieren arbeiden tot zij erbij neervallen, en de doode lichamen laat men liggen; zoodat de honden ze half verslinden, en de overblijfselen de lucht in de omgeving verpesten. Van de huiden gaat zoodoende veel verloren, en de horens en beenderen worden niet gebruikt. Leder wordt vervaardigd van de huiden der runderen, die geslacht worden voor de bereiding van _bastourma_, in de zon gedroogd ossenvleesch, dat met komijn wordt gekruid. Het is verbazend taai, en heeft een zeer sterken smaak, maar wordt overal in het Oosten als een groote lekkernij beschouwd. De afval wordt in vet gekookt en vormt een afschuwelijk mengsel, de _kavourma_, die ook door de Armeniërs zeer wordt op prijs gesteld. Om wild geven zij niet, daar zij het niet smakelijk weten klaar te maken. Wel worden veel vogels gestolen; maar dan is het toch vooral om de eieren der wilde ganzen en eenden te doen. De kippen zijn treurig mager en taai; ze worden niet bij elkaar gehouden in een hok; maar zoeken hun voedsel op straat, en men houdt ze enkel terwille van de eieren, die in Sivas veel worden uitgevoerd en overal in zulke groote hoeveelheden worden gegeten, dat een welgestelde familie van vijf personen er wel vier- of vijfduizend in een jaar noodig heeft. Boter wordt alleen in de keuken gebruikt, tenzij men de voorkeur geeft aan het vet, dat de verbazend dikke staarten der schapen opleveren. Maar tusschen onze boter en deze is een groot verschil. De beste kwaliteit--echter niet naar _onzen_ smaak--wordt gemaakt van de overblijfsels der melk, die voor yogourt gebruikt is, en de fijnste yogourt wordt uit schapenmelk bereid. Er wordt maar één soort van kaas gemaakt, die er zeer eigenaardig uitziet, en gelijkt op bundels vlas. Kaas, boter en melk, alles is even onzindelijk. De schapenteelt vormt den voornaamsten tak van bedrijf. Kurdistan is een der streken in de wereld, waar de meeste schapen worden aangetroffen; het meerendeel der Kurden zijn herders, die in het zachte jaargetijde een nomadenleven leiden. Als de sneeuw begint te smelten, trekken zij met hun kudden naar die plaatsen in het gebergte, die het eerst aan de zonnewarmte zijn blootgesteld, en door de vijandelijkheden tusschen hen en de armenische herders is de gespannen verhouding ontstaan, die zulke treurige gevolgen na zich sleepte. Het vilayet Erzeroem, dat half kurdisch is, bezit ongeveer 1950000 schapen, 650000 geiten, 265000 ossen en koeien. Deze stad is het middenpunt van den uitvoerhandel; het vee wordt van daar naar Konstantinopel, Smyrna of Mossoel gedreven, of wel verkocht aan opkoopers uit Syrië en de eilanden. Khenous, Mouch, Bitlis, Sert en Keghi zijn ook belangrijke markplaatsen. De hoogste prijs van het vleesch is drie piasters (0.60 frs.) de oka (1285 gr.). Behalve met de vervaardiging van geweven stoffen, die echter gedeeltelijk reeds door europeesche worden vervangen, houden de bewoners zich weinig bezig met industrie. Toch toonen zij in dat opzicht eenige begaafdheid, en terwijl zij op het land even traag en achterlijk zijn als de Turken, hebben zij in de steden bijvoorbeeld onze wijze van schoenen en kleederen te maken overgenomen en doen dit uitstekend. De wevers van zijden, linnen en wollen stoffen zijn ook allen Armeniërs. De Turken weven slechts een soort van grof, sterk laken, _chaïac_, dat door het volk en de soldaten wordt gedragen, en te Erzindjan is men thans begonnen, daarvoor machines te gebruiken. Ook de Armeniërs doen nu moeite, om deze aan te schaffen, natuurlijk zonder stoom, want zoowel stoom als electriciteit wordt geweerd door een regeering, die voor alles bevreesd is. Hoewel zij zich dus van eenvoudige hulpmiddelen moeten bedienen, kunnen toch hun zijden en wollen weefsels met de europeesche wedijveren. Hun zijden sluiers voor vrouwen, de _tcharsafs_, die in het Zuiden en Westen worden vervaardigd, zijn fijn, fraai van kleur en minder duur dan de italiaansche. Andere sluiers van doorschijnende witte wol, die de meeste vrouwen het geheele jaar door dragen, zijn niet zoo kostbaar. Te Sivas dragen de vrouwen wit katoenen sluiers, die als een lijkkleed de geheele gestalte omhullen, maar dit katoen komt meest uit Duitschland of Amerika. De _manoussa_ is een dunne roode stof, met witte en zwarte strepen, die voor allerlei doeleinden wordt gebruikt, en van de _pechtemal_ worden badcostumes gemaakt. Deze stof vindt daardoor veel aftrek, want het grootste genoegen van den Oosterling is, een geheelen dag in den _hammam_ door te brengen. De vrouwen vragen daar haar vriendinnen bij zich; er wordt gebabbeld en thee gedronken, en dikwijls dagen achtereen feestgevierd. De Armeniërs zijn ook goede wagenmakers en metaalbewerkers; te Erzindjan wordt sierlijk koperen vaatwerk vervaardigd; verder bekwame schrijnwerkers, zooals te Sivas; rookverdrijvers en smeden, bijv. te Erzeroem, waar vroeger ook de goudsmeedkunst bloeide, die echter thans alleen te Van wordt uitgeoefend, waar zeer fraaie bloemen in zilver worden geciseleerd. Ook worden sigarenpijpjes gesneden in git, marmer en amber. In geen enkele plaats echter houden de Armeniërs zich bezig met tapijtweverij, een tak van nijverheid, die toch in het Oosten zoo veelvuldig en met zooveel vaardigheid wordt beoefend. Eigenaardig is het, dat alleen de minder beschaafde bewoners, de Kurden, hierin bedreven zijn. Hun _kilims_ zijn geweven stoffen, geen vlechtwerk, waardoor kort geschoren draden zijn geweven, zooals bij de perzische tapijten. Als zij deze trachten na te bootsen, kunnen zij ze niet zoo glad en effen afwerken, maar zij slagen er dan toch in, zachte en warme vachten te vervaardigen, aangenaam voor het oog, en voor het gevoel. Al wat zij ontwerpen is zeer eenvoudig van lijn en teekening, en ook de kleuren zijn bij voorkeur donker en stil, terwijl zij niet verschieten. Wat den groveren handenarbeid betreft, hierin moeten de Armeniërs bij de Turken achterstaan. Zooals in Rusland de Tartaren hun vooruit zijn in pottenbakkerskunst, zijn de Turken betere metselaars en lederbewerkers. Het leder in deze streken is stevig, dik en buigzaam, en daardoor zeer geschikt voor het vervaardigen van paardentuig en zadels. Deze vertoonen in het Oosten dikwijls het kozakkenmodel; d.w.z. zij zijn van voren voorzien van twee verhevenheden, waardoor de ruiter als 't ware staat in de stijgbeugels, somtijds ook zijn het eenvoudig dekkleeden, uit meerdere dierenvachten vervaardigd, die in een rijk geborduurd zijden omhulsel zijn genaaid. Het schoeisel is nog al eenvoudig van vorm. De volksklasse draagt de _tcharoukhs,_ stukken grof leer, die van boven met koorden als zakken om den enkel worden gebonden; duurder zijn de _yemenis_, die van zolen zijn voorzien, een soort sloffen, met omgebogen teenen. De karavaanvoerders dragen _laptchins_, hooge laarzen, die op de kuit worden geregen en voorzien zijn van met ijzer beslagen hielen. Evenmin doen de Armeniërs aan viltbereiding, terwijl deze stof toch bij herdersvolken zulk een gewichtige rol speelt. Het gaat hier, zooals in geheel Azië, hoe dichter men bij het gebergte komt, des te steviger en duurzamer wordt het vilt. De kurdische herders maken er wijde omhulsels van; zij steken hun hoofd door een opening, en als zij op den grond hurken, zitten zij als 't ware in een tent, van alle zijden beschut. Bij de bewerking wordt de fijne wol op een rieten vlechtwerk uitgespreid en gerold, waarna vier jongens ze een uur lang met de voeten treden, en daarna wordt dezelfde bewerking nog eens herhaald in een zaal van den hammam, vol heeten waterdamp. De Karapapatch, een mongoolsche stam in Transkaukasië, hebben aan de Tscherkessen geleerd, een beter soort vilt te bereiden, waarvan groote, zwarte, langharige mantels worden vervaardigd, de _yapoundja_, die paard en ruiter beiden voor de koude beschutten, en op de geheele armenische hoogvlakte worden gedragen. Ook de laarzen der bewoners zijn hier van vilt; of liever hun beenbekleeding; want het zijn eigenlijk een soort van kousen zonder zolen, die onder de hooge laarzen worden gedragen, welke men in huis uittrekt. Zelfs de rijke lieden en officieren, die gewone leeren laarzen dragen, hebben daaroverheen een tweede voetbedekking, van leder of russisch caoutchouc, dat ook in Armenië thans veel wordt gebruikt. De Armeniërs zijn zeer geneigd tot het overnemen van onze Westersche begrippen van schoonheid en sierlijkheid. De patronen van ons borduurwerk en onze kanten worden met veel vaardigheid door hen nagebootst. Hun inheemsch borduurwerk is een navolging van het russische; zeer eigenaardig en smaakvol. Ook hierin zouden zij het ver kunnen brengen. In den handel bekleeden zij de voornaamste plaats. Niet dat de Turken hierin achterlijk zijn; te Trebizonde, Erzeroem en Sivas worden zelfs zeer rijke kooplieden aangetroffen. Maar zij beperken zich tot de eenvoudigste voortbrengselen, leder, wol, graan en vee, terwijl zij invoeren ijzer en suiker (van Marseille naar Erzeroem en van Triest naar Sivas) en russische petroleum (van Bakoe en Tiflis naar Erzeroem). De liter petroleum kost hier van 25 tot 35 centimes; de suiker is soms nog goedkooper dan in Frankrijk. Metalen zijn verbazend duur; ijzer kost 48 francs de 100 kilo, en koper 200 franks. De handel in weelde-artikelen (of wat hier althans voor weelde doorgaat) is geheel in handen der Armeniërs. Zij krijgen fijn gelooid leder uit Frankrijk; katoen, laken en andere stoffen uit Duitschland, Engeland, Frankrijk, Rusland, Italië en Amerika, huishoudelijke artikelen uit Duitschland en Oostenrijk, levensmiddelen in blikken uit Frankrijk, Italië en Engeland; bijouterieën uit Konstantinopel; uurwerken uit Duitschland, Frankrijk en Amerika; mode-artikelen uit Frankrijk en Konstantinopel; wijnen en likeuren uit Frankrijk, Oostenrijk en Griekenland; kaarsen uit Holland en Frankrijk; lucifers uit Noorwegen, Oostenrijk en Italië; zeep uit Marseilles en Aleppo; werktuigen uit Frankrijk en Duitschland. Al die dingen kan men overal in de steden krijgen. Maar de Armeniërs vragen ongehoorde prijzen voor de waren, die ze verkoopen; een winst van dertig percent is in hun oog een kleinigheid; de meesten stellen zich niet tevreden met minder dan tachtig of honderd percent. Daar zij geen mededinging hebben te duchten, komen zij onderling overeen, de prijzen zoo hoog te houden, en zij zouden een vreemdeling, die zijn waren goedkooper aan den man wilde brengen, zonder eenig gewetensbezwaar uit den weg ruimen, en zich daarbij om de middelen, die zij hiertoe aanwendden, hoegenaamd niet bekreunen. Geen Europeaan heeft dit waagstuk dan ook durven bestaan. Alleen de Grieken zijn in dit opzicht hun mededingers, daar deze op dezelfde wijze te werk gaan. Een frauduleus bankroet wordt beschouwd als een bij uitstek handige wijze, om zich uit den nood te redden, en ieder beijvert zich, om van dit middel gebruik te maken. In Transkaukasië hoort men Armeniërs zich er openlijk op beroemen, dat zij vijfmaal, tienmaal, twintigmaal zijn failliet gegaan. Ook in Turkije zullen zij daarin niet het minste bezwaar zien; doch daar de handel hier op minder groote schaal wordt gedreven, komen dergelijke buitenkansjes hier niet zoo veelvuldig voor. Het is dan ook al zeer gemakkelijk, dat in beide rijken de buit gaarne gedeeld wordt door politie en overheidspersonen. In een woord, op eerlijkheid in handelszaken behoeft men hier niet te rekenen; want deze hangt geheel van de omstandigheden af. Ziet een koopman voor het oogenblik zijn voordeel in eerlijkheid, moet hij zijn reputatie vestigen, of vertrouwen inboezemen, dan zal hij u behoorlijk behandelen. Maar hij zal u bedriegen, zoodra hij er kans toe ziet. Het is onmogelijk den rijkdom aan mineralen te schatten, die de bodem van Armenië verborgen houdt. Maar ook al ontdekt men ze nu en dan, niemand weet, wat ermede aan te vangen, of er op de beste wijze partij van te trekken. Kolen worden gevonden in de omstreken van Van in het Oosten, te Sivas en Malatia in 't Westen, te Kharpoet in het Zuiden, en in het midden te Baïbourt en Erzeroem. Men gebruikt nog slechts de allerbovenste laag, die aan de oppervlakte van den bodem zichtbaar is, doch ook hier zou een nader onderzoek zeker verrassende resultaten opleveren. IJzererts wordt eigenlijk overal gevonden; het meest bij Mouch en Sassoen in Kurdistan en te Keghi en Terdjan in het midden. Men zou de zwavelmijnen kunnen ontginnen van den Ararat, en den Agri Dagh, langs de turksche, russische en perzische grens. Petroleum wordt gevonden te Pulk, zilver met lood vermengd te Erzeroem, zilver te Gremuschkane, koper bij Baïbourt. In dezen vulkanischen bodem ontspringen overal warme bronnen, waarvan de eigenschappen nog niet bekend zijn. Zout en tabak worden in groote hoeveelheden uitgevoerd, doch de onveiligheid van het verkeer brengt den handel groote schade toe. De struikrooverij is de kanker van het Oosten, en al heeft de regeering bewezen, dat zij deze kan onderdrukken, althans op de groote wegen bij Trebizonde en Erzeroem, zij vindt het toch het gemakkelijkst, de kwaal te laten voortwoekeren, en er desnoods haar voordeel mede te doen. Als de Kurden worden vervolgd wegens al te schandelijke overtredingen, deelen zij den geroofden buit met hoogere en lagere ambtenaren, worden in vrijheid gesteld, of krijgen een aanstelling, en beginnen opnieuw met de grootste kalmte, ongelukkige reizigers te plunderen. Het eenige middel, om aan hun roofzieke handen te ontsnappen, is, zich te laten vergezellen door een zaptié (politieagent), dien de regeering niet aan den eerste den beste ter bescherming medegeeft, en dien de karavanen niet kunnen betalen. Een der eerste voorwaarden, waarop handel en nijverheid zich in Armenië zouden kunnen ontwikkelen, is deze, dat voor de openbare veiligheid voldoende werd gezorgd. En hoewel vreemdelingen, die in dit land van politieke bijbedoelingen worden verdacht, zonder bedenken worden uit den weg geruimd, men is hun gunstig genoeg gezind, wanneer zij de bewoners in staat stellen, voordeelige zaken te doen. Wanneer uit het buitenland bijvoorbeeld zoowel kapitaal als arbeidskrachten werden aangevoerd, dan zou men hier in het Oosten onuitputtelijke bronnen van welvaart kunnen openen; vooral omdat het volstrekt niet onmogelijk zou zijn, de lagere volksklasse in Armenië tot bekwame werklieden te vormen, door geregeld, grondig en practisch onderwijs. De Kurden zouden hiertoe niet geschikt zijn; doch de Turken, en vooral de Armeniërs, zijn begaafd genoeg, om zich onder goede leiding in elk opzicht te ontwikkelen. Zooals de zaken thans staan, is het leven voor de arbeiders in de steden althans dragelijk; aan werk ontbreekt het hun ook in den winter niet, en zij zijn met zeer weinig tevreden. Water en brood met een stuk kaas is al hun voedsel; zij gaan in lompen gekleed, slapen bij het vee in den stal, om het warm te hebben, en beklagen zich volstrekt niet over hun lot. Doch op het land is het treurig gesteld. In Kurdistan lijdt de bevolking aanhoudend onder de koude. Overal trouwens hebben de boeren 's winters een allertreurigst en eentonig leven, waarin zij met moeite eenige afwisseling zoeken te brengen. Beurtelings komen zij samen ten huize van vrienden, buren of bloedverwanten, om in den stal, het eenige bewoonbare vertrek der woning, druk te redeneeren, of te rooken, thee te drinken en te slapen. Hoeveel gelukkiger zouden zij niet kunnen zijn, indien zij hadden geleerd, zich bezig te houden met houtsnijden, draaien en het vervaardigen van al die kleine voorwerpen, waarvoor slechts behendigheid en geduld vereischt worden, zooals bij ons de bergbewoners doen. Thans blijven zij traag, vuil en verwaarloosd, en de helft van hun kinderen sterft vroeg, uit gebrek aan de noodige zorg. Zij vinden in dit opzicht noch steun, noch voorlichting bij hun katholieke of protestantsche voorgangers; de hoofden der weinige scholen weigeren eenvoudig, tot een opvoeding in meer praktischen zin mede te werken, en zouden ook niet weten, hoe daarmede aan te vangen. Het is zonderling, dat niemand schijnt te beseffen, hoe juist hierin de oplossing der armenische quaestie schuilt, en hoe de oprichting van goede volks- en ambachtsscholen de zegenrijkste gevolgen zou kunnen hebben. Want gemeenschappelijke geestesarbeid is het, die het meest ertoe bijdraagt, de geschillen tusschen de volkeren te vereffenen. Dit alles zijn echter nog slechts vrome wenschen; onze taak is thans, Armenië te doen kennen, zooals het werkelijk is. Een ding is zeker, dat de turksche regeering de Armeniërs de volle vrijheid laat, om zich elke poging tot verbetering van hun toestand ten nutte te maken, al werd zij misschien oorspronkelijk niet gedreven door zulke edelmoedige beweegredenen. Alle Christenen toch in het rijk zijn ontheven van den militairen dienstplicht. Alleen den Mohammedanen is het vergund, de wapenen te voeren ter verdediging van Allah's heilige zaak. Zeven jaren achtereen zijn de Turken verplicht te dienen, en terwijl in dien tijd de Christenen de beste jaren van hun leven in vreedzamen arbeid doorbrengen, keeren de ongelukkige Turken, als hun dorpsgenooten reeds lang gevestigd zijn, uit den dienst terug, ongeschikt tot geregeld werk, en zonder middel van bestaan. De Armeniërs beklagen zich zeer over deze uitsluiting. Zij zouden maar al te gaarne met de wapens weten om te gaan, om zich te kunnen verzetten tegen de Turken, die dit trouwens zeer goed weten. Maar zij vergeten, dat dit voorschrift van den Koran hun gelegenheid verschaft, om hun handelsgeest onbelemmerd te ontwikkelen, en hen in staat stelt, zonder al te groote bezwaren te voorzien in het onderhoud van hun gezin. Wat het voorkomen der armenische steden betreft, deze zijn, van naderbij beschouwd, al zeer teleurstellend. Gewoonlijk verwacht men, nog half onder den indruk van Oostersche reisbeschrijvingen door lieden, die grootendeels uit hun verbeelding hebben geput of na een bezoek aan de een of andere bekoorlijk gelegen kustplaats, hier wonderen van schilderachtige kleurenpracht te zullen ontdekken. Maar zulke schoone droomen vervliegen bij de eerste aanraking met de werkelijkheid. Uit de verte gezien, maken echter ook de oudste steden een bekoorlijken indruk. Zij liggen in de wijde vlakte, in al den grilligen vormenrijkdom van haar koepels en minaretten, haar oude vestingmuren, en het verspreide groen harer tuinen, schemerend door het waas van den lichten nevel, die hen omhult, aan den voet der indrukwekkende bergen, die nog grootscher schijnen door de wijde uitgebreidheid der vlakten aan hun voet. Doch zoodra men de straten der stad heeft betreden, ziet men niets dan bouwvallige huizen, gespleten muren, een doolhof van stegen, een opeenhooping van ellendige krotten, die het uitzicht belemmeren, en de grond is bedekt met slijk, of een dikke stoflaag, die bij de minste windvlaag in wolken opdwarrelt, en menschen en dingen met een grijs poeier bedekt. De steden van het Oosten zijn zeker wel de vuilste en somberste plaatsen van de geheele wereld. Werkelijk verrassend echter en onvergelijkelijk schoon is hier de werking van het licht. In geheel Armenië doen dezelfde eigenaardige karaktertrekken zich gelden, al bespeurt men in het Westen en Transkaukasië nog westersche invloeden, zooals het schuin oploopen der daken en het grooter aantal vensters. Maar in het midden en het Zuiden zijn de platte daken niet anders dan terrassen van aarde, waar het water doorsijpelt, en in de muren ziet men bijna geen enkele vensteropening, zoodat binnenshuis al zeer weinig licht doordringt. Alleen de huizen der rijke lieden hebben een grooter aantal vensters, die natuurlijk dubbel moeten zijn, om de koude te weren, en waarin slechts een klein luikje is aangebracht, dat men opent, als het binnen te benauwd wordt. De kozijnen zijn slecht getimmerd, van wit hout, dat men niet eens behoorlijk droog heeft laten worden. De meeste armere huizen hebben geen glasruiten in de vensters; maar geölied papier. Om de muren te versterken, met het oog op de veelvuldige aardbevingen, voorziet men ze van _khatils_, kleine balkjes, die tusschen het metselwerk zijn aangebracht, en door dwarslatten verbonden. De muren zijn zeer dik, maar daar de voegen, inplaats van met kalk, met klei zijn bestreken, laten zij toch de koude lucht door. In de steden hebben de huizen gewoonlijk een vooruitspringende bovenverdieping, die door de zolderbalken van de benedenverdieping wordt gesteund. Op het vooruitspringend gedeelte wordt dan ook een balkon gebouwd, en dit geeft de gevels wel een levendig aanzien. Wat het uitwendig voorkomen der muurvlakken betreft, hierin is weinig verschil. Het schouwspel, dat de dorpen opleveren, is nog veel treuriger. Zelfs in de welvarendste streken zijn zij een soort van verwarde opeenstapeling van aardheuvels, van dezelfde kleur als de grond, zonder kerktoren of minaret, zonder eenige uitstekende verhevenheid, en meestal zonder een spoor van groen. Inplaats van het heldere rood der dakpannen, dat in onze dorpen tusschen het groene loover schemert, ziet men hier, bovenop de platte daken, slechts hoopen hooi of tesek. Al kan men deze laatste ook bezwaarlijk schilderachtig noemen, zij zijn uiterst nuttig, want zij houden de warmte binnen, en sluiten den regen af. Hier ziet men in 't geheel geen vensters meer, tenzij in de woningen van enkele rijke aghas (eigenaars; het woord is echter zoo algemeen geworden, dat het nu mijnheer beteekent, en er ook arme lieden mee worden aangeduid). Het is een vreemd en treurig gezicht, die holen, die bijna geen menschelijke verblijfplaatsen meer zijn, zonder andere opening, dan een deur met een soort luikje er boven. Vensters zijn dan ook een moderne uitvinding, die weinig bijval vindt, want zij laten de koude doordringen. Het algemeen gehuldigde gebruik brengt mede, dat men bij den bouw eener woning uitgaat van een enkel vertrek, waaraan later, zoo noodig, meerdere worden toegevoegd. Deze ruimte wordt overdekt door een soort koepel, welke gevormd wordt, door balken plat over elkaar te leggen, in dier voege, dat telkens de hoeken worden gekruist, waardoor een zeshoekige of vijfhoekige piramide ontstaat; de top is natuurlijk afgeknot, en het midden daarvan blijft open. Om den regen op te vangen, wordt vlak onder die opening een soort van groote steenen trechter aangebracht, boven een vergaderbak. Dit gebruik is zoo algemeen, dat zelfs in de huizen in de stad, waar de opening van een glazen dakraam is voorzien, toch de gootsteen met afloop onder dat raam is aangebracht. Het uitwendig voorkomen der boerenhuizen, die rondom het meer Van zijn gelegen, vertoont alle eigenaardige kenmerken van dien primitieven woningbouw. Soms zou men bijna wanen, verblijfplaatsen te zien van holbewoners, die met moeite hun holen voor instorting bewaren, door ze hier en daar met takken te stutten. In de grootste steden zijn de armste wijken soms niet anders dan een aaneenschakeling van onderaardsche kelderholen, en dikwijls wandelt men over de terrasdaken van zulke huizen, zonder te bespeuren, dat men den beganen grond verlaten heeft. Op die platte daken wordt dan trouwens ook al het huiswerk verricht, zooals bij ons op de binnenplaatsen der huizen. In den herfst zijn ze met gras begroeid en dan weiden er de schapen. Te Kharpoet en Diarbekir slaapt men er ook in de open lucht, als het binnenshuis niet is uit te houden van de hitte. Behalve zij, die onze europeesche gewoonten navolgen, en de rijkere Mohammedanen, maakt niemand gebruik van houten meubels. Soms ziet men wel eens Weener stoelen of meubels van gesneden esschenhout uit Sivas; maar deze dienen enkel voor sieraad; voor het gebruik acht men ze volkomen ongeschikt, daar men er niet op kan neerhurken, en er evenmin languit op liggen. Men komt niet eens op het denkbeeld, ze een vreemdeling aan te bieden, ieder gaat maar op de hurken zitten, 't zij plat op den grond, zooals in Kurdistan, of, zooals in de westelijke streken, op den met kussens belegden divan, die tegen den met tapijten behangen muur staat. Zelfs de meest vereuropeeschte Armeniërs, die geregeld van tafels en stoelen gebruik maken, gaan toch met gekruiste beenen op hun stoel zitten, zonder zich erom te bekommeren, of zij het fluweel van de zitting bederven. In de huizen der rijke lieden, die op zijn europeesch zijn gemeubileerd, ziet men gewoonlijk, behalve de stoelen, een tafel, een piano, gekleurde platen en snuisterijen, maar de eenvoudige lieden, die gehecht zijn aan het oude, bezitten geen ander meubilair, dan een klein rond tafeltje, zoowat 30 cM. hoog, waaromheen de gasten, op hun elleboog geleund, aanliggen en zich bedienen uit den gemeenschappelijken schotel, die grooter is dan het tafelblad. Het blijkt duidelijk, dat deze gewoonten dagteekenen uit den tijd, toen alle bewoners dezer streken nog in tenten leefden. Eertijds toch hebben zij allen, evenals nu nog de Kurden, een herdersleven geleid. Een van steenen opgetrokken huis is dan niet anders, dan een tijdelijke verblijfplaats bij slecht weder, en mag geen andere dan gemakkelijk verplaatsbare voorwerpen van gebruik bevatten. Vandaar die massa tapijten en kussens, waarop men slaapt, eet, rookt, schrijft, als men schrijven kan, (alle turksche ambtenaren schrijven op hun handpalm, al staat er ook een bureau voor hen) en die in een omzien kunnen worden opgerold, wanneer men voor eenige weken of maanden zijn tenten wil opslaan. Ook voor welgestelde lieden is dit kampeeren nog steeds een groot genoegen. In de tent heeft men geen stoelen of tafels noodig; men ligt er op zijn gemak van de buitenlucht te genieten. De armenische bedienden kunnen de gewoonte niet afleggen, de dekens der bedden los boven op de matras uit te spreiden, wat in een tent natuurlijk noodzakelijk is, daar zij onder de matras ingestopt, licht vochtig zouden worden. Uit allerlei bijzonderheden blijkt duidelijk, dat Turken en Armeniërs eertijds hetzelfde leven als de Kurden hebben geleid. Xenophon beschrijft in de _Anabasis_ armenische dorpen, die geheel overeenkomen met de tegenwoordige. Hij spreekt in zijn beschrijving van de woningen, uit een vertrek bestaande, half in den grond uitgegraven, waar menschen en dieren broederlijk samenleven, de eersten op een soort verhooging van den grond, terwijl zij hun bier en wijn bewaren in een opening in den vloer of den muur. Dit is alles tot op den huidigen dag zoo gebleven, behalve dat er geen bier en zelden wijn meer wordt gedronken, en de verhevenheid boven den grond niet altijd noodig wordt geacht; als de vloer van den stal hellend is, vergenoegt men zich, met het hoogste gedeelte te effenen, en daar houden dan soms dertig of veertig menschen, mannen, vrouwen en kinderen, verblijf. De reuk van het vee is als 't ware een levensbehoefte geworden. Vele lieden, die in de stad een afzonderlijke slaapkamer bezitten, slapen bij voorkeur den geheelen winter bij hun paard en koe in den stal, in een verpeste atmosfeer, want er is geen sprake van luchtverversching. Deze gewoonte volgen niet alleen de armenische bedienden, maar o.a. zelfs een turksche millionair, Maliemez genaamd. Daar de mohammedaansche vrouwen slechts door haar man of haar naaste bloedverwanten mogen worden aanschouwd, en in het ééne woonvertrek allicht onverwacht buren of bezoekers kunnen binnentreden, moeten zij voortdurend den sluier dragen, waarmede zij bij de nadering van een vreemdeling als instinctmatig haar neus en mond bedekken. Zóó moeten zij ook water putten en allerlei huiswerk verrichten, waarbij de lang afhangende slippen, die zij, zoo goed dat gaat, trachten weg te stoppen, haar zeer hinderlijk zijn. Ook de armenische vrouwen hebben de gewoonte, het gelaat te bedekken; de kurdische echter niet. Sedert de Italianen in de middeneeuwen tot in Perzië doordrongen, en op het voorbeeld der Byzantijnen overal sterkten bouwden langs de groote wegen, om hun karavanen te beschermen, hebben de Armeniërs veel overgenomen van de roumis, in die plaatsen waar zij met hen in aanraking zijn gekomen. Dikwijls hebben zij bijvoorbeeld in hun houten zoldering, in deuren en kasten bloemvormen gesneden, die blijk geven van veel begaafdheid en een oorspronkelijken goeden smaak. Het voornaamste hebben zij echter vergeten, nl., dat men een deur moet kunnen binnentreden zonder het hoofd te stooten. Overal, zelfs in de kerken, zijn de deuren veel te laag, waarschijnlijk ten gevolge van de koude en de heerschende onveiligheid. Al is het land vaal en kleurloos, al laten voorzorgen voor gemak en gezondheid zeer veel te wenschen over, en al gevoelt men hier zóó weinig behoefte, om zich het leven een weinig te veraangenamen, dat bij geen enkele woning een bloementuin wordt aangetroffen (de tuinen te Van, Kharpoet en Malatia liggen buiten de stad), toch leveren de turksche bazar en de schilderachtige typen, die men in de straten der steden ontmoet, een bont en eigenaardig schouwspel op. Van bovenaf gezien, zijn de steden hier niet anders dan verwarde huizenmassa's, die den vorm vertoonen van regelmatige kubussen naar den kant van Assyrië, iets meer afwisseling vertoonen in het midden, en nog wat moderner zijn aangelegd naar het Westen, maar toch altijd somber en eentonig blijven, tenzij een of andere oude sterkte er troont op een rots, of de vele minaretten, (in Erzeroem zijn er 200), het tooneel een weinig verlevendigen. Al is een wandeling door de stoffige straten vermoeiend en vervelend, door de eentonigheid der huizen, onze aandacht wordt toch geboeid door die winkels, waar geen europeesche waren worden verkocht. Uitstallingen van fruit, bakkerijen, winkels waar inheemsche stoffen zijn tentoongesteld, werkplaatsen van armenische handwerkslieden, schrijnwerkers en wagenmakers, winkeltjes van tabak, bastourma, spijkers en zeep, ze zijn allen gelijk, wat de inrichting betreft, alleen in de uitgestalde waren is verschil. Het uiterst kleine "magazijn" is niet anders dan een soort kraampje, van voren open, zelfs bij de felste koude. Een uur voor zonsondergang wordt de bovenhelft van het luik gesloten, dat als het opgezet is, de waren voor zon en regen beschut, terwijl de onderhelft in neergeslagen toestand de toonbank vormt, waarover men heenstappen moet, als men binnen wil komen. Maar dat doet niemand behalve de koopman zelf, die den geheelen dag op de hurken zit, 's winters in dekens gehuld en zijn handen warmend boven een test met vuur, terwijl hij traag zijn armen naar rechts of links uitstrekt, om weg te nemen wat de kooper verlangt. Dat kost hem niet veel moeite, want alles is binnen zijn bereik. Zijn vrienden en voorname bezoekers, aghas, effendis, beys, mogen op die toonbank plaats nemen, om een kop koffie of, meer naar den kant van Rusland, een glas thee te drinken en een praatje over koetjes en kalfjes te houden. De gesloten magazijnen, vooral de barbierswinkels, zijn eigenlijk cafés, waar men geregeld zijn borreltje gebruikt en den tijd met gesprekken zoekt te dooden. Geen wonder, bij gebrek aan schouwburgen, concerten, wandelplaatsen, en als gevolg van de totale onwetendheid waarin het geheele volk verkeert. Eindelijk komt men in den bazar, een aaneenschakeling van kleine winkels, zonder woonhuizen, waar het sterk naar leder ruikt en men bijna niet anders ziet dan verwarde hoopen schoeisel en zadels Hier en daar liggen balen wol en stapels jassen en broeken, en af en toe hoort men het geratel van een naaimachine. Verderop maken wolkammers en wapensmeden een oorverdoovend leven, door met stokken de wol te slaan, en op hun aanbeelden te hameren. De Armeniërs te Erzeroem en Erzindjan maken goede geweren, maar het gebruik ervan is hun ten strengste verboden. In den eigenlijken armenischen bazar ziet men niet anders dan goudsmeden, die hun kunst zeer goed verstaan. Weer een ander gedeelte vormt een nabootsing, in 't klein, van den beroemden bazar te Konstantinopel. Hier worden oostersche stoffen en sieraden verkocht. Op de zijden gordijnen en tapijten liggen geborduurde muiltjes met vergulde hakken, spiegels met fijn geciseleerde zilveren lijsten uit Kurdistan, perzische bronzen vazen met roode en zwarte bloemen, en al die kleine snuisterijen, die wij ook in de groote winkels onzer hoofdsteden zien uitgestald. Deze bazars vormen elk op zich zelf kleine wijken, en de ruimte tusschen de rijen winkels is met planken of een steenen gewelf overdekt. Des zomers is het daar dus koel, en des winters tamelijk beschut. De tentoongestelde waren lokken den reiziger niet bijzonder tot koopen uit. Echte oudheden zijn verbazend duur, en munten en dergelijke merkwaardigheden zijn hier natuurlijk altijd valsch. Oude manuscripten vindt men slechts in de verzamelingen van kenners, die ze niet willen afstaan, en de belangrijkste bevinden zich reeds in onze bibliotheken. Wat hier aan oudheden onder den grond ligt verborgen, mag niet aan het licht worden gebracht, zonder toestemming der regeering, die hiertoe hoogst zelden vergunning verleent. Alleen het gebergte van Van is nauwkeurig onderzocht. De heer Sayce heeft de daar gevonden inschriften ontcijferd; de heeren Belek en Lehmann hebben de gedenkschriften gered. Daarin wordt de geschiedenis beschreven der Khalds, die den Ourartou bewoonden vóór de Armeniërs, en wier koningen in de grotten van dit gebergte werden begraven. De bewoners van Azië zouden nooit hebben vernomen, wat hier in die bergen verborgen lag, zoo Engelschen en Duitschers het hun niet hadden medegedeeld. Geschiedenis, kunst en wetenschap, alles is hun volkomen onverschillig. Even vaal en kleurloos als hun uitwendige omgeving, is ook de geest dezer volken. Het Oosten vol licht en kleur, dat de dichters ons schilderen, is dat der vorsten en hun hofhoudingen, die leven in weelde en pracht, maar het volk is altoos even stiefmoederlijk bedeeld geweest als thans. In het drukke gewoel der straten kan de vreemdeling veel opmerken, en uit het voorkomen en de trekken der bewoners hun aard en karakter trachten af te leiden. Die volksaard is verschillend, juist zooals bij ons te lande, en hangt samen met het klimaat en de gesteldheid der streek, waar de bewoners geboren zijn. Het zoogenaamde rassenverschil treedt al zeer weinig op den voorgrond. Aan de perzische grens zijn de Armeniërs en de Kurden zóó vermengd, dat noch de reiziger, noch consuls of hier gevestigde zendelingen, noch zelfs de echte Armeniër uit een andere provincie hen van elkander kunnen onderscheiden, te meer, daar zelfs hun taal een mengeling van armenisch en kurdisch is geworden. En hetzelfde is tusschen Armeniërs en Turken het geval. In het Noorden heeft nog meer samensmelting plaats gehad, daar hier het grootste deel der bevolking tot den Islam is bekeerd. Grieken en Laziërs, Turken en Armeniërs, Georgiërs en armenische-Georgiërs (uit de dalen van Kiskim, Olti en Tortoem) zijn allen, doch ten onrechte, onder den naam van Georgiërs bekend. De bewoners van zonnige en vruchtbare streken zien er veel levendiger en vroolijker uit dan zij, die in de koude hoogvlakten verblijf houden. De groep kinderen, welke op onze afbeelding te voorschijn komen uit hun hutten, die wel op grafkelders gelijken, geven den indruk van de meest onbezorgde vroolijkheid, en zij kunnen dan ook in de omstreken van het meer Van naar hartelust genieten van vrije lucht en zonneschijn. Ook in het Zuiden, te Kharpoet en Malatia, hebben de menschen een opgewekt voorkomen, en zijn vroolijk en vriendelijk van aard, daar het gelukkige klimaat medewerkt om hun een onbezorgd bestaan te verschaffen. De kleederdracht is bij deze zeer gemengde bevolking overal ongeveer dezelfde, maar dan toch onderscheiden in twee hoofdgroepen, het europeesch costuum, altijd vergezeld van den rooden fez, dat gedragen wordt door alle ambtenaren, enkele rijke Turken, alle welgestelde Armeniërs en ook de armsten onder hen, zoodra zij handel drijven in europeesche koopwaren; en verder de nationale dracht, waaraan in de dorpen dikwijls een jas van europeeschen snit, en in de steden een gewoon paar laarzen wordt toegevoegd. Die kleederdracht stamt af van de oude Assyriërs, en is door de Armeniërs op de Turken overgebracht. Men kan de verschillende overgangen nog volgen. Hoe zuidelijker men komt, des te wijder zijn de pijpen van het kleedingstuk, dat oorspronkelijk een rok is geweest, waarvan de opening in 't midden werd dichtgenaaid, om twee gaten voor de voeten vrij te laten. Langzamerhand vond men het gemakkelijker, die wijde omhulling te vernauwen, en zoo ontstond de _chalvar_, die het meest wordt gedragen, tot eindelijk de Georgiërs hun beenbekleeding tot een snit hebben teruggebracht, die overeenkomst vertoont met de onze. Aan den wijden gordel blijven echter allen getrouw. Het wijde, lange overkleed blijft altoos het onderscheidingsteeken der priesters en godsdienstleeraars, zoowel bij Christenen als Mohammedanen. Het vertegenwoordigt in 't algemeen ouderwetsche denkbeelden, en gehechtheid aan traditie, en vandaar dat deftige Turken dan ook over hun gewone kleeding gaarne zulk een wijd gewaad dragen, des winters met bont omzet. Bij die gewone dracht spelen twee kleedingstukken een voorname rol, welke alleen in kleine détails afwijkingen vertoonen. Vooreerst een geweldig lange en breede gordel, de _silalek_ of _kouchatt_. Rijke lieden dragen deze ceintuur van guesi (gestreepte zijde); de _seids_ (afstammelingen van den Profeet, die ongeloofelijk talrijk zijn) van groen laken, en de armere volksklasse van bonte wollen stof, of rood en geel gestreept katoen. Men zou nog liever zonder hemd loopen, dan zich ontdoen van dit kleedingstuk, dat dik opgerold is, en daardoor niet veel warmte geeft, maar dan ook uitsluitend als zak dienst doet. Alle kleine voorwerpen voor dagelijksch gebruik worden hierin bewaard, het korte mes of de lange dolk, die _khama_ heet, de tabaksdoos, een geweldige groote sleutel, die zeer slecht sluit, de beurs voor de kourouchs (piasters) de bronzen _pards_ en de medidjés (ongeveer 4.05 frcs); maar nooit een zakdoek. Hoewel Xerxes reeds het gebruik van dit nuttig voorwerp heeft voorgeschreven, is het nog niet algemeen ingevoerd; deftige heeren in nette overjassen snuiten nog steeds, wanneer zij zich onopgemerkt wanen, hun neus met hun vingers, en het volk weet niet beter of het behoort zoo. Om in dien gordel alles te kunnen bewaren, waarvoor hij dienen moet, wordt hij van binnen voorzien van stevige leeren zakken, en zoo ziet men dikwijls iemand, die den indruk geeft van een reizenden marskramer, terwijl hij eenvoudig den inhoud van zijn zak, pistolen, spiegeltjes, doozen en aan kettinkjes bengelende voorwerpen, om zijn middel draagt. Het tweede voorname kleedingstuk is de tulband, alleen vervangen door de roode fez bij hen, die de europeesche kleederdracht hebben aangenomen. De Kurden noemen hem met een perzisch woord turbôn. Bij de Turken heet hij, naar de stof, waaruit hij is vervaardigd, _gobinn_, _iasma_ of _sarek_. Het is eenvoudig een lap stof, die om den fez gerold wordt; bij de Georgiërs van laken, op een fantastische wijze, met groote slippen, geknoopt. De Kurden dragen dikwijls niet anders dan een hoog hoofddeksel van wit vilt, (afkomstig van de medische tiara) soms koepelvormig, soms puntig als een clownshoed en cullah genaamd. Ook de overige kleederdracht der Kurden is zeer merkwaardig en staat in nauw verband met hun herdersleven. Hun broeken zijn vervaardigd van een dikke, zware, gestreepte wollen stof, in den trant van hun kilims, en zóó wijd, dat zij er uitzien als rokken. Hun kort buis van geitenhaar bedekt alleen rug en schouders, en schijnt enkel te dienen om de levendige kleuren van het vest en de versierselen van den gordel beter te doen uitkomen. Alleen de Circassiërs, met hun langen overjas, die op de borst prijkt met een dubbele rij waaiervormig geplaatste patroonkokertjes en om het midden wordt saamgehouden door een smallen zilveren gordel, waaraan de lange degen hangt, zijn uitgedost op een wijze, die volstrekt niet aan de aziatische kleederdracht herinnert. Zij komen trouwens uit den Kaukasus; al wonen zij in groote getale in het vilayet Sivas, ze behooren in het eigenlijke Armenië niet thuis. Het schouwspel, dat de straten opleveren, waar deze bonte menigte zich verdringt, is zeer merkwaardig, en in menig opzicht leerrijk. Twee eigenaardigheden springen ons aanstonds in het oog; ten eerste de trage onverschilligheid der bewoners, en ten tweede de algemeen heerschende wanorde. Ook in dit opzicht bestaat tusschen Armeniërs, Turken en Kurden geen opvallend verschil. De eersten zijn misschien iets levendiger van aard, maar vertoonen toch in 't minst niet die bewegelijke activiteit, waardoor de bewoners onzer steden zich onderscheiden, en waardoor in onze straten zulk een opgewekte bedrijvigheid heerscht. De Turken wandelen deftig en zwaarwichtig rond, steeds doordrongen van het besef hunner meerderheid, doch zij zouden er niet aan denken, de Christenen iets in den weg te leggen. De _hammals_ (vrachtdragers) de metselaars en grondwerkers, over 't geheel allen, die een handwerk uitoefenen, waarbij lichaamskracht wordt vereischt, zijn Turken. Tusschen die twee voornaamste elementen der bevolking bewegen zich de Kurden, die tegelijkertijd hoovaardig en dom, woest en listig zijn, met hun breede schouders en hun zonderlinge hoofddeksels. Zij doen niet veel anders, dan schapen verkoopen, en Turken en Armeniërs bestelen, waar ze maar kunnen. Niet zonder reden heeft de regeering hun wapenen in handen gegeven, en uit hen de keurbende der hamidiés gevormd. Als men haast heeft, is het hier bijna ondoenlijk, zich door de drukste straten voort te bewegen. Te voet gaande, moet men maar dapper zijn ellebogen gebruiken; want anders wordt men elk oogenblik zonder verontschuldigingen op zij geduwd. Rijdt men op een vélocipède, dan moet men dikwijls afstappen; want de menschen gaan niet uit den weg, en zien dat "duivelsvoertuig" (chaïtân arabassu) met allesbehalve welwillende blikken aan. Te paard of in een rijtuig gezeten, is het zaak, zeer voorzichtig te zijn, om ongelukken te vermijden; want de meeste menschen loopen met neergeslagen oogen en luisteren niet naar het waarschuwend geroep: "Habarda! daïmassin!" Ze krijgen dan ook dikwijls een ribbestoot, eer zij uit den weg gaan. In de steden van het Noorden en het Westen, waar het verkeer vrij druk is, brengen de opeenhoopingen der arabas de koetsiers der andere voertuigen tot wanhoop; want die karretjes rijden akelig langzaam, en op de bewegingen der ossen kan men volstrekt geen staat maken. Alles rijdt maar kalm over de zoogenaamde trottoirs; ossen, paarden, arabas, victoria's, muilezels en beladen kameelen gedragen zich, alsof er geen afzonderlijke rijweg bestaat. Dat verhoogde pad voor de voetgangers is ook nog maar sedert kort in de hoofdstraten aangebracht, en feitelijk niet hoog genoeg, om van de straat te zijn afgescheiden. Niemand weet, dat zooiets als een regel om naar rechts uit te wijken bestaat. In Turkije staan alle verordeningen op papier; maar geen mensch, die er ooit van gehoord heeft, en er wordt niet gezorgd voor personeel, dat eenmaal vastgestelde regels zou moeten handhaven. De vali van Erzeroem wordt zeer geprezen, omdat hij een soort van gemeentelijken reinigingsdienst heeft ingesteld; zoodat in de voornaamste wijken althans het vuil wordt weggehaald, en de bewoners worden beboet, als zij vuilnis werpen op plaatsen, waar het niet behoort. Maar met dat al loopt iedere voorbijganger gevaar, allerlei besmetting op te doen, krijgt emmers vuil water over het lijf, die vrouwen en kinderen op goed geluk leegsmijten, en weet zich niet te bergen voor den ondragelijken stank, die hem overal tegemoet komt. De zelfde vali heeft ook in de lagere stadsgedeelten met gunstig gevolg riolen laten aanleggen. Doch dergelijke verbeteringen hadden niet alleen reeds veel eerder moeten zijn aangebracht; maar zouden ook ijveriger en krachtiger moeten worden doorgezet, zoo zij ooit de vele besmettelijke ziekten zouden doen verdwijnen, waardoor het Oosten wordt geteisterd. En het staat te bezien, of de opvolgers van Nazim Bey zijn goed voorbeeld zullen volgen. De reden, waarom het turksche rijk niet als een beschaafde staat kan worden beschouwd, is gelegen in het overal heerschende gebrek aan orde en aan volharding. Al wat men begint, wordt na eenigen tijd weer aan zijn lot overgelaten. Er zijn niet genoeg flinke en doortastende lieden, die weten voort te zetten, wat anderen hebben begonnen. Wie het geld, dat voor openbare doeleinden is bestemd, werkelijk aan dat doel doet beantwoorden, wordt weldra weder vervangen door een ambtenaar, die het in zijn eigen zak of in de schatkist van den sultan doet verdwijnen. Men is daarbij niet in staat, een goed geordend plan te ontwerpen en het met gemeenschappelijke krachten te verwezenlijken. Altoos wordt er gestreden om het gezag, en het is een voortdurend geharrewar tusschen de enkele lieden, die eerlijk zijn, en de groote massa, die het niet is. Verkeerd begrip, domheid en ernstige misdrijven, het gevolg van onwetendheid, fanatisme en hebzucht, zijn aan de orde van den dag. Rechtvaardigheid is daarbij ver te zoeken; want het recht is gedeeltelijk gegrond op den Code Napoléon, en gedeeltelijk op de mohammedaansche wet, zoodat niemand ooit weet, tot welke rechtbank hij zich in een bijzonder geval heeft te wenden. Reeds bij een oppervlakkige beschouwing van het openbaar verkeer dringt zich de overtuiging aan ons op, dat die algemeene ongeregeldheid, onverschilligheid en ordeloosheid de hoofdfouten zijn van elken Oosterling. Onze vooruitgang berust op geregelde verdeeling van den arbeid. Hier doet ieder, wat toevallig voor de hand ligt, en in den regel alles half, zoodat zelden iets op tijd en nooit iets goed verricht wordt. Zij, die eenigszins onze europeesche zeden en gebruiken hebben overgenomen, begrijpen natuurlijk het best het nadeel, dat dit gebrek aan overleg hun berokkent en beijveren zich dan ook, om althans bepaalde zaken voor bepaalde doeleinden te gebruiken, en bepaalde personen hun vast werk te laten verrichten. Ook hierin geven de Armeniërs het voorbeeld. De Mohammedanen echter, de lagere volksklasse, en meer nog de Kurden, Kezilbachen (voormalige Christenen, die weder tot het heidendom zijn teruggekeerd), Yezids (die naar men beweert, den duivel aanbidden) en andere zonderlinge secten, leven in een toestand van volkomen bandeloosheid, en alsof zij zich ver van de beschaafde wereld bevonden. Zij zitten dwars over het trottoir, met de voeten in de goot, en denken er niet aan, voor u uit den weg te gaan; werpen overal vuilnis, schromen niet, voor ieders oog bij de fontein hun toilet te maken, klimmen over de vervallen muren boven op de daken der huizen en begraven hun dooden aan den rand der kerkhoven, waar de honden ze weldra verscheuren. De kerkhoven worden trouwens door Armeniërs en Turken bijna als een soort uitspanningsplaatsen beschouwd, zij zitten daar op de graven te eten en te drinken, dansen er zelfs en vermaken zich, zonder dat daaraan in het minst aanstoot wordt genomen. De steden van het Oosten zouden bijna niet de moeite loonen van den verren tocht, die men moet ondernemen, om ze te zien, zoo men er althans niet enkele merkwaardige gebouwen aantrof. Jammer genoeg, zijn reeds vele oude monumenten verdwenen, en het weinige, dat nog is overgebleven, wordt met geheele of gedeeltelijke vernieling bedreigd, want niemand denkt eraan, dergelijke herinneringen aan het verleden in eere te houden. Het is zonderling, dat zoo weinig bekend is omtrent de verschillende bouwstijlen, die op de armenische hoogvlakte worden aangetroffen. Het zou de moeite waard zijn, de voorbeelden daarvan te bestudeeren, en in beeld te brengen, eer zij voorgoed zullen zijn verdwenen. En het is zeer belangrijk voor de kennis der geschiedenis, om de invloeden na te gaan, die het eigenaardig karakter dezer verschillende kunstuitingen hebben bepaald. De oudste dier invloeden zijn van assyrischen oorsprong. Zij doen zich vooral gevoelen in de vestingwerken van Kurdistan. Wanneer men de zware, vierkante massa's metselwerk van het fort te Bitlis aanschouwt, die schuin oploopende zijvlakken, die met koepels gekroonde bastions, dan begrijpt men dat de beys, die in de achttiende eeuw deze vesting hebben herbouwd, aan overleveringen zijn getrouw gebleven, die van uit de alleroudste tijden tot hen waren gekomen, en waarvan ook de huizen te Sert de duidelijke sporen dragen. Trouwens overal in deze streken treft men bouwvormen aan, waarvan de oorsprong dikwijls in het duister ligt, maar die op verrassende wijze den zelfden indruk wekken, dien de overblijfselen der assyrische en chaldeeuwsche bouwkunst bij ons te weeg brengen; men zou bijna geneigd zijn, ze te vergelijken met de basreliefs die in onze musea worden bewaard. Daarop volgde de byzantijnsche kunst, die niet alleen de voorbode was der syrische, welke de heer Melchior de Voguë ons heeft leeren kennen, maar ook die der armenische, welke een nadere beschouwing overwaard is. Een belangwekkend armenisch boek, geschreven door een priester, den eerwaarden pater Alichan, behandelt de voornaamste bouwwerken van het land en geeft bijvoorbeeld een beschrijving van de kathedraal van Ani, de oude hoofdstad van het koninkrijk, die thans geheel verlaten is, dicht bij Etchmiadzine, in russisch Trans-kaukasië. Deze kathedraal moet een grootsche schepping zijn geweest, waarin de Armeniërs den byzantijnschen stijl op hun eigenaardige wijze hebben toegepast. Zij hebben zich van hun meesters en voorgangers verwijderd, om hen in zekeren zin te overtreffen. Een van hun alleroudste bouwwerken, dat herhaaldelijk is vernieuwd, en waaraan nog tot in de vorige eeuw steeds meerdere gedeelten zijn toegevoegd, is de kathedraal van Etchmiadzine, waar hun katholikos zetelt. Hier is het eigenaardig karakter van den stijl tot het uiterste doorgevoerd; overal verheffen zich de byzantijnsche koepels, die echter spitser toeloopen dan bij andere byzantijnsche gebouwen. De hoofdkoepel is zeer schoon en voldoet aan zijn natuurlijke bestemming, die van door groote vensteropeningen het inwendige van den bouw te verlichten. De anderen echter, die, even als het voorportaal, uit de achttiende eeuw dagteekenen, zijn overbodig, en zonder eenig verband met het groote geheel daaraan toegevoegd. Men treedt de kerk binnen door een klein portaal, dat met prachtige "arabesken" is versierd, die echter met arabische ornamenten niets gemeen hebben. Zij vertoonen zeer eenvoudige geometrische lijnen, doorweven met fantastische plantvormen. Hierin munten de Armeniërs vooral uit. De kerk van Etchmiadzine wordt slechts verlicht door den middenkoepel en een paar kleine zij vensters. Ook dit is een eigenaardigheid van den hier heerschenden stijl, die het licht schijnt te schuwen en aan een geheimzinnig halfduister de voorkeur geeft. Hetzelfde ziet men in de kerken der talrijke kloosters, in de omstreken van het meer Van, die nog donkerder zijn; daar hier zelfs in de koepels bijna geen vensteropeningen zijn aangebracht. Zij liggen gewoonlijk te midden van zeer liefelijke of grootsche natuurtooneelen, maar hun kerken maken alleen van buitenaf gezien een aangenamen indruk. Terwijl zij zich steeds meer verwijderden van hun byzantijnsche voorbeelden, gaven de armenische bouwmeesters hun denkbeelden vorm op een wijze, die pleit voor hun oorspronkelijke en artistieke begaafdheid. Zij zochten voor alles de verbazende dikte der muren te verminderen, zonder daarbij aan hun draagkracht te kort te doen, en hebben daarom die gedeelten uitgehold, waarop geen drukking door het gewelf werd uitgeoefend. De romaansche stijl streefde ook in deze richting; maar bereikte haar doel op een andere wijze, door namelijk die punten, waar de meeste draagkracht werd vereischt, door contreforten te versterken, terwijl in de wanden der armenische gebouwen aan de buitenzijde groote nissen zijn aangebracht, die van den grond tot aan het dak reiken. Op het eerste gezicht komt ons dit vreemd voor; daar wij gewend zijn, elke nis met beelden gevuld te zien. Toch is de grondgedachte volkomen logisch, en het effect, waar zij in toepassing wordt gebracht, levendig en fraai. Men moet echter erkennen, dat onze bouwmeesters de zaak nog eenvoudiger wisten op te lossen, door in deze missen openingen aan te brengen en de hierdoor gevormde vensteropeningen aan te vullen met beschilderd glas. De Armeniërs, die het licht wilden weren, hebben op hun eigen wijze verkregen, wat zij wenschten, besparing van materiaal met behoud van uitwendige sierlijkheid. Verder hebben zij het eerst den puntboogvorm toegepast, die niet alleen, zooals Viollet le Duc opmerkt, eigenaardig is door den vorm der bogen, maar ook door het stelsel van evenwicht, waarbij elke steen een bepaalde taak heeft te vervullen. Wie nog twijfelt, of deze stijl van oosterschen oorsprong is, behoeft slechts de kathedraal van Ani en de kerk van Marmachen te bezoeken. De laatste, die ongemeen fraai van verhoudingen is, werd gebouwd in de tiende eeuw, en kan als een sprekend voorbeeld gelden van den allervroegsten puntbogenstijl. Nog merkwaardiger kloosters dan die van het meer Van vindt men in Tortoem. Gewoonlijk zijn echter slechts kleine gedeelten hiervan bewaard, zooals enkele kapellen en kruisgangen, die sterk aan de onze herinneren. Zij vertoonen de kenmerken van den armenisch-georgischen stijl, waarvan de kerk en kapel te Ekeg een goed voorbeeld opleveren. Het pronkjuweel van de armenische architectuur is wel de kerk van Aktaman, een eiland in het meer Van. Deze is in- en uitwendig rijk versierd met prachtige arabesken, waarin, behalve plantvormen, ook menschen en dieren als versieringsmotieven zijn gebezigd. Ook de perzische kunst heeft op de armenische eenigen invloed uitgeoefend. De kerk van Euchkvank te Tortoem levert daarvan het sprekend bewijs. Zij is overigens oorspronkelijk armenisch door haar byzantijnschen kruisvorm, de hooge nissen, die het portaal insluiten, en door de symboliek harer versiering. Maar het geheel wordt hier bekroond door een perzischen koepel, zooals nergens in Armenië een wordt aangetroffen en die bevallig oprijst tusschen dicht groen tegen den donkeren achtergrond der rotsen. Ook in enkele andere bouwwerken ziet men duidelijk sporen van perzischen invloed. Uit de bouwvallen van het paleis der koningen te Ani blijkt, dat dit in perzischen stijl was versierd. Ook de Turksche bouwwerken hebben dien invloed ondergaan. Hun stijl is minder oorspronkelijk en zwaarder dan die der Armeniërs, en hun doel is dan ook meer, den beschouwer door uiterlijke praal te verbluffen, dan den natuurlijken ontwikkelingsgang te volgen van een logisch systeem. Kunst is voor hen slechts een middel om rijkdom en macht ten toon te spreiden. Alleen in het Westen en het midden van het land hebben de Turken in dit opzicht hun invloed doen gelden. De Tchifaïe medressé te Sivas vertoont een zeer smaakvolle versiering, in zuiver perzischen stijl. (Een medressé is een theologische school. In den regel worden de leerlingen echter gehuisvest in armoedige woningen of de bouwvallen van voormalige paleizen). Jammer, dat ook hier, evenals in Perzië zelf, deze kunstwerken aan het verval worden prijsgegeven en de prachtige wandbekleeding op vele plaatsen geschonden of verdwenen is. Wat de Turken zelf hebben ontworpen, maakt somtijds een grootschen indruk, maar de schijn komt niet overeen met de werkelijkheid. Te Sivas en Erzeroem vertoonen hun gebouwen indrukwekkende voorgevels, die dan ook in stand zijn gebleven, omdat zij stevig gebouwd waren; doch het meer naar binnen gelegen gedeelte, dat evenals bij de arabische gebouwen bestaat uit een binnenplein, waaromheen een bogengalerij en cellen of zuilengangen zijn gegroepeerd, is reeds weder vervallen, daar het niet bestemd was voor de blikken der bewonderende menigte. Deze voorgevels heeten tchifté minarets, (dubbele minaretten) daar zij bestaan uit een groote poort, waarvan de beide zijpilaren door hooge minaretten worden bekroond. De meesten hebben door den tand des tijds geleden, of zijn door aardbevingen verwoest; maar te Sivas zijn nog enkele ongeschonden bewaard gebleven, met hun rondloopende galerij, waar de mufti het gebed placht uit te spreken. Zij behoorden aan de Gög medressé. Die twee op zich zelf staande torens, die zich overal herhalen, geven geen hoog denkbeeld van de vindingrijkheid der turksche bouwmeesters. Zij zijn niet verbonden met het overige gedeelte van het gebouw, en de ledige ruimte tusschen die twee vertikale lijnen wordt niet aangevuld door eenige bekroning, die de horizontale poortafsluiting versiert. Bovendien is de versiering van het portaal zelf onbegrijpelijk plomp en zwaar. De armenische werklieden, die haar moeten hebben uitgevoerd, schijnen hun motieven ditmaal rechtstreeks aan de assyrische voorbeelden te hebben ontleend. Te Divrigni bij Sivas althans is die barbaarsche overlading zeer opvallend. Te Erzeroem wordt zij afgewisseld door versieringen, die blijkbaar naar arabische voorbeelden zijn gecopieerd, evenals hier ook het arabische stalactietengewelf wordt aangetroffen, dat men in alle moskeeën der stad vindt. De alleroudste van deze, Oulou Djamie, is wonderlijk laag en gedrukt en draagt op zes en dertig zware pijlers puntbogen, die dagteekenen uit de elfde eeuw. Wie hier komt om van echte kunstwerken te genieten, zal meer behagen vinden in de monumenten van arabischen oorsprong, al zijn deze ook meestal van geringen omvang. Het zijn allen grafteekens, van een zelfden vorm. Ze heeten thans tekké (kapel waar een mohammedaansche heilige woont) of cummbett (begraafplaats). In het midden en het oosten worden zij het meest aangetroffen. Ze zijn cylindervormig, rusten op een lage basis en worden bekroond door een kegelvormig dak. Dit eenvoudig grondplan biedt ruimschoots gelegenheid voor het aanbrengen van dikwijls zeer afwisselende en rijke versiering. Op het kerkhof van Akhlat, op den noordelijken oever van het meer Van, ziet men zulk een grafteeken, dat ongetwijfeld door een Armeniër voor Arabieren werd ontworpen; want het vertoont de groote nissen, die het kenmerk zijn van den armenischen stijl, en de zeer eenvoudige banden, zonder arabesken, die het versieren, verdeelen de muurvakken op een wijze, die de schoonheid van het geheel verhoogt. De Imaret Cummbett te Erzeroem, vlak bij de Tchifté minarets, is grootscher van bouw en zuiver arabisch van opvatting. De zijden zijn omgeven door slanke puntbogen, die door bundels fijne zuiltjes worden gesteund; de top van den ronden muur wordt bekroond door een fries met dubbelen arabeskenrand, die zeer fraai bewerkt is, en in de basis zijn kleine boogvormige poorten aangebracht met stalactietversiering. Als geheel is het een bijzonder schoon gedenkteeken. In de stad Erzeroem treft men wel twintig van die grafmonumenten aan, welke, met hun door roest en vochtigheid verweerd voorkomen, een schilderachtigen indruk maken tusschen die opeenhooping van ellendige krotten, die ze omgeven, of op de jammerlijk verwaarloosde mohammedaansche kerkhoven, waar de grafsteenen, 't zij ze versierd zijn met den gebruikelijken fez of eenvoudig van de straat zijn opgeraapt, naar alle richtingen overhellen en waarvoor de levenden hoegenaamd geen zorg dragen. De nieuwere turksche moskeeën zijn echter niet in arabischen stijl ontworpen; maar ontleenen hun versiering aan perzische en grieksche voorbeelden. Van de 16de tot de 18de eeuw hebben de Osmanlis den byzantijnschen grondvorm met perzische motieven willen doen samengaan. Zij gaan uit van het grondplan der Sofia-kerk, het grieksche kruis met den grooten koepel in het midden, waaraan zij thans door een geoxydeerd ijzeren beslag een fraaien staalblauwen glans weten te geven, en voegen daarbij aan den voorgevel de groote zuilenrijen van Ispahan toe, waarbij ze elk kruispunt der bogen bekronen door een kleinen koepelvorm. Somtijds omringt een krans van koepeltjes het geheele dak, en ook de galerijen rondom den binnenhof, die zelf door een groot koepeldak wordt overwelfd. In tegenstelling echter met den zuiveren halven bol, dien de koepel van Santa Sofia vormt, zijn deze turksche koepels aan den rand eenigszins omhoog gebogen, alsof de ontwerpers vage herinneringen hadden bewaard aan de chineesche dakbedekking. Behalve deze groote monumenten is er weinig, dat ons van de eigenaardige kenmerken en de ontwikkeling der verschillende in Armenië wonende volken een denkbeeld kan geven. De heer Maspero geeft in zijne "Geschiedenis der volkeren van het klassieke Oosten" een interessant beeld van de paleizen der Khalden, die vóór de Armeniërs den Ourartou hebben bewoond. Hij vertoont ons daarin ook afbeeldingen van voorwerpen, bij dit volk in gebruik, onder anderen een schild, dat sporen draagt van helleenschen invloed. Behalve het weinige, dat tot nog toe werd gevonden, maar dat waarschijnlijk met belangrijke ontdekkingen zou worden vermeerderd, als men den grond in de omstreken van den Ararat doorzocht, is ons zoo goed als niets gebleven, dat licht verspreidt over den beschavingstoestand der oudste bewoners, die veel moeten hebben ontleend aan de Assyriërs en eveneens aan de Grieken, wier invloed zich door het geheele schiereiland deed gevoelen. Alleen de Armeniërs hebben eenige sporen van eene artistieke ontwikkeling achter gelaten. Maar het is moeilijk te bepalen, uit welke periode deze dagteekenen; of zij behooren tot een tijdperk vóór of na de verovering van Armenië door de Seldjouciden in de elfde eeuw. Deze vraag zou slechts kunnen worden opgelost door de ontcijfering der inschriften, die toch reeds weinig talrijk zijn. In tegenstelling toch met de Turken, die de sierlijke letters van hun alfabet gebruikten om er een loopend ornament voor hun friezen en frontons van te vormen, hebben de Armeniërs hun eenvoudiger letterteekens, die aan de grieksche herinneren, niet als versiering laten dienen. Men vindt ze dan ook nergens op de talrijke grafsteenen, die op graven van heiligen zijn geplaatst. 't Zij deze oud of betrekkelijk nieuw zijn, dat wil zeggen, uit het begin of het eind der middeneeuwen dagteekenen, men kan ternauwernood gissen of zij afkomstig zijn uit de zevende of uit de veertiende eeuw; want de stijl is overal dezelfde en alleen in de uitvoering der bijzonderheden is eenig verschil op te merken. Overal een kruis in het midden, waar omheen ineengeslingerde banden loopen, die rijk met plantvormen zijn versierd. Het kruis van Sint Sergius te Ghetsgonitz levert hiervan een fraai voorbeeld. Tegen een steenen muur geplaatst, maakt het deel uit van een groep van vijf kapellen of graven, die tusschen rotsachtige hoogten zijn gelegen. Deze kapellen behooren tot de belangrijkste gedenkteekenen der armenische bouwkunst. Sommige schijnen nabootsingen in het klein van de groote kerken; anderen zijn cirkelvormig, en doen aan de arabische cummbetts denken, waarvoor mogelijk deze armenische grafteekenen het oorspronkelijke model hebben geleverd. Ook geïllustreerde manuscripten zijn behouden gebleven, waarvan de schoonste in onze Westersche bibliotheken worden bewaard. Wat men nog in het land zelf vindt van dien aard, vertoont alleen versierde hoofdletters en randen van bloemvormen. De boekbanden, van geciseleerd zilver, die tooneelen uit het evangelie voorstellen, zijn zeer merkwaardig. In het dorp Ghan bij Erzeroem, wordt zulk een boek bewaard, dat meer nog om den stijl, dan om de bewerking, ten zeerste de aandacht verdient. Men zou het voor een byzantijnsch of fransch werk uit de twaalfde eeuw houden, zoo gelijkvormig waren toenmaals de uiterlijke teekenen, waarvan zich de christelijke wereld bediende om haar denkbeelden uit te drukken. Voorts zijn er nog de overblijfselen van gebouwen, opgericht door de groote sultans, vooral Moerad; maar deze zijn thans te zeer vervallen, om eenig denkbeeld te kunnen geven van hun oorspronkelijken toestand. De eenige, die niet letterlijk tot puinhoopen zijn geworden, zijn die groote khans, waarvan wij reeds eerder melding maakten, paleizen, die door de vorsten langs de groote wegen werden opgericht, om hun als tijdelijke verblijfplaatsen te dienen. Enkele daarvan geven thans nog den indruk van oude romaansche kathedralen, met hun zware pilaren en sombere gewelven. In 't bijzonder mogen hier genoemd worden: de Soltân Moerad Khan, op den weg van Tokat, de Achim Khan, tusschen Sivas en Malatia, en de Kemur Khan, tusschen Malatia en Kharpoet. Deze Khans zijn langs de westelijke grens van Armenië geplaatst, op den weg naar Mossoel. Ook de bruggen over den Euphraat dagteekenen uit den tijd van Sultan Moerad of Amurat, dus de zestiende eeuw. Hun zware bogen hebben dikwijls het geweld van overstroomingen weerstaan, zooals bijv. te Kara-Arz, ten Westen van Erzeroem. Doch beide deze khans en de bruggen zijn eer werken van burgerlijke dan van schoone bouwkunst te noemen. Merkwaardig voor den voorbijtrekkenden reiziger zijn ook de vele sterkten, die Italianen en Grieken hebben gebouwd in de verschillende bewoonde plaatsen, waarlangs hun handelsweg voerde. De omtrek dier gekanteelde muren met hun ronde bastions herinnert onweerstaanbaar aan het voorkomen van fransche burchten uit de middeneeuwen. Zij leveren een schilderachtig schouwspel op. Meestal zijn zij van binnen geheel tot puinhoopen geworden, daar zij sedert de invoering der kanonnen niet meer onderhouden zijn. Toch verhoogen zij, zooals bijv. te Baïbourt, zeer de schoonheid der omgeving, en te Diarbekir zijn deze vestingmuren zoo goed als ongeschonden gebleven. Uit een archeologisch oogpunt is het te betreuren, dat de regeering er over denkt die hooge wallen te slechten, hoewel het waar is, dat deze thans in geen enkel opzicht meer van nut kunnen zijn. Uit al het bovenstaande blijkt, dat onder de verschillende elementen der bevolking van Armenië (om niet te spreken van Grieken en Arabieren en Perzen, die het land nooit hebben gekoloniseerd en er slechts gedeeltelijk hun invloed doen gelden) de Armeniërs, zoowel in handelszaken als op kunstgebied het meest begaafd zijn. Zij gaven daarvan blijk door het groote aantal hunner bouwwerken, dat de mohammedaansche paleizen en moskeeën verre overtreft, en het verdient opgemerkt te worden, dat zij, gedurende twee of drie eeuwen onder turksche heerschappij, voortgegaan zijn hun kerken te bouwen volgens hun eigen artistieke opvatting. Zij deden verkeerd, zich terug te trekken. Als zij, inplaats van hun hoofdstad Ani, en vele andere steden, te verlaten, in hun vaderland gebleven waren, zouden zij het niet slechter hebben gehad dan hun landgenooten, die het tegendeel hebben gedaan, en die thans grooter voorspoed genieten dan hun overwinnaars. Zij zouden dan zeer waarschijnlijk de Porte naar hun hand hebben kunnen zetten, en alles hebben verkregen wat zij verlangden, behalve dan hun onafhankelijkheid. Door hun wijze van optreden hebben zij opnieuw de zwakheid van hun karakter getoond, zooals dit reeds voor de overwinning der Turken in hun inwendige verdeeldheden was aan het licht gekomen. Het is zeer te bejammeren dat de Turken, toen nog in een toestand van barbaarschheid verkeerend, een volk in hun hooge vlucht hebben gestuit, dat in de elfde eeuw tot even groote, ja grooter ontwikkeling scheen geroepen dan vele andere volken. Men kan gerust beweren, dat de Armeniërs niet alleen de kracht en den rijkdom hunner geestesgaven hebben aan den dag gelegd in vele treffende uitingen, maar dat zij minstens even vindingrijk waren als onze kunstenaars, en veel beschaafder dan de Turken ooit geweest zijn. Wat deze laatsten betreft, hun minderwaardigheid springt maar al te zeer in het oog. Toch moet bij een vergelijking met ons, Westersche volken, op twee feiten worden gewezen. Wel is waar zijn het de Armeniërs, die het eerst den puntbogenstijl stelselmatig hebben doorgevoerd, in de tiende eeuw, toen ons romaansch daarvan nog slechts de voorbode was. Doch daar tegenover staat, dat onze beeldhouwwerken, onze versieringskunst van die dagen, blijk gaven van een opmerkingsgave, een liefde voor de natuur en een innig doordringen in al hare uitingen, zooals de Armeniërs en alle Oostersche volken, de Perzen uitgezonderd, nimmer hebben gekend. En ditzelfde onderscheid zien wij ook op het gebied van andere geestesuitingen. Terwijl onze godgeleerden, onze wijsgeeren en schrijvers geen rust konden vinden, eer zij hadden ontdekt, wat hun waarheid scheen, tot zij die waarheid zochten in de natuur, en niet in een abstract ideaal, hebben de Armeniërs zich reeds vroeg neergelegd bij een dogmatisch geloof, waarbij hun geest moest insluimeren, en zich nimmer gedrongen gevoeld, verder voorwaarts te streven. Vandaar, dat zij thans geen groote mannen bezitten, en in zoo menig opzicht bij hun Westersche naburen moeten achterstaan. Zooals wij reeds hebben opgemerkt, zijn de verschillende volken, die in dit land zoovele eeuwen naast elkander hebben geleefd, sterk vermengd; maar toch is nog steeds hun onderscheiden karakter in bepaalde individuen te herkennen, en deze moet men nauwkeurig bestudeeren, indien men zich van de zedelijke eigenschappen dezer verschillende menschen-typen rekenschap wenscht te geven. Al mogen de physieke eigenaardigheden langzaam aan verdwijnen, met de zedelijke en geestelijke is dit veel minder het geval, en het is een feit, dat deze karakteristieke eigenschappen het sprekendst bewaard zijn gebleven bij hen, die ook naar het uiterlijk het zuiverste type van hun volk vertegenwoordigen. Want zij, die alle uiterlijke kenteekenen van hun bijzondere afkomst missen, en zich zoo zeer met lieden van anderen oorsprong hebben vereenzelvigd, dat men ze slechts door hun godsdienst en hun taal kan onderscheiden, zijn juist degenen, die het minst gehecht zijn gebleven aan oude overleveringen en gebruiken. Met andere woorden, wie een echte zoon van zijn volk is naar het uiterlijk, zal dit in den regel ook blijken te zijn naar den geest, zich het meest vijandig gezind toonen jegens andersdenkenden, en het sterkst zich aankanten tegen allen vooruitgang, die verandering brengt. De opvoeding speelt ontegenzeggelijk, wat haar lichamelijke en zedelijke gevolgen betreft, in dit opzicht een gewichtige rol. Toch ziet men reeds terstond bij de beschouwing van een groepje armenische en turksche jonge meisjes, die bijna nog kinderen zijn, dat zij niet tot hetzelfde ras behooren. De eerste, met haar scherp geteekende, goed besneden gelaatstrekken, haar rechte, gefronste wenkbrauwen en vastberaden uitdrukking, geven door haar denkend voorhoofd en vastgesloten mond den indruk van tot vrouwen te zullen opgroeien, die zoowel tot nadenken als handelen zullen in staat zijn. De turksche meisjes, met haar al te volle wangen, haar droomerige, gedachtelooze uitdrukking en haar vroegtijdige ontwikkeling, vormen een scherpe tegenstelling met haar forschgebouwde gezellinnen. Dit is niet enkel toe te schrijven aan het feit, dat de turksche kinderen vrij langen tijd bij haar moeders in den harem blijven, terwijl de armenische dus in de eerste levensjaren meerdere vrijheid en beweging in de frissche lucht genieten; want zij leiden verder, tot zij den huwbaren leeftijd hebben bereikt, volkomen hetzelfde bestaan. De moderne Turk is een wezen van zeer samengestelden oorsprong. Doordat het meerendeel der door hem onderworpen volken zich tot den Islam heeft bekeerd, heeft hij velen van hun dochters kunnen huwen, terwijl hij anderen als zijn rechtmatig eigendom beschouwde, en bovendien altoos christelijke slavinnen heeft gehouden. Zoodoende zijn, door de vermenging met armenische, georgische, circassische, grieksche, lazische, nestoriaansche en assyrische elementen, uit de oude Seldsjukken en Turkomanen de tegenwoordige Turken ontstaan. De eigenaardige kenmerken van de hedendaagsche Turken, die zich Osmanen noemen, die geen Syriërs of Arabieren, Albaneezen of Thessaliërs, Serviërs of Bulgaren zijn, maar wel degelijk Turken van het echte ras, zijn door het geheele rijk dezelfde, soms buitengewoon sterk in één individu geconcentreerd, soms ook verzwakt of gewijzigd door vreemde invloeden. Het voorhoofd wijkt achteruit, de oogen zijn bol en volkomen zonder uitdrukking, de neus dik, grof en gebogen, de zinnelijke, begeerige onderlip hangt slap neer, de terugwijkende kin drukt gebrek aan wilskracht uit, de wangen zijn meer glad en gevuld dan bol, onder vooruitstekende breede jukbogen, en dikwijls vertoont het gelaat een soort van dommen, terugstootenden grijns van welbehagen. Hun lichaamsbouw is forsch, zonder daarom krachtig te zijn; zij hebben veeleer iets slaps en weekelijks in hun houding. Deze beschrijving is echter alleen van toepassing op de vertegenwoordigers der regeerende klasse. De bewoners van het platteland vormen daarmede een opvallende tegenstelling, en als men de turksche troepen ziet defileeren, aanschouwt men niet anders dan kloeke krachtvolle gestalten, recht van lijf en leden, met fiere houding en magere energieke trekken, waaraan de fonkelende oogen en gespierde kaken een bijna dreigende uitdrukking verleenen. Hieruit valt licht het verschil af te leiden tusschen het turksche volk en de klasse der ambtenaren. Even rijk als het eerste is aan natuurlijken aanleg, die slechts in de goede richting behoefde te worden geleid, om de gelukkigste uitkomsten te leveren, even vadsig en traag is de tweede, door haar ingeroeste gewoonte van te heerschen, zonder zich de minste moeite te getroosten ter wille van die heerschappij, te leven ten koste der overwonnenen, en zich te vermeien in een zalig nietsdoen, waarbij zij gedachteloos kunnen vegeteeren, zonder de geringste neiging, om naar iets beters en hoogers te streven. Waagt men het, zich tegen den druk van die schijnbaar willooze overheerschers te verzetten, dan overvalt hen vrees, die hen prikkelt tot toorn, en is eenmaal hun drift opgewekt, dan stijgt deze tot een razernij, die slechts bekoelt, wanneer een bloedbad is aangericht. De echte Turken zijn een kanker, die knaagt aan de turksche heerschappij. Deze kan zich slechts staande houden door de bezadigdheid, den ijver en de rechtschapenheid der voormalige Christenen, die tot het Mohammedanisme bekeerd zijn. Dit geldt niet alleen voor de burgerlijke ambtenaren, maar eveneens in het leger, waar ieder zal moeten erkennen, dat de beste officieren, aan wie het rijk zijn macht verschuldigd is, Albaneezen of Montenegrijnen zijn, Circassiërs of Grieken, die dikwijls in Duitschland zijn opgevoed en even beschaafd, aangenaam in den omgang, verlicht en vooruitstrevend zijn als onze militairen van hoogen rang. Onder de heerschende klasse bekleeden de imans, mollahs, muftis, dus de priesters, een voorname plaats, evenals de cadis en hun helpers, die recht moeten spreken in geschillen van godsdienstigen aard; de groote massa van het volk zweert bij hen, en staat geheel onder hun invloed. Zeer zonderling en van veel gewicht is het feit, dat de priester werkelijk over het lot der aangeklaagden beslist, want van hem eischt het volk, te midden van de elkander steeds tegensprekende meeningen en gissingen een zelfstandig oordeel, 't geen hij, 't zij het gegrond is of niet, aan de rechters opdringt, die aan de uitspraken der meestal omgekochte getuigen toch geen waarde hechten. Dit is in zekeren zin gelukkig, daar ook de rechters zelf volstrekt niet onomkoopbaar zijn, (vooral in Kurdistan, waar deze waardigheid door Kurden wordt bekleed), al staat het bij deze priesterlijke rechtspleging vast, dat het getuigenis van een Christen nimmer kan opwegen tegen dat van een Mohammedaan. Het is een opmerkelijk verschijnsel, dat de bovengenoemde mollahs volstrekt niet overeenkomen met het door ons beschreven turksche type, en veeleer iets israëlietisch in hun voorkomen hebben. Hun magere, sterk vooruitspringende neus, dunne lippen, en kleine doordringende oogen, onder zware wenkbrauwen, vormen even zoovele kenmerken van het semietische ras, en doen denken aan de oude rabbijnen. Andere mohammedaansche priesters, die der groote moskeeën, en vooral de Khotjas der medressés vertoonen al de gewichtige zelfgenoegzaamheid van onfeilbare godgeleerden, en naderen weder meer tot het echt turksche type met hun dikke lippen en wijd opgespeurde neusvleugels. De dorpspriesters zijn daarentegen goedaardige lieden, met een patriarchaal voorkomen en langen baard, die wel eenigszins meer ontwikkeld en schranderder zijn dan hun dorpsgenooten, daar aan hen de regeling van kleine voorkomende geschillen wordt overgelaten, maar overigens hetzelfde leven leiden als de boeren, en even onwetend zijn. Velen onder de osmanische Turken vertoonen tot zij den mannelijken leeftijd hebben bereikt, duidelijke sporen van mongoolsche afkomst; bij de volwassenen gaan deze echter verloren, en terwijl men de turksche kinderen zeer goed van die der Christenen kan onderscheiden, is dit op lateren leeftijd niet meer het geval. Wat het voorkomen der vrouwen betreft, zijn onze gegevens gering; want een turksche dame zou zich nooit willen laten photographeeren; niet alleen omdat zij zich niet ongesluierd mag vertoonen; maar ook omdat haar godsdienst het afbeelden van het menschelijk aangezicht verbiedt. De mannen zijn in dit opzicht veel minder streng; maar de vrouwen houden met alle kracht dergelijke voorschriften in eere. Ondanks haar afzondering oefenen zij toch op de meening harer echtgenooten grooten invloed uit, en haar totale onwetendheid is oorzaak van een redelooze onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied, die zij als een heiligen plicht beschouwen. Over 't algemeen is omtrent de turksche vrouw weinig bekend. Niemand weet iets af van het inwendig leven dier wezens, die in den harem als 't ware levend begraven zijn, en die men somtijds in de straten ontmoet, in een zwarten sluier gewikkeld, die haar als een somber doodskleed omhult. In tegenstelling met het sterkere geslacht, dat door den omgang met huns gelijken wordt ontwikkeld, en op wie het leven in den regel zijn stempel drukt, blijven deze getrouwde vrouwen altijd kinderen en geraken nooit tot eenige zelfstandigheid. Invloeden van buitenaf dringen dan ook niet tot haar door. Volgens de mededeelingen van europeesche vrouwen, die van nabij een blik hebben geslagen in het haremleven, zijn de turksche dames goedhartig van aard, maar ongeloofelijk dom en bekrompen; zij oefenen niet den minsten invloed uit op hare kinderen, wier ontwikkeling haar dan ook niet ter harte gaat, terwijl zij zich om haar huishouden evenmin bekommeren. In de armenische vilayets kunnen zij geen van allen lezen of schrijven; zelfs niet de vrouwen der aanzienlijkste inwoners. Wanneer wij van de vrouwen van een enkelen man spreken, moeten wij daarbij in het oog houden, dat heden ten dage iedere man slechts ééne vrouw heeft, 't geen echter niet belet, dat hij er slavinnen op nahoudt, wat door den Koran wordt toegestaan. Thans behoeft een wettige echtgenoote dus niet de mededinging te verdragen van de drie andere hanoums, welke geoorloofd waren in de oogen van den Profeet, die zelf er negen op na hield. Het is te hopen, dat Allah hem schadeloos stelt voor den last, dien zij hem hebben bezorgd. Hij was zoo genadig, zijn volgelingen slechts vier voor te schrijven; maar deze zijn wijzer geweest, dan hij, en stellen zich met een enkele tevreden, die dan ook niet in opstand komt tegen haar lot. Zij kent trouwens geen andere toestanden; onze beschaving is haar volkomen vreemd. Dikwijls ziet men uit de huizen der rijke lieden slanke gedaanten te voorschijn treden, in den wijden, zwartzijden tcharsaf gehuld, een mantel die haar van het hoofd tot de voeten omgeeft en om het middel wordt bijeengehouden. Bij de lagere klassen wordt echter een zeker embonpoint als een schoonheid beschouwd en de liefde van den minnaar stijgt met het gewicht der aangebedene. De trekken der turksche vrouwen zijn volgens de europeesche dames, die haar hebben bezocht, fijn, maar onbeduidend en slap, haar tint blank, maar al te bloedeloos, haar oogen droomerig en zonder uitdrukking starend in de doellooze leegte van haar bestaan. De enkele vrouwen, die wegens haar bijzondere schoonheid worden geprezen, zijn dan ook georgische, circassische, grieksche of perzische slavinnen. De Armeniërs hebben nog meer dan de Turken de uiterlijke kenteekenen van het ras verloren; niet alleen omdat ook zij zich met vreemde elementen hebben vermengd, maar zij beijveren zich meer, om ons Westerlingen in kleederdracht en manieren na te bootsen. Toch hebben velen hun oorspronkelijke eigenaardigheden behouden; behalve in die streken, waar zij met andere volken zijn samengesmolten, zooals met de Kurden ten Zuiden van het meer Van, met de Georgiërs in Trans-Kaukasië en Tortoem, en met de Turken in het midden van het land. De echte Armeniër heeft een langwerpig gezicht, met vierkante onderkaak. Een sprekend voorbeeld geeft hiervan de afbeelding van den jongen Armeniër uit Sivas, in lazische kleederdracht. Hoewel de jongelieden, die in de protestantsche of katholieke armenische scholen onderricht ontvangen, bijna allen tot den gegoeden stand behooren, en hun ouders de europeesche kleederdracht en gebruiken hebben aangenomen, is toch hun voorkomen zeer karakteristiek. Ik merkte dit op bij een bezoek aan de school van Sanassarian, de eenige inrichting van dien aard in Azië, die op de zelfde leest geschoeid is als de hoogere burgerscholen in Europa. Alle Armeniërs hebben hetzelfde fraai gewelfde voorhoofd, de vierkante, sterk ontwikkelde kin en den korten gebogen neus, met fijne, bewegelijke neusvleugels. Hun helder verstand en natuurlijke weetgierigheid staan te lezen op hun denkend voorhoofd en in hun donkere, sprekende oogen, hun taai weerstandsvermogen in de sterk geteekende kaak- en jukbeenderen; list en volharding spreken uit den vastgesloten mond met de dunne lippen en een onverzettelijke wilskracht uit de kloeke, sterk vooruitspringende kin. Het type, dat het meest met het armenische overeenkomt, is zeer zeker het joodsche. Wel hebben russische schrijvers, die beweren, dat de Armeniërs een volk van hebreeuwschen oorsprong zijn, zich hierin vergist; maar men kan niet ontkennen, dat de opvallende gelijkenis licht aanleiding kon geven tot deze veronderstelling. De Armeniërs zijn uit Thessalië gekomen, tusschen de veertiende en de elfde eeuw vóór onze jaartelling, en vestigden zich eerst in de zevende eeuw in het eigenlijke Armenië. Zij maakten deel uit van de zelfde groote volkenstrooming, die de Pelasgen naar het oord hunner bestemming dreef. Daarbij vermengden zij zich met de verschillende volken, die hen vergezelden, bestreden of overwonnen, de Phrygiërs, de Hittiten, de Scythen, die uit Rusland kwamen, de Khalden van den Ararat, en namen ook veel over van de Parthen, de Perzen, de Arabieren en de Turken, die hen achtereenvolgens overheerschten. Maar men weet ook, dat zij in de omstreken van het meer Van vele syrische en joodsche nederzettingen hebben bevorderd, en dat zij zich met deze vreemdelingen in den loop der tijden hebben vermengd, lijdt geen twijfel. Het is niet waarschijnlijk, dat zij aan de Joden hun handelsgeest hebben te danken; de laatste namen dien veeleer over van de Pheniciërs en ontwikkelden zich bovendien in deze richting, door het stelsel van uitsluiting, door andere volken ten hunnen opzichte gevolgd. Maar evenals de Joden, brengen de Armeniërs in de plaatsen, waar zij zich vestigen, bedrijvigheid en bloei. De twee steden van het Oosten, die het meest vooruitgaan, zijn het joodsche Salonika en het armenische Tiflis. Bovendien zijn het meerendeel der Armeniërs landbouwers, en in de steden treft men onder hen meer handwerkslui dan kooplieden aan, wat bij de Israëlieten geenszins het geval was. De armenische vrouwen hebben niets in haar voorkomen, dat aan het semietische ras herinnert. Zij vertoonen meestal het tegelijkertijd grofbeenige en gevulde type, dat den bewoner van het Zuiden kenmerkt, of de sombere en koele schoonheid der georgische en circassische vrouwen. Zij zijn forsch gebouwd, langzaam en bedaard in haar bewegingen, en haar spraak is zangerig en slepend, terwijl daarentegen de mannen snel en afgebroken spreken en geen welluidend orgaan bezitten. Het leven der armenische vrouwen verschilt niet veel van dat der turksche. Hoewel zij haar mannelijke familieleden en bekenden vrij mogen ontmoeten, (voor vreemdelingen nemen zij overhaast de vlucht), blijven ook zij binnen de vier muren van haar huis opgesloten. Zij houden zich meer met het huishouden bezig, maar bekommeren zich in 't minst niet om hare ontwikkeling, noch om die harer kinderen. Zij spinnen en naaien veel, maar denken er nooit aan, hare woningen te versieren, en boeken kennen zij niet. Als het volk uit zijn vrouwen nieuwe kracht zal putten, moeten de armenische meisjes in de gelegenheid worden gesteld, beter onderwijs te genieten, dan haar thans wordt verstrekt. Dan ook zouden haar trekken, niet zoo regelmatig als die harer georgische zusters, maar dikwijls levendig en bekoorlijk, ons meer boeien door beminnelijke voorkomendheid. Thans wordt men bij nadere kennismaking afgestooten door hare eer trage en lustelooze, dan kwijnende houding, en door haar onverschillige gedachteloosheid. Zij weten na de eerste plichtplegingen geen woord meer te zeggen en in dit opzicht volgen zij slechts het voorbeeld der mannen, die onder elkaar zeer spraakzaam zijn, en als kinderen belang stellen in de geringste kleinigheden; maar niets dan ja of neen weten te antwoorden, wanneer een vreemdeling een nieuw onderwerp op het tapijt brengt. Het geheele volk, met zijn talrijke lichamelijke en geestelijke gaven, zijn taaien en vasthoudenden aard, zou, bij geregelde ontwikkeling door een zorgvuldig geleide opvoeding, tot groote dingen in staat zijn. Uit zich zelf is het niet bij machte, zijn sluimerende gaven te ontwikkelen en zijn natuurlijke gebreken te bestrijden, maar indien van buitenaf krachtige hulp werd verleend, zou deze zeker met blijdschap worden begroet. De Armeniërs toch zijn uitstekende nabootsers; maar het ontbreekt hun aan scheppingsvermogen. Toch overweegt bij hen het geheugen geenszins hun verstandelijke eigenschappen, en zij zijn evengoed voor wetenschappelijke vorming geschikt als wij Westerlingen. Het hangt er slechts van af, welk zaad in dezen vruchtbaren bodem wordt uitgestrooid. Van het hoogste belang zou het zijn, indien het peil der algemeene zedelijkheid kon verhoogd worden. Men onderdrukt over het geheel te weinig bij de jonge kinderen neiging tot huichelarij, leugen en oneerlijkheid, die bij den man voeren tot list, bedrog, diefstal en verraad. De vele zwarte schapen zijn hier het ongeluk van de kudde. Als de besten onder dit volk zich wisten te vereenigen, en staande te houden, zouden zij niet behoeven gebukt te gaan onder een juk, waartegen zij zich vruchteloos verzetten. Toch moeten wij erkennen, dat de klachten over de turksche overheersching overdreven zijn. In Turkije genieten de Armeniërs, wat hun kerken, scholen, zeden, taal en gebruiken aangaat, volkomen vrijheid. Alleen op boeken en nieuwsbladen wordt een strenge en drukkende censuur toegepast, maar in dit opzicht hebben de Armeniërs zich niet erger te beklagen dan alle andere inwoners van het turksche rijk. De Turken zelf kunnen onmogelijk op de hoogte blijven van wat er in de wereld voorvalt, daar hun bladen niet anders mogen behelzen dan loftuitingen op hun vorst, en met geen woord mogen reppen van politieke toestanden in binnen- of buitenland. De Armeniërs weten althans langs omwegen gewaar te worden, wat zich op het groote wereldtooneel afspeelt. Maar behalve die stelselmatig bevorderde onwetendheid ondervinden zij geen dwang, en mogen leven zooals hun goeddunkt. Hun kerkgenootschappen worden officieel erkend en hun eeredienst als heilig en onaantastbaar beschouwd. De Armeniërs zijn even afhankelijk van hun priesters (vartabets, zoo heeten de ongehuwde in tegenstelling met de gehuwde platteland