Project Gutenberg's Keltische Mythen and Legenden, by T. W. Rolleston This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: Keltische Mythen and Legenden Author: T. W. Rolleston Translator: B.C. Goudsmit Release Date: May 4, 2006 [EBook #18305] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KELTISCHE MYTHEN AND LEGENDEN *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ Keltische Mythen en Legenden Door T. W. Rolleston Bewerkt door Dr. B. C. Goudsmit Zutphen--W. J. Thieme & Cie De Nederlandsche bewerking van deze Keltische Mythen was reeds voor een belangrijk deel gevorderd, toen de door ons zoo hoog gewaardeerde Dr _B. C. Goudsmit_ door den dood werd weggenomen. Wij slaagden er in een bevoegden vertaler te vinden (hij wenscht ongenoemd te blijven) voor het voltooien van zijn arbeid. De uitgevers. INLEIDING. Het verleden kan worden vergeten, het sterft nimmer. De elementen, die in de vroegste tijden bij de vorming van een natie in het spel kwamen, blijven bestaan en dragen er toe bij haar geschiedenis te maken en den stempel te drukken op het karakter en den geest van het volk. Daarom moet het nasporen van die elementen en het bepalen, voor zoover mogelijk, van het deel dat zij hebben gehad aan schering en inslag van het leven van een volk, van niet gering belang zijn voor hen die inzien, dat uit het verleden het heden en uit het heden de toekomst wordt geboren; die zich zelf, hun magen en hun medeburgers niet willen beschouwen alleen als voorbijgaande schimmen, zich van de eene duisternis in de andere spoedend, maar die weten dat door hen een breede historische stroom gaat, van een verwijderden en geheimzinnigen oorsprong naar een toekomst, die in hooge mate wordt bepaald door al de vroegere omzwervingen van dien menschen-stroom, maar ook, in niet geringen graad door hetgeen zij, dank zij hun moed, hun vaderlandsliefde, hun kennis en hun verstand, er van verkozen te maken. De rol door het Keltisch ras gespeeld als vormende kracht in de geschiedenis, de literatuur en de kunst van het volk dat de Britsche Eilanden bewoont--een volk dat van dat middelpunt uit zijn heerschappij heeft uitgebreid over zulk een uitgestrekt gebied van de oppervlakte der aarde--is in de volksgedachte onbehoorlijk verkleind geworden. Voor een groot deel heeft hieraan schuld de algemeen gangbare benaming "Angel-Saksisch" voor het Britsche volk, als ras-aanwijzing. Uit een historisch oogpunt is die benaming ten eenenmale verkeerd. Niets wettigt deze onderscheiding van twee Neder-Duitsche stammen, wanneer wij het ras-karakter van het Britsche volk willen aangeven. Het gebruik dier benaming leidt tot ongerijmdheden als die welke de schrijver niet lang geleden opmerkte, toen de voorgenomen verheffing van een Ierschen bisschop tot kardinaal, door den Paus, in een Engelsch blad werd voorgesteld als te zijn ingegeven door den wensch van het hoofd der Katholieke kerk om een vriendelijkheid te bewijzen aan "het Angel-Saksisch ras." De juiste benaming voor de bevolking dezer eilanden en voor het typische en overheerschende deel van de bevolking van Noord-Amerika, is niet Angel-Saksisch maar Angel-Keltisch. Het is juist door deze vermenging van Germaansche en Keltische elementen dat het Britsche volk eenig is--het is juist die vermenging die aan dat volk het vuur, den _élan_, en in literatuur en kunst het gevoel voor stijl, kleur en handeling geeft--niet in het algemeen producten van den Germaanschen bodem--en te gelijkertijd de vastberadenheid en diepte, den eerbied voor oude wetten en gebruiken en de passie voor persoonlijke vrijheid, die min of meer vreemd zijn aan de romantische volken van Zuid-Europa. Mogen zij aan de Britsche Eilanden nimmer vreemd worden! Ook moet het Keltisch element in die eilanden niet worden geacht als geheel of zelfs zeer overwegend te zijn geleverd door de bevolkingen van den zoogenaamden "Keltischen Rand." Het is thans aan de ethnologen wel bekend dat de Saksers volstrekt niet de Keltische of met Kelten vermengde bevolkingen uitroeiden die zij in het bezit vonden van Groot-Brittannië. De heer E. W. B. Nicholson, bibliothecaris van de Bodley-bibliotheek [1] schrijft in zijn belangrijk werk "Keltische Nasporingen" (1904): "Namen niet opzettelijk bedacht om rassen aan te duiden moeten nooit worden beschouwd als bewijzen voor ras, maar alleen als bewijzen voor het gemeenschappelijke van taal, of staatkundige organisatie. Wij noemen een man die Engelsch spreekt, in Engeland woont en een klaarblijkelijk Engelschen naam draagt (bijv. Freeman of Newton) een Engelschman. Toch geven statistieken van 'betrekkelijke nigrescentie' [2] goede gronden om aan te nemen dat Lancashire, West-Yorkshire, Staffordshire, Worcestershire, Warwickshire, Leicestershire, Rutland, Cambridgeshire, Wiltshire, Somerset en een deel van Sussex even Keltisch zijn als Perthshire en Noord-Munster; dat Cheshire, Shropshire, Herefordshire, Monmouthshire, Gloucestershire, Devon, Dorset, Northamptonshire, Huntingdonshire en Bedfordshire meer Keltisch zijn--en even Keltisch als Noord-Wales en Leinster; terwijl Buckinghamshire en Hertfordshire zelfs nog meer Keltisch zijn en gelijk staan met Zuid-Wales en Ulster." [3] Het is dus voor een Angel-Keltisch, niet een Angel-Saksisch volk dat dit overzicht van de oude geschiedenis, den godsdienst en de mythische en romantische literatuur van het Keltisch ras is geschreven. Het is te hopen dat dat volk daarin dingen zal vinden, waardig in herinnering te blijven als bijdragen tot den algemeenen schat der Europeesche cultuur, maar vooral waardig in de herinnering te blijven van hen, die meer dan eenig ander levend volk hebben geërfd van het bloed, de neigingen en den aanleg der Kelten. INHOUD. Inleiding IX I. De Kelten in de Oude Geschiedenis 1 II. De Godsdienst der Kelten 35 III. De Mythen omtrent de invallen in Ierland 79 IV. De Oude Milesische Koningen 130 V. Verhalen van den Cyclus van Ulster 161 VI. Verhalen van den Cyclus van Ossian 231 VII. De Reis van Maeldun 285 VIII. Mythen en verhalen van de Kimbren 305 Goden van het huis van Don 322 Goden van het huis van Llyr 323 Arthur en zijn Magen 324 Register 387 LIJST VAN ILLUSTRATIES. Koningin Maev (Titelplaat). "Wij vreezen niemand" 6 "Wij zijn op weg naar Rome" 8 "Onmiddellijk stapte een ander over hem heen toen hij daar nederlag" 22 Vercingetorix rijdt langs het Romeinsche Kamp 24 "Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn" 32 Praehistorische Tumulus te New Grange 38 Rijen Steenen, te Kermaris, Carnac 42 Moderne Steenaanbidding te Locronan, Bretagne 50 Ingang van den Tumulus te New Grange 56 Menschenoffers in Gallië 68 "Zij vroegen melk en koren in ruil voor hun Kinderen" 70 St. Finnen en de Heidensche Aanvoerder 82 Tuan bespiedt Nemed 84 De Twee Afgezanten 90 Corpre en Koning Bres 92 "Sawan gaf den halster der koe aan den Knaap" 94 "De Druïde dreef het naar het huis van zijn vader, Kian" 96 De Boot van Mananan 98 "Bij de feesten van het Toovervolk" 102 "Hier bij het meer werkte hij" 108 Sinend en de Put van Connla 112 De komst van de Zonen van Miled 114 Het volk van Dana luistert naar de Muziek der Zwanen 124 Ethné hoort stemmen 128 Macha meet den omtrek der Stad uit 136 "De eerste boom was een wilg" 138 Midir en Etain 146 "Op den vloer van de hut vallen zijn vogelveeren af" 150 Conary in de Netten van het Toovervolk 154 De Vloek van Macha 162 De Knaap Setanta Volgt Koning Conor 164 De Hond van Cullan 166 Cuchulain vraagt den Koning om wapenen 168 "Cathbad keek naar de sterren en hij werd zeer verontrust" 180 Koningin Maev en de Druïde 188 Cuchulain in den Strijd 190 "Slaap nu, Cuchulain, bij het graf in Lerga" 196 "Cuchulain greep Ferdia toen hij viel" 202 "Het Hoofd ging nog altijd door met roepen en vermanen" 204 Cuchulain en de Toovermaagden 206 Emer hoort van de afspraak 208 De Dood van Cuchulain 214 Forbay en Koningin Maev 224 Koning Fergus en de Dwerg 226 Finn vindt de Oude Mannen in het Bosch 236 "Finn hoorde de tonen der Tooverharp" 238 "Ik ben Saba, O Finn" 244 Oisin en Niam 248 "Het witte paard was uit hun oogen verdwenen als een krans van nevel" 252 "Zij vonden zich plotseling verward in draden garen" 254 "Patrick verzoekt zijn schrijvers alles nauwkeurig op te schrijven" 256 "Zij joegen hem naar het strand" 262 "De Fianna richtten een steenen pilaar op, met haar naam in Ogham letters" 264 Dermot nam den Horen en vulde dien 270 Dermot en Grania 274 "De troep der Fianna verdween, en liet haar over aan haar smart" 278 "Het ware beter voor u den man te wreken, die hier verbrand is" 286 "De helft van het koren van uw land wordt hier gemalen" 292 "Den vierden dag kwam zij naar hen toe buiten de vesting" 294 Het offer van Diuran den Rijmer 304 De Boetedoening van Rhiannon 332 "Evnissyen legde zijn hand op den zak" 340 "Ik zal haar niet loslaten" 346 "Het jammeren en weeklagen werd nog luider dan te voren gehoord" 372 HOOFDSTUK I: DE KELTEN IN DE OUDE GESCHIEDENIS. Oudste mededeelingen. In de kronieken van de classieke volken van omstreeks vijfhonderd jaar vóór de Christelijke jaartelling vindt men herhaaldelijk gewag gemaakt van een volk, dat met die naties in betrekking stond, somtijds in vrede, somtijds in den oorlog, en dat blijkbaar een krachtige en invloedrijke plaats innam in het onbekende gebied van Midden-Europa. Dit volk wordt door de Grieken de Hyperboreërs of Kelten genoemd; de laatste uitdrukking wordt het eerst gevonden bij den aardrijkskundige Hecataeus, ongeveer 500 v.C. [4] Herodotus spreekt omstreeks een halve eeuw later van de Kelten, als van een volksstam die "aan gene zijde van de Zuilen van Hercules woont"--d.i. in Spanje, en verhaalt eveneens, dat de Donau in hun land ontspringt. Aristoteles wist, dat zij "voorbij Spanje" woonden, dat zij Rome hadden ingenomen, en dat zij uitmuntten in krijgshaftige eigenschappen. Van tijd tot tijd vinden wij ook andere dan aardrijkskundige mededeelingen zelfs bij oude schrijvers. Hellanicus van Lesbos, een geschiedschrijver uit de vijfde eeuw v.C., beschrijft de Kelten als handhavers van rechtvaardigheid en als mannen, die de deugd liefhadden. Ephorus (omstreeks 350 v.C.) geeft drie dichtregels over de Kelten, waarin hij zegt, dat zij "dezelfde gewoonten hadden als de Grieken" (het is niet duidelijk, wat hij daarmee bedoelt), en dat zij op vriendschappelijken voet met dezen verkeerden, die dan ook gastvriendschap met hen sloten. Plato echter rangschikt in de "Wetten" de Kelten onder de volken, die zich aan dronkenschap overgeven en strijdlustig zijn, en men schrijft hun groote barbaarschheid toe bij gelegenheid van hun inval in Griekenland en de plundering van Delphi van het jaar 273 v.C. Hun aanval op Rome en de plundering dier stad omstreeks een eeuw vroeger is één der mijlpalen in de oude geschiedenis. De geschiedenis van dat volk gedurende den tijd, toen het de overheerschende macht in Midden-Europa voerde, moet men gissen of weder opbouwen uit verspreide aanwijzingen en mededeelingen van op zich zelf staande gebeurtenissen in hun optreden tegenover Griekenland en Rome, zooals de dierkundige dikwijls een voorwereldlijk dier weder opbouwt uit enkele fossiele beenderen. Geen kronieken zijn van hen tot op onzen tijd overgeleverd, geen bouwkundige overblijfselen zijn tot op onze dagen in wezen gebleven; slechts enkele munten en enkele versierselen en bronzen wapenen, met email opgelegd of waarop fijne en schoone patronen zijn gegraveerd of gedreven--alleen deze en de namen, die dikwijls in wonderlijk gewijzigde vormen verbonden zijn gebleven aan de plaatsen, waar zij woonden, van de Zwarte Zee tot aan de Britsche Eilanden, zijn zoowat al de zichtbare sporen, die ons door dien eertijds zoo machtigen volksstam van zijn beschaving en heerschappij zijn nagelaten. Toch kan daaruit en uit die verhalen van classieke schrijvers veel met zekerheid worden afgeleid, en nog meer kan met tamelijk veel waarschijnlijkheid worden gegist. De groote kenner der Keltische geschiedenis en oudheden, die voor enkele jaren is overleden, d'Arbois de Jubainville, heeft uit de beschikbare feiten een overtuigende schets gegeven der Keltische geschiedenis gedurende den tijd, die voorafgegaan is aan dien, waarop zij in het volle geschiedkundige licht zijn gekomen tijdens de veroveringen van Caesar [5], en van die schets geven wij hier de voornaamste trekken weer. Het echte Keltische ras. Om te beginnen, moeten wij het denkbeeld op zijde zetten, dat het Keltenland ooit door één enkel zuiver en homogeen ras is bewoond geweest. De echte Kelten waren, als wij op dit punt de met zorg bestudeerde en goed gedocumenteerde gevolgtrekkingen mogen aannemen van Dr. T. Rice Holmes [6] welk betoog wordt bevestigd door de eensluidende mededeelingen der oudheid, een rijzig, lichtharig ras, oorlogslievend en heerschzuchtig [7], dat oorspronkelijk (zoover wij het nog kunnen nagaan) hun woonplaats gehad heeft ergens bij de bronnen van den Donau, en die, zoowel door verovering als door op vredelievende wijze door te dringen, hun heerschappij uitstrekten over Midden-Europa, Gallië, Spanje en de Britsche Eilanden. Zij roeiden de oorspronkelijke praehistorische bewoners van die streken--palaeolithische en neolithische rassen, dolmen-bouwers en bewerkers van brons--niet uit, maar zij legden hun wel hun taal, hun industrie en hun overleveringen op, waartegenover zij ongetwijfeld van hun kant veel van hen overnamen, vooral, zooals wij zullen zien, op het gebied van den godsdienst. Onder de rassen vormden de echte Kelten een aristocratische en overheerschende kaste. In die hoedanigheid stonden zij, zoowel in Gallië en in Spanje als in Brittannië en in Ierland, aan de spits van het gewapend verzet tegen vreemde invallen. Zij vingen den krachtigsten stoot op van oorlogen, verbeurdverklaringen en verbanning. Het ontbrak hun nooit aan moed, maar zij waren niet krachtig of niet eensgezind genoeg om de overhand te krijgen, en zij kwamen in veel grootere verhouding om dan de andere bewoners, die zij zelf hadden ten onder gebracht. Maar ook verdwenen zij, door hun bloed met dat van die andere bewoners te vermengen, waardoor zij den stempel van een aantal van hun eigen edele en mannelijke eigenschappen op hen drukten. Dit is de reden, dat de karakteristieke eigenschappen van die volken, die in onzen tijd Kelten genoemd werden en die de Keltische overleveringen en de Keltische taal voortplantten, in enkele opzichten zoozeer verschillen van die der Kelten uit de classieke geschiedenis en die der Kelten, die de litteratuur en de kunst van het oude Griekenland hebben voortgebracht, terwijl zij in andere opzichten daarmede zoo treffend overeenkomen. Om slechts één lichamelijk kenmerk te kiezen, de bewoners der meer Keltische districten van de Britsche eilanden kenmerken zich tegenwoordig door hun donkere gelaatskleur, hun haren enz. Zij zijn niet bijzonder donker, maar toch donkerder dan het overige gedeelte der bewoners van het koninkrijk. [8] Maar de echte Kelten der twaalfde eeuw zijn door Giraldus Cambrensis als een licht gekleurd ras beschreven. De gouden eeuw der Kelten. Maar wij loopen op ons onderwerp vooruit en moeten terugkeeren tot het tijdperk van den oorsprong der Keltische geschiedenis. Evenals de sterrenkundigen het bestaan eener onbekende planeet hebben ontdekt door de storingen, door deze op de reeds waargenomen planeten uitgeoefend, zoo kunnen wij in de vijfde en vierde eeuw vóór Christus de aanwezigheid van een groote macht en van krachtige bewegingen onderscheiden, die geschiedden achter een sluier, die nooit meer zal worden opgelicht. Dit was de Gouden Eeuw der Kelten op het vasteland van Europa. Gedurende dat tijdperk voerden de Kelten drie groote en voorspoedige oorlogen, die geen geringen invloed hadden op den loop der geschiedenis van Zuid-Europa. Omstreeks 500 v.C. veroverden zij Spanje op de Carthagers. Een eeuw later zien wij hen bezig met de verovering van Noord-Italië op de Etruskers. Zij vestigden zich in grooten getale op het gebied, dat later bekend werd als Gallia Cisalpina, waar een aantal namen, zooals _Mediolanum_ (Milaan), _Addua_ (Adda), _Virodunum_ (Verduno), en misschien _Cremona_ (_creamh_, knoflook) [9], er getuigenis van afleggen, dat zij dit gebied hebben bezet. Zij hebben nog een grooter herinnering achtergelaten in den voornaamsten der Latijnsche dichters, wiens naam, Vergilius, schijnt te wijzen op zijn Keltische afstamming [10]. Tegen het einde der vierde eeuw overstroomden zij Pannonia, toen zij de Illyriërs ten onder brachten. Bondgenootschappen met de Grieken. Al die oorlogen werden ondernomen in bondgenootschap met de Grieken, met wie de Kelten in die periode op den meest vriendschappelijken voet verkeerden. Door den oorlog met de Carthagers werd het monopolie, dat deze bezaten op het gebied van den handel in tin met Brittannië en in zilver met de Spaansche mijnwerkers, vernietigd, en de weg over land door Frankrijk heen naar Brittannië, ten behoeve waarvoor de Phoceërs in het jaar 600 v.C. de haven van Marseille hadden gesticht, werd voor goed aan den Griekschen handel verzekerd. Grieken en Kelten waren in dat tijdperk verbonden tegen Phoeniciërs en Perzen. De nederlaag, Hamilcar te Himera, in Sicilië, door Gelon toegebracht, viel in hetzelfde jaar als die van Xerxes te Salamis. Het Carthaagsche leger in dien veldtocht bestond uit huurlingen van een half dozijn volken, maar in de rangen der Carthagers werd geen enkele Kelt gevonden, en de vijandschap der Kelten was een voorname oorzaak, dat de Carthagers de Perzen geen hulp boden ter vernietiging van hun gemeenschappelijken vijand. Deze feiten bewijzen, dat de Kelten een belangrijke rol speelden, om te beletten, dat het Grieksche type van beschaving werd overweldigd door de dwingelandij van Oostersche volken, en dat het in Europa het onschatbare zaad van vrijheid en menschelijke cultuur in het leven hield. Alexander de Groote. Wij zien de Kelten weer naar voren treden als een hoogst belangrijken factor, toen Hellas van haar kant onder Alexander den Groote haar tegenaanval tegen het Oosten begon. In de vierde eeuw v.C. werd Macedonië door Thracische en Illyrische benden aangevallen en bijna vernietigd. Koning Amyntas II werd verslagen en in ballingschap gedreven. Zijn zoon Perdiccas II werd in den slag gedood. Toen Philippus, een jongere broeder van Perdiccas, den onbeteekenenden en waggelenden troon besteeg, dien hij en zijn opvolgers tot den zetel van een machtig rijk zouden maken, werd hij krachtig gesteund in zijn pogingen de Illyriërs het hoofd te bieden door de veroveringen der Kelten in de valleien van den Donau en de Po. In de dagen van Alexander werd het bondgenootschap voortgezet en misschien meer op wettelijken grondslag gevestigd. Toen Alexander op het punt stond, Azië te veroveren (334 v.C.) sloot hij eerst een verdrag met de Kelten "die aan de Jonische Golf woonden", ten einde zijn Grieksch grondgebied tijdens zijn afwezigheid tegen een aanval te beveiligen. Die gebeurtenis is door Ptolemaeus Soter beschreven in zijn geschiedenis van de oorlogen van Alexander [11]. Het verhaal is zóó levendig, dat het den stempel draagt van een authentieke geschiedenis, en een andere merkwaardige getuigenis van de waarheid van het verhaal is door de Jubainville aan het licht gebracht. Toen de Keltische afgevaardigden, die beschreven worden als mannen, hooghartig in hun optreden en van grooten lichaamsbouw, na hun zending te hebben volbracht, met den koning dronken, vroeg hij hun, naar het verhaal zegt, wat wel datgene was, waarvoor zij het meest bevreesd waren. De afgevaardigden antwoordden: "Wij vreezen niemand: er is slechts één ding, waarvoor wij bang zijn, en wel, dat de hemel op ons zou kunnen neervallen; maar wij stellen niets zoo zeer op prijs als de vriendschap van iemand zooals gij." Alexander nam afscheid van hen, en fluisterde, na zich tot zijn edelen te hebben gewend, "Wat zijn die Kelten toch vreeselijke pochers." Toch was het antwoord, met al zijn Keltische bravour en pralerij, niet zonder waardigheid en hoffelijkheid. De uitdrukking omtrent het neervallen van den hemel schijnt een blik te schenken op het eene of andere primitieve geloof of de eene of andere mythe, waarvan de beteekenis niet meer te doorgronden is. [12] De nationale eed, waarmede de Kelten zich verbonden, aan hun verdrag met Alexander trouw te blijven, is zeer merkwaardig. "Als wij dit verdrag niet gestand doen," zoo zeiden zij, "moge dan de hemel op ons neervallen en ons verbrijzelen, moge de aarde zich openen en ons verzwelgen, moge de zee openbarsten en ons overweldigen." De Jubainville vestigt met nadruk de aandacht op een plaats uit de "Táin Bo Cuailgne," in het Boek van Leinster, [13] waar de helden uit Ulster hun koning, die hen in den strijd wenschte te verlaten, ten einde een aanval af te weren op een ander gedeelte van het slagveld, mededeelen: De hemel is boven ons, en de aarde onder ons, en de zee is om ons heen gelegen. Tenzij de hemel met zijn menigte sterren neervalt op den grond, waarop wij gekampeerd zijn, of tenzij de aarde door een aardbeving wordt van een gereten, of tenzij de golven der blauwe zee over de bosschen der levende wereld komen, zullen wij niet wijken. [14] Het overleven van dit eigenaardige eedsformulier gedurende meer dan duizend jaar, en het weder te voorschijn komen in een mythisch Iersch verdichtsel, nadat er het eerst van gehoord is onder de Kelten van Midden-Europa, is ongetwijfeld zeer merkwaardig, en is met andere feiten, die wij later zullen vermelden, een krachtig bewijs voor de eenheid en de onverwoestbaarheid der Keltische beschaving. [15] De plundering van Rome. Wij hebben reeds melding gemaakt van twee der groote oorlogen, door de op het vasteland wonende Kelten gevoerd; wij komen thans tot den derden, dien tegen de Etruskers, die hen ten slotte in botsing bracht met de grootste macht van het heidensche Europa, en aanleiding gaf tot hun grootste wapenfeit, de plundering van Rome. Omstreeks het jaar 400 v.C. schijnt het Keltische rijk het toppunt van zijn macht te hebben bereikt. Onder een koning, bij Livius Ambicatus genoemd, die waarschijnlijk het hoofd van een overheerschenden stam was in een militairen bond, zooals in onze dagen de Duitsche Keizer, schijnen de Kelten in sterke mate te zijn samengesmeed tot een politieke eenheid, en een op eenzelfde doel gerichte politiek te hebben gevolgd. Daar zij aangetrokken waren door het vruchtbare land van Noord-Italië, daalden zij af door de passen der Alpen, en wisten zij zich daar, na hevige gevechten met de Etruscische inwoners, te handhaven. In die dagen drongen de Romeinen van beneden af op de Etruskers aan, en Romeinen en Kelten werkten volkomen met elkander in overleg en voor dat doel verbonden met elkander samen. Maar de Romeinen, die waarschijnlijk een groote minachting hadden voor de Noordelijke barbaarsche krijgslieden, hadden de onbezonnenheid oneerlijk spel met hen te spelen bij het beleg van Clusium (301 v.C.) welke plaats de Romeinen beschouwden als één der bolwerken van Latium tegen het noorden. De Kelten herkenden Romeinen, die bij hen gekomen waren in het onschendbare karakter van afgevaardigden, als strijders onder de rijen van den vijand. De gebeurtenissen, die toen volgden, zijn, in den vorm, waarin zij tot ons zijn gekomen, zeer vermengd met legenden, maar er zijn toch enkele trekken onder van dramatische kracht en levendigheid, waarin het ware karakter der Kelten duidelijk herkenbaar naar voren treedt. Zooals ons wordt verhaald, wendden zij zich tot Rome, om genoegdoening te krijgen voor het verraad der afgezanten, de drie zonen van Fabius Ambustus, den opperpriester. De Romeinen weigerden aan dien eisch gehoor te geven, en kozen juist de Fabii tot militaire tribunen voor het volgende jaar. Daarop braken de Kelten het beleg van Clusium op en trokken regelrecht op Rome af. Zij dachten er niet aan, op goed geluk te plunderen of te verwoesten, zij vielen geen enkele stad of vesting aan. "Wij zijn op weg naar Rome," zoo riepen zij tot de wachten op de muren der provinciesteden, die verwonderd en beangst den ontzaglijken troep, die onafgebroken naar het zuiden trok, nastaarden. Eindelijk bereikten zij de Allia, enkele mijlen van Rome af, waar de geheele beschikbare troepenmacht der stad in slagorde stond geschaard om hen tegemoet te trekken. De slag werd geleverd den 18den Juli 390, dien ongelukkigen _dies Alliensis_, die lange jaren in den Romeinschen kalender de herinnering levendig hield aan de diepste vernedering, die de Republiek ooit heeft ondergaan. De Kelten omsingelden het Romeinsche leger en vernietigden het in één enkelen geweldigen aanval. Drie dagen later waren zij in Rome, en omstreeks een jaar bleven zij meester van de stad of van haar puinhoopen, totdat een groote geldboete was betaald en de trouweloosheid bij Clusium ten volle was gewroken. Omstreeks een eeuw lang nadat het vredesverdrag gesloten was, bleef de vrede tusschen de Kelten en de Romeinen gehandhaafd, en het verbreken van dien vrede, toen enkele Keltische stammen zich met hun ouden vijand, de Etruskers, verbonden tijdens den derden Samnietischen oorlog, viel samen met het ineenstorten van de Keltische macht. [16] Wij moeten thans nog twee vragen bespreken voordat wij het geschiedkundige gedeelte van deze Inleiding kunnen afsluiten. In de eerste plaats, wat zijn de bewijzen dat de Keltische macht zich gedurende die periode zoover over Midden-Europa heeft verspreid? In de tweede plaats, waar waren toen de Germaansche volksstammen, en wat was hun verhouding tot de Kelten? Keltische plaatsnamen in Europa. Het zou ons te ver tot philologische vraagstukken terugvoeren, die alleen de wetenschappelijke beoefenaar der Keltische wetenschappen ten volle kan waardeeren, als wij deze vragen volledig zouden willen beantwoorden. Men vindt de bewijzen volledig ontwikkeld in het werk van de Jubainville, waarnaar wij reeds herhaaldelijk hebben verwezen. De studie der Europeesche plaatsnamen vormt den grondslag zijner bewijsvoering. Neem bij voorbeeld den Keltischen naam _Noviomagus_, samengesteld uit twee Keltische woorden, waarvan het bijvoeglijk naamwoord "nieuw" beteekent en _magos_ (in het Iersch _magh_) een veld of vlakte. [17] Er waren in de oudheid negen plaatsen met dien naam bekend. Zes waren in Frankrijk gelegen, daaronder de plaatsen, nu Noyon, in Oise gelegen, Nyon in de Vogezen, Nyons, in Drôme. Buiten Frankrijk waren er drie, en wel Nijmegen, in de Nederlanden, Neumagen, in het Rijnland en één in Spier, in het Palatinaat. Het woord _dunum_, dat nog zoo veelvuldig in onzen tijd in plaatsnamen kan worden herkend (Dundalk, Dunrobius enz.) en dat vesting of kasteel beteekent, is een tweede typisch Keltisch element in Europeesche plaatsnamen. Het kwam zeer dikwijls in Frankrijk voor--b.v. _Lugdunum_ (Lyon), _Virodunum_ (Verdun). Men vindt het ook in Zwitserland--b.v. _Minno-dumun_ (Moudon), _Eburo-dunum_ (Yverdon)--en in Nederland, waar de naam Leiden kan teruggevoerd worden tot het Keltische _Lug-dunum_. In Groot-Brittannië werd de Keltische uitdrukking dikwijls eenvoudig vertaald door _castra_; zoo werd _Camulo dunum_ Colchester, _Brano-dunum_ Brancaster. In Spanje en Portugal worden door classieke schrijvers acht namen, die op _dunum_ eindigen, vermeld. In Duitschland kunnen de moderne namen Kempton, Karnberg, Liegnitz, teruggevoerd worden tot de Keltische vormen _Cambo-dunum_, _Carro-dunum_, _Lugi-dunum_, ook vinden wij een _Singi-dunum_, nu Belgrado in Servië, _Novi-dunum_, nu Isakstcha, in Rumenië, een _Carro-dunum_ in Zuid-Rusland, bij den Dniester, en een ander in Croatië, thans Pitsmeza. _Sego-dunum_, nu Rodez, in Frankrijk, wordt ook in Beieren gevonden (Wurzburg) en in Engeland _(Sege-dunum)_, nu Wallsend, in Northumberland, en het eerste gedeelte, _sego_, vindt men terug in Segorbe _(Sego-briga)_, in Spanje. _Briga_ is een Keltisch woord, de oorsprong van ons _burg_, en komt in beteekenis overeen met _dunum_. Nog een ander voorbeeld: het woord _magos_, een vlakte, dat veel voorkomt als deel van Iersche plaatsnamen, wordt herhaaldelijk in Frankrijk gevonden, en ook buiten Frankrijk; in landen, die niet meer Keltisch zijn, komt het voor den dag in Zwitserland (_Uro-magus_, nu Promasens) in het Rijnland (_Broco-magus_, _Brumath_), in Nederland, zooals wij reeds opmerkten (Nijmegen), verschillende malen in Lombardije, en in Oostenrijk. Wij hebben met die enkele voorbeelden het onderwerp volstrekt niet uitgeput, maar zij dienen alleen om een denkbeeld te geven hoezeer de Kelten over Europa verbreid waren, en om aan te toonen, dat over dat uitgestrekte gebied de taal der Kelten overal dezelfde was. [18] Oude Keltische kunst. De overblijfselen van oude Keltische kunstwerken geven alle hetzelfde beeld. In het jaar 1846 werd een groote vóór-Romeinsche necropolis (doodenstad) ontdekt te Hallstatt, bij Salzburg, in Oostenrijk. Het bevat overblijfselen, die naar de meening van Dr. Arthur Evans afkomstig zijn uit den tijd van 750 tot 400 v.C. Die overblijfselen wijzen in sommige gevallen op een hoogen trap van ontwikkeling en beschaving en een uitgebreiden handel. Men vindt daar barnsteen uit de Oostzee, Phoenicisch glas en goudblad van Oostersche bewerking. Er worden ijzeren zwaarden gevonden, waarvan de gevesten en scheeden rijkelijk versierd zijn met goud, ivoor en barnsteen. De Keltische beschaving, zooals die zich openbaart in de overblijfselen te Hallstatt, ontwikkelden zich later in wat men noemt de beschaving uit de La-Tène periode. La Tène was een nederzetting aan het noordoostelijke uiteinde van het meer van Neuchâtel, en daar zijn een aantal voorwerpen van het hoogste belang gevonden, sedert die plaats in 1858 voor het eerst werd nagezocht. Die oudheden vertegenwoordigen volgens Dr. Evans het hoogtepunt der Gallische beschaving en dagteekenen van ongeveer de derde eeuw vóór Christus. Het type der kunst, die daar is gevonden, moet beoordeeld worden in het licht van een opmerking door Romilly Allan voor eenige jaren gemaakt in zijn "Keltische Kunst" (blz. 13). "De groote moeilijkheid voor het begrijpen der ontwikkeling van de Keltische kunst is gelegen in het feit, dat de Kelten, hoewel zij nooit nieuwe denkbeelden schijnen te hebben uitgevonden, een buitengewone vatbaarheid bleken te hebben, om denkbeelden aan te grijpen en over te nemen van de verschillende volken, met wie zij hetzij door oorlogen, hetzij door handelsbetrekkingen in aanraking kwamen. En zoodra de Kelt een denkbeeld van zijn naburen had overgenomen, was hij in staat daaraan een zóó duidelijk Keltische kleur te geven, dat het spoedig iets werd, dat volkomen afweek van wat het oorspronkelijk geweest was, en dan ook bijna niet meer te herkennen was." Wat nu de Kelten ontleenden aan de kunstbeschaving, die op het vasteland haar hoogtepunt bereikte in de overblijfselen van La Tène, waren bepaalde, oorspronkelijk aan de natuur ontleende motieven van Grieksche versierselen en wel in de eerste plaats de palmette- en de meander-motieven. Maar een eigenaardige karaktertrek van de Kelten was het, dat zij in hun kunst er tegen waakten, de natuurlijke vormen der planten- en dierenwereld na te bootsen of zelfs maar in de verte te naderen. Zij brachten alles terug tot zuivere versiering. Wat zij bij hun versieringen beoogden, was de afwisseling van breede kromme en golvende lijnen met dicht ineen gedrongen spiralen of krullen, en met die eenvoudige grondmotieven, en met overneming van enkele motieven, ontleend aan Grieksche kunst, bouwden zij een prachtig en fijn stelsel van versiering op, rijk aan afwisseling, dat zij toepasten op wapenen, sieraden en huishoudelijke voorwerpen van den meest verschillenden aard, in goud, brons, hout en steen, en voor zoover wij in staat zijn daarover te oordeelen, ook op geweven stoffen. Eén prachtige wijze van versiering van metaalwerk schijnt geheel haar oorsprong gehad te hebben in het Keltische gebied. Emailleeren was bij de classieke volken onbekend totdat zij het van de Kelten hadden geleerd. Tot zelfs in de derde eeuw na Christus was het voor de classieke wereld een vreemde bewerking, zooals wij vernemen uit een mededeeling van Philostratus: "Zij zeggen, dat de barbaren, die in den oceaan gelegen zijn, (Britten) die kleuren gieten over verhit koper, dat deze zich daarop vasthechten, zoo hard worden als steen, en de patronen bewaren, die daarop zijn aangebracht." Dr. J. Anderson schrijft in de "Verhandelingen van het Genootschap van Oudheidkundigen van Schotland:" "De Galliërs, zoowel als de Britten--van denzelfden Keltischen stam--oefenden het emailleeren uit vóór de Romeinsche verovering. De werkplaatsen voor het emailleeren te Bibracte, met haar fornuizen, smeltkroezen, mallen en bruineersteenen, en met het ruwe email op de verschillende trappen van bewerking, zijn voor enkele jaren opgegraven uit de puinhoopen der stad, die door Caesar en zijn legioenen verwoest was. Maar het email van Bibracte is niets meer dan het werk van knoeiers op kunstgebied, vergeleken met het Britsche werk. De zetel der kunst was in Brittannië gevestigd, en de stijl der patronen, zoowel als de wijze, waarop zij in verband stonden met de voorwerpen, waarop de versiering was aangebracht, wezen er met absolute zekerheid op, dat zij haar hoogsten trap van inheemsche ontwikkeling had bereikt voordat zij in aanraking kwam met de Romeinsche beschaving." [19] Het Nationale Museum te Dublin bevat een aantal prachtige voorbeelden van Iersche decoratieve kunst in goud, brons en email, en de "krachtige Keltische kleur" waarvan Romilly Allen spreekt, is even duidelijk daar waar te nemen als bij de overblijfselen van Hallstatt of La Tène. Alles wijst dus op een gemeenschappelijke cultuur, op een volkomen gelijkheid in het karakter van het ras, dat men in het geheele uitgestrekte grondgebied vindt, en dat bij de oude wereld bekend stond als het gebied der Kelten. Kelten en Germanen. Maar, zooals wij te voren hebben opgemerkt, dit gebied was niet uitsluitend door de Kelten bewoond. In het bijzonder moeten wij trachten de vraag te beantwoorden, wie de Germanen, de Teuto-Gothische stammen waren, die ten slotte de plaats innamen der Kelten, als een uit het noorden afkomstige bedreiging der classieke beschaving; en tevens moeten wij nagaan, waar deze hun zetel hadden. Zij worden genoemd door Pytheas, den voortreffelijken Griekschen reiziger en aardrijkskundige (omstreeks 300 v.C.), maar zij spelen geen rol in de geschiedenis, totdat zij onder den naam van Cimbren en Teutonen in Italië afdaalden, waar zij op het einde der tweede eeuw v.C. door Marius werden overwonnen. De oude Grieksche aardrijkskundigen van vóór den tijd van Pytheas weten niets van hen af, en schrijven het geheele gebied, dat thans als Germaansch bekend staat, aan verschillende Keltische stammen toe. De verklaring, door de Jubainville gegeven, en die door hem is gegrond op verschillende philologische overwegingen, is deze, dat de Germanen een onderworpen volk waren, te vergelijken met die "onvrije stammen," die in Gallië en in het oude Ierland werden gevonden. Zij leefden onder de heerschappij der Kelten, en hadden geen onafhankelijk politiek bestaan. De Jubainville is van oordeel, dat alle woorden, die samenhangen met wet en regeering en met den oorlog, die zoowel voorkomen in de Keltische als in de Teutonische talen, door de Teutonen aan de Kelten waren ontleend. De voornaamste daaronder zijn de woorden, voorgesteld door het moderne Duitsche woord _Reich_ (Hollandsch, _rijk_), _Amt_ (Hollandsch, ambt) en het Gothische _reiks_, Koning, welke woorden alle ontwijfelbaar van Keltischen oorsprong zijn. De Jubainville telt eveneens onder de woorden, aan het Keltisch ontleend, _Bann_, een bevel, _Frei_, vrij; _Geisel_, een gijzelaar, _Erbe_, een erfenis; _Werth_, waarde; _Weih_, gewijd, _Magus_, een slaaf (Gothisch); _Wini_, een vrouw (Oud-Hoogduitsch); _Skalks_, _Schalk_, een slaaf (Gothisch); _Hartha_, slag (Oud-Duitsch); _Helith_, _Held_, een held, van denzelfden stam als het woord Kelt; _Heer_, een leger (in het Keltisch _choris_); _Sieg_, overwinning; _Beute_, buit; _Burg_, een kasteel; en nog een aantal andere woorden. De etymologische geschiedenis van sommige van die woorden is bijzonder merkwaardig. _Amt_, bij voorbeeld, dat woord, dat van zoo groote beteekenis is in het moderne Germaansche staatsbestuur, kan teruggevoerd worden tot een oud Keltisch woord _ambhactos_, dat is samengesteld uit de woorden _ambi_, omtrent en _actos_ een verleden deelwoord, afgeleid van den Keltischen stam _AG_, dat handelen beteekent. Nu is _ambi_ afgeleid van het oorspronkelijke Indo-Europeesche _mbhi_, waar de _m_ aan het begin een soort van klinker is, die later in het Sanskrit is voorgesteld door _a_. Die klinker _m_ werd een _n_ in die Germaansche woorden, die onmiddellijk zijn afgeleid van de oorspronkelijke Indo-Europeesche taal. Maar het woord, dat nu door _amt_ wordt voorgesteld, komt in zijn oudsten Germaanschen vorm voor als _ambaht_, waaruit dus duidelijk blijkt, dat het afstamt van het Keltische _ambhactos_. Zoo wordt het woord _frei_ in zijn oudsten Germaanschen vorm gevonden als _frijo-s_, dat afkomstig is van het oorspronkelijke Indo-Europeesche _prijo-s_. Het woord beteekent hier echter niet vrij; het beteekent bewind (Sanskrit _priya-s_). Wij zien echter, hoe in de Keltische taal _prijos_ zijn _p_ aan het begin verliest, in het oude Keltisch was de moeilijkheid, die letter uit te spreken een eigenaardig kenmerk; tevens veranderde de _j_, volgens een vasten regel, in _dd_, en zoo komt in de moderne volkstaal van Wales het woord voor onder den vorm _rhydd_--vrij. De Indo-Europeesche beteekenis is in de Germaansche talen blijven bestaan in den naam van de godin der liefde, _Freia_, en in de woorden _Freund_, vriend, _Friede_, vrede. De beteekenis van het woord op het gebied van het burgerlijk recht kan tot een Keltischen oorsprong worden teruggebracht, en schijnt in dien zin aan het Keltisch ontleend te zijn. Het Germaansche _Beute_, buit, roof, heeft een bijzonder leerzame geschiedenis. Er bestond een Gallisch woord _bodi_, dat gevonden wordt in samenstellingen, zooals de plaatsnaam Segobodium (Seveux), en verschillende namen van personen en stammen, zooals Boudicca, beter bij ons bekend als de "Britsche strijdlustige koningin", Boadicea. Het woord beteekende oudtijds "overwinning." Maar de vrucht der overwinning is de buit, en in dien stoffelijken zin werd het woord overgenomen in het Duitsch, in het Fransch (_butin_), in het Noorsch (_byte_), en in de volkstaal van Wales (_budd_). Daarentegen heeft het woord zijn hoogere, meer verheven beteekenis gehouden in het Iersch. In de Iersche vertaling van Kronijken XXIX, 11, waar de Vulgata in het oorspronkelijke luidt: "Tua est, Domine, magnificentia et potentia et gloria et victoria", wordt het woord _victoria_ in het Iersch vertaald door _búaidh_, en zooals de Jubainville terecht opmerkt, "ce n'est pas de butin qu'il s'agit." Hij vervolgt zijn betoog aldus: "_Búaidh_ heeft in het Iersch, dank zij een krachtige en voortdurende beschaving, de verheven beteekenis gehouden, die het in de taal der Gallische aristocratie had. De stoffelijke beteekenis van het woord werd alleen opgemerkt door de lagere klassen der bevolking, en het is de overlevering van die lagere klassen, die in de Germaansche, Fransche en Cymrische talen is bewaard gebleven." [20] Er waren echter twee dingen, die de Kelten òf niet wilden òf niet konden opdringen aan de overwonnen Germaansche stammen--hun taal en hun godsdienst. In die twee groote factoren van raseenheid en trots liggen de zaden van den opstand der Germanen en ten slotte van het omverwerpen der Keltische overmacht. De namen der Germaansche godheden verschillen van die der Keltische, ook hun begrafenisgebruiken, waarmede de diepste godsdienstige opvattingen der oorspronkelijke rassen samenhangen, zijn geheel andere. De Kelten, of ten minste het overheerschende gedeelte van hen, begroeven hun dooden, en beschouwden het gebruik van vuur als een vernedering, die alleen mocht worden opgelegd aan misdadigers, of aan slaven of gevangenen bij die vreeselijke menschenoffers, die de grootste smet zijn op hun oorspronkelijke cultuur. De Germanen daarentegen begroeven hun beroemde dooden op brandstapels, evenals de oude Grieken--en als geen brandstapel kon worden opgericht voor het geheele lichaam, dan werden de edelste deelen, zooals hoofd en armen, verbrand, terwijl het overige gedeelte werd begraven. Ondergang van het Keltische rijk. Wij zullen wel nooit met juistheid te weten komen, wat geschiedde ten tijde van den Germaanschen opstand; doch zeker is het, dat ongeveer na het jaar 300 v.C. de Kelten allen mogelijken politieken samenhang en alle gemeenschappelijk streven hadden verloren, die zij ooit hadden bezeten. Als waren zij door de uitbarsting van de eene of andere onderaardsche kracht uiteengescheurd, stortten hun stammen als stroomen lava neer naar het zuiden, oosten en westen van hun oorspronkelijke woonplaats. Enkelen baanden zich een weg naar Noord-Griekenland, waar zij het schandelijk vergrijp pleegden, dat hun vroegere vrienden en bondgenooten zoozeer ergerde, en wel de plundering van den tempel van Delphi (273 v.C.). Anderen hernieuwden, doch met slechter resultaat, den ouden strijd met Rome, en kwamen in groote menigte te Sentinum (295 v.C.) en bij het meer Vadimo (283 v.C.) om. Eén afdeeling drong tot Klein-Azië door, en stichtte den Keltischen staat Galatia, waar, zooals de Heilige Hieronymus verhaalt, nog in de vierde eeuw na Christus een Keltisch dialect werd gesproken. Anderen namen als huurtroepen dienst onder Carthago. Een woelige oorlog van Kelten tegen verstrooide Germaansche stammen, of tegen andere Kelten, die vroegere golvingen van veranderingen in woonplaats en van verovering vertegenwoordigden, werd over geheel Midden-Europa, Gallië en Brittannië gevoerd. Toen deze tot rust kwam, bleven Gallië en de Britsche eilanden feitelijk de eenige overblijfselen der Keltische oppermacht, de eenige landen, die nog onder Keltische wetten en onder Keltische leiding stonden. Tegen het begin der Christelijke jaartelling waren Gallië en Brittannië onder het juk van Rome gekomen, en was het slechts de vraag, hoe lang het nog zou duren, voordat zij in ieder opzicht in zeden en karakter geheel Romeinsch zouden geworden zijn. De eigenaardige historische gesteldheid van Ierland. Ierland was het eenige land, dat nooit door de Romeinsche legioenen bezocht, laat staan onderworpen was, en dat in naam zijn onafhankelijkheid tegen alle bezoekers wist te handhaven tot aan het einde der twaalfde eeuw, doch practisch zelfs nog een goede driehonderd jaar later. Ierland is hierom dan ook van een zoo eigenaardige beteekenis, en boezemt ons dan ook hierom zooveel belang in, dat het een zuiver inheemsche Keltische beschaving, Keltische instellingen, kunst en letterkunde en den oudsten nog in leven gebleven vorm der Keltische taal [21] over de kloof draagt, die de oude wereld van de moderne scheidt, de heidensche van de Christelijke, en die haar brengt onder het volle licht der moderne geschiedenis en der moderne waarneming. Het Keltische karakter. De zedelijke zoowel als de lichamelijke karaktertrekken door de classieke schrijvers aan de Keltische volken toegeschreven, vertoonen een merkwaardige helderheid en bestendigheid. Veel wat omtrent hen wordt verhaald, zou, zooals wel te verwachten was, kunnen worden gezegd van ieder nog primitief en ongeletterd volk, maar er blijft toch zóóveel over, dat hen onder de verschillende menschenrassen onderscheidt, dat indien die oude mededeelingen omtrent de Kelten zouden worden voorgelezen zonder dat de naam van het ras genoemd werd, waarop zij sloegen, iedereen, die alleen door zijn kennis der nieuwe geschiedenis daarmede bekend was, zonder een oogenblik te aarzelen de Keltische volken zou noemen als die, waarvan in de beschrijving werd melding gemaakt. Sommige van die mededeelingen zijn reeds door ons aangehaald, en wij behoeven de bewijzen niet te herhalen, die ontleend zijn aan Plato, Ephorus of Arrianus. Maar wel mogen wij hier een opmerking aanhalen, die M. Porcius Cato over de Galliërs maakt. "Er zijn twee dingen," zoo zegt hij, "waaraan de Galliërs bijzonder gehecht zijn--de krijgskunst en de scherpzinnige wijze van uitdrukking" ("rem militarem et argute loqui"). De beschrijving van Caesar. Caesar heeft ons een nauwkeurige en critische beschrijving van hen gegeven, zooals hij ze in Gallië heeft leeren kennen. Zij waren, zooals hij zegt, bijzonder strijdlustig, maar spoedig door tegenspoed uit het veld geslagen. Zij waren zeer bijgeloovig, en onderwierpen zich aan de beslissing der Druïden in alle publieke en private aangelegenheden, en beschouwden het als de grootste straf, als zij in den ban werden gedaan en hun geweigerd werd aan de godsdienstige ceremoniën deel te nemen. "Zij die op dien grond in den ban zijn gedaan (omdat zij geweigerd hadden zich te onderwerpen aan een beslissing der Druïden) worden onder de laagsten en de goddeloozen gerekend; iedereen ontvlucht hun gezelschap en vermijdt het zich met hen in een mondgesprek te begeven, uit vrees, door die nauwere aanraking te worden besmet; zij mogen geen rechtsgeding aanhangig maken; en geen enkele betrekking wordt hun toevertrouwd. De Druïden zijn meestal vrij van militairen dienst en dragen niet, zooals de anderen, in de belasting bij... Door dergelijke belooningen aangemoedigd, komen een aantal van hen uit eigen beweging in hun scholen, en worden door hun vrienden en bloedverwanten daarheen gezonden. Men vertelt, dat zij daar een aantal verzen uit het hoofd leeren; enkelen zetten hun opvoeding gedurende twintig jaar voort; en evenmin wordt het voor geoorloofd beschouwd die dingen (de leerstellingen der Druïden) op schrift te brengen, hoewel zij in bijna alle openbare handelingen en private mededeelingen de Grieksche letterteekens gebruiken." De Galliërs waren fel op nieuwtjes en vielen kooplieden en reizigers lastig met hun ijdel gesnap [22], zij kwamen gemakkelijk onder den invloed van anderen, waren hartstochtelijk en ongeduldig, verzot op afwisseling en besluiteloos bij hun beraadslagingen. Tevens waren zij merkwaardig slim en verstandig, zeer snel in het gebruik maken van iederen kunstgreep, dien zij konden aanwenden en volgden alles na, wat zij geschikt achtten. De vindingrijkheid, waarmede zij de gevaren der nieuwerwetsche belegeringswerktuigen der Romeinsche legers wisten te vermijden, wordt door Caesar in het bijzonder vermeld. Hij spreekt met grooten eerbied van hun moed, en schrijft hun doodsverachting, ten minste voor een groot deel, toe aan hun innig geloof in de onsterfelijkheid der ziel [23]. Een volk, dat in vroeger dagen herhaaldelijk Romeinsche legers had vernietigd, Rome had geplunderd, en meer dan eens zelfs Caesar geplaatst had in een toestand waarin hij aan de grootste zorgen en gevaren was blootgesteld, bestond blijkbaar niet uit zwakkelingen, wat ook zijn godsdienstige opvattingen en gebruiken mochten zijn. Caesar gaat niet mank aan overgevoelige bewondering van zijn vijanden, maar één episode bij het beleg van Avaricum dwingt hem er toe, de dapperheid der verdedigers aan de onsterfelijkheid over te geven. Een Romeinsche houten stellage of _agger_ was door de Romeinen opgericht om boven de muren uit te steken die bleken weerstand te kunnen bieden aan de aanvallen van den stormram. De Galliërs slaagden er in, dien toestel in brand te steken. Het was nu van het hoogste gewicht, de belegeraars te beletten de vlammen te blusschen, en een Galliër klom op een gedeelte van den muur boven den _agger_ en wierp daarop stukken vet en pik neer, die hem van binnen uit werden toegereikt. Hij werd spoedig neergeveld door een werptuig van een Romeinschen catapult. Onmiddellijk stapte een ander over hem heen toen hij daar neerlag, en vervolgde de taak van zijn makker. Ook hij viel neer, maar een derde nam dadelijk zijn plaats in, zoo ook een vierde; en die post werd niet verlaten voordat de soldaten ten slotte de vlammen hadden gedoofd en de verdedigers hadden gedwongen naar de stad terug te keeren, die eindelijk den volgenden dag werd ingenomen. Strabo over de Kelten. De aardrijkskundige en reiziger Strabo, die in het jaar 24 n.C. stierf en dus iets later leefde dan Caesar, weet ons heel wat omtrent de Kelten te vertellen. Hij merkt op, dat hun land (in dit geval Gallië) dicht bewoond is en hun akkers goed bewerkt, geen natuurlijke hulpbronnen worden daar ongebruikt gelaten. De vrouwen zijn vruchtbaar en bijzonder goede moeders. Hij beschrijft de mannen als oorlogszuchtig, hartstochtelijk, verzot op twistgesprekken, gemakkelijk op te hitsen, maar daarbij edelmoedig en onergdenkend, zoodat zij gemakkelijk door krijgslisten kunnen worden overwonnen. Zij bleken begeerig te zijn naar ontwikkeling en beschaving, en Grieksche letters en Grieksche wetenschap waren snel van Massilia uit onder hen verspreid; in hun steden werd openbare opvoeding ingesteld. Zij vochten beter te paard dan te voet, en in de dagen van Strabo vormden zij de bloem der Romeinsche ruiterij. Zij woonden in groote huizen gemaakt van boogvormige planken met muren van vlechtwerk--zonder twijfel bepleisterd met klei en kalk, zooals in Ierland--en dicht met stroo gedekt. Steden van groote beteekenis werden in Gallië gevonden, en Caesar maakt gewag van de sterkte der muren, die gebouwd waren van steen en hout. Caesar en Strabo zijn het er beiden over eens, dat er een zeer scherpe scheiding was tusschen de edelen en den ontwikkelden of priesterstand aan den éénen kant en het gemeene volk aan den anderen kant, daar de laatsten in strikte onderworpenheid gehouden werden. De maatschappelijke verdeeling komt in ruwe trekken ongetwijfeld overeen met het onderscheid in ras tusschen de echte Kelten en de oorspronkelijke bewoners, die door hen waren onderworpen. Terwijl Caesar ons verhaalt, dat de Druïden de onsterfelijkheid der ziel verkondigden, voegt Strabo er aan toe, dat zij geloofden in de onvernietigbaarheid--wat in sommige opzichten de goddelijkheid insluit--van het stoffelijk heelal. De Keltische krijgsman hield van uiterlijke praal. Alles wat aan het leven glans en een indruk van tooneelmatigheid schonk, werkte op zijn verbeelding. Zijn wapenen waren rijk versierd, zijn paardentuigen waren in brons en email bewerkt, even prachtig ontworpen als eenig overblijfsel der Myceensche of Cretensische kunst, zijn kleeding was met goud geborduurd. Het tooneel van de overgave van Vercingetorix, toen zijn heldhaftige strijd tegen Rome bij den val van Alesia tot een einde was gekomen, is de vermelding waard als een typisch Keltisch mengsel van ridderlijkheid en van wat de zeer bezadigde Romeinen als een kinderachtige pralerij toescheen [24]. Toen hij zag, dat de zaak verloren was, riep hij een vergadering der stammen bijeen en deelde de verzamelde aanvoerders, aan wier hoofd hij gestaan had in een roemrijken, hoewel rampspoedigen oorlog, mede, dat hij bereid was zich op te offeren voor zijn nog steeds getrouwe volgelingen--hetzij zij als zij dat wilden, zijn hoofd aan Ceasar zouden zenden, hetzij hij zich vrijwillig overgaf met het doel gunstiger voorwaarden te bedingen voor zijn landgenooten. Het laatste voorstel werd aangenomen. Daarop wapende Vercingetorix zich met zijn schitterendste wapenen, bekleedde zijn paard met zijn rijkste tuig en, na driemaal om het Romeinsene kamp te zijn heen gereden, hield hij voor Caesar stand en legde hij het zwaard, dat het eenige overgebleven verdedigingsmiddel der Gallische onafhankelijkheid was, voor diens voeten. Caesar zond hem naar Rome, waar hij zes jaren lang gevangen werd gehouden, totdat hij ten slotte ter dood werd gebracht, toen Caesar zijn triomftocht hield. Polybius. Een karakteristiek tooneel uit den slag bij Clastidium (222 v.C.) wordt door Polybius beschreven. De Gaesaten [25], zoo verhaalt hij, die aan het front van het Keltische leger stonden, kleedden zich voor den strijd naakt uit, en het gezicht van die krijgslieden, met hun groote gestalte en hun blanke huid, waarop de gouden halsketenen en armbanden schitterden, die door al de Kelten zoozeer als versierselen op prijs werden gesteld, vervulden de Romeinsche soldaten met eerbiedige vrees en ontzag. Maar toen de slag geëindigd was, gingen die versierselen bij wagenvrachten naar Rome, om het Kapitool te versieren; en de slotopmerking van Polybius over het karakter der Kelten is, dat zij "ik zeg niet gewoonlijk, maar steeds en voortdurend, in alles wat zij beproefden door hun hartstochten werden medegesleept, en zich nooit aan de wetten der rede onderwierpen." Zooals men kan verwachten, was de kuischheid, waarvoor de Germanen bekend stonden, nooit, tot in de allerlaatste tijden, een Keltische karaktertrek. Diodorus. Diodorus Siculus, een tijdgenoot van Julius Caesar en Augustus, die in Gallië had gereisd, bevestigt in hoofdzaken de mededeelingen van Caesar en Strabo, maar voegt er enkele merkwaardige bijzonderheden aan toe. Hij vestigt in het bijzonder de aandacht op de voorliefde der Galliërs voor goud. Zelfs harnassen werden van goud vervaardigd. Dit is ook een zeer opmerkelijke karaktertrek der Kelten in Ierland, immers men heeft daar een verbazend aantal praehistorische overblijfselen van goud gevonden, terwijl het vaststaat, dat er nog veel meer hebben bestaan, die thans zijn verloren gegaan. De tempels en heilige plaatsen, zoo zeggen Posidonius en Diodorus, waren vol van onbeschermde gouden offers, die nooit door iemand werden aangeraakt. Hij maakt melding van den grooten eerbied aan de barden bewezen, en vestigt evenals Cato de aandacht op de wijze van uitdrukking, door de welopgevoede Galliërs gebezigd: "Zij zijn geen praatziek volk, en zijn er verzot op, zich uit te drukken in raadselen, zoodat de hoorder het grootste gedeelte van wat zij willen zeggen, maar moet raden." Dit komt volmaakt overeen met de deftige en beschaafde taal van het oude Ierland, die in hooge mate kort en zinnebeeldig is. De Druïde werd beschouwd als de voorgeschreven tusschenpersoon tusschen God en mensch--niemand zou een godsdienstige plechtigheid verrichten zonder zijn bijstand. Ammianus Marcellinus. Ammianus Marcellinus, die veel later leefde, en wel in de tweede helft der vierde eeuw na Christus, had eveneens Gallië bezocht, dat toen reeds, zooals duidelijk is, den invloed van Rome sterk had ondervonden. Doch ook hij verhaalt ons, evenals vroegere schrijvers, van de groote gestalte, de schoonheid en het aanmatigende optreden van den Gallischen krijgsman. Hij voegt er aan toe, dat het volk, in het bijzonder in Aquitanië, merkwaardig helder en zindelijk was in zijn uiterlijk--niemand werd in lompen of haveloos aangetroffen. Hij beschrijft ons de Gallische vrouw als buitengewoon lang, blauwoogig en bijzonder schoon; maar onder zijn bewondering is tamelijk veel eerbiedige vrees gemengd, immers hij voegt er aan toe, dat terwijl het al gevaarlijk genoeg was tegen een Gallischen man te moeten strijden, de zaak hopeloos stond, als zijn vrouw met haar vervaarlijk groote, sneeuwwitte armen, die konden neerkomen als catapulten, haar man te hulp kwam. Onweerstaanbaar wordt men herinnerd aan de galerij van krachtige, onafhankelijke, vurige en heftige vrouwen, zooals Maev, Grania, Findabair, Deirdre en de historische figuur van Boadicea, die in de mythen en in de geschiedenis der Britsche eilanden naar voren treden. Rice Holmes over de Galliërs. Het volgende uittreksel uit het werk van Rice Holmes "Caesars Verovering van Gallië" moge hier een plaats vinden als een uitnemend overzicht van het maatschappelijk beeld van dat gedeelte van het gebied der Kelten korten tijd vóór de Christelijke jaartelling, en dit komt overeen met alles, wat omtrent de inheemsche Iersche beschaving bekend is: "De Gallische volken waren ver boven den toestand van wilden gestegen; en de Kelten uit het binnenland, van wie velen reeds onder Romeinschen invloed waren gekomen, hadden een zekeren graad van beschaving verkregen, ja zelfs van weelde. Hun broeken, waaraan de provincie haar naam van Gallia Bracata ontleende, en hun veelkleurige geruite wollen rokken wekten de verbazing op van hun veroveraars. De aanvoerders droegen gouden ringen, armbanden en halsketenen; en als die groote, blondharige krijgslieden te paard ten strijde trokken, met hun helmen, vervaardigd in de gedaante van den kop van een of ander woest dier, waarboven waaiende pluimen uitstaken, en met hun metalen wapenrusting, hun lange schilden en hun groote rammelende zwaarden, maakten zij een schitterende vertooning. Ommuurde steden of groote dorpen, de versterkte plaatsen der verschillende stammen, waren op een groot aantal heuvels duidelijk zichtbaar. De vlakten waren bedekt met een groot aantal open gehuchten. De huizen, van hout en vlechtwerk gebouwd, waren ruim en goed met riet bedekt. De akkers waren in den zomer geel van het koren. Er waren van stad tot stad wegen aangelegd. De rivieren waren overspannen door stevige bruggen; en schuiten, met koopwaren beladen, dreven op de rivieren. Schepen, wel lomp van vorm, maar grooter dan eenig schip, dat op de Middellandsche Zee werd gezien, trotseerden de stormen in de Golf van Biscaye en brachten ladingen over tusschen de havens van Bretagne en de kust van Brittannië. Er werd tol geheven van de goederen, die over de groote waterwegen werden gevoerd; en aan het verpachten van die rechten ontleenden de edelen een groot deel van hun rijkdom. Iedere stam had zijn eigen muntstelsel; en de kennis der schrijfkunst in Grieksche en Romeinsche letterteekens was niet tot de priesters beperkt. De Aeduers waren op de hoogte van het pletten van koper en van tin. De mijnwerkers van Aquitanië, van Auvergne en van Berry waren beroemd om hun bekwaamheid. In één woord, in alles wat bijdroeg tot den uitwendigen voorspoed, hadden de volkeren van Gallië ontzaglijke vorderingen gemaakt sedert hun stamgenooten voor het eerst met Rome waren in aanraking gekomen." [26] Zwakheid der Keltische politiek. Maar toch had die aangeboren Keltische beschaving, die in menig opzicht zoo aantrekkelijk was en zooveel beloften inhield, blijkbaar het ééne of andere gebrek of eenige ongeschiktheid, die de Keltische volken belette zich te handhaven tegen de oude beschaving der Grieksch-Romeinsche wereld, of tegen de ruwe jeugdige kracht der Teutoonsche rassen. Wij zullen trachten na te gaan, wat dit was. De classieke staat. Op den bodem van het welslagen der classieke volken lag het begrip der burgerlijke gemeenschap, de [Greek: pholis], de _res publica_, als een soort van goddelijk bestaan, de bron van zegen voor de menschen, om haar ouderdom eerbiedwaardig, maar die toch voortdurend verjongd wordt bij ieder volgend geslacht; een macht, waaraan iedereen gaarne gehoorzaamt omdat hij weet, dat, al worden zijn trouwe diensten niet in de geschiedboeken geboekstaafd en overgeleverd, deze toch zijn eigen kortstondig bestaan zullen overleven en het bestaan van zijn vaderland of vaderstad ten eeuwigen dage zullen verheffen. Met dien geest bezield wees Socrates zijn vrienden, die er op aandrongen, dat hij zijn doodvonnis zou ontgaan door gebruik te maken van de middelen die zij hem aanboden om te ontsnappen, terecht, omdat zij hem aanzetten tot een goddelooze schending der wetten van zijn vaderland. Immers, zoo zeide hij, iemands vaderland is heiliger en eerbiedwaardiger dan vader of moeder, en hij moet kalm aan de wetten gehoorzamen waaraan hij zich heeft onderworpen, om daaronder zijn geheele leven door te brengen, daar hij zich anders den gerechten toorn op den hals haalt van de groote Broeders der aardsche Wetten, de Wetten der Onderwereld, aan wie hij ten slotte rekenschap moet geven van zijn gedrag op aarde. In meerdere of mindere mate maakte die verheven opvatting van den Staat den practischen godsdienst uit van iedereen onder de classieke naties der oudheid, en gaf zij aan den Staat zijn samenhang, zijn geschiktheid zich te handhaven en zich verder te ontwikkelen. Teutoonsche trouw. Bij de Teutonen werd de kracht van samenhang nog versterkt door een andere oorzaak, die bestemd was zich te vermengen met den burgerzin en, daarmede vereenigd--ja zelfs dien dikwijls overheerschend--den voornaamsten politieken factor te vormen bij de ontwikkeling der Europeesche volken. Dit was het gevoel, dat de Germanen bestempelden met den naam van _Treue_, de persoonlijke trouw aan een aanvoerder, die zich in zeer oude tijden uitstrekte tot een koninklijke dynastie, een gevoel dat diep geworteld was in het Teutoonsche karakter, en dat nooit door eenige andere menschlijke drijfveer is overtroffen als bron van heldhaftige zelfopoffering. De godsdienst der Kelten. Geen menschelijke invloeden worden ooit zuiver en onvermengd aangetroffen. Het gevoel van persoonlijke trouw was bij de classieke volken niet onbekend. Het gevoel van burgerzin en vaderlandsliefde schoot, hoewel het bij Teutoonsche rassen slechts langzaam opgroeide, daar eindelijk wortel. Geen van beide eigenschappen, trouw en burgerzin, waren bij de Kelten onbekend, maar er was nog een andere factor, die in hun geval bij hen die eigenschappen overschaduwde en in den groei belemmerde, en voor de politieke bezieling en de macht tot vestiging van een eenheid zooveel mogelijk bouwstoffen leverde, die de classieke volken aan hun vaderlandsliefde en de Teutonen aan hun trouw ontleenden. Die factor was de godsdienst; of misschien zou het juister en nauwkeuriger zijn te spreken van Priesterdienst--dat is godsdienst, in dogma's vastgelegd en door een priesterkaste toegediend. Zooals wij bij Caesar hebben gezien, wiens opmerkingen volkomen zijn bevestigd door Strabo en door hetgeen in Iersche legenden wordt gevonden [27], waren de Druïden de werkelijk souvereine macht in het gebied der Kelten. Alle zaken, openbare zoowel als private, waren aan hun gezag onderworpen, en de straffen die zij konden opleggen, zoo dikwijls een leek zich van hen onafhankelijk trachtte te maken, waren, al berustten zij, wat haar practische beteekenis en uitwerking betrof, evenals in de middeleeuwen de door de Katholieke kerk opgelegde banvloeken, alleen op het bijgeloof der menigte, voldoende, om den meest trotschen geest te buigen. Hier lag de ware zwakheid der Keltische politiek. Er is misschien geen wet, die duidelijker is geschreven in de lessen der geschiedenis, dan dat volken, die geregeerd worden door priesters, welke hun gezag ontleenen aan de goedkeuring van een bovennatuurlijken wil, daardoor ongeschikt worden voor waren nationalen vooruitgang, en wel des te meer, naarmate zij meer onder dien invloed staan. De ongedwongen, gezonde strooming van het wereldlijke leven en de wereldlijke gedachte, is uit den aard der zaak onvereenigbaar met priesterheerschappij. Wat ook de beleden godsdienst moge zijn, zooals Druïdendom, Islamisme, Jodendom, Christendom of Fetichisme, een priesterkaste, die gezag eischt in wereldsche zaken op grond van bovenaardsche bevelen, is onvermijdelijk de vijand van dien geest van criticisme, van dien invloed van nieuwe denkbeelden, van die toeneming van wereldlijke gedachten, van menschelijk en verstandelijk gezag, die de grondvoorwaarden zijn van nationale ontwikkeling. De vervloeking van Tara. Een bijzondere en zeer treffende bevestiging van die waarheid wordt geleverd door de geschiedenis der oude Keltische wereld. In de zesde eeuw na Christus, ruim honderd jaar na de prediking van het Christendom door St. Patrick, regeerde een koning, Dermot MacKerval [28] in Ierland. Hij was de Ard Righ, of Opperkoning van dat land, waarvan het bestuur gevestigd was te Tara, in Meath, en wiens ambt met zijn overmacht in naam en volgens de wet over de vijf provinciale koningen, een beeld gaf van den aandrang, die het Iersche volk dreef naar een ware nationale eenheid. De eerste voorwaarde voor zulk een eenheid was blijkbaar de vestiging van een krachtig centraal gezag. Een dergelijk gezag werd, zooals wij zeiden, in theorie door den opperkoning vertegenwoordigd. Het geschiedde nu, dat één van zijn beambten bij het uitoefenen van zijn plicht vermoord werd door een aanvoerder, Hugh Guairy genaamd. Guairy was de broeder van een bisschop, die een zoogbroeder was van St. Ruadan van Lorrha, en toen koning Dermot het bevel zond den moordenaar gevangen te nemen, werd hij door de geestelijkheid verborgen gehouden. Dermot liet echter naar hem zoeken, rukte hem weg van onder het dak van St. Ruadan en liet hem naar Tara brengen, om daar terecht te staan. Onmiddellijk maakten de geestelijken van Ierland gemeene zaak tegen den leekenkoning, die het gewaagd had een misdadiger, die onder de bescherming der geestelijkheid stond, te doen terecht staan. Zij kwamen te Tara samen, vastten tegenover den koning [29], en vervloekten hem en den zetel van zijn bestuur plechtig. Daarop vertelt ons de kroniekschrijver, dat de vrouw van Dermot een profetischen droom had. "Op de grasvlakte van Tara was een groote, breed gebladerde boom, waaraan elf slaven aan het hakken waren; maar iedere spaander, dien zij er van afhakten, keerde weder op zijn plaats terug en bleef daar vast op zitten, totdat er ten slotte één man kwam, die den boom slechts één slag toebracht, en dien daarbij velde [30]." De schoone boom was de Iersche monarchie, de twaalf houthakkers waren de twaalf Heiligen of Apostels van Ierland, en de eenige, die hem velde, was St. Ruadan. Het pleidooi van den koning voor zijn land, waarvan hij zag, dat het lot in de weegschaal stond, wordt met aandoenlijke kracht en met een helder inzicht door den Ierschen kroniekschrijver geboekstaafd [31]. "Helaas," zeide hij, "wat een onbillijken strijd hebt gij tegen mij aangevangen; het is toch zeker, dat ik het welzijn van Ierland op het oog heb, en dat het mijn doel is de tucht daar te handhaven en de koninklijke rechten, terwijl gij streeft naar de verwarring van Ierland en naar moord en doodslag." Maar Ruadan zeide: "Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn;" en het ontzag voor de priesterlijke vervloeking had de overhand. De misdadiger werd overgeleverd, Tara werd verlaten, en met uitzondering van een korten tijd, toen een krachtige overweldiger, Brian Boru, door geweld de macht in handen kreeg, kende Ierland in werkelijkheid geen wereldlijk bestuur, totdat die het land werd opgelegd door een veroveraar. De laatste woorden der geschiedkundige verhandeling waaruit wij aanhalen, zijn de wanhoopskreten van Dermot, waaraan wij ontleenen: "Wee hem, die met de geestelijkheid der kerken den strijd aanbindt." Wij hebben die gebeurtenis eenigszins uitvoerig beschreven, omdat zij een factor typeert, waarvan wij den grooten invloed op de geschiedenis der Keltische volken kunnen volgen gedurende een reeks van hachelijke gebeurtenissen van den tijd van Julius Caesar tot op onzen tijd. Wij zullen later zien, hoe en waaruit die zich ontwikkelde; genoeg zij het daarop de aandacht te vestigen. Het is een factor, die de nationale ontwikkeling der Kelten in den weg stond, in de beteekenis, die wij daaraan hechten bij de classieke of Teutoonsche volkeren. Wat Europa aan de Kelten te danken heeft. Het zou echter een groote dwaling zijn, als wij op dien grond meenden, dat de Kelten niet een kracht van groote beteekenis in Europa waren geweest. Zij hebben in belangrijke mate bijgedragen tot de cultuur van de westelijke wereld. Gedurende vier eeuwen--omstreeks 500 tot 900 n.C.--was Ierland het toevluchtsoord der wetenschap en de bron van letterkundige en philosofische cultuur voor half Europa. De bouw der verzen in de Keltische poëzie heeft waarschijnlijk de grootste rol gespeeld bij het bepalen van den bouw van alle moderne verzen. De mythen en legenden der Gallische en Cymrische volken wekten de verbeelding op van een aantal dichters van het Vasteland. Trouwens de Kelten schiepen niet zelf eenig litterarisch werk van duurzamen bouw, evenmin als zij een duurzamen of indrukwekkenden nationalen staatsvorm schiepen. Hun denken en hun voelen was in wezen lyrisch en volstrekt niet abstract. Ieder voorwerp of levensbeeld maakte een levendigen indruk op hen en bewoog hen diep; zij waren uiterst gevoelig, en in hooge mate voor indrukken vatbaar, maar zagen de dingen niet in hun breedere en meer ver reikende betrekkingen. Zij hadden weinig geschiktheid voor het organiseeren van instellingen, voor het dienen van beginselen; maar zij waren, en dat zijn zij nog ten huidigen dage, onmisbare en nooit in den steek latende verdedigers der menschelijkheid tegenover de tyrannie van beginselen, de koelheid en de onvruchtbaarheid van instellingen. De instellingen van het koningschap, van burgerzin en vaderlandsliefde, zijn zeer vatbaar om tot onvruchtbare beginselen te worden versteend, en dan de ziel in boeien te leggen in plaats van die te bezielen. Maar de Kelten hadden zich steeds krachtig verzet tegen alles, wat niet den adem des levens in zich had, en tegen elken niet in den geest gegrondvesten en slechts zuiver uitwendigen vorm van overheersching. Het is maar al te waar, dat zij te zeer er naar streefden, de schoone vruchten van het leven te genieten, zonder de lange en geduldige voorbereiding voor den oogst, maar zij hebben een onmetelijken dienst bewezen en zullen dit ook doen aan de moderne wereld, door met kracht het beginsel op den voorgrond te stellen, dat de ware vruchten van het leven een onstoffelijke werkelijkheid zijn, die nooit zonder smart of verlies verduisterd of vergeten kan worden te midden van het groote samenstel eener stoffelijke beschaving. HOOFDSTUK II: DE GODSDIENST DER KELTEN. Ierland en de godsdienst der Kelten. Wij hebben gezegd, dat onder de Keltische volken de Ieren in de voornaamste plaats hierdoor belangrijk zijn, dat zij een aantal kenmerkende trekken van een inheemsche Keltische beschaving gebracht hebben in het licht van het moderne geschiedkundige onderzoek. Er is echter één ding, dat zij niet brachten over de golf, die ons van de oude wereld scheidt, en dat is hun godsdienst. Niet alleen dat zij dien geheel wijzigden; zij lieten dien ouden godsdienst zóó volkomen achter zich, dat elke overlevering daaromtrent verloren is gegaan. St. Patrick, zelf een Kelt, die Ierland tijdens de vijfde eeuw onder den invloed van het Christendom heeft gebracht, heeft ons een autobiografisch verhaal van zijn zending nagelaten, een geschrift van ontzaglijk veel belang en het oudste verhaal, dat omtrent het Christendom van Brittannië is overgebleven; doch dit vertelt ons niets omtrent de leerstellingen, die hij uitroeide en verving. Wij vernemen veel meer omtrent de godsdienstige opvattingen der Kelten door middel van Julius Caesar, die hen van een geheel ander standpunt naderde. De groote hoeveelheid litteratuur, waarin legenden behandeld worden en die haar tegenwoordigen vorm in Ierland innam tusschen de zevende en de twaalfde eeuw, vertoont ons, hoewel zij dikwijls blijkbaar teruggaat tot bronnen, die van vóór het Christendom dagteekenen, behalve een sterk geloof in toovenarij en een gehechtheid aan het volgen van bepaalde ceremonieele en ridderlijke gebruiken, practisch niets dat gelijkt op een godsdienstig of zelfs ethisch stelsel. Wij weten, dat een aantal hoofden en barden gedurende langen tijd weerstand boden aan het nieuwe geloof, en dat dit lange verzet aanleiding gaf tot een beslissing bij den slag bij Moyrath in de zesde eeuw, maar geen echo van eenigen geestesstrijd, geen vergelijken van de ééne leer met de andere, zooals wij bij voorbeeld vinden in de mededeelingen omtrent den strijd van Celsus tegen Origenes, heeft ons uit die periode van verandering en strijd bereikt. De litteratuur van het oude Ierland bevatte, zooals wij zullen zien, een aantal oude mythen, en daarin komen sporen voor den dag van wezens, die op een bepaald oogenblik goden of natuurlijke krachten moeten geweest zijn, maar alles is beroofd van godsdienstige beteekenis, en veranderd in verdichting en uitingen van schoonheid. En toch was er, zooals Caesar ons mededeelt, een zeer goed ontwikkeld godsdienstig stelsel onder de Galliërs, maar wij leeren ook op zijn autoriteit, dat de Britsche eilanden het vertegenwoordigende middelpunt van dit stelsel waren; zij waren, om het zoo uit te drukken, het Rome van den Keltischen godsdienst. Wat de aard en het wezen van dien godsdienst was, moeten wij thans nagaan als een inleiding tot de mythen en legenden, die in meer of minder verwijderden zin daaruit zijn ontstaan. De volksgodsdienst der Kelten. Maar wij moeten allereerst er de aandacht op vestigen, dat de godsdienst der Kelten volstrekt niet zulk een eenvoudige zaak was, en niet wat kort kan worden samengevat tot wat wij "Druïdisme" noemen. Behalve de officiëele godsdienst was er een geheel van populaire vormen en bijgeloovige gebruiken, die uit een diepere en oudere bron afkomstig waren dan het Druïdisme, en die bestemd waren dit langen tijd te overleven, ja zelfs nog thans zijn zij nog lang niet uitgestorven. Het megalithische volk. De godsdiensten van primitieve volken zetelen meestal in of ontleenen hun oorsprong aan plechtigheden en gebruiken, die in verband staan met het begraven van dooden. De oudste volken, die Keltisch grondgebied bewonen, in het westen van Europa, waarvan wij eenige vaststaande kennis bezitten, zijn een ras zonder naam of bekende geschiedenis, maar toch kunnen wij uit hun grafmonumenten, waarvan er nog zooveel bestaan, heel wat omtrent hen te weten komen. Het waren de zoogenaamde megalithische volken [32], de oprichters van dolmens, cromlechs en in kamers verdeelde tumuli, waarvan er in Frankrijk alleen meer dan drieduizend zijn geteld. Dolmens worden gevonden van Scandinavië tot naar het zuiden, in de westelijke landen van Europa tot aan de Straat van Gibraltar en Spanje, en langs de kust der Middellandsche Zee. Zij komen voor op sommige der westelijke eilanden der Middellandsche Zee en worden ook in Griekenland gevonden, waar zelfs nu nog, in Mycene een oude dolmen staat, naast de prachtige grafkamer der Atriden. Men mag in ruwe trekken zeggen, dat, als wij een lijn trekken van de monding van de Rhône naar het noorden tot aan den Varanger Fjord, alle dolmens in Europa, met uitzondering van enkele exemplaren in de Middellandsche Zee, ten westen van die lijn gelegen zijn. Ten oosten van die lijn vinden wij er geen, totdat wij in Azië komen. Maar zij worden weer gevonden aan de overzijde van de Straat van Gibraltar, en wel langs de geheele kust van Noord-Afrika, en van daar in oostelijke richting door Arabië en Indië, tot zelfs in Japan. Dolmens, cromlechs en tumuli. Een Dolmen is een soort van kamer, bestaande uit recht opstaande ongehouwen steenen, die meestal gedekt zijn door één enkelen grooten steen. Gewoonlijk hebben zij in ontwerp den vorm van een wig, en dikwijls kunnen sporen van een voorhof of vestibule worden waargenomen. De oorspronkelijke bedoeling van den dolmen was, een huis of woonplaats voor den doode voor te stellen. Een cromlech (in het gewone spraakgebruik dikwijls met een dolmen verward) is eigenlijk een in een cirkelvormigen kring geplaatste verzameling van rechtop staande steenen, meestal met een dolmen in het midden. Men is van meening, dat de meeste, zoo niet al de nu blootgestelde dolmens oorspronkelijk gedekt waren met een groote aardhoogte of met kleinere steenen. Dikwijls, zooals in de hier gegeven teekening, zijn groote lanen of wegen gevormd van rechtop geplaatste, op zich zelf staande steenen, en deze hadden ongetwijfeld de één of andere bedoeling, die in verband stond met de godsdienstige gebruiken, welke op die plaats in zwang waren. De latere megalithische monumenten, zooals te Stonehenge, mogen al van gehouwen steen vervaardigd zijn, maar in ieder geval vertoonen de ruwheid van constructie, de afwezigheid van eenige beeldhouwkunst (met uitzondering van de teekeningen of symbolen die op de oppervlakte gehouwen zijn), de blijkbare bedoeling om een machtigen indruk te maken door de ruwe kracht van ontzaglijke monolithische massa's, en niet minder geven enkele bepaalde bijkomende kenmerkende eigenschappen in hun plan, die later zullen beschreven worden, aan deze megalithische monumenten een merkwaardige familiegelijkenis, en onderscheiden hen van de in kamers verdeelde graftomben der oude Grieken, Egyptenaren en andere meer gevorderde rassen. De eigenlijke dolmens maakten ten slotte plaats voor groote in kamers verdeelde aardhoogten of tumuli, zooals te New Grange, die wij ook rekenen als te behooren aan het megalithische volk. Zij zijn een natuurlijke ontwikkeling van den dolmen. De oudste dolmenbouwers waren op den neolithischen trap van beschaving, hun wapens waren van gepolijsten steen. Maar in de tumuli werd niet alleen steen, maar ook brons, en zelfs ijzer gevonden--in het begin, zooals duidelijk blijkt, van buiten ingevoerd, maar later in dat gebied vervaardigd. Oorsprong van de megalithische bevolking. Omtrent de taal, die oorspronkelijk door dat volk werd gesproken, kunnen wij alleen iets afleiden uit de sporen, die daarvan zijn overgebleven in die van hun veroveraars, de Kelten. Maar een kaart van de verspreiding hunner monumenten wekt onweerstaanbaar de gedachte op, dat de bouwmeesters van die monumenten van Noord-Afrikaanschen oorsprong waren; dat zij oorspronkelijk niet gewoon waren over groote uitgestrektheden de zee over te trekken; dat zij in westelijke richting trokken langs Noord-Afrika, dat zij naar Europa overstaken daar waar bij Gibraltar de Middellandsche Zee zich vernauwt tot een straat van slechts enkele mijlen breedte, en dat zij zich van daar uit verspreidden over de westelijke landen van Europa, met inbegrip der Britsche eilanden, terwijl zij in oostelijke richting door Arabië tot in Azië doordrongen. Wij moeten echter in het oog houden, dat, terwijl het megalithische volk oorspronkelijk zonder twijfel een afzonderlijk ras was, het ten slotte niet een ras, maar een bepaalde cultuur vertegenwoordigde. De menschelijke overblijfselen, die in die graven zijn gevonden, met hun groote verschillen in den vorm van den schedel, enz. zijn daarvan het duidelijke bewijs. [33] Deze en andere overblijfselen wijzen er op, dat de dolmenbouwers in het algemeen een hoogstaand en goed ontwikkeld type waren, op de hoogte van landbouw, veeteelt en ook eenigszins van zeevaart. De monumenten zelf, die dikwijls indrukwekkende afmetingen hebben en het bewijs leveren van veel nadenkens en goed georganiseerde samenwerking bij hun bouw, wijzen ontwijfelbaar aan, dat in die periode een priesterdom bestond, dat belast was met de zorg voor begrafenisplechtigheden, en dat geschikt was groote menschenmassa's te beheerschen. Hun dooden werden in den regel niet begraven, maar in hun geheel verbrand; de grootere monumenten wezen ongetwijfeld de graven aan van aanzienlijke personen, terwijl het gemeene volk begraven werd in graftomben, waarvan geen sporen meer bestaan. De Kelten der vlakten. De Jubainville houdt in zijn beschrijving van de oudste geschiedenis der Kelten alleen rekening met twee hoofdgroepen--de Kelten en de megalithische bevolking. Maar Bertrand maakt in zijn verdienstelijk werk "La Religion des Gaulois" onderscheid tusschen twee elementen onder de Kelten zelf. Behalve de megalithische bevolking zijn er nog twee groepen van Kelten, die van de vlakten en die van de bergen. De Kelten uit de vlakten waren volgens zijn opvatting afkomstig van den Donau en kwamen waarschijnlijk reeds omstreeks 1200 v.C. in Gallië. Zij waren de stichters der paalwoningen in Zwitserland, in de vallei van den Donau en in Ierland. Zij kenden het gebruik van metalen en bewerkten goud, tin, brons, en tegen het einde van die periode ook ijzer. In afwijking van de megalithische bevolking, spraken zij een Keltische taal, [34] hoewel het schijnt, dat Bertrand hun volkomen rasovereenkomst met de echte Kelten betwijfelt. Zij waren misschien langzamerhand Kelten geworden, in plaats van oorspronkelijk echte Kelten te zijn. Zij waren niet oorlogszuchtig; het was een rustig volk van veehoeders, landbouwers en ambachtslieden. Zij begroeven hun dooden niet, maar verbrandden ze. In een groote nederzetting van hen, te Golasecca, in Gallia Cisalpina, zijn 6000 graven gevonden. Bij al deze was het lijk verbrand; er was dan ook geen enkele begrafenis, waar het lijk niet vooraf verbrand was. Dat volk trok (zooals Bertrand beweert), niet als veroveraars Gallië binnen, maar door zich geleidelijk daar te nestelen, en de leege plaatsen in te nemen, waar zij die in valleien en vlakten vonden. Zij kwamen over de Alpenpassen, en hun plaats van vertrek was het land van den Boven-Donau, dat zooals Herodotus zegt "onder de Kelten oprijst." Zij vermengden zich vreedzaam met de megalithische bevolking, waaronder zij zich nederzetten, en brachten niet tot ontwikkeling eenige van die reeds in aanzien gekomen politieke instellingen, die alleen door den oorlog groeien, maar waarschijnlijk droegen zij krachtig bij tot de ontwikkeling van het Druïdische stelsel van godsdienst en van de bardenpoëzie. De Kelten uit de berglanden. Wij hebben eindelijk nog een derde groep, en wel de echte Keltische groep, die het spoor van de tweede op den voet volgde. Het was in het begin der zesde eeuw, dat deze het eerst ten tooneele verscheen op den linkeroever van den Rijn. Terwijl Bertrand de tweede groep Keltisch noemt, noemt hij de laatste Galatisch, en vereenzelvigt hij die met de Galaten der Grieken en met de Galliërs en de Belgen der Romeinen. De tweede groep waren, zooals wij zeiden, Kelten uit de vlakten. De derde groep waren Kelten uit de bergstreken. De eerste woonplaats, die wij van hen kennen, waren de bergketenen van den Balkan en de Karpathen. Hun organisatie was die van een militaire aristocratie--zij speelden de baas over de onder hen staande bevolking, op wier kosten zij leefden door schatting of plundering. Zij zijn de oorlogszuchtige Kelten der oude geschiedenis--de plunderaars van Rome en van Delphi, de huurlingen, die voor soldij en uit lust voor den oorlog streden in de rijen der Carthagers en later der Romeinen. Zij hadden een minachting voor landbouw en industrie, hun vrouwen beploegden de akkers, en onder hun heerschappij werd de lagere bevolking bijna tot slavernij teruggebracht; "plebs paene servorum habetur loco," zooals Caesar ons verhaalt. Alleen Ierland ontkwam eeniger mate aan de onderdrukking dier militaire aristocratie, en aan de scherpe scheidingslijn, die door deze tusschen de beide klassen werd getrokken, maar toch wordt zelfs daar een weerspiegeling gevonden van den toestand, zooals die in Gallië bestond, zelfs daar vinden wij vrije en onvrije stammen, en onderdrukking en onteerende afpersingen van de zijde der heerschende klasse. En toch, al had die heerschende klasse enkele der ondeugden, die onbeteugelde kracht eigen zijn, zij had eveneens vele edele en humane eigenschappen. Zij waren ontzaglijk dapper, wonderlijk ridderlijk, uiterst gevoelig voor poëzie en muziek, en hadden zin voor bespiegelende gedachten. Posidonius vond, dat het bardendom onder hen bloeide in de eerste eeuw v.C., en omstreeks twee honderd jaar vroeger beschrijft Hecataeus van Abdera de met zorg uitgevoerde, met muziek gepaarde godsdienstplechtigheden, door de Kelten op een eiland in het westen--waarschijnlijk Groot-Brittannië--gevierd ter eere van hun god Apollo [35]. Als meest Arische der Ariërs, hadden zij de stof in zich voor een groote en vooruitstrevende natie; maar het Druïdische stelsel--niet wat zijn wijsbegeerte en wetenschap betreft, maar wel zijn priesterlijk-politieke organisatie--was hun verderf, en hun noodlottige zwakheid was, dat zij zich daaraan onderwierpen. De beschaving dier Kelten uit de berglanden verschilde zeer kenmerkend van die der Kelten uit de vlakten. Zij waren uit het ijzeren, niet uit het bronzen tijdperk; hun dooden werden niet verbrand (wat zij als een schande beschouwden), maar begraven. De landstreken, door hen gewelddadig in bezit genomen, waren Zwitserland, Bourgondië, de Palts en noordelijk Frankrijk, gedeelten van Brittannië in het westen, en Galatië en Illyrië in het oosten, maar kleinere groepen van hen moeten wijd en zijd over het geheele Keltische grondgebied zijn binnengedrongen, en een overheerschend standpunt hebben ingenomen overal waar zij kwamen. Er waren, zooals Caesar zegt, drie volken, die Gallië bewoonden, toen hij met zijn verovering begon: "zij verschillen onderling in taal, gebruiken en wetten". Hij noemde die volken respectievelijk de Belgen, de Kelten en de Aquitaniërs. Hij stelt in ruwe trekken hun woonplaats vast, die der Belgen in het noorden en oosten, die der Kelten in het midden, die der Aquitaniërs in het westen en het zuiden. De Belgen zijn de Galaten van Bertrand, terwijl de Aquitaniërs de megalithische bevolking uitmaken. Zij waren uit den aard der zaak allen meer of minder onder den invloed der Kelten gebracht, en de verschillen in taal, die Caesar opmerkte, behoeven niet groot geweest te zijn; toch is het de aandacht waard,--en dat is volkomen in overeenstemming met de opvattingen van Bertrand,--dat Strabo van de Aquitaniërs mededeelt, dat zij duidelijk afweken van de overige bewoners, en overeenkomst hadden met de Iberiërs. De taal der overige Gallische volken, zoo voegt hij er uitdrukkelijk bij, was niets anders dan dialecten van dezelfde taal. De godsdienst der toovenarij. Die drievoudige verdeeling weerspiegelt zich min of meer in alle Keltische landen en moet steeds in het oog gehouden worden, zoo dikwijls wij spreken van Keltische denkbeelden en Keltischen godsdienst en trachten na te gaan, in hoeverre de Keltische volken tot de Europeesche beschaving hebben bijgedragen. De mythen- en legendenlitteratuur en de kunst der Kelten hebben waarschijnlijk hoofdzakelijk haar oorsprong ontleend aan dat gedeelte, dat wordt vertegenwoordigd door de Kelten uit de vlakten, zooals Bertrand die noemt. Maar die letterkunde van gezangen en mythen werd voortgebracht door de klasse der barden ten genoege en tot leering van een trotsche, ridderlijke en oorlogszuchtige aristocratie, en moest zich dan onvermijdelijk gevormd hebben naar de denkbeelden van die aristocratie. Maar zij moest eveneens gekleurd zijn door den diep ingrijpenden invloed der godsdienstige denkbeelden en gebruiken, die door de megalithische bevolking werden gevolgd--denkbeelden, die nu langzaam verbleeken in het opkomende daglicht der wetenschap. Die denkbeelden kunnen worden samengevat in het ééne woord "toovenarij." Wij moeten thans den aard van dien godsdienst der magie in het kort bespreken, immers hij was een machtig element bij de vorming van de meeste van die mythen en legenden, die wij later moeten behandelen. En, zooals professor Bury opmerkte in zijn inaugureele redevoering te Cambridge in 1903: "Wanneer wij de allermoeilijkste van alle onderzoekingen, het ethische vraagstuk, de rol door het ras gespeeld in de ontwikkeling der volken en de gevolgen van rassenvermenging willen ter hand nemen, dan moeten wij wel in het oog houden, dat de Keltische wereld één der voornaamste toegangswegen beheerscht, die leiden naar die geheimzinnige prae-Arische voorwereld, waarvan wij moderne Europeanen misschien wel veel meer hebben geërfd, dan wij zouden vermoeden." De eigenlijke wortel van het woord "magie" is onbekend, maar het is onmiddellijk afgeleid van de Magi, of priesters van Chaldea en Medië in prae-Arische en prae-Semitische tijden, die de voornaamste dragers waren van dat stelsel van denkbeelden, dat zoo eigenaardig vermengd is met bijgeloof, wijsbegeerte en wetenschappelijke waarneming. De fundamenteele opvatting der magie is die van de geestelijke levenskracht der geheele natuur. Die geestelijke levenskracht werd niet, zooals bij het polytheïsme, van de natuur gescheiden gedacht in afzonderlijke goddelijke persoonlijkheden. Zij was opgesloten in en innerlijk vastgehecht aan de natuur; zij was duister, onbepaald en bekleed met al het ontzagwekkende van een pracht, waarvan de grenzen en de aard in een ondoorgrondelijke geheimzinnigheid gehuld zijn. In haar meer verwijderden oorsprong was zij, zooals een aantal feiten schijnen aan te toonen, verbonden met de doodenvereering, immers de dood werd beschouwd als de terugkeer tot de natuur, en als een bekleeding met onbestemde en niet te controleeren machten van een geestelijke kracht, die vroeger belichaamd was in den concreten, begrensden, handelbaren, en daarom minder angstwekkenden vorm van een levende menschelijke persoonlijkheid. Toch waren die machten niet geheel buiten controle. De begeerte naar controleering, zoowel als het zoeken naar de middelen, om dit tot stand te brengen, ontleende het aanzijn aan de eerste ruwe toepassingen der geneeskunde. Geneesmiddelen van den één of anderen aard behoorden tot één der eerste behoeften van den mensch. En de kracht van zekere aan de natuur ontleende stoffen, hetzij uit het delfstoffen-, hetzij uit het plantenrijk, om te werken zoowel op het lichaam als op den geest, en wel op een wijze, die dikwijls schrik en ontsteltenis veroorzaakte, werd uit den aard der zaak opgevat als een duidelijk bewijs van wat wij de "magische" opvatting van het heelal zouden kunnen noemen. [36] De eerste toovenaars waren zij, die een bepaalde kennis hadden verkregen van geneeskundige vergiftige kruiden; maar daar de één of andere kracht werd toegeschreven aan ieder voorwerp en ieder verschijnsel in de natuur, moest er een soort van magische wetenschap ontstaan, gedeeltelijk de vrucht van het echte onderzoek, gedeeltelijk van dichterlijke verbeelding, gedeeltelijk van priesterbedrog, welke magische wetenschap vastgelegd werd in godsdienstige gebruiken en formules, gebonden aan bepaalde plaatsen en voorwerpen en door symbolen voorgesteld. Dit geheele onderwerp is door Plinius behandeld in een merkwaardig stuk, dat wij om het groote belang uitvoerig aanhalen: Plinius over den godsdienst der magie. "De magie is één der weinige zaken, die de moeite loonen ze eenigszins uitgebreid te bespreken, al ware het alleen hierom, omdat zij, hoewel de meest bedriegelijke van alle kunsten, overal en ten alle tijde groot vertrouwen heeft ingeboezemd. En het is ook niet te verwonderen, dat zij een grooten invloed heeft gekregen, want zij heeft drie kunsten in zich vereenigd, die de grootste heerschappij hebben verkregen over den geest van den mensch. Terwijl zij in de eerste plaats uit de geneeskunde is ontstaan--een feit dat door niemand kan worden betwijfeld--en onder den schijn van bezorgdheid voor onze gezondheid, is zij in den geest doorgedrongen, en heeft zij den vorm aangenomen van een ander geneesmiddel, dat heiliger en inniger is. In de tweede plaats heeft zij, als draagster van de meest verleidelijke en vleiende beloften, den godsdienst als beweegreden aangenomen, over welk onderwerp de menschheid zelfs in onze dagen nog zeer in het duister verkeert. En om op dit alles de kroon te zetten, heeft zij haar toevlucht genomen tot de sterrenwichelarij, en iedereen verlangt er vurig naar, de toekomst te leeren kennen en is er van overtuigd, dat die kennis zonder eenigen twijfel van den hemel is te verkrijgen. Daar zij dus den geest der menschen in die driedubbele boei gekluisterd houdt, heeft zij haar heerschappij uitgestrekt over een aantal volken, en de Koningen der Koningen in het oosten gehoorzamen er aan. "Zij is ongetwijfeld in het oosten uitgevonden--in Perzië en door Zoroaster [37]. Alle gezaghebbenden zijn het daarover eens. Maar is er niet meer dan één Zoroaster geweest?... Ik heb opgemerkt, dat men reeds in oude tijden, ja zelfs bijna altijd, menschen heeft gevonden, die in die wetenschap het toppunt van letterkundigen roem hebben gevonden--ten minste Pythagoras, Empedocles, Democritus en Plato zijn de zeeën overgetrokken, inderdaad meer als ballingen dan als reizigers, om zich daarvan op de hoogte te stellen. En als zij daarna in hun geboorteland terugkeerden, verhieven zij zich op hun kennis der magie en handhaafden zij haar geheime leer.... Bij de Latijnsche volken vindt men reeds vroeg sporen daarvan, zooals bij voorbeeld in onze Wetten der Twaalf Tafelen [38] en andere monumenten, zooals ik in een vroeger boek heb gezegd. Inderdaad was het eerst in het jaar 657 na de stichting van Rome, onder het consulaat van Cornelius Lentulus Crassus, dat het door een _senatus consultum_ verboden was menschelijke wezens te offeren, waaruit duidelijk blijkt, dat tot op dien tijd afschuwelijke offers werden gebracht. De Galliërs zijn onder de bekoring er van gekomen, en dat wel zelfs tot op onze dagen, immers was het keizer Tiberius, die de Druïden afschafte en de geheele bende van profeten en medicijnmeesters. Maar wat voor nut heeft het, verbodsbepalingen uit te vaardigen tegen een kunst, die den oceaan is overgetrokken en zelfs tot aan de grenzen der Natuur is doorgedrongen?" (_Hist. Nat._ XXX). Plinius voegt daaraan toe, dat de eerste, van wien hij met zekerheid kan uitmaken, dat hij over dat onderwerp heeft geschreven, Osthanes is geweest, die Xerxes heeft vergezeld op zijn krijgstocht tegen de Grieken, en die de "kiemen van zijn gedrochtelijke kunst" heeft verbreid overal waar hij in Europa kwam. De magie was--zoo meende Plinius--noch inheemsch in Griekenland, noch in Italië, maar was in Brittannië zóózeer ingeworteld, en daar beoefend met zóó uitgewerkte en met zorg beoefende ceremoniën, dat Plinius zegt, dat men haast zou meenen, dat het de Britten waren, die haar aan de Perzen, en niet de Perzen, die haar aan de Britten hadden onderwezen. Sporen van magie in megalithische monumenten. De indrukwekkende overblijfselen van hun godenvereering, die ons zijn nagelaten door de megalithische bevolking, zijn vol aanwijzingen omtrent hun godsdienst. Nemen wij als voorbeeld den merkwaardigen tumulus van Mané-er-H'oeck, in Bretagne. Dat monument was in het jaar 1864 door René Galles onderzocht, die het als volkomen ongeschonden beschrijft--de oppervlakte van den grond was nog onaangeroerd, en alles was zooals de oprichters hem hadden achtergelaten [39]. Aan den ingang der rechthoekige kamer was een gebeeldhouwde steenen plaat, waarop een geheimzinnig teeken was gegraveerd, misschien wel de totem van een der voormannen. Zoodra men de kamer binnentrad, vond men een prachtigen oorhanger van groen jaspis, ter grootte van een ei. Op den grond in het midden der kamer was een zeer merkwaardige groep, bestaande uit een grooteren ring van jadiet, eenigszins ovaal van vorm met een prachtig bovenstuk van een bijl, eveneens van jadiet, waarvan de punt op den ring rustte. De bijl was een zeer bekend symbool van macht of van een godheid en wordt dikwijls gevonden als snijwerk in rotsen, uit het Bronzen Tijdperk, en ook op Egyptische hiëroglyphen, Minoïsch snijwerk, enz. Op korten afstand daar vandaan lagen twee groote oorhangers van jaspis, vervolgens een bovenstuk van een bijl van wit jadiet [40], en ten slotte nog een oorhanger van jaspis. Al die voorwerpen waren met een blijkbare bedoeling _op een rij_ gerangschikt, en vormden een rechte lijn, die nauwkeurig samenviel met één der diagonalen van de kamer, van het noordwesten naar het zuidoosten. In één der hoeken van de kamer vond men 101 bovenstukken van bijlen in jadiet en fibroliet. Er waren geen sporen van beenderen of asch, en evenmin vond men er een grafvorm, het geheel was een cenotaaf. "Staan wij," zoo vraagt Bertrand, "hier niet tegenover een godsdienstplechtigheid, die met de magie samenhangt?" Chiromantie of handwaarzeggerij te Gavr'inis. In verband met het groote grafmonument te Gavr'inis was een zeer merkwaardige waarneming gedaan door Albert Maitre, inspecteur van het Musée des Antiquités Nationales. Er werden daar--zooals gewoonlijk bij andere megalithische monumenten in Ierland en Schotland--een aantal steenen gevonden, die gegraveerd waren met een merkwaardig en karakteristiek patroon in golvende en concentrische lijnen. Indien men nu de merkwaardige lijnen op de vingers onder een lens beschouwt, zal men vinden, dat deze volmaakt gelijken op die patronen der megalithische graveerkunst. De ééne schijnt wel een volkomen afdruk van de andere te zijn. Die lijnen op de menschenhand zijn zóó duidelijk en eigenaardig, dat zij, zooals bekend is, zijn aangenomen als een middel, om de identiteit van misdadigers vast te stellen. Kon die groote gelijkenis het gevolg van toeval zijn? Er is nooit iets gevonden, dat met die eigenaardige verzameling van gegraveerde lijnen overeenkomt, behalve in verband met deze monumenten. Hebben wij hier niet te doen met iets dat met chiromantie in betrekking staat--een magische kunst, die in oude en zelfs in moderne tijden veel beoefend werd? De hand als een symbool van macht was een zeer bekend magisch zinnebeeld, en heeft zelfs in ruime mate haar intrede gedaan in het Christelijke symbolisme--zooals bij voorbeeld de groote hand, gegraveerd op het ondergedeelte van één der armen van het Kruis van Muiredach te Monasterboice. Uitgeholde steenen. Een andere merkwaardigheid, die tot nu toe niet is verklaard en die gevonden wordt bij een aantal van die monumenten van westelijk Europa tot aan Indië, is de aanwezigheid van een klein gat, dat door één der steenen is geboord, die de kamer vormen. Was het een opening, die bestemd was voor den geest der dooden? Of diende zij om hun offers te brengen? Ofwel was het de weg, waarlangs men meende, dat openbaringen uit de geestenwereld naar een priester of toovenaar werden overgebracht? Of dienden zij voor ieder van die doeleinden? Uitgeholde steenen, die geen deel uitmaakten van een dolmen, behooren uit den aard der zaak tot de meest gewone overblijfselen der oude godsdienstige gebruiken, en worden nog steeds vereerd en gebruikt bij plechtigheden, die in verband staan met zwangerschap en dergelijke. Hier moeten wij het zinnebeeld zonder eenigen twijfel verklaren als iets, dat met de geslachten in verband staat. Vereering van steenen. Behalve de hemellichamen vinden wij, dat ook rivieren, boomen, bergen en steenen bij dat primitieve volk het voorwerp van vereering waren. De vereering van steenen in het bijzonder kwam algemeen voor; zij is niet zoo gemakkelijk te verklaren als de vereering, bewezen aan voorwerpen, die beweging en levenskracht bezitten. Misschien kan een verklaring voor de vereering, verbonden met groote, op zich zelf staande massa's van ongehouwen steen, gevonden worden in haar gelijkenis met de kunstmatige dolmens en cromlechs [41]. Geen enkele vorm van bijgeloof heeft zoolang standgehouden. Het blijkt, dat in het jaar 452 n.C. de Synode van Arles diegenen bedreigde, die "boomen, putten en steenen aanbaden," en die bedreiging werd herhaald door Karel den Groote en door een aantal Synodes en Concilies tot op onzen tijd. Toch blijkt uit een teekening, die wij hier weergeven, en die enkele jaren geleden op de plaats zelf door Arthur G. Bell werd vervaardigd, dat diezelfde wijze van aanbidding in Bretagne nog in volle kracht is; wij zien hier, hoe de symbolen en de priesterlijke organisatie der Christenheid thans in den dienst zijn gesteld van dit onheugelijk oude heidendom. Volgens Bell neemt de geestelijkheid met veel tegenzin deel aan die plechtigheden, maar wordt zij daartoe gedwongen door de publieke opinie daar ter plaatse. Heilige bronnen, waarvan het water volgens de openbare meening ziekten geneest, zijn nog in grooten getale in Ierland aanwezig, en de vereering van het water van Lourdes, kan, in weerwil dat de Kerk er haar goedkeuring aan gehecht heeft, als een toepasselijk voorbeeld op het vasteland worden beschouwd. Teekens in den vorm van schotels en ringen. Een ander merkwaardig zinnebeeld, waarvan de beteekenis tot nu toe nog in het duister ligt, komt herhaaldelijk voor in verband met megalithische monumenten. De hier opgenomen teekeningen geven daarvan voorbeelden. Op de oppervlakte van den steen zijn holten gemaakt in den vorm van schotels; deze zijn dikwijls omgeven met concentrische ringen, en van den schotel loopen één of meer lijnen van het middelpunt naar een punt buiten den omtrek der ringen. Somtijds is een stelsel van die schotels door die lijnen vereenigd, maar meer komt het voor, dat zij iets buiten den wijdsten van de ringen eindigen. Die vreemde teekens worden niet alleen gevonden in Groot-Brittannië en Ierland en in Bretagne, maar ook in verschillende plaatsen van Indië, waar zij _mahadéos_ [42] heeten. Wij hebben ook een merkwaardig voorbeeld--want dit schijnt het inderdaad te zijn--gevonden in Dupaix "Monumenten van Nieuw Spanje." Het is weergegeven in "de Oudheden van Mexico," deel IV, van Lord Kingsborough. Op den cirkelvormigen top van een cilindervormigen steen, bekend als de "Steen van het Zegevieren" is in het midden een schotel, gegraveerd met negen concentrische cirkels daar omheen, en een geleibuis of kanaal, getrokken van den schotel af door al de cirkels heen tot aan den rand. Behalve dat het patroon hier rijk versierd en nauwkeurig geteekend is, gelijkt het nauwkeurig op een typisch Europeesch teeken. Men kan er nauwelijks aan twijfelen, dat die teekens een beteekenis hebben, en dat zij overal waar zij gevonden worden ook hetzelfde beteekenen, maar nog steeds blijft het voor de oudheidkundigen een raadsel, die beteekenis te doorgronden. Misschien is de gissing niet te gewaagd, dat het schetsen of plannen zijn van een megalithisch graf. De binnenste holte stelt de eigenlijke plaats van het graf voor. De cirkels zijn de opgerichte steenen, grachten en wallen, die er dikwijls omheen liepen; en de lijn of gang, die van het midden naar den rand is getrokken, stelt den onderaardschen toegang van het graf voor. Dat die "gang" inderdaad den toegang bedoelt, blijkt duidelijk uit de verschillende vormen, die wij aan Simpson ontleenen. Daar het graf tevens een heilige plaats of tempel was, is het natuurlijk, dat die voorgesteld wordt onder ander snijwerk van gewijden aard; het zal wel een symbolische vorm zijn, om uit te drukken, dat de plaats gewijde grond was. Wij kunnen onmogelijk zeggen, in hoeverre deze opvatting op het Mexicaansche model van toepassing is. De tumulus te New Grange. Eén der belangrijkste en rijkst gebeeldhouwde der Europeesche megalithische monumenten is de groote in kamers verdeelde tumulus te New Grange aan den noordelijken oever van de Boyne, in Ierland. Die tumulus, en de andere, die in de nabijheid gevonden worden, komen in de oude Iersche mythische litteratuur in twee verschillende karakters voor, waarvan de verbinding veelbeteekenend is. Zij worden eensdeels beschouwd als de verblijfplaatsen der _Sidhe_, of feeën, die waarschijnlijk de godheden der oude Ieren voorstellen, en zij zijn eveneens volgens de overleveringen de begraafplaatsen der Keltische opperkoningen van het heidensche Ierland. Het verhaal der begrafenis van koning Cormac, die ondersteld werd omtrent den Christelijken godsdienst te zijn ingelicht lang voordat deze werkelijk in Ierland door St. Patrick was gepredikt, en die verbood, dat men hem zou begraven op het koninklijke kerkhof aan de Boyne, omdat daaraan heidensche overleveringen waren verbonden, wijst er op, dat die plaats het middelpunt was van een heidenschen eeredienst, die meer in zich sloot dan eenvoudig een begraven van koninklijke personen binnen zijn gebied. Ongelukkiger wijze zijn die monumenten niet ongeschonden; zij zijn in de negende eeuw geopend en geplunderd door de Denen [43], maar er zijn nog bewijzen genoeg aanwezig, die aantoonen, dat zij oorspronkelijk als begraafplaatsen dienden, en in verband stonden met den eeredienst van een primitieven godsdienst. De belangrijkste van deze, de tumulus van New Grange, is geheel en al onderzocht en beschreven door George Coffey, den bewaarder der verzameling van Keltische oudheden in het Nationale Museum te Dublin [44]. Aan den buitenkant gelijkt hij op een groote aardhoogte of een heuvel, die nu met struiken is begroeid. Zijn grootste middellijn is 280 Engelsche voet en hij is ongeveer 44 voet hoog. Daarbuiten loopt een wijde kring van steenen, die oorspronkelijk rechtop schijnen te hebben gestaan, vijf en dertig in getal. Binnen dien kring bevindt zich een gracht en een wal, en boven op dien wal was een cirkelvormige rand van groote steenen gelegd, ter lengte van acht tot tien voet, op den kant gelegd, die een groote aardhoogte begrensden, welke later gebleken is uit losse steenen te bestaan, die nu, zooals wij gezien hebben, geheel begroeid zijn met gras en struiken. Doch het groote belang van dat monument is gelegen in het inwendige van die aardhoogte. Omstreeks het einde van de zeventiende eeuw kwamen enkele werklieden, die van die aardhoogte materiaal haalden voor den weg, toevallig aan den ingang die naar een gaanderij naar binnen leidde, en die zich kenmerkte door het feit, dat de grenssteen daaronder rijk gebeeldhouwd was met spiralen en ruitvormige figuren. Die ingang is juist op het zuid-oosten gelegen. De gaanderij is gevormd uit rechtopstaande platen van ongehouwen steen, gedekt met dergelijke platen, en wisselt af van omstreeks 5 tot 6 Engelsche voet in hoogte; zij is 3 voet breed, en loopt over een lengte van 62 voet tot recht binnen in de aardhoogte. Hier eindigt zij in een kruisvormige kamer ter hoogte van 20 voet, waarvan de zoldering, een soort koepel, gevormd is van groote, platte steenen, die alle naar het midden gericht zijn, waar zij elkander bijna aan den top ontmoeten, en waar een groote platte steen alles bedekt. In ieder der drie inhammen van de kruisvormige kamer staat een groote steenen bekken, of een ruwe sarcophaag, doch er is geen spoor van eenige begrafenis daar overgebleven. Symbolisch beeldhouwwerk te New Grange. De steenen zijn alle ruw en onbewerkt, en waren voor het doel waarvoor zij dienden gekozen uit de bedding der rivier en andere plaatsen uit de onmiddellijke nabijheid. Op hun glad oppervlak, dat verkregen werd door platen te hakken uit de oorspronkelijke steengroeven, worden de beeldhouwwerken gevonden, die het eenige belangrijke uitmaken van dat vreemde monument. Met uitzondering van den grooten steen met spiraalvormig graveerwerk en een anderen aan den ingang van de aardhoogte, schijnt dat beeldhouwwerk niet de bedoeling gehad te hebben, als decoratief werk te dienen, behalve in een zeer ruwen en primitieven zin. Er is volstrekt geen poging bij, om een bepaalde oppervlakte te bedekken met een stelsel van versieringen, dat in overeenstemming is met haar grootte en vorm. De patronen zijn als het ware er op gekrabbeld op willekeurige wijze en op willekeurige plaatsen. [45] Onder deze is overal de spiraal overheerschend. De gelijkenis van enkele dier figuren met de onderstelde vingerafdrukken op de steenen te Gavr'inis is zeer merkwaardig. Driedubbele en dubbele spiralen worden er eveneens gevonden, zoowel als ruiten en zigzaglijnen. In den westelijken inham vindt men een merkwaardige ingesneden figuur, die gelijkt op een palmtak of een blad van een varen. De teekening van dat voorwerp is naturalistisch, en het is moeilijk die te verklaren, zooals Coffey geneigd is te doen, als niets anders dan een stuk van een zoogenaamd patroon van een "haringgraat." [46] Een dergelijk patroon van een palmblad, waarvan echter de nerven loodrecht op de centrale as zijn gerangschikt, vindt men in den naburigen grafheuvel van Dowth, te Loughcrew, en verbonden met een zonnezinnebeeld, de Swastika, op een klein altaar in de Pyreneën, voorgesteld door Bertrand. Het schipsymbool te New Grange. Een ander merkwaardige, en voor zoover Ierland betreft, zeer ongewone teekening vindt men gebeeldhouwd, in den werkelijken inham te New Grange. Door verschillende geleerden is zij verklaard als een metselaarswerk, als een stuk Phoenicisch schrift, een groep cijfers, en ten slotte (en waarschijnlijk terecht) door George Coffey als een ruwe voorstelling van een schip met mannen aan boord en met volle zeilen. Opmerkelijk is, dat juist daarboven een kleine cirkel is, die blijkbaar een deel van het patroon vormt. Een tweede voorbeeld vindt men in Dowth. De beteekenis van dat teeken is, zooals wij zullen zien, zeer groot. Men heeft ontdekt, dat er op bepaalde steenen in den grafheuvel van Locmariaker, in Bretagne [47] een aantal figuren voorkomen, die daarmede veel overeenkomst hebben, waarvan één den cirkel doet zien op een overeenkomstige plaats als te New Grange. De bijl, een Egyptische hiëroglyph voor de godheid en een zeer bekend magisch zinnebeeld, is eveneens op dien steen voorgesteld. Zoo vindt men ook in een brochure van Dr. Oscar Montelius over het beelhouwwerk op de rotsen van Zweden [48], een reproductie (die ook voorkomt in "Het Viking-Tijdperk" van DuChaillu) van een ruwe teekening op een rots, die ons een aantal schepen doet zien, met mannen aan boord, en met den cirkel, waarin twee loodrecht op elkander geplaatste middellijnen als kruis geteekend zijn--onmiskenbaar een zonnezinnebeeld--vlak boven hen. Dat die schepen (die, evenals het Iersche voorbeeld, dikwijls zóó ruw en oppervlakkig zijn voorgesteld dat het niets anders dan symbolen zijn, die niemand als schepen zou herkennen, als de sleutel niet gegeven was door andere, meer uitgewerkte teekeningen) zoo dikwijls in verband met de zonneschijf geteekend zijn, louter als tijdverdrijf of met een zuiver decoratief doel, schijnt ons hoogst onwaarschijnlijk toe. In de dagen der megalithische bevolking zou een grafmonument, het brandpunt van godsdienstige denkbeelden, waarschijnlijk niet bedekt zijn met nuttelooze en nietsbeteekenende krabbels. "De mensch heeft," zooals Sir J. Simpson terecht heeft gezegd, "altijd heilige dingen en dingen die met graven in betrekking staan, met elkander verbonden." En die krabbels vertoonen, in het meerendeel der gevallen, geen zweem van een decoratieve bedoeling. Maar als zij een symbolische bedoeling hadden, waarvan waren zij dan een symbool? Wij zijn hier naar onze meening tot een hoogere orde van denkbeelden dan die van toovenarij gekomen. De opvatting, die ik zou willen verdedigen, lijkt misschien nog al vermetel; toch is zij, zooals wij zullen zien, volkomen in de lijn der resultaten voor bepaalde andere onderzoekingen omtrent den oorsprong en het karakter der megalithische beschaving. Als die opvatting algemeen wordt gehuldigd, zal zij ongetwijfeld veel grooter vastheid geven aan onze denkbeelden omtrent de betrekkingen van de megalithische Bevolking met Noord-Afrika, en omtrent den waren oorsprong van het Druïdisme en de leerstellingen, met dat stelsel verbonden. Wij meenen, dat wel als vaststaande mag worden aangenomen, dat de zooveel voorkomende verbinding van het schip met de zonneschijf bij afbeeldingen op rotsen in Zweden, Ierland en Bretagne, niet volkomen toevallig kan zijn. Niemand, bij voorbeeld, die zijn aandacht vestigt op het voorbeeld uit Halland, hierboven weergegeven, kan er aan twijfelen, dat de beide voorwerpen met een bepaalde bedoeling op één schets zijn verbonden. Het schipsymbool in Egypte. Dit symbool van het schip, met of zonder de teekening van het zonnezinnebeeld, is van zeer ouden datum en komt veelvuldig voor bij de kunst in Egypte, die in verband staat met alles wat het begraven betreft. Het staat in verband met den dienst van Ra, die 4000 jaar vóór Christus werd ingevoerd. Zijn beteekenis als een Egyptisch symbool is welbekend. Het schip werd de Boot der Zon genoemd. Het was het schip, waarin de Zonnegod zijn tochten deed; inzonderheid dien tocht, dien hij in den nacht ondernam naar de kusten der Andere Wereld, waarbij hij in zijn schuit de zielen der gelukzalige dooden overvoerde. De zonnegod Ra wordt somtijds voorgesteld door een schijf, somtijds ook door andere zinnebeelden, die zweefden boven het schip, of daarin bevat waren. Ieder die in de gelegenheid is, een blik te slaan op de beschilderde of gebeeldhouwde sarcophagen in het Britsch Museum, zal een massa voorbeelden vinden. Somtijds zal hij voorstellingen vinden van de levenwekkende stralen, die Ra op de boot en hare bemanning neerzendt. Nu ziet men bij één der figuren van schepen op Zweedsche rotsen te Backa, Bohuslän, zooals die ons worden gegeven door Montelius, een schip vol met figuren onder een schijf met drie neerdalende stralen, en tevens een tweede schip met een zon met twee stralen daarboven. Wij voegen hieraan toe, dat in den tumulus van Dowth, in de onmiddellijke nabijheid van dien van New Grange, en die volkomen hetzelfde karakter heeft en uit dezelfde periode afkomstig is, figuren met stralen en in vier sectoren verdeelde cirkels, blijkbaar zinnebeelden der zon, in grooten getale voorkomen zooals eveneens het geval is te Loughcrew en andere plaatsen in Ierland, en dat men te Dowth eveneens nog een andere teekening van een schip heeft herkend. In Egypte wordt de zonneboot somtijds voorgesteld met niets anders dan het zinnebeeld der zon, somtijds bevat hij de voorstelling van een god met ondergeschikte godheden, somtijds bevat hij een aantal passagiers, die menschenzielen vertegenwoordigen, en somtijds ook één enkel lijk op een lijkbaar. Het megalithische snijwerk bevat eveneens somtijds het zinnebeeld der zon, andere keeren niet; de booten zijn somtijds met figuren gevuld, andere keeren zijn zij leeg. Als een symbool eenmaal is aangenomen en begrepen, is iedere overeengekomen of oppervlakkige voorstelling daarvan voldoende. Wij meenen, dat de volledige vorm van het megalithische symbool, die van een boot is met menschelijke figuren daarin en het zinnebeeld der zon er boven. Die figuren moeten, indien wij uitgaan van de onderstelling, dat de zooeven gegeven verklaring der teekening juist is, blijkbaar worden opgevat als voorstellingen der dooden op weg naar de andere wereld. Het kunnen geen godheden zijn, immers voorstellingen der goddelijke machten onder menschelijke gedaante waren bij het megalithische volk volkomen onbekend, zelfs na de komst der Kelten--zij komen het eerst voor in Gallië onder Romeinschen invloed. Maar als die figuren de dooden voorstellen, dan hebben wij duidelijk den oorsprong der zoogenaamde "Keltische" leer der onsterfelijkheid vóór ons. Zij worden zelfs daar gevonden, waar nooit Kelten waren binnengedrongen. Toch wijzen zij op het bestaan van die zelfde leer der andere wereld, die, van den tijd van Caesar af, steeds verbonden was met het Keltische Druïdisme, en die leer was typisch Egyptisch. De "Navetas". In verband met dit onderwerp wenschen wij de aandacht te vestigen op de theorie van Borlase, dat de typische bedoeling van een Ierschen dolmen was, een schip voor te stellen. In Minorca zijn er daarmede overeenkomende bouwwerken, die daar door het volk _navetas_ (schepen) genoemd worden, zóó duidelijk is de overeenkomst. "Maar", voegt hij er aan toe, "reeds lang voordat de holen en _navetas_ van Minorca mij bekend waren, had ik de meening gevormd, dat datgene waarvan ik zoo dikwijls gesproken heb, als van den 'wigvorm', die zoo algemeen wordt waargenomen in de plattegronden van dolmens, zijn oorsprong ontleende aan een oorspronkelijke voorstelling van een schip. Wij weten, dat werkelijke vaartuigen bij verschillende gelegenheden zijn opgegraven uit graftumuli in Scandinavië. In begraafplaatsen uit het IJzeren Tijdperk, zoowel in Scandinavië als aan de meer zuidelijk gelegen kusten der Oostzee, was het schip de erkende vorm van een begraafplaats" [49]. Indien de opvatting van Borlase juist is, hebben wij daarin een zeer krachtige bevestiging der symbolische bedoeling, die wij toeschrijven aan de voorstellingen der zon op de teekeningen van een schip der megalithische bevolking. Het schipsymbool in Babylonië. Het schipsymbool kan teruggebracht worden tot omstreeks het jaar 4000 v.C. in Babylonië, waar iedere godheid haar eigen schip had (dat van den god Sin werd het Schip van het Licht genoemd), terwijl haar beeld in optocht werd gedragen op een draagbaar, die den vorm had van een schip. Jastrow [50] meent, dat dit zijn oorsprong ontleent aan een tijd, toen de heilige steden van Babylonië aan de Perzische Golf gelegen waren, en toen godsdienstige processies dikwijls op het water werden gehouden. Het symbool der voeten. Toch is er reden te meenen, dat enkele van die symbolen ouder waren dan eenige bekende mythologie, en als het ware tot een mythologischen grondslag waren gebracht, die verschillend was bij verschillende volken, welke zich uit een thans onbekende bron daarvan meester maakten. Een merkwaardig voorbeeld is dat van het symbool der Twee Voeten. In Egypte vormden de Voeten van Osiris één der deelen, waarin zijn lichaam in de bekende mythe werd gesneden. Zij waren een symbool van inbezitneming of van bezoek. "Ik ben op aarde gekomen", zegt het "Boek der Dooden" (Hoofdstuk XVII), "en heb met mijn twee voeten bezit genomen. Ik ben Tmu". Dit symbool nu van de voeten of van de afdrukken der voeten is wijd verspreid. Het wordt gevonden in Indië, als de afdruk van den voet van Buddha [51], het wordt gebeeldhouwd op dolmens in Bretagne [52] gevonden, en het komt voor op snijwerk in rotsen in Scandinavië. [53] In Ierland wordt het opgevat als de voetafdrukken van St. Patrick of St. Columba. En het vreemdst van alles is dit, dat het onmiskenbaar in Mexico wordt gevonden [54]. Tyler verwijst in zijn "Primitieve Beschaving" (II blz. 197) naar de plechtigheid der Azteken op den Tweeden Feestdag van den Zonnegod, Tezcatlipoca, wanneer zij maïs strooiden vóór zijn heiligdom, en zijn hoogepriester bleef toezien, totdat hij de goddelijke voetstappen zag, en dan luide verkondigde, "Onze Groote God is gekomen." De _Ankh_ op megalithisch beeldhouwwerk. Er zijn zeer krachtige bewijzen voor, dat er een betrekking bestaat tusschen de megalitische bevolking en Noord-Afrika. Zoo blijkt het, gelijk Sergi duidelijk maakt, dat een aantal teekens (waarschijnlijk cijfers) gevonden op ivoren platen op het kerkhof te Naqada, en die door Flinders Petrie ontdekt zijn, op Europeesche dolmens gevonden worden. Verscheidene latere Egyptische hiëroglyphenteekens, met inbegrip van den beroemden _Ankh_ of _crux ansata_, het symbool der levenskracht of der opstanding worden eveneens op megalithisch beeldhouwwerk gevonden [55]. Uit die overeenstemming trok Letourneau de gevolgtrekking "dat de bouwers van onze megalithische monumenten uit het zuiden afkomstig waren en verwant waren met de rassen van Noord-Afrika." [56] Bewijzen uit de taal. Rhys en Brynmor Jones, die de zaak van het linguistische standpunt hebben beschouwd, komen tot de gevolgtrekking, dat de Afrikaansche oorsprong--ten minste bij benadering--van de oorspronkelijke bevolking van Groot Brittannië en Ierland zeer waarschijnlijk is. Zij toonen aan, dat de Keltische talen in haar woordvoeging het Hamitische en voornamelijk het Egyptische type behouden hebben. [57] Egyptische en "Keltische" denkbeelden omtrent onsterfelijkheid. De tot nu toe vaststaande feiten geven ons, naar onze meening, geen recht een theorie te ontwerpen over de werkelijke historische betrekking der dolmenbouwers van westelijk Europa tot het volk, dat den prachtigen godsdienst en de hooge beschaving van het oude Egypte schiep. Maar indien wij alle bewijzen beschouwen, die in die richting samenkomen, dan schijnt het duidelijk, dat er een zoodanige betrekking was. Egypte was het classieke land van godsdienstig symbolisme. Het heeft aan Europa het schoonste en meest populaire van al zijn godsdienstige symbolen geschonken, dat der goddelijke moeder en haar kind. [58] Wij gelooven, dat het eveneens aan de primitieve bewoners van west-Europa het diepzinnige symbool gaf van de reizende geesten, die naar de wereld van den dood geleid worden door den God van het Licht. De godsdienst van Egypte, en daarin stond die boven dien van eenig volk, welks denkbeelden zich, zooals ons bekend is, in zoo oude tijden hebben ontwikkeld, concentreerde zich op de leer van een toekomstig leven. De prachtige en verbazende graftomben, de uitgewerkte ceremonies, de indrukwekkende mythologie, de ontzaglijke verheffing van de priesterkaste, al die kenmerken der Egyptische beschaving, stonden in het nauwste verband met hun leer van de onsterfelijkheid der ziel. Voor den Egyptenaar was de van het lichaam bevrijde ziel geen schaduwbeeld, zooals de classieke volken meenden; het toekomstige leven was niets anders dan een verlenging van het tegenwoordige; de rechtvaardige mensch bevond zich, als hij zijn plaats daar ingenomen had, onder zijn bloedverwanten, zijn vrienden, zijn ondergeschikten, met het werk en de genietingen, die veel overeenkomst hadden met die op aarde. Het lot van den booze was vernietiging; hij werd het slachtoffer van het onzichtbare monster, dat de Verslinder der Dooden genoemd werd. Toen nu de classieke volken voor het eerst belang begonnen te stellen in de denkbeelden der Kelten, was de eerste zaak, die den grootsten indruk op hen maakte, het Keltische geloof in de onsterfelijkheid, dat naar de Galliërs zeiden, "door de Druïden was ingevoerd en verspreid." De classieke volken geloofden in de onsterfelijkheid; maar welk een beeld geeft Homerus, de bijbel der Grieken, van de verloren, verlaagde, van hun menschelijke eigenschappen beroofde schepselen, die de gescheiden zielen der menschen voorstelden! Nemen wij bij voorbeeld, de beschrijving van de zielen der vrijers, die door Odysseus gedood zijn, op het oogenblik dat Hermes ze naar de onderwereld leidt [59]. "Hermes de God, in Kyllene geboren, riep op nu de zielen Van d'in 't gevecht gesneuvelde vrijers; en in de handen Droeg bij den gouden, den prachtigen staf, waarmee hij betoovert D'oogen van hen die hij wil, en andren die slapen, weer opwekt. Fladdrend volgden die zielen, geraakt door zijn staf, Hermes leiding, Evenals vleermuizen snorren, al fladdrend in 't diepste der holen, Doch wanneer één van hen neervalt, de andren vereenigd zich houden. Zoo gingen snorrend de zielen te zamen en Hermes de redder Leidde hen voort langs de donkere paden, den weg naar den Hades." De classieke schrijvers gevoelden terecht, dat de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid iets geheel anders was dan dit begrip. Zij was zoowel meer verheven als meer realistisch; zij hield in, dat de mensch na zijn dood in werkelijkheid, in al zijn menschelijke betrekkingen blijft voortbestaan, zooals hij bij zijn leven was. Met verbazing zagen zij, dat de Kelt geld wilde leenen op een schuldbekentenis, die in het leven hiernamaals zou worden afgelost [60]. Dit is een volkomen Egyptische opvatting. En ditzelfde trok de bijzondere aandacht van Diodorus, toen hij schreef over de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid--het kwam met niets overeen, wat hij buiten Egypte hieromtrent had opgemerkt [61]. De leer der zielsverhuizing. Een aantal oude schrijvers beweren, dat de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid de oostersche denkbeelden omtrent de zielsverhuizing belichaamde, en om daarvan een verklaring te geven werd de hypothese uitgedacht, dat zij die leerstelling aan Pythagoras ontleend hadden, die er in de classieke oudheid de vertegenwoordiger van was. Zoo zegt Caesar: "Het voornaamste punt van hun (de Druïden) leer is, dat de ziel niet te gronde gaat, maar dat deze van het ééne lichaam in het andere overgaat." En Diodorus zegt: "Onder hen is de leer van Pythagoras in zwang, volgens welke de zielen der menschen onsterfelijk zijn en na een bepaalden tijd weer beginnen te leven, na een nieuw lichaam te hebben aangenomen." Zeker is het nu, dat sporen van die leer in de Iersche legenden voor den dag komen. Zoo wordt verhaald, dat het Iersche opperhoofd, Morgan, die een historische persoon is, en wiens dood gesteld wordt op het jaar 625 n.C., een weddenschap had aangegaan omtrent de plaats, waar een zekere koning, Fothad, was gesneuveld in een slag tegen den mythischen held Finn mac Cumhal, in de derde eeuw. Hij tracht de juistheid van zijn bewering te bewijzen door uit de andere wereld den geest op te roepen van Keelta, die de persoon geweest was, die Fothad had verslagen, en die nauwkeurig beschrijft, waar het graf kan worden gevonden, en wat in dat graf aanwezig was. Hij begint zijn verhaal met aan Morgan te te zeggen "Wij waren bij u", en daarna zich tot de aanwezigen wendend, gaat hij verder: "Wij waren bij Finn, toen wij van Alba kwamen..." "Stil" zegt Morgan, "het is verkeerd van u, een geheim bekend te maken." Het geheim is, natuurlijk, dat Morgan een reïncarnatie van Finn was. [62] Maar het blijkt toch, dat de Kelten die leer volstrekt niet op dezelfde wijze opvatten als dit bij Pythagoras en de oostersche volken het geval was. De zielsverhuizing was bij hen niet een noodzakelijk iets. Het _kon_ gebeuren, maar in het algemeen gebeurde het niet; het nieuwe lichaam, door de dooden aangenomen, bekleedde hen in een andere wereld en niet in deze, en voor zoover wij uit oude mededeelingen kunnen vernemen, schijnt er geen spoor van een gedachte aan zedelijke vergelding aan dien vorm van een toekomstig leven verbonden te zijn geweest. Het was niet zoozeer een geloofsartikel als een denkbeeld, dat op de verbeelding werkte, en dat, zooals reeds Morgan zeide, niet in het volle licht mocht worden gebracht. Hoe dit ook moge worden opgevat, zeker is het, dat het geloof in de onsterfelijkheid de basis was van het Keltische Druïdisme. [63] Caesar bevestigt dit uitdrukkelijk, en zegt, dat dit leerstuk door de Druïden is aangekweekt, meer om hun moed op te wekken dan om zuiver politieke redenen. Een krachtig en innig geloof in een andere wereld, zooals dit bij de Kelten gevonden werd, is zeker één der krachtigste middelen in de handen van een priesterkaste, die de sleutels van die wereld in handen heeft. En nu is het een feit, dat het Druïdisme bestond op de Britsche eilanden, in Gallië, en feitelijk, voor zoover wij weten, overal waar een Keltisch ras gevonden werd onder een bevolking van dolmenbouwers. Er waren Kelten in het Cisalpijnsche Gallië, maar daar waren geen dolmens en evenmin Druïden [64]. Wat absoluut vaststaat is, dat toen de Kelten, in westelijk Europa kwamen, zij daar een volk vonden met een krachtige priesterkaste, godsdienstige ceremoniën, en indrukwekkende godsdienstige monumenten; een volk gedrenkt in magie en mysticisme en den dienst der onderwereld. Als wij de feiten met juistheid inzien, dan schijnt de gevolgtrekking deze te zijn, dat het Druïdisme in zijn voornaamste trekken op de gevoelige en aan verbeeldingskracht zoo rijke natuur der Kelten is opgelegd--de Kelten met hun "buitengewone geschiktheid" denkbeelden op te nemen--door de oudere bevolking van westelijk Europa, de megalithische bevolking, terwijl zij in dit opzicht in een zekere door ons niet in bijzonderheden te volgen betrekking stonden tot de godsdienstige beschaving van het oude Egypte. Over dit vraagstuk hangt nog veel duisters, en dit zal misschien wel altijd het geval blijven, maar als er in die opvatting iets waars is, is de megalithische bevolking eenige stappen verder gekomen uit de atmosfeer van geheimzinnigheid, die haar heeft omringd, en blijkt het, dat zij een zeer belangrijke rol heeft gespeeld in de godsdienstige ontwikkeling van westelijk Europa, en in het geschikt maken van dat deel der wereld voor de snelle uitbreiding van het bijzondere type van Christendom, dat daarin plaats had. Bertrand wijst er in zijn zoo belangrijk hoofdstuk "L'Irlande Celtique" [65] op, dat wij zeer snel nadat Ierland tot het Christendom was bekeerd, het geheele land overdekt zien met kloosters, die zóó volkomen georganiseerd waren, dat alles er op schijnt te wijzen, dat het werkelijk Druïdische co