The Project Gutenberg EBook of 't Bedrijf van den kwade, by Herman Teirlinck This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: 't Bedrijf van den kwade Author: Herman Teirlinck Release Date: January 23, 2006 [EBook #17537] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 'T BEDRIJF VAN DEN KWADE *** Produced by Marc D'Hooghe HERMAN TEIRLINCK'S 'T BEDRIJF VAN DEN KWADE 1904 * * * * * I. 't Loof kleurde om de kruin der boomen, die achterwaarts stonden, statig en hooge, in den diepen hof; en 't lager plantsoen van 's gelijken verfde bij plaatsen, onder 't komend gewaai van den herfst, zijn bladeren geel of rossig, of rood lijk kastanjeslutsen, of klaar lijk een licht daar ievers. Goedele keek precies ernaar, door 't venster, en hoe de avond eromme al donkerend viel, keek ze, en hoe stilaan dieper de holten werden der wegdeinende dreven--en hoe eene waarachtige droefenisse uit den hemel zeeg. Ze leunde tegen 't raam. Ze tokkelde met hare vingeren zoetekens tegen de ruiten, zonder weten, op éenmatige wijs, en ging mee, al wijder en wijder, met hare verre gedachten. Altemets stortte een streuvelende wind in den lochting, en een park dahlia's neigden te zaam en rechtten zich en bijsden tenden hunne stengels nog een tijdeken. Hij asemde naderhand in 't rotelend geboomte en bleef er luidelijk hijgen en was seffens voorbij, met een schok--en waar zoefde hij ginds? Goedele voelde bij zijn sterke doening, heel de moedeloosheid van het najaar. 't Was haar of de tijd, in zijn haastige vleugeling, nu tastbaar werd, binst zijn vlucht naar de toekomst, aldoor stichtend 't verleden dat droevig was. Ze wendde haar hoofd zijwaarts op naar 't horloge, onbewust. Ze glimlachte even, omdat ze dees uur zoo tsieperig, zoo klein en niets-beduidend vond, en die gulden plate ook, met zijn verwaande orneering, zijn praatziek getjok, zijn vies-kruipende wijzers--zoo onmachtig, zoo kinderlijk, een onnoozel speelgoed. Buiten in 't vrije geluchte stormde de wind, en Goedele taakte er de eeuwigheid.... Ze ging dan de breede tafel rond en luisterde binstdien met ongevraagde aandacht naar den slag van haar zij-ruischende kleeren het tapijtsel langsheen. Ze zette zich neer vóor 't klavier en wroetelde er onachtzaam in een muziekboek, en werd daarna gewaar dat ze dees alles beu was en dat heur 't vervelend pianogetamp zeer zou doen. Ze werd ongedurig; ze wist niets, dat groot genoeg was om mee te klinken met die stijgende golvingen in haar. Ze wilde niet spelen. Ze zou 't nietig achten, al wat ze spelen mocht. Het herfsteweer alleen was machtig genoeg. Ze hoorde rijzekens de korte stem van hare moeder, die weer wat te gebieden had aan vader of grootvader of de meid. Ze stond rechte en rustte tegen 't schouwblad en tuurde met roerlooze blikken naar een hoogen chrysanthementuil, die daar monsterachtig was, midden de tafel, in zijn laag-zittenden pot, met al die uitermatige kronen, valsch-wit en valsch-levend en klaterend van kostelijkheid. Ze verwonderde zich nog dat heur dees grof gedoe was opgezonden door Sebastiaan, haren verloofde. --Hij heeft dees van verre besteld, meende zij. Sebastiaan Vrebos was sinds veertien dagen naar Weenen vertrokken om er in de Albertina enkele teekeningen van Hieronymus Bos en een paar tafereelen van een ouden Brueghel te bezien. Van avond zou hij terug zijn. Sebastiaan was een jong archivaris, onlangs benoemd in de Koninklijke Bibliotheek, een heel lange en magere vent, liefelijk van uitzicht, met te groote engelblauwe oogen in een bleek gelaat, sierlijk omlokt met mat-blonde haren. Hij had langzame gebaren en deed al sprekend profijtelijk hergaan zijne witte vingeren en was aldoor verzonken in biddende houdingen. Goedele peinsde dat hij uitermatig vroom was. Hij was goed. Hij zei nooit een woord, dat sterk klonk of kwetsen mocht. Hij sprak nooit met drift, en werd nauwelijks een endeken van begeestering warm als hij 't over de oude Vlaamsche fantasten had, bijzonderlijk over Bos en Brueghel. Hij vond dan wel een gloeiend gezegde, maar meerendeels een stil-pieuse daarbij. Goedele had hem voor 't eerst bij mevrouw De Vleeschhouwer ontmoet, nu haast een jaar geleden. Hij had haar dadelijk met liefelijke gedienstigheid omringd, en, omdat hij zoo zacht was, kon zij hem goed verdragen rond haar. Hij kwam naderhand hier thuis, op de half-maandelijksche soepee-vergaderingen. Goedele ging nooit uit. Ze kende alleen de familie De Vleeschhouwer. Ze vond het wel aardig dat een djentelijke man om haar in deze droevige woonste komen wou en 't vleide heur aangenaam. Ze kreeg met welbehagen de stille bekentenis van Sebastiaan en voelde zich gelukkig omdat hij zegde door haar zoo gelukkig te zijn. Moeder verklaarde dat dees huwelijk heur aanstond, en mijnheer Vrebos werd met zijne aanvraag goed ontvangen. Sindsdien geraakte er een beetje verscheidenheid in 't eenvormige leven der familie Wilder: Sebastiaan kwam wekelijks een bezoek afleggen en bleef dan soepeeren, en dat alleen was al een gewichtige verandering; bij tijden werd ook een concert bijgewoond of een tentoonstelling bezocht; dan moest er in stad gesoepeerd worden--en ook dat was zeer gewichtig. Goedele keek toe naar de chrysanthemen, hoe bombastisch ze daar pronkten in schitterende ijdelheid, met hunne ommekrullende blaadjes, regelmatig middenwaarts toegevouwd. En hare gedachten, langs vage wegen, wendden zich geleidelijk naar de toekomst. Ze probeerde na te gaan, met waarschijnlijke veronderstellingen, hoe 't zijn zou, als ze dees huis en vader en moeder en grootvader verlaten zou. Zij en voelde in de verte geen heimwee, geene aandoening daarom. Ze zou hier uitgaan en zou den dorpel met haastigheid vergeten. 't Was hier ook zoo leeg, zoo lustloos en vunzig. Naarmate zij opgegroeid was in sterkte en schoonheid, had zij zich meer en meer vernepen en bezeerd gevonden, en nu stond zij daar, in hare volle grootte, een machtige vrouw, gekleineerd en gekwetst door al wat om haar was en werd. Bij moeder vond ze geen zoetiger toevlucht en vader was peuterig in zijn dagelijksche manieren; hij en deed maar bekrompen werken en wist geen doel, en steunde voor gewichtige besluiten op moeder. Grootvader was hard. Zij vreesde van die drie moeder alleene, omdat moeder danig struisch was in koppige, strenge besluiten, en korte, scherpe woorden had. Daarom was heur streelend de brave liefde van Sebastiaan. Zij en wachtte nooit met koortsig verlangen op hem, noch en vreesde gejaagd zijn vertrek. Ze liet zich zijn komste welgevallen en vleide zich een stonde in de lauwte zijner lijze genegenheid. Ze meende wel dat ze hem liefhad, maar de muren waren hier te eng en te zwaar. Ze zou met hem trouwen en in 't open geluchte gaan en vrij wezen. Alles zou nieuw zijn. Ze zou hem liefhebben, omdat hij goed was.... Ze boog zich trage over de chrysanthemen en snoof den kouden geur ervan en voelde even de blaadjes kittelen over hare wangen. Die jeukte maakte haar ongedurig en, als zij weer in de boomen van den tuin het blazend gewaai hoorde roefelen, rechtte zij zich plots op, uit gansch hare lengte, en bleef roerloos kijken, strak vóór zich heen, naar een voorbijvliegend beeld. Op dees oogenblik voelde zij gansch haar vleesch in éene trilling pijnlijk worden en haar bloed slaan in forsche geuten naar hare slapen. Vluggelings viel om haar al wat bestond en blijvend zijn zou, en ze rees, grooter en sterker--en moeder en Sebastiaan en het huis--'t en raakte noch en deerde haar. Ze wou 't weere voelen zoeven langs hare wangen, ze wou heur haar los laten vlaggelen en ze wou luisteren naar 't geklapper van 't krakende geboomte.... Seffens neigde haar voorhoofd en ze zocht verlegen naar 't gewone zicht der dingen, naar die twee visscherstafereelen aan den wand, naar 't klavier, naar de glazen dresse, met haar menig ruitwerk, zoo drollig van verve ... en hare oogen steunden erop, alsof zij er fluks naar grabbelen moest om niet omverre te stuiken. Wanneer ze opnieuw rustig was, tot ze stille naar 't venster en zonk weg met hare toevallige gedachten, al over den bonten lochting, een heelen tijd lang. --Goedele! Mevrouw Wilder stond in 't deurgat. Mevrouw Wilder was groot boven de mate, grooter nog dan hare dochter, en struisch ook daarenboven, breed geschouderd en grove gelend. Haar hoofd was lijk in brutalen steen gebeiteld, zonder nuttelooze kleinigheden--een laag, plat voorhoofd tusschen vlakke slapen, blauwe oogen in vierkante holten, sterke kaken en een stevige kin. Ze zag er uit wel een van tenden de vijftig jaren, maar effen-zwart bleven heur haren, zorgvuldig te midden open, in gladde vlechten gekamd en bezij hare ooren in een nat, regelmatig krulleken vastegeleid. Gerimpeld en was zij niet: haar gezichte bleef gedurig effen en eenvervig, en nooit en speelde er een vouwken of tintelde er een kleureken in dat toonloos, gelijkvormig gelaat. Haar breede hals, ten halve bloot boven de korte krage, was een paal van stoere kracht. Zij boog zelden. Zij stond, keersrechte, in haar zwarte merinoskleed; zij droeg haar hoofd daar hooge, waar 't blijvend was en rijzekens roerde. Zij en droeg oorbellen noch armband noch eenig ander sieraad; haar trouwring was heel smal en in haren zwellenden vinger vergroeid. Zij was koud. Ze vereenzaamde zich in een killige atmosfeer, die zij om haar geschapen had en allerwege meesleepte, overal stichtend een ongewoon ongemak bij de naderende menschen. Maar, in haren witten blik, lag anderzijds een verre treurnis, een verre klacht over leed, dat niet te heelen was. Seffens echter wist zij die zwakte met een stalen schicht te duiken--en seffens herkwam van wijd de droefheid, kalm en zonder deernisse. Bij tijden zakten hare lippen van weerskanten neerwaarts.... Zij sprak nu van het avondmaal, met korte, rustige woorden te reke; zij wachtte zelden op een antwoord, zij zei meerendeels een gebod of een uitlegginge, en ontving weinig bevelen van anderen. --'t Eten moet klaar worden. --De tafel moet ge dekken. --Deze bloemen kan men andermaal best met ruste laten. Ze ging langzaam bij de tafel en raapte nauwkeurig eenige verslenste blaadjes op, naderhand nog uit de bloemen zelve geschonden vlekjes knippend, aandachtig. Ze keek naar 't horloge en merkte, op haar eigen zakuurwerk, dat de wijzers voorliepen, en kwam die dan trage goed duwen, met haren duim. Goedele zei: --Ja, moeder. Ze blikte naar Seppie, 't japansche hondje, dat rondtrippelde, om mevrouw Wilder's rokken, en nu subiet pal bleef en zijn plat snuitje ophief naar heur en te kwispelen probeerde met zijnen langharigen steert. Seppie snoof al eens en loerde zijwaarts, tuk op een zoetig woord van Goedele of een vriendelijk gebaar. Hij kwam dan endelijk toch aandrillen, ongeroepen en schuchter, en wreef zijn leelijk koppeken tegen haren voet. --Seppie maakt uw schoenen vuil met zijn tonge. --Wat zou hij? Ze wilde 't beestje vrij praten, en boog zich en streelde 't al krabbelend achter zijne ooren. Ze zei dat het koes moest blijven en braaf zijn en schoone manieren hebben, en was dan te wege weg naar de keuken bij Marie om alles te schikken. Maar mevrouw Wilder gebaarde dat zij wat wachten moest. --Is vader in den lochting? --'k Zag hem wandelen tusschen de palm-struiken. --Wiezeken is ziek. Goedele tort naderbij. Mevrouw Wilder zette zich neer en zuchtte diep, en hare oogen werden droeve. En ze vroeg: --Wist ge dat Wiezeken ziek is? Neen, moeder. Ze staarde scherp naar Goedele en hief hare hand een endeken op. Seppie keek nieuwsgierig toe, zijn tootje scheef draaiend ten teeken dat hij luisterde. --Ze hebben niet ommegezien. Ze zijn samengegaan. Ze hebben hun eigen in 't verderf gestort. Ze hebben mij miskend en hun eigen in 't verderf gestort.... --U miskend.... --Ja. Ze stond vluggelings rechte en tort naar heure dochter toe en neigde een beetje, haren hals uitrekkend om te kunnen fluisteren tusschen hare tanden: --Zult gij ze verontschuldigen?... Zwijg! En hare stemme zonk, laag wordend in holle tonen met kapotte scandeering: --Van zijn kindsbeen af heeft hij me danig centen gekost, hij.... Hij was ziek, of hij kloeg dat hij ziek was. Daar zijn hier dokters geweest met hoopen en op ons kosten hebben ze hun kwakzalverijen verkocht. Wat heeft hij al niet gehad aan speelgoed en snuisterijen? Wel! Wel!... En als hij dan een jongen was die endelijk op zijn pikkels staan kon, wat heeft hij al niet gehad aan nuttelooze plezierkens? En hij ging ter schole, en 't kostte allemaal. En hij ging naar de Universiteit ... ge zult later weten wat het gekost heeft. En al die boeken waaruit hij leeren leven zou? Wat heeft hij geleerd? Hij was ten langeleste ingenieur. Ingenieur van wat? waar? wat zou het opbrengen? Wel! Wel! Het heeft wat opgebracht! 't Is proper alzoo.... En daar zit hij nu, met een slonse en met een kind. Ze zweeg, haren mond toesnappend op het laatste woord, en ze ging bij 't venster staan en kruiste hare armen over hare borst. Daar viel een bange stilte in de kamer. Goedele leunde tegen 't klavier en hare vingeren raakten overhand, bij maniere van onbewust spelen, de bovenrandjes van een koperen kandeleer. Ze wist dat ze zwijgen moest als moeder van den verloren broeder sprak, en ze had dergelijke uitvallen ook al zoo dikwijls gehoord, dat het haar nu niet meer taakte en zij, maar liefst die overdreven gramschap van zelf koelen of vallen liet. Ze zag echter wel de diepte van moeder's koppige pijnen en ze vergaf haar gewillig een slechtdadig woord om wille der oorzake, die toch een blijvende en zeerdoende wonde was. Ze droeg daarom 't gewichte van deze ongemakkelijke stilte met verduldigheid en voelde deernisse. Mevrouw Wilder verliet het venster en ging nog een kanten doekje schoon leggen, dat gefronst en ommegevouwd lag op 't schouwblad. Ze deed naderhand de dresse open en toetste even de kristallen wijnbekers en een paar sineesche potjes, alsof zij dat alles schikken moest. Seppie trippelde in haren weg en ze fronste wrevelig hare wenkbrauwen, geweld doende om hem niet buiten de deure te stampen. Een geborduurd kussen en lag, volgens hare goesting, niet op zijn plaatse in een breeden leunstoel. Ze moest het eens opslaan en zuiver leggen te midden, en een haarken wegvingeren, dat er ievers vasthaperde. De avond viel daarbinst. Schuinsche klaarten smeten rood uit op het donkere wandpapier en speelden in aardige tinten langs een paar bronzen maskers, die daar te grijnzen hingen. In een hoek kwam een straal noesch leuterlichten over de randen van een bundel pauwpluimen, sierlijk zich opendoende uit een groene vaas, heel lang en wonderbaar beklaterd met gele en oranje vlekken. Hooger op, waar 't al diepe duisterde, blonk bij plekken 't geschitter van oude wapens. Op den schoorsteen stond nog in 't helle licht het koperen horloge met zijn zonderlinge plate, en, ernevens, twee hasseltsche potten, grove versierd en zwaar zittend op hunnen monsterachtigen buik. Onderaan stond de stove. De weggaande dag kletste tegen de schaterende roeden en ringen en talrijke ornamenten, en rustte arets in de donkere holten, zorgelijk gepotlood. Mevrouw Wilder's lippen vielen in een spijtige plooi neerwaarts, en ze zei: --Wel! Wel! Ze sloot de dresse met den sleutel en schoof nog een lade open en haalde er twee zilveren servetringen uit. Ze zette zich neer daarna en nam zwijgend Seppie op haren schoot. En Seppie likte en streelde en legde zijn oorkens, omdat hij 't zoo leutig vond. Hij rondde algauw zijnen rugge en vleide zich neêre en sloeg met zijnen steert en gaf gedurig vriendelijke stootjes met zijn voorhoofd, en hij was vies en liefelijk tezelfdertijd. Mevrouw Wilder streek met hare hand over hem tot hij bedaarde en stille bleef, en dan keek zij op naar Goedele. Toevallig stieten hare blikken tegen Goedele's mijmerende oogen. Goedele rilde een luttel stondeken en werd seffens verlegen, en mevrouw Wilder ook en was op dat oogenblik van geen vasten wil. 't Was of zij meteen allebei begrepen, allebei tastten hoeverre zij van mekaar verwijderd waren, en dat zij wellicht nooit in zoete kommunie zouden bijeen komen om liefde te voelen, hun warm vleesch te samen, hun lauwen asem te samen. 't Was of ze de groeve voelden, die diep werd en breed werd en vreeslijk werd. Ook, in een zelfde zicht en in een zelfden weemoed, zagen ze Romaan, den broeder en den zoon, verworpen uit het huis, waar nu zijne plaats overal een leegte was--want overal was zijne plaats.... Mevrouw Wilder rechtte haastig haar zwaar lijf. Ze werd de kriebeling gewaar der naderende aandoening en ze had schrik daarvan. Ze vreesde neer te storten in de zoelte van zwakke emoties en palstaande wilde ze blijven. Alzeere bedwong zij met een vlugge, scherpe beredeneering de dwaze kuren van haar moederlijk hert, en hare oogen werden, lijk te voren, van rustig staal. Ze verliet de kamer, wendde zich halvelings omme bij de deure en riep op Seppie, die schuchter-drummend aandrevelen kwam. Ze tort echter na een stonde her binnen en lei hare hand op Goedele's schouder. En ze zei: --Wiezeken is ziek. Hare stemme verloor eenigszins de gewone droogte, de scherpe kortheid. Eene gemoedelijke klankwending wiegde er en brak er de nijpende kilte, zoodat allengs een zoetigheid boven geraakte en streelend werd. --Erg ziek.... --Erg ziek? --Een ziekte in de kele, en zulke zijn de slimste. Ze was innerlijk tevreden dat Goedele getroffen was, alsof ze eerst gedacht had dat het nieuws weinig of geen belangstelling zou opwekken bij hare dochter. Een oogenblik kwam haar herte vol. --Het dutseken, fluisterde ze. --Ja, zei Goedele. --Ik hebbe ook veel triestigheid beleden met Romaan, als hij daar machteloos te hoesten lag in zijn wiegsken. Heel dat steenen gebouw, die granieten ziele smolt meteen tot een natte aandoening weg. --Ik weet wel, Goedele, wat een nacht is, een slapelooze stilte bij een kind, dat men met aaiïngen maar niet helpen kan ... Romaan is uw broer. Goedele keek op naar heur, met verwondering, niet wetende wat ze zeggen wou en zoekende naar heure oogen om te weten. Maar die oogen staarden, halfbeloken, naar de granaatbloemen van het tapijt. --'t Ware goed, als er iemand ging ... als gij gingt.... --Ja ... ja ... --'t En is niet verre, in 't lage van de stad.... Goedele vatte heure hand, toch rijzekens verschrikt dat die aldoor koud was gebleven. En te wege was zij te weenen van vreugde, omdat moeder op een ende toch bedaard was, toch goed was geworden voor haren jongen, die nu lijden moest--en omdat moeder een deugdelijk woord had gezeid, een zacht woord van liefde. Ze omvatte moeder's breede vingeren en drukte ze koortsig, en haar hoofd zeeg voorover en hare wimpers werden heet. Maar als zij dan moeders oogen zag, blank en puntig, en merkte hoe niet de minste altratie te speuren was op dit roerloos gelaat, niet de minste verandering in de hardheid van die vaste wangen, niet een trillend zierken in de rechte plooi van dien drogen mond, voelde zij zich gekwetst en ze week permintelijk, instinktmatig, beschaamd omdat zij zich alzoo bijkans overgaf. Mevrouw Wilder lei een bankbriefken van twintig frank op de tafel, zeggende dat Goedele er zorg moest van hebben en 't niet nutteloos verkwisten en 't maar geven aan Romaan ten uiterste, indien het waarachtig noodig was. --'t Kan ook gebeuren dat het niet noodig en is. Ze verdween, bijna onhoorbaar tertend, en zonder ommezien. En Goedele zonk trage neer op een stoel, geknakt, gebroken in hare hooghertigheid, wel wetende nu dat moeder niet edel wilde zijn, niet zachtmoedig wilde zijn. Ze zat zich af te vragen wat dan in moeder oorzake was van hare medelijdende woorden, en zij en vond geen uitlegginge om moeders inzichten te verklaren. Beteuterd tuurde ze naar 't papieren geld, dat tegenwoordig, ook in haren geest, zoo'n groote beteekenis kreeg. Moeder's vingeren, daar neerduwend dat vierkante ding, en 't openvouwend met zorgvuldigheid, en 't naderhand nog een wijlken overstreelend--'t bleef in haar geheugen een vastgespijkerd beeld. En ze dacht aan Romaan's spijtige geschiedenis, aan zijn vlucht met Madeleen en aan moeder's gramschap. En ze dacht aan Sebastiaan en aan zijn goede liefde. En aan zijn geld. --Sebastiaan heeft geld. 't Stond haar nu klaar voor, en Sebastiaan kreeg een ander gedaante, en ze meende nu dat zij hem liefhebben moest, als zelf zij hem in werkelijkheid niet liefhebben kon. Tegen de rotse van moeders wil zou zij tevergeefs horten. En moeders minzaamheid voor Sebastiaan steunde op geld; ze had er de zuivere, de stipte vizie van in 't beeld van moeders werkzame vingeren, streelend gaande om dat kostbaar briefelken. Maar Sebastiaan's liefde was oprecht. En ook zij was Sebastiaan genegen. --We zullen gelukkig zijn. En ze ging te lore in kalme droomen van stille huiselijkheid, haar eigen zettend bij 't vredig gefonkel van een duurbaren heerd en er luisterend naar wisselvallige gepeinzen. * * * * * II Rik Derboven, mevrouw Wilder haar vader, was een visscher van de Noordzee. Indertijd was hij doodarm. Hij trouwde met een meisen van zijn prochie, een struisch wijf, die hem zes dochters gaf. Hij labeurde er voor, dag in dag uit, zich nievers een stonde rustigheid verleenend, nooit vermoeid en nooit ontmoedigd. 't Was een zwijgende vent met diepe inzichten, een steenen wil, een stugge kop, met koppigheid alles doordrijvend. Hij en wankelde noch en keerde; hij rukte met neerstige hardnekkigheid vooruit, hij en zag geen hinderpaal in 't belang van andere, hij zag alleen zijn doel. 's Avonds in den late, als hij een wijlken zich neerzette bij de stove, na den eten, was hij aldoor verdiept in verre combinaties en keek hij in den rook van zijne pijp naar de mogelijkheid van wijd-reikende oplossingen. Men mocht hem binstdien niet lastig vallen. De kinderen moesten te bedde liggen en moeder moest voorzichtig te werke gaan met hare schotels en haren avondkuisch. Hij bleef altemets in de donkerte een heel deel van den nacht, zoo zitten en denken. Hij luisterde dan naar gindsche roerende zee en zijn gepeins werd machtig. Aldus timmerde hij zijne stille plannen op, al bouwend en metsend en afbrekend en herdoende 't gansche idee op eene andere manier. Hij wilde dan tot eene waarschijnlijkheid geraken en ging niet slapen eer hij die vaste kreeg. Hij en schrikte voor geen kwade daad, hij en week maar voor den dood. Over een lijk heen zou hij niet terten. Anderszins wist hij dat hij in staat was tot alles, wat niet en docht, en brave menschen aanzag hij voor domkoppen. Hij was overal aanwezig, waar er wat aan zijne vingeren kon blijven haperen. Hij richtte kleine muiterijen in, onder de visschers, hij hitste de kerels op met woorden van haat en woorden van deernisse; hij sprak van bloedhonden en hertevreters, en hij stiet met zijn vollen nijd tegen 't hoofd zijner makkers, voortdurend kloppend tot ze op een ende daar gloeiend stonden, koortsig en razend, met veerdige handen. En als 't dan op een mislukte dolheid uitliep, was er toch éen, die zanten kwam, een die achterwaarts stond en wachtte, en naderhand 't profijt wegdroeg; en dat was Rik. Zoo stegen allengs zijne zaken. Hij kocht een boot. Hij kocht er twee. Hij deed smokkelreisjes, bracht vreemd goed in het land, bedroog en werd welvarend. Maar thuis sloeg hem de kans tegen. Een voor éen stierven vijf zijner dochters aan een zonderlinge hertziekte, die hen met schokjes wegdreef, in min dan drij jaren. Twee jaar nadien, ook onder de zelfde kwale lijdend, werd zijne vrouw door eene geraaktheid getroffen. Ze bleef zes maanden te bedde liggen en sukkelde er en wou, op een voornoene, redeloos opstaan. Rik was aan het strand. Hij vond bij zijn thuiskomste zijn wijf temidden van den vloer liggen; twee streepkens bloed liepen over hare lippen en een paternoster strengelde om hare vingeren. Naast moeder lag Ursule, het laatste dochterken, flauw asemend en buiten kennisse.... Rik bleef nu met Ursule alleene. Hij en wilde niet hertrouwen. 't Zou zoo wel gaan. Ursule was toen dertien jaar oud. Hij leerde haar het huishouden, en na korten tijd, deed zij 't gansche werk. Het kind groeide alzoo op tot een stevige deerne en geen moeite was haar te zwaar. Ze begreep--al zei vader niets van zijne geheime doelen, --waarnaar de minste inzichten streven moesten. En ze was spaarzaam, en ze zwoegde, en ze werd sterk en groot in haar rusteloos slameur. Alle avonden liet Rik het lamplichtje laag komen over de tafel en hij verklaarde haar het spel der cijfers, de moeielijkste rekenkunde, tot den nacht tellend en hertellend en alles neerschrijvend te rote, met stipte nauwkeurigheid. Dat duurde tot haar twintigste jaar. Dan verkocht hij het armzalige huizeken, het dagelijksch gerief, de meubelen; dan verkocht hij zijne booten.... En ze trokken naar de stad en openden er een specerijwinkel. Er werd opnieuw gesmokkeld en gekonkelfoesd. De waren kwamen aan van tallenkant. Rik had alles meesterlijk geschikt. Maar Ursule allengerhand werd sterker dan haar vader. Ze speculeerde met meer vernuft en meer zekerheid ook. Ze bedroog hem en bewees het, en zoo ontstond bij hem eene pijnlijke angstvalligheid. Hij werd nu zwak en wankte in zijne minste ondernemingen. De zaken werden ook stilaan zoo geweldig vooruitgestooten, dat hij 't niet volhouden kon en meende te verongelukken. Dan bleef hem alleen nog over teenemaal op Ursule te berusten. En Ursule werd groote meesteresse in huis. Na vijf jaar was de specerijwinkel een aanzienlijke koffiehandel geworden. Omtrent dien tijd ontmoette zij Albien Wilder, een jongen van rijke familie, bevoordeeligd ambtenaar bij 't Ministerie van Binnenlandsche Zaken. Dagelijks moest hij de hooge poorten der magazijnen voorbij en dikwijls bemerkte hij Ursule, daar staande in hare volle lengte, breed en statig. Al dadelijk werd hij door dat struische wijf veroverd. Hij liet zich door een beursman aan den vader voorstellen. Van weerskanten werd er gewikt en berekend en uitgeteld, en zeven maand nadien trouwde Ursule met hem. 't En bracht niet veel verandering in huis. Albien was van nature een zwakkeling, en algauw lag hij onder Ursule's stalen wil en ging en handelde naar heure wenken. De koffiehandel, nog door Wilder's kapitalen gespijst, breidde zich meer en meer uit en werd eene machtige inrichting. Ursule was nu rijk. Maar niets kreeg een gewijzigd uitzicht in haar leven: ze wrocht en zwoegde, nievers tijd vindend om haren rijkdom te bezigen tot eigen genot. Geld winnen was overigens hare eenige vreugde; rijzekens had ze deugd aan hare moederschap--ze was moeder van een zoon, dien ze Romaan heette, naar den naam van Albien's overleden vader. En Albien zelve gewende zich aan die eentonige dagen. Hij trok 's uchtends naar zijn bureel en kwam 's avonds terug en nam zijn zuinig maal in de koude eetkamer. Allengs smolt ook zijn ideaal met Ursule's doelen saam: ze moesten geld verzamelen. Rik sprak bij stonden ervan: --We zullen 't ophoopen in stapelkens en nevenseen zetten en 't bekijken. 't En scheen hem niet belachelijk. 't Waren in zijn meeninge heerlijke plannen geworden. En gedrijen spaarden ze. Romaan werd door allerlei ziekten aangetast, vier jaar te rote. Ursule had het heel druk met de dokters, die zij den eenen na de anderen wegstuurde. Ze waakte lange nachten bij haar kind en bad dat het genezen zou. Ze toonde zich, gedurende dien tijd, heel vroom en heel vreesachtig. De dokters mochten niet meer in huis komen. Ze wilde alleen op God berusten--halvelings omdat het haar goedkooper viel, halvelings ook omdat zij in de wetenschap geen het minste vertrouwen had. Romaan kwam langzaam alle ziekten te boven en werd een droomerig jongetje. Hij was zes jaar oud, als Goedele geboren werd. Goedele was veel sterker. De kleinen groeiden op in een killig geluchte. Zij en voelden nievers de zoetigheid van liefderijke wezens; ze liepen beteuterd en te lore in hunne jeugd en benijdden ter schole de vriendelijkheid hunner makkers. Ze zouden echter de bane niet volgen, welke moeder hun door haar voorbeeld en hare woorden voorschreef, en deze ouders, welke gedurig en uitsluitend tuk waren op een peute geld, kregen kwistige kinderen. Romaan, als hij op de universiteit leerde, miek schulden. Ursule, die meer hechtte aan eenen goeden name dan aan eene eerlijke ziel, betaalde, maar ze hield naderhand den jongen zoo nauw dat hij haast niet meer met vrijheid denken kon. Zoo werd hij een zwijgende opstandeling. Het leven werd hem bitter. Hij droomde mee met Schopenhauer, wiens boeken hij met razernije verslond. De maatschappije scheen hem eene verschrikkelijke onrechtveerdigheid, waar de goeden tot blijvend leed verdoemd waren. Zijn hoofd was vol met utopische hervormingen--alles moest omgegooid en heropgebouwd worden: de standen, het huwelijk, de familie. Wat bestond, was slecht, was vort, was misdadig. 't Zicht der rijken folterde hem. In een kleine steeg, bezijden de Hoogeschool, woonde een arme weeze met hare tante. Daar verliefde hij op. Dagelijks trok hij het huizeken binnen, waar 't meisje te borduren zat. Ze maakte schoone bonte bloemen met zijden draad en hij had leute met hare liefelijke vingeren--hoe die met de naaide ieverig waren en hoe daaronder de teekening djentig zichtbaar werd. Het meisje heette Madeleen en die oude grijze daar, zoo mager en zoo roereloos, heette tante Olympe. Hij voelde hier warmte. Hij rookte hier pijpen en keek langs smalle vensterruiten naar de varende wolken. Hij was hier wel. --Madeleen.... En ze wendde naar hem hare blauwe kijkers en lachtte even of knikte met zachte buigingen, bij maniere van gelukkig-zijn. Er zong iets in hem. Hij lachtte tegen. Ze waren seffens takkoord. Maar dan begonnen de leelijke dagen. Hij ging alles aan moeder bekennen op een avond. Hij wilde trouwen. --Met wie? Ursule sprong naar hem toe, en vatte zijne armen, en knelde die onbarmhertig in hare koortsige handen. --Met wie? Hij moest het herhalen, hij moest het tot drijmaal toe herhalen. Ze schoot seffens uit in een schaterlach, een wreed geklater, dat tegen de naakte muren plofte met vreeslijk lawaai. Ze liet hem los en kruiste hare armen over hare borst, en ze zwaaide hem dan in 't aangezicht dat het een slonse was zonder zedige manieren. --Een ploerte! Romaan rechtte zijn hoofd. Het deed hem zoo'n zeer wat moeder zei, maar nu had ze hem op het herte geslagen. Hij werd hard en hij werd koppig. Drij dagen bleef hij op zijne kamer zitten. Goedele bracht hem eten en kuste hem. Hij weende bij Goedele, en het was hem een goede troost. Den vierden dag ging hij vader aanspreken. Albien was verschrikt, en hakkelde, en voelde zich wegzinken zonder den steun van Ursule's sterkte. Hij probeerde toornig te zijn; hij was alleen toornig, omdat hij Ursule vreesde. Hij riep: --Weg, loop weg! Hij liep hem nadien zelf achterna, al stamelend dat er wel een oplossing te vinden zou zijn. --Allo, jongen, allo.... Maar Ursule bleef onverbiddelijk, en den vijfden dag verliet Romaan zijne ouders. 't Was den vijfden dag. Hoe struisch Ursule ook was, 't knakte haar en ze werd ziek. Een volle weke lag ze te bedde, zuchtend en zich ommewerpend. Voor de eerste maal van haar leven wist ze geen besluit te nemen. Zij en wilde hem niet laten trouwen, zij en wilde geen geld geven aan die vreemde kerte. Ze fluisterde, al kijkend naar de zoldering, heel wijd: --Geen geld.... Maar ze wilde ook Romaan niet kwijt zijn. Ze verwonderde zich dat ze hield van hem, na al zijn leelijke doening. En ze hield van hem. En daarom zou hij trouwen met een rijke juffrouw. Hij was ook rijk. Het idee dat hij nu toch met die ellendige loete trouwen zou, deed haar het oogenblik daarna terug raaskallen. En ze bekeek de zoldering met wijd-open oogen. --Geen geld.... Ze meende endelijk een oplossing gevonden te hebben, en ze genas. Ze schreef aan Madeleen dat ze komen moest. Madeleen en kwam niet. Ze schreef opnieuw. Ze zou Madeleen omkoopen, haar eene ronde somme geven, als ze Romaan loslaten wou. En Madeleen en antwoordde niet. Ze begon weer te wanhopen en te klagen, en moest weer een paar dagen neerliggen. Rik kon haar opbeuren. Hij verzekerde haar dat het allemaal jeugdige zotternijen waren, en dat die vuurkens fluks uitvlammen zouden. Hij wist dat de jongen en 't meisje tegenwoordig ongehuwd reeds samenleefden op eene gemeubeleerde kamer, en die tortelliefde zou haren gang gaan, en naderhand zou Romaan boetveerdig terug keeren. --Ze zullen trouwen.... --Zij en zullen niet trouwen. Waarom zouden ze trouwen? Ze hadden zoo al hun volle pleizier. --De plodde zal aandringen.... --Zij en doet. Hij sprak kort. Ze herwon een beetje betrouwen en liet zich genezen. Maar zij en kon sindsdien niet ten volle meer hare zaken bewerken. Al hoopte ze stilaan dat Romaan de meid ten langeleste verlaten zou, ze bleef bij haarzelve klagen over 't verlies van haren zoon, en de handel leed door hare dagelijksche onachtzaamheden. Albien, die 't wel merkte, stelde schuchter voor het huis aan een opvolger over te laten. Ze wilde hier echter niets van hooren, en werd buitengewoon ieverig. --Denk niet meer aan hem, zei Albien, die er gestadig aan dacht. --Ja, zei Ursule. En ze dacht aan hem. Ze deed hem beloeren. Ze stuurde ook altemets Goedele, en vernam aldus dat Romaan in waarheid ongehuwd bleef en gemeenzaam leefde met Madeleen en tante Olympe. Hij had ook altijd gesproken van vrije liefde en nieuwe zeden. Zij was nu tevreden, omdat hij die dwaze gedachten behouden had. Ze kreeg verder te wete dat hij als ingenieur aan een bronsfabriek verbonden was, en het stilde haar in hare moederlijke bezorgdheid; hoe danig zij ook deze bezorgdheid met sterke beredeneeringen wilde versmooren, zij was bezorgd, tegen wil en dank zich moeder voelende. Een nieuw voorval wierp haar ten derde male te bed. Madeleen beviel van een dochterken. Meteen verzonk haar laatste hoop, want ze wist dat Romaan nu voor altijd vastegeklonken lag. Ze wilde Rik's noch Albien's troost ontvangen en Goedele ook moest verwijderd blijven. Van dien dag af begon de koffiehandel te slabakken. Er ontstonden onlusten onder de werklieden, en kleine muiterijen maakten Ursule en vooral Rik uitermatig benauwd. Toevallig konden ze, ver beneden de weerde, het huis koopen van een gevallen edelman, in een rijkemanswijk der stad. Ursule verkocht haren handel en nu gingen ze rentenieren. Albien zou voortwerken op zijn bureel. 't En deerde hem niet te vele, en 't bracht schoon geld op. De nieuwe woonste was prontelijk gelegen, boven de stedelijke warande, en over de breede vaart. 't Was een groot hotel, met, achterwaarts, een heerlijk park en een lochting vol bloemen. Aangename breede wegels liepen erlangs, allen saamkomend op een open terras, waar 't in den zomer krioelde van gloeiende of klaterende rozen. Het huis zelve was een vierkante massa met gelijke vensters. Talloos waren de kamers. Ursule achtte het nutteloos alles te meubeleeren. Ze had zich het huis voor eigen genot niet aangeworven: 't Was meer weerd dan 't geld dat zij er aan besteed had, en zij en zou al die kamers niet nutteloos gebruiken. Zoo bleven er een groot aantal leeg en vele luiken werden nooit ontsloten. Dat gaf aan deze woning een doodsch en akelig uitzicht en na enkele maanden verwierf zij ook in den geest der naburige menschen een geheimzinnige beteekenisse. Drijmaal daags zagen zij 't zware hekken opengaan: in den vroegen morgen, als Albien traagtrippelend naar 't Ministerie trok, later, omtrent tien uren, als Marie, de dienstmeid naar de markt moest, en 's avonds nog, als Albien terugkeerde. 's Zondags, bij de eerste uchtendure, gingen Ursule en Rik naar de kerke. Dichte te noentijd was 't de beurt van Goedele en haar vader. Zoo was de gewone gang gedurende vier jaren en heel zelden werd er eene verandering aan toegebracht. De menschen babbelden ondereen. --'t Is een spokige femilie, zeiden ze. En ze pinkoogden of plooiden hun lippen heimelijk, gebarende daarmede dat hier een wonderbare historie onder schuilen moest.... * * * * * Albien wandelde, te herfstevesperure, in den hof. Hij was nu een oud ventje geworden, met grijze krulharen om een rondbollig, rood gezichte. Hij snuffelde den lochting rond, met zijne diepe oogskens wroetelend links en rechts. Alhier rechtte hij een gebroken stengel, aldaar kneep hij een dorre bloem weg, alles in profijtelijke doening met voorzichtige vingeren betastend en bestreelend. Altemets maakte hij zijn eigen lastig om een vertrapt plantsoen, maar zoetig was zijne ongedurigheid en dan liep hij verder al mummelend: --Tet-tet-tet.... Hij tort de wegels langzaam plat, kon nievers een papierken zien liggen en dook seffens de minste onregelmatigheid. Hij wilde alles in gelijke effenheid zien schoon wezen. De palmboomen moesten zorgelijk gesnoeid en gekapt worden, de graspleinen vlak gemaaid. Hij had deugd als niets meer buitensporig was, en liet zich daarna wat rusten op een der groene banken. Van daar bewonderde hij den tuin, volgde met liefde de sierlijke vaart der baantjes, de plezierige reke zonnebloemplanten, de kleine wilgen met zilveren tronk, en alginds het hooge gebladerte, rossig, bruin, gloeiend en geel. Hij pinkte af en toe een kruideken of een stofken van zijn bruine veste, en lei bij tijden een plooi rechtte in de vouw van zijn knie. Vervolgens trok hij voorzichtig een boeksken uit zijn zak en zette zich te lezen. Albien was een zwakke geest, geleid door allerlei manieën. Op zijn bureel was hij een niet-denkend mensch, een weerlooze schakel in de administratieve keten. Hij ging gewillig met de omstandigheden mee, zonder die te bespreken; hij bekampte ze in elk geval nooit. Zijn leven was zonder passie. Hij stortte maandelijks al het geld, dat hij won in de handen van Ursule, die altijd stiptelijk naging of de afkortingen voor de pensioenkas goed berekend waren. Hij hield geen duit achter. Hij kreeg van Ursule alle weken éen frank, en hij meende dat hij ook niet meer noodig had. Hij kocht daarmee altemets een dagblad, altemets een pakje nieuw zaad voor den lochting, meermaals echter een vijfcentenboekje. Die boekjes lagen in een klein winkelken van de benedenstad te koop achter de ruiten. Hij bleef eerst lang vóor 't raam staan eer hij binnenging. Hij moest ze allemaal eerst buitenwaarts bekijken, en de titels lezen en in zijnen geest dan vergelijken, om endelijk goed te weten wat hij nemen zou. 't Waren raadselboekjes, boekjes met charaden, met goocheltoeren, met wonderzottigheden. Hij verkoos over 't algemeen de goocheltoeren of het stekjesleggen, en dergelijke, waar hij zich tot laat in den avond mee kon bezighouden. Verhalen en dwaze perten, daar hield hij minder van. --Onnoozele dingetjes, zei hij. Hij peinsde dat hij een "vinder" was. Hij kon uren en uren nadenken over de oplossing van een raadsel. Achteraan in het boekje stonden de oplossingen gezamenlijk gedrukt, maar hij zocht eerst minstens een dag of drije eer hij 't opgaf. Dan was hij moedeloos. Hij beweerde dat de vraag onduidelijk gesteld werd, en achtte zich daarom slechts half overwonnen. Hij was nu een boekje over het dominospel aan 't lezen. Hij doordacht het en herdraaide in zijn hoofd de zinnen. Met een droog takje begon hij naderhand op den grond teekeningen te scharten--al vierkantjes en halve vierkantjes. Hij bezag dan dat ruitwerk met gedwongen aandacht, herlas enkele regels van 't boekje, was weer aan 't kijken en 't wrijven en 't teekenen. --Dobbel zesse hier.... Hij was opnieuw bezig. --Dobbel vijf aldaar.... Hij hief zijn voeten op om plaatse te maken en moest nadien toch heelemaal op de bank kruipen om zijn beenen uit den weg te krijgen. Zoo zat hij te raden en te rekenen en te kijven met het boekje of met zijn eigen vorig idee.... Er werd gebeld en Marie deed het hooge hekken open. Albien zag Sebastiaan Vrebos door de voorzichtige splete te voorschijn komen, en hij vouwde fluks zijn blaarkens bijeen om hem vóor te loopen. --Wel! wie dat er dáar is! Hij was in den grond wel niet erg met die komste ingenomen. Hij meende zijn verveling door overdreven wellekomwoorden te moeten verbergen. --Mijn arme jongen, die zoo verre geweest zijt.... Hij nam hem een pakje af en nog een pakje. Hij vatte hem bij den arm. --En nu danig vermoeid zijt, zeker danig vermoeid zijt..... Daarbinst viel 't ijzeren hekken met zijn bekend geruchte toe, achter hem. --Niet zoo erg toch, beste heer, lachte Sebastiaan. --Och!... en Goedele zal zóo tevreden zijn. Ze was ook dagelijks bezig over u, het brave kind. Ei! dat zal hier een aardige avond zijn. Hij dacht nu aan het soepee. Ursule zou wat goeds gereed maken bij deze gelegenheid, en daarvan zou hij evengoed als Rik misbruik maken. De gewone eetmalen waren ook zoo erg gewoon, zoo eender tevens en zoo grof. Als Sebastiaan thuis kwam werden ze beter verzorgd en kwam er bovendien nog een lekker extra bij. Dat bracht hem in zijn schik. --En hoe liep de reis af? Wat een heerlijk land moet het zijn ginder! --In de reden, ja--maar het land heb ik juist niet veel bekeken. --Al bergen en stroomen, meen ik? --Veel bergen.... --Och!... en daar zult ge ons aan tafel van vertellen.... Wel Djeezes! als ik nu bedenk dat ik oud ben, en niets hebbe gezien! 't Zijn dingen, 't zijn dingen! Hij trok hem mee naar het terras. Sebastiaan kende die manieren. Ze walgden hem voor 't meerendeel; hij deed evenwel zijn best om zich buiten bereik te houden en liet dan liefst een onbeduidend vriendelijk lachje op zijne lippen versteenen, bij wijze van antwoord. Hij kon de familie Wilder moeielijk lijden--Goedele toch had hij innig lief, en haar schoon gelaat, daar berustte hij in, en het troostte hem over 't valsche gezwets, dat hem gedurig krenkte. Op het terras stonden Ursule en de stokoude Rik. Ursule ontving hem met open aangezicht en een streelenden blik. --Welkom, mijn vriend. --Hertelijk dank, mevrouw. Hij drukte hare hand en de koude vingeren van grootvader. Hij zei een reke vage woorden, binst dat Marie hem van zijn overjas en zijn hoed ontlastte. --De jongen heeft bergen gezien, riep Albien. --O ja.... Ze omringden hem en vielen hem lastig met allerlei zoetigheidjes. Hij had een ivoren kistje medegebracht voor mevrouw Wilder en een heel wonderbaar gedoe voor mijnheer Wilder--een Zwitsersch huizeken, teenemaal gemachineerd, met een kleppend horloge en een beiaardspel en twee werkende figuurtjes--en nog een zilveren snuifdooze voor den ouden heer. Ze moesten alles dadelijk bezien en bewonderen, en hunne dankbaarheid in breede geuten uitwerpen. En Ursule zei: --Dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Ze betastte haar kistje en beloerde de zilveren dooze van Rik. En Rik sprak met een lage stem, die ook zich liefelijk te wenden probeerde: --Ja, dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Hij had liever een zwaarder dooze gekregen, maar hij keek zijne oogen algelijk zat op het schitterend geflikker der ciseleeringen van het deksel. --'t Is een kunstwerk. Hij woog het in zijne ervaren handen. Na een stonde kwam Goedele staan in de opening der deur. De noesche avondzonne straalde open langs haar lichtbruine kleed en teekende er gloeiende plooien. Haar gelaat klaarde zonderling op uit de donkere diepte der kamer, achter heur. Ze keek naar Sebastiaan en een flauwe glimlach krulde om haren mond, maar hare oogen hadden verre blikken, verwijd in stille droefenis. Sebastiaan boog zijn lijf naar haar, en deed een stap voorwaarts, en hief trage en bekoorlijk zijne armen op. --Goeienavond, Goedele. Hij voelde zijn herte weggaan van hem. Hij voelde zich leeg worden en pluimlichte. Hij omvatte in de stille straling zijner liefde deze vrouw, die groot en schoon en beminnelijk was. Zonder haaste en zonder drift, met eene zachte moeheid in de stem, zond ook Goedele hem haren groet. * * * * * III Als mijnheer en mevrouw Devleeschhouwer, en hunne dochter, juffrouw Bella, en Alfred hun zoontje waren aangekomen, ging men aan tafel zitten. 't Was eerst een lustig gepraat ondereen, een wederzijdsch complimenteeren dat wegvlood in luttele woordekens, met lachjes erlangs. --Wel, mijnheer Vrebos, schetterde het nooit moede stemmeken van juffrouw Bella, wel, mijn goede heer, hoe zonnig ook het verre land is, hoe zonnig toch is 't huis waar verlangende herten wachten.... Ze loerde daarbinst naar Goedele met liefelijke blikken, en draaide haastig omme haar ongedurig lijf en gilde: --Oh! l'amour! Elkendeen had zijn aangewezen plaats in de eetzaal. Men zette zich neer en frommelde de servetten open, naderhand met luie vingeren de vork of den lepel takend, die bij poozen alzoo te rinkelen begon. Mijnheer Wilder vroeg met groote belangstelling aan Alfred hoe 't nu zou afloopen met het najaarsexamen. De jongen was blijkbaar met deze vraag niet erg ingenomen, en antwoordde al blozend dat hem de uitslag wel gunstig toescheen. --De jongens hebben het tegenwoordig zoo druk met het leeren, zei mevrouw Devleeschhouwer. Het was ook de meening van mijnheer Wilder. --Wat zullen ze nu al uitsteken met hun Grieksch en hun Latijn? Maar mijnheer Devleeschhouwer vond het uitstekend, dat men zonder deernisse in de athenaea met de leerlingen omging. --Dat hebben de kerels van doen. Hij rondde zijnen buik om gewicht te geven aan zijn gezegde en liet de gouden ketting rotelen, die er als een vloek op te klateren hing. Mijnheer Wilder was een dik mensch met enge schouders en een uitermatig hoofd, kaal en zijpelend onder het gaslicht. Hij krulde alle uchtends zijne rosse knevels met een warm ijzer, zoodat die gedurig triomfelijk ommebogen en met een scherp puntje rechtkwamen. Te midden zijne vettige kin vlekte daar zijn bokkebaardje, een donker hoeksken. Hij Wilde er martiaal uitzien en deed zijn best om zijn lomp hoofd naar een officiersmodel te scheren. Mijnheer Devleeschhouwer was een man met een gemist ideaal, daarom ook een diep-ongelukkig wezen. Hij drukte nog dikwijls zijne spijt uit daaromtrent en deed het altijd met zoo 'n lage, droeve stemme, dat men algauw beseffen kon hoe danig hij gekrenkt, geknakt, gebroken was erdoor. --Ik en hebbe naar 't gebod der Voorzienigheid niet geluisterd, zei hij. 't Gebod der Voorzienigheid, zoo heette hij zijne roeping. Hij werd, meende hij, voor den degen geboren, tot meerder heil van zijn vaderland en van zijn vorst. Maar hij had naar 't gebod niet geluisterd; hij had zelfs in de burgerwacht zijne kans voorbij gekeken. En nu was hij oud. Nu was het te late. In de burgerwacht, door onlangs gestemde wetten heromgewerkt, zou hij nooit binnengeraken. Zijn troost berustte sindsdien op een militair uiterlijke, dat hij bijna verkrijgen kon, dank zij een gestadige aandacht, een koppige inachtneming. Hij droeg schoenen met hooge hielen. Hij gaf jaarlijks een rond sommetje om eerevoorzitter van een oud-korporalenkring te blijven. Zijne kravatspelde was een gouden kanon met allerliefste diamanten wielkens. Hij had een breeden ring met een miniature van Leopold I, en binnenwaarts had hij er in gothische lettertjes doen graveeren: "Pour Dieu, pour le Roi et pour la Patrie." Hij sprak grof en probeerde altemets brutaal te zijn. --Wel--Heere, zei mevrouw Devleeschhouwer, ge vindt het hier aan tafel wel goed dat men de kinderen afbeult ter schole, en als de jongen hoofdpijn heeft, zijt-de al seffens zelve aan het janken.... --Eulalie! berispte mijnheer Devleeschhouwer. Hij en noemde in gezelschap maar ten uiterste zijne vrouw bij haren voornaam. Zij en mocht hem in zijne weerdigheid niet kwetsen. Maar Eulalie was een zeer lichtzinnig oud wijveken, met een bijtend karakter en sluwe manieren. Zij heette haren vent kortaf Nestor. Hij ware gelukkig geweest, als zij hem op soirée had willen aanspreken met een deftig "mijnheer Devleeschhouwer". --Mijn advies is ook dat men streng moet zijn, sprak Rik. Hij wendde zijne oogen zijwaarts op naar Ursule. Geheel zijn glad, vierkantig aangezicht lijnde omlage naar 't puntje van zijnen neus, en zijn tonge sleerde tweemaal overentweer langs zijne droge lippen. Omdat Ursule zijn gezegde met ruste liet, hief hij met een schokje zijn hoofd omhooge en zijn mond viel open in een hatelijken grijns: --Wat een woord niet taken wil, taakt de zweepe! Ursule zei: --Vader, ge moet zachte zijn.... Hij droop haast weg in zijnen stoel en bleef er koes ineengedrongen, endelijk toch schokschouderend en zijn kinne met een koppigen ruk opduwend. Bella bracht het gesprek op een ander onderwerp, en vroeg, zoeterig lachend, aan Goedele of Sebastiaan nu wat van zijn reis vertellen mocht. --Dwing hem met uw lieve handjes. Ze schetterde en vond hare eigen woorden dol leuterig, en gilde in een lachbui: --Ma chère! Marie bracht de soep, die al zeere op de tafel, in elkendeens schotel, te dampen stond. De lepels begonnen hun tsinkelend zilverspel en schervelden langs de gladde tellooren met wrijvende geluiden. Sebastiaan boog zich over tafel en zijne linkerhand deed al wuivend een stil gebaar: --Laat juffrouw Bella maar bedaren--ze krijgt wel wat praats, als ze mij hierom genegen is. --Een beetje soep nog? vroeg mevrouw Devleeschhouwer. --Wel ja, wel ja, zei Albien. Goedele at langzaam en was precies zoo heinde en verre met hare gedachten. Ze keek altemets naar een schitterende lichtvlek op den spiegel, en bleef er dan staren, alsof ze geerne zich geleidelijk liet wegvaren in gaande gepeinzen. Sebastiaan keerde zijne oogen naar heur. Ze voelde meteen den toets zijner blikken en was seffens verlegen, even glimlachend om vriendelijk te zijn. Hij werd ook hare verwijderingen gewaar en fluisterde haar af en toe een onbeduidend woord toe, bij manier van haar terug te roepen, haar bij te houden, dichterbij. --Waaraan denkt ge? --Aan niets, mijn vriend.... --Goedele is nooit zonder gedachten. --Ik bekeek die bloemen.... Hij vond nu ook die bloemen leelijk, monsterachtig. Goedele lachte, omdat hij zelve ze besteld had. Hij bleef bij zijne meening, dat het afgrijselijke wangedrochten leken, en dan, al waren ze in waarheid schoone.... --Ze zijn ondankbaar, zei hij, als ze u wegrukken van mij. Mevrouw Devleeschhouwer, die naast mijnheer Wilder zat, was druk bezig met hem over zuinigheid en gulzigheid. Dat was gekomen naar aanleiding van Alfred's ongemakkelijke doening. Alfred at met ongemeene schuchterheid, al langetandend en muilkens makend. Aldoor loerde hij naar Goedele en bouwde in zijn geest romantische toestanden, waar hij den held en zij de heldinne was, en moeder moest hem stootjes geven om hem te doen eten. --Hij eet zoo weinig t'onzent ook, zeide ze aan mijnheer Wilder. --De jongens moeten eten om groot te worden, was 't idee van Albien. Mevrouw Devleeschhouwer gaf hem gelijk, maar ze had toch liever een zoon, die zuinig was, dan een doorvreter met gulzige manieren, die alles verslinden kon en daar op een ende zou te zweeten zitten lijk een trampeerd, en geweld te doen om niet onpasselijk te worden. --En als de examentijd er komt, weten de kinderen zoo vreeslijk van dat folterend surmenage.... Lust gij nog een beetje spruitjes of wat vleesch, mijnheer Wilder? --Wel ja--wel ja.... Alfred zette zich te blozen, omdat moeder hem met dat woord "kinderen" zoo kleineeren wou. Hij zag noesch op naar Goedele en onderzocht op haar kalm gelaat, of zij 't beluisterd had. Albien klopte stillekens op zijne schouders en zijn rood gelaat neeg naar 't zijne, in een breede bui van vriendelijkheid. --Allo! allo! mijn jongen, steek nu uw hoofd niet zoo proppensvol met vreemd gebrabbel en dolle cijferwebben. Vacantiedagen zijn er ook nog, en die naderen bij tijde. Hij moest eens niezen, en bracht zijn servet over zijn gelaat, dat naderhand purpergloeiend te voorschijn kwam, zijpelend van wellust. 't Had hem alzoo deugd gedaan, en hij veegde zijne oogen drooge. --Vandaag moogt ge u deugd doen, zei hij. Hij keek naar een rijkelijken hamelbout, die vol souse onder een gulden korste daar gloorde, triomfelijk en wonderbaar. Hij stelde bovendien een overgroot belang in de matelijke gebaren van Ursule, die den wijn inschonk. Mevrouw Devleeschhouwer bleek hem een weerdige gebuur-vrouwe. --Een glazeken roode? vroeg mevrouw Devleeschhouwer. --Wel ja, wel ja.... Hij zei 't met geveinsde onachtzaamheid, alsof het hem niet schelen kon. Hij slurpte zijn beker met korte geutjes leeg, en likte een wegloopend dropken weg, profijtelijk. Hij gebaarde niet te merken dat Ursule hem gestadig belonkte en wist wel dat zij hem morgen met allerlei berispingen lastig vallen zou. Hij liet zich aan geen toekomstig ongemak gelegen; 't was hier tegenwoordig goed.... Bella en wilde Sebastiaan niet met vrede laten. --Zal ik u met het weinige, dat ik zag, tevreden stellen? vroeg hij. Hij vertelde van het landschap, van 't hooge gebergte, zoo heerlijk in den avond, als 't laatste zonnegestraal in verre sneeuw blijft haperen en er de zoete schakeering ligt van zijn vele verven; hij beschreef met overgevoeligheid de subtiele harmonij der kleuren, opgaande van 't diepe blauw naar 't vurende oranje. Zijne handen wuifden in sierlijke buiging en zijne lange vingeren teekenden de kleinigheidjes, peuterden aan vage tinten, beloken in wegdoezelende klaarten, stipten eene eigenaardigheid ievers aan, of vielen neer, in vrome vouwing, lui en moede en zacht. Hij kon zoo een stonde lang zich ommedraaien in fijnstemmige gezegden, en zijne oogen keken binstdien de leegte door. Hij en had nooit driftige woorden--hij vertelde alles op zangerige rythmen met altemets een onbepaalde uitdrukking, die hij dan in een stijgen of dalen zijner stemme verklaarde. En zijn aangezicht bleef djentelijk, omdat geen sterke klank zijn mond vervormde. Hij was schoon. Hij sprak schoon. Bella boog zich over tafel en dronk aan zijne lippen die kunstige tale. --En Weenen? Hij wist van Weenen weinig. 't Was een moderne stad met veel lucht en licht. Hij had geen bepaalden indruk. Hij had vooral schilderijen bekeken. --O ja--Bos en Brueghel, zei Goedele. Ze was verlegen dat ze 't gezeid had seffens daarna, omdat het als een vermindering klonk van Sebastiaans betrachten. Maar hij was niet gekrenkt en meende dat het haar een vreedzaam geneuchte was daarvan te hooren spreken. Hij noemde 't werk van Hieronymus Bosch een wonder. Hij joeg de beelden achter mekaar, deed waarachtig in 't geluchte varen de mirakelachtige schepsels uit de verbeelding van den schilder geboren. Hij sprak van eene St. Antonius' tempteeringe, beschreef een vóor een de monsters daar vereend--konijnenkoppen op kinderbeentjes, menschenbuiken met oogen en een ooievaarsbek, vliegende draken, schertsende gezichten, grijnzende muilen. Hij deed ze herleven en benauwd worden in groene klaarten of wegschemeren in donkere spelonken. Maar hij was tewege warm te worden als hij over Brueghel begon. --Brueghel is de meester boven de meesters, juffrouw Bella, en stellig boven het begrip der menschen. Hij wist het leven uit te drukken in waarheid en zijne uitdrukking, aldoor een uitslag van stijlsynthesis, was een zuivere gave der kunst. Bij Brueghel vindt ge kleurharmonieën die men sinds niet meer heeft kunnen bereiken, en elke kleur op haar eigen ligt plat, effen, net. Hij dierf een hoop bonte boeren en krijgers neerwerpen op een vlakken sneeuwgrond, en 't en stoot noch en krenkt onze esthetische gevoelens: 't streelt en 't verwondert. Ik zag te Weenen een Babeltoren, waar 'k nu geen woorden voor vinde, schoon genoeg. Hij keerde zich zijwaarts naar Goedele. --Ik wou u dat alles dolgeerne doen zien. --Ja, mijn vriend? --Ik wou u doen taken deze hoogste hemelen der kunst, ik wou uwe ziel, uw gansche vleesch eenstemmig maken met deze wijdste trillingen der menschelijke ziele.... --Ik ben u dankbaar hiervoor. Ze was stille, een zachte grens voor zijn uitgeworpen verlangens, stille en ernstig. Hij voelde wel de vreemdte, die over haar bleef en niet weg te drijven was met woorden, maar zijn herte lag open, zonder angstvalligheid noch vreesachtige koorts. Hij betrouwde op haar. Hij was gelukkig bij haar. Bella werd gloeiend rood en beet ongedurig op hare lippen. Ze was een appel aan 't schillen en deed het zoo los en grove, dat mevrouw Wilder het haar met een kort woord en een lachje opmerken deed. Ze keek met schuchtere blikken op naar Sebastiaan en een wijlken bibberden hare wimpers. --Weet ge nu niets van de menschen aldaar, mijnheer Vrebos? vroeg ze. Hij wendde naar heur zijne blauwe oogen, nog zat van Goedele's beeld. --Niets, juffrouw. --Wel--Heere! wat een zonderlinge reiziger, riep ze. Ze begon wrevelig en luidruchtig te lachen en smeet haast een kopje koffie omverre, dat Marie haar even voorgezet had. Ze schetterde, bevend en schokkend, voort en hare oogen kwamen vol tranen. Dan hief Rik zijnen witten kop omhooge. --Hebben die monsters indertijd bestaan? Sebastiaan sprak van uitbundige verbeeldingskracht en fanatieke tijden en probeerde klaar te blijven, met eenvoudige zinnen. --Maar hebben die monsters in tastbare gedaanten bestaan? vroeg Rik. --Zekerlijk niet.... --Ha! Hij bukte zich en rok zijnen hals uit, blazend over zijne koffie en hem trage en matelijk inslurpend. Mijnheer Devleeschhouwer beweerde dat er nievers draken bestaan hadden. --En zeemeerminnen? fluisterde Rik. --Zeemeerminnen ook niet, zei mijnheer Devleeschhouwer. --Zeemeerminnen wel! zei Rik. Ze staken allemaal hun hoofd op. Rik was somber geworden. --Ik hebbe gezien, met deze oogen, die nog onthouden kunnen, een zeemeerminne in 't witte schuim der baren. --Tèt ... tèt ... tèt, pruttelde Albien, wiens oogen begonnen te zwemmen in wellust. --Ze schoof over 't water, als raakte zij 't niet. Ze dook zich en steeg weer boven, en zij had een steert, zooals 't afgebeeld staat op de prenten. Ze zong in den nacht. Ik weet het wel, vermits ik het gehoord heb. En ik heb gehoord wat ze naderhand zei. Ursule weet het ook wel, vermits ik het haar verteld hebbe, en van het ijzeren kistje weet ze ook.... Ha! Ha! Dat weten wij! Hij knikte en zijn kinne kwam vooruitsteken en hij wierp een brok suiker in zijn kopje. Ursule wees dat hier geen aandacht op te vestigen was en met uitermatige vriendelijkheid vroeg ze aan Bella of ze niet eens zingen wou. Mevrouw Devleeschhouwer prees al dadelijk de nieuwe zanglessen, die Bella van een Italiaansche dame ontving. --Een echte artiste ... en zoo heerlijk dat ze trilleeren kan! Bella moest rechtstaan en iets laten hooren, en dan zou mevrouw Wilder en mijnheer Vrebos zelf oordeelen kunnen. --Zing ereis van "Sur la rive solitaire".... --Een danig oud ding toch niet, mama. --Ho! maar dat vind ik juist zoo'n schoon stuk! Sur la rive solitaire, Loin de toi je désespère.... Het is fijne muziek, Bella. Mijnheer Devleeschhouwer vond ook dat het fijne muziek was, en dat zij best dees lied zou kiezen. Juffrouw Bella verkoos echter "Les petits pavés". Dat was aandoenlijke zang, en Alfred kon ook geen ander fatsoenlijk begeleiden. Ze zong met een aangename stem, niet zonder eene gevoelerige gemanierdheid nochtans. Ze bleef altemets aandringen op een toon en maakte dramatische effecten daarmee, den klank warm en vol afrondend in den beginne om hem naderhand te doen uitsterven in smachtende halve-tinten. Als ze, bedrogen door heur eigen spel, hare oogen voelde nat worden, neep ze die halvelings toe, zoodat het licht op hare wimpers in de tranen fonkelde. Erdoor waterden hare bezweken blikken zijwaarts toe naar Sebastiaan, en hare woorden trilden in deze stonde waarachtig van hopelooze droefenis. Bij de laatste strofe zonken hare armen neere, en binst de endakkoorden van 't klavier bleef ze nog staan, en haar gezichte bewaarde swijlens zijne smartelijke uitdrukking. --Bravo! bravo! riep mijnheer Wilder. Elkendeen juichte haar toe. --Wat een allerliefste stem! zei Ursule. --En hoe zij die te leiden weet! zei mijnheer Vrebos. Mijnheer Devleeschhouwer peuterde aan zijn baardje en knikte goedkeurend en luisterde met welbehagen naar mevrouw Wilder, die de kwaliteiten van dezen zang overschatte. In den grond hield zij er niet van: het lied was lamlendig en éentonig, en het docht haar dat Bella lijk een ziekelijke katte daar te miauwen stond. --Het is heerlijk! zei ze en, met een veelbeteekenend stootje van hare onderlip, lachte ze Bella toe. Alfred droop naar zijne plaats terug en zat er, lijk te voren, met roerlooze oogen te turen naar Goedele. Maar mijnheer Wilder gaf hem nu duwkens in zijn zijde en fluisterde hem een breede uitlegging toe omtrent allerlei mekanische tuigen. Mijnheer Wilder was eenigermate onder den invloed van den wijn geraakt; zijn aangezicht vuurde lijk laaie karbonkelgloed, en roode vlekken beglansden zijn bolle voorhoofd. Het zwitsersch huizeken, dat Sebastiaan hem had meegebracht, kwam gestadig vóor zijn geest, en hij hoopte dat hij het straks aan Alfred zou kunnen toonen. Hij wilde bij Alfred belang verwekken voor het huizeken, omdat hij zelf 't zou te zien vragen. Hij wist dat Ursule hem niet toelaten zou het uit te pakken, als hij er uit eigen beweging van spreken zou. --Alfred zal 't verkrijgen, peinsde hij. Hij probeerde Alfred te bewegen. Hij wilde 't voorzichtig doen, vertelde eerst van automobielen, van elektrische trams. 't Begon Alfred alseffens schrikkelijk te vervelen. --Te Straasburg is er een wonderlijk horloge, zei Albien. Hij lei uit hoe daar eenthoeveel apostels en groote personagen bij 't slaan der klokken te werke gingen en draaiden en keerden en zwaaiden met hunne bronzen armen. --Maar een huizeken in hout, een beiaard daar in, en een vrouwken en een manneken, alles schoone ingewikkeld, jongen--hebt ge dat al ievers gezien? --Neen ik, zei Alfred. --He wel! ik hebbe er zoo een! Alfred staarde naar Goedele's vingeren, die om een zilveren lepelken verduldig werkzaam waren. --Ik hebbe er zoo een, herhaalde Albien, al duwend in Alfred's leên. Maar een luidelijk gedruisch kwam in de straat, onder de vensters, en alle woorden vielen meteen. 't Was een stijgende zang uit honderden kelen, een rommelend rumoer onderbroken door dreunend trompetgeschetter. Als de ruchtige stoet voorbij was en in een nevensteeg ging wegdoezelen, lijk somtemets de winden doen alover verre daken, was in de eetkamer een ongemakkelijke stilte meesteresse. --Werkvolk, zei Rik na een stonde. Mijnheer Devleeschhouwer deed onachtzaam al spelend zijn leeg tasje op tafel ommentweer rollen. Ze begonnen allemaal seffens dooreen te spreken. Ze wierpen een woord alhier en aldaar en ze waren koortsig. --Weer een meeting.... --Weer een vechting.... --Weer 't bedrijf van Zondag--een ophitsen, een losloopen van gewelddoeners. --Wat een tijd, wat een tijd! Mevrouw Devleeschhouwer herhaalde: --Wat een tijd! Wat een tijd! 't Was verkiezingsweke. Onlangs was er geweld gebeurd, een muiterij in 't lage der stad, een omnibus omverre geworpen en steenen uit de kasseide gehaald. Drij dooden. Rik mummelde dat het een hoop met beesten was. --Ze willen muren inbreken met hun voorhoofd. Mijnheer Wilder meende dat die menschen veeleer ongelukkig dan slecht waren. Hij zei 't ronduit. De regeering was onrechtveerdig, of zij wilde niet rechtveerdig genoeg zijn. --Elkendeen moet te eten krijgen. --Maar elkendeen moet werken, ronkte Rik, en dees zijn opgestookte leeggangers. --Ja, sprak Ursule, kort en hard. Sebastiaan peinsde ook dat de volksbeweging de maatschappij tot het uiterste kwaad leiden zou. --Wij zullen nooit en nievers allen tegelijk gelukkig zijn. Er zijn uitverkoren en verworpen wezens. Er moeten meesters zijn en slaven. De huidige democratie is de ondergang der kunsten, en maakt 't luilekkerland der middelmatigen. 't Getal domme menschen zal altijd grooter blijven dan 't getal verstandige--zij zouden dus 't hoofdzakelijke bestuur kiezen? Wij gaan geleidelijk naar 't verderf, omdat wij, uit leelijke deernisse, de onderste menschenlade niet opofferen durven. Goedele meende dat die deernisse niet zoo leelijk was en dat het volk, tot hooger besef zijner plichten komend, stilaan zich verstandelijk ontwikkelen zou.... Er geraakte in huis een ongemoedelijk geluchte. Men voelde allentwege een wrevelige kilte, en men loerde naar de plate van 't horloge. Mijnheer Devleeschouwer moest nog zijne denkwijze kenbaar maken. --Kwart over tien, lispelde zijn wijf met geveinsde onverschilligheid. Maar mijnheer Devleeschhouwer hield er bepaald aan ook zijn woord te plaatsen en hij deed het met de noodige deftigheid. 't En was, volgens hem, niet kwaad dat er af en toe een onlustje onder dat sociaal-minnend boeltje ontstond. Dat was eene gelegenheid om de sterkte der politie te staven. Hij hief zijne armen omhoog en werd praatziek: --Hoe loopt zoo'n opstand gemeenlijk uit? De politie neemt stevige maatregelen, de stoeten worden ontbonden, de burgerwacht, steunpilaar onzer huiselijke rechten, wordt bijeengeroepen en bezet alle straten. Als ik zeg alle straten, zal mij niemand tegenspreken. Wat hebben wij verleden Zondag gezien? Wat hebben wij in de dagbladen gelezen? Ik ontmoette majoor Cnaps. Hij zei: "De wet zal geëerbiedigd worden." Ja dat heeft hij gezegd.... Ik vind niets ter wereld schooner en statiger dan een officier der burgerwacht. Majoor Cnaps is ook een fier en heerlijk man, niet waar mevrouw Devleeschhouwer? Dat is nu wel de zaak niet, maar 't is eender. Een oproer blijft voor mij een deugdelijk verschijnsel. Elkendeen was allang te wege op te staan. Bella sprong endelijk rechte, met een lach verwittigend dat het laat werd. Ursule bracht hier tegen in dat het morgen rustdag zou zijn en er dan geen bezwaar was om nog een uurken te blijven; ze deed het echter heel lauw en meest bij wijze van beleefdheid. De stoelen werden alhier en alginds verschoven, en Goedele ging in de voorzaal 't gaslicht aansteken. Ze hielp mevrouw Devleeschhouwer en Bella zich aankleeden en schikte hunnen hoed en speldde hun vool vaste. Ze hoorde ze op den hof vóor 't hekken nog groeten en naderhand hun gemompel over de straat stille weghorzelen. Ursule was algauw in de keuken om inspectie te doen, en Albien scherrelde met zijn Zwitsersche dooze naar zijne kamer. Rik bleef zitten voor de leege glazen. Goedele zuchtte diepe. Ze tort naar het terras en bleef er een oogenblik staren door de donkerte naar de boomen, die in eentonigen avondzang te ruischen stonden, op de mate van den gelijken wind. Ze werd naderhand Sebastiaan gewaar achter heur, en draaide zich omme. --Gij? --Ja.... Hij nam hare hand en drukte die en omving hare schouders, trage haar hoofd neerleggend op zijne borst. En in heur haar fluisterde hij zachte woorden. Ze was gestreeld erdoor en liet zich streelen, en zijn warme asem was een aangename jeukte over haar hoofd. --Wat hebbe 'k gedacht aan u, mijn Goedele! Hij zocht naar lijze zinnen en wrocht ze zorgvuldig zaam in zijn geest tot een lange lispeling, een lispelende zoetigheid. Hij peuterde aan zijn gevoelens tot het ruchtlooze vlindervlerken werden of een geest zonder gedaante. Hij en liet geen vezelken zijner ziele onaangeroerd, hij zei alles wat in zijn liefde tot een woord kon vervormd worden. --Ik keek naar een sterre, en voelde precies dat haar stralen u taakten. En Goedele liet overhaar neerkomen die stroom, die warmte, die vrede--tot zijne lippen meteen haar voorhoofd toetsen kwamen. Ze boog zich en sleerde uit zijne armen en stond dadelijk in 't volle licht der eetzaal. Hij sprak niet meer. Hij nam zijn overjas, en stak een sigaar aan. Hij drukte even hare hand en kustte die vluggelings, en vertrok. Moeder kwam aangeloopen en moest nog alles nazien op de tafel, de lepels tellen, de vorken, de suikertichelkens. --Waarom ontvangen wij dat volk? mummelde ze. Ze troostte zich met het idee, dat het nu hare beurt was en dat ze ongenadig zou zijn bij Devleeschhouwers en maar doorvreten zou. Het was sinds jaren zoo. Goedele ging slapen. Ze tort hare killige kamer binnen en miek licht. Haar venster stond nog open en 't vrije geluchte joeg in breede vlagen ommentweer. Ze belook de ramen en huiverde een endeken. De keerse stak weldra een rustig vlammeken omhooge en wierp schier roerlooze schaduwen tegen de muren. Het bedde stond hagelblank en vouwrijke gordijnen vielen erlangs, doorzichtig in 't gele uitspattende licht. Vóor een vierkant tafelken, ook met een witten geborduurden doek bedekt, zette Goedele zich neere en bleef er den avond herdenken in hare luie gepeinzen. Ze was moe. Ze haperde aan wrevelige herinneringen, al kleinigheidjes die groot werden in haren geest en waarmee ze dan een gedwongen hopeloosheid wilde bewijzen. Ze redeneerde tegen haar eigen zelve en gebruikte daartoe de minste gebeurtenis. Nimmer had ze met meer zekerheid de ijdelheid gevoeld van dees huis, de ijdelheid van dees leven. Het soepee walgde haar. 't Kwam in groote geuten naar haar hoofd, en al die menschen, elk met zijn particuliere dwaasheid, waren leelijk en terugstootend. Het beeld van mijnheer Devleeschhouwer krenkte haar, en zijne nietige vrouw, waanzinnig in kleine eerzuchtjes, kon ze niet verdragen. Bella ook werd haar een folterend hysterisch popje, aldoor smachtend en aroetekoeënd en potsierlijk. Hare ouders zelve bezeerden hare gedachten--moeder was valsch en vader was klein en grootvader was vrekkig. Ze zag nog den zwaren nekke van Alfred, binstdat hij op 't klavier spelend was, en zijn droog haar saamloopend, tenden zijn bolle hoofd, tot een stekelig sterreken.... Ze achtte zich, met een haastigen schok, verveeld en vernederd door eigen verbeelding. Ze kleedde zich uit en vlocht heur haar bij dichte stringen en wond die in een kanten kapje saam. Ze stond nadien vóor den spiegel, bloothemds, en bekeek de schoonvervige naaktheid van haren hals, hare opwellende borsten, hare armen. Ze was groot en geweldig en majestatisch. Ze kwam haar eigen meteen voor als een aanbod, als een koopveerdige voorstelling, als een die zich niet bezittend was en eigendom zou worden. Een stijgende fierheid sloeg, met den stevigen klop van haar bloed, tegen hare slapen en ze voelde zich machtig, boven 't gepeuter en de ellende van dees huisgezin, boven al de luttele woorden, die flauwasemend neerzegen, menig en vederlichte. Ze wilde een forsig gezegde beluisteren, den vurigen toets van mannelijke armen belijden, ze wilde zich verdedigen met hare tastende handen en toch overwonnen worden.... Ze viel neer op haren stoel, sidderend en hijgend. Ze dacht aan Sebastiaan, hoorde nog het zoeterig gefluister zijner liefde, zag nog het vroom gebaar zijner kunstige lippen, en zijne oogen, diepe en stille, zijne blauwe oogen. Ze werd, in éen scherp zicht, gewaar dat hij over haar niet heerschen zou, dat zij hem gewillig verdragen zou, en hem in dankbaarheid voor vredige uren liefhebben. Zij en bereikte, met een verste gepeins, geen wijde hoop in de toekomst, en haar hoofd zonk op hare borst, verduldig, begrijpend dat het niet denken mocht. Ze vatte langs alle kanten van haren geest, dat haar lot verveling was en dat geen schoon geweld haar driftverlangen zou bedaren. Ze weende nu en had deugd daaraan, en haar lijf snokte opwaarts, met haar hortend snikken mee.... * * * * * IV. Het was 's anderen daags frisch en leutig weer. De zonne had in den morgen een lagen mist verscheurd en wapperde tegenwoordig in een blauwen hemel, lijk bij uitkomend lentegetij. Goedele zou naar Romaan gaan. Het hekken viel luidelijk dichte achter haar, en nu tort ze over de straat en hare hielen klonken pleizierig op de koude steenen. Ze voelde zich vrij en keek alles genegen toe, alles liefelijk ontvangend wat zich voordeed. Ze bleef altemets de uitstalling der groote magazijnen bekijken, en 't was een waarachtig geneuchte voor haar. Ze stelde er algauw een groot belang in en bleef hier en daar haperen en lanterfanten, kiezend en afkeurend en aannemend met een knikje. Ze bewonderde in een engelsch confectiehuis een prachtig kareelbruin kleed uit zwaar laken, ruime pagodemouwen met oranje zijde gevoerd en bezet met zachten marterpels, een kraag met gulden franjen en zoo nauwkeurig met blinkende knopjes bezoomd, regelmatig te reke.... Ze had goesting naar zoo'n dracht, die haar rijkelijk maken zou en begeerig. Ze zou dien breeden rok voelen kloppen, gewichtig en wijdplooiend, om hare voeten. Op een hoek der groote middenlaan, stapte een sierlijke dame uit haar coupé. Even werd haar kleine leest in een ruischend gefrutsel van kant en satijn zichtbaar, en ze liep, al wippelend, een pasteiwinkel binnen. Goedele loerde ze nog na, benieuwd voor wat ze koopen zou, en ze merkte, achter de laden taartjes en suikergoed, hoe zij te kiezen begon en naderhand zich aan een luttel mokkakoekje te snuisteren zette. En ze beneed bijna deze vrouw, die schoon en wispelturig en vrij was in hare doening. Zóo, lijk deze, wilde ze worden--zoo, handelend naar beliefte, en geliefd naar haren zin. Ze zou ook genieten van den vroegen morgen en uitrijden in de uchtendkilte. Ze zou ook links en rechts binnen gaan, toevallig. Ze zou ook bijten in zoo'n taartje, met volle tanden, en ze zou trek hebben ernaar. Nu had zij geen trek. Ze had ook geen geld te vele. Ze had, buiten enkel klein zilver, het bankbriefje dat voor Romaan en zijn kindeken bestemd was. Geld van moeder. En ze dacht: we maken thuis ons eigen ongeluk.... Binstdat ze vóor een modemagazijn stond en veel lust had in 't zicht van hoeden en linten, werd ze een jongen man gewaar, die haar sinds durenden tijd achtervolgde en maar overal stil bleef, waar zij iets te bekijken had. Ze vond hem onbeleefd en zou hem straks eens duchtig in de oogen staren, als dat loopje standvastig zijn mocht. In de spiegelvlakte der ruiten kon zij hem zien--een sterken vent, hoog en goedgeschouderd, fatsoenlijk aangekleed. Ze vond hem deftig en struisch, bijaldien hij haar dan toch danig krenkend en ongemanierd scheen. Hij wilde niet in haar aangezicht blikken, hij deed alsof hij haar niet merkte, voortdurig echter achterblijvend, gedwee en koppig tevens. --Hij heeft tijd te vele, meende Goedele. Ze tort dan haastig door, kronkelend door 't volk, straat in straat uit, zonder ommezien. Ze spoedde zich tot zij er moede van werd, en bleef rusten bij een tramhuisje. Tien stappen achterwaarts stond hij. Verontweerdigd stapte ze naar hem toe, hem bijna takend in 't voorbijloopen, en hij kon ditmaal haar toornige oogen niet ontvluchten. Hij bloosde rijzekens en sprong verlegen op een aankomende tram. Ze had er nu medelijden mee, met dien grooten lummel en lachte met zijne plotselinge benauwdheid. 't Was haar een onnoozel vermaakje geweest; ze dacht er aan, lijk aan een piepken-duik-spel van kleine kinderen. Ze herinnerde zich flauw zijn scherp gelaat, omschaduwd met donkere knevels en een vierkanten baard. Ze drilde voort, probeerde onderwege zijn beeltenisse precies af te teekenen en peinsde er later niet meer op. 't Was een dwaze leutigheid. In de lage stad ontmoette ze, langs de nauwe stegen, meer volk en was er meer verschillend lawaai. Winkeliers prezen hun waar op hunnen dorpel. Wijven stonden in donkere poorten te kakelen en te kijven. Allerlei menschen kwamen saam, bij dichte troppels, hun neuze opheffend, en turend naar blinde muren, met electorale plakkaten bontgevlekt. Kinderen draafden gichelend en schreeuwend rond en stormden tegelijk een ruchtigen brouwerswagen achterna. Uit open kroegen steeg 't rumoer van hevige redeneeringen. De toekomstige verkiezingen hadden alreeds deze wijk in rep en roere gesteld. Goedele kocht in een poppenkraam een poesjenel voor Wiezeken, geheel en al in een rood en groen pak, met gulden draad geborduurd. Ze dacht: --Ons pover Wiezeken!... Ze tort de vaartbrug over en geraakte, zijwaarts ommedraaiend, in een stille straat, die verder uitliep op de graanmarkt. Arets den hoek voorbij, was een ellegoedwinkel met hoogen gevel. Hier, op het eerste verdiep, woonde Romaan. Ze ging seffens den somberen gang door en steeg de smalle trap op. Er heerschte tallenkant een scherpe geur van lijnwaad en geverfd katoen. Ze klopte boven stille tegen de deur, hoorde binnenwaarts tante Olympe antwoorden, en draaide de klinke open. --Wel! wel! juffrouw Goedele! riep tante Olympe. Tante Olympe zat alleene aan 't patodders schillen. Ze kwam haastig aantrippelen, binstdien vluggelings hare handen schoonvegend met haar blauwe schort, en hielp Goedele zich ontdoen van haren mantel. 't Was een stokoud wijveken, mager en omlage gekromd. Haar luttel gezicht lag plat tusschen twee pronte vlechten zilverwit haar, en haar kinneken stak vooruit en ging huppelend mee met hare minste woorden. Ze droeg een zwarte kanten kap en getafelde halfmouwen. Twee lange oorbellen rinkelden van weerskanten tot in haren hals. --Ho! dat zal Romaan en Madeleen deugd doen, die brave komste van juffrouw Goedele.... Ik zei 't nog gisteravond bij mezelve: zou ze nu niet weten dat Wiezeken ziek is, en zou ze nu niet komen?... Maar ze komt. Dat is goed. Dat is goed. Ze roefelde met een handdoek over een stoel en schoof hem naar Goedele toe. --Och! en Wiezeken is zoo ziek, juffrouw! --Zoo erg? --Och ja! Och ja! Ze zuchtte en zette zich neer en staarde een wijlken naar een varende wolk, langs het venster. --Ik hebbe 't gepeinsd en ik hebbe 't gevreesd, juffrouw Goedele. Dat en kan toch niet deugen, zoo'n valsch huwelijk, niet waar? Ze zijn allebei braaf en ze hebben een schoon herte. Ze zien mij ook geerne. Romaan is braaf. En Madeleen is braaf. Maar wat willen ze nu koppig zijn, tegen den wil van Ons-lieven-heerken? Wat willen ze nu zondig zijn? En ze verdienen geen straffe. Wat willen ze de straffe met geweld zich aantrekken? Ik weet niet ... waarachtig.... Ons-Heere is zoo goed! Heeft hij ooit iemands ongeluk gemaakt? Hij heeft dikwijls iemands ongeluk vermeden.... Hare oogen kwamen vol tranen en die rolden nadien, dikke en langzaam, langs hare kaken, in de diepe groeve van hare rimpels. En ze zei: --Zijn wil is deugdelijk. Ze moesten trouwen en neerknielen in de kerke. Dan zou alles effen komen.... Ziet-de 't? Ik word ziek daarvan. Ze blikte weer opwaarts, naar die wolke. Ze slikte een krop weg, die zeer deed in hare keel. --Maar nu is ook Wiezeken ziek geworden.... --Is Wiezeken gevaarlijk ziek? --Ziek. 't En wil eten noch drinken. Keelpijne. 'k Hebbe al gesproken van lijzemeelpap met regenwater. 't Kindeken hoest, dat het mij pijn doet, 's nachts. 'k Hoore 't 's nachts hoesten. 't Is een holle hoest, die dan te huilen begint. 't Ligt in de voorkamer. 't Is bleek en mager geworden. G'en zult het niet meer herkennen, juffrouw Goedele. 't Zal wel zijne handjes uitsteken naar u, maar zulke tengere handjes, met vingerkens van teer hout precies. Madeleen en Romaan en mijnheer Johannes zijn er nu bij. Mijnheer Johannes komt schier alle dagen kijken, en Wiezeken ziet hem geerne. --En komt de dokter er ook bij? --Dagelijks. Hij wringt beulenijzers in Wiezeken's kele. Ik en kan 't niet zien, waarachtig. En dan moet ze citroen nemen tot heur tanden rabauwen. De dokter zegt dat het zal overgaan. Ze zeggen dat allemaal. Maar ik weet wel dat het ongeluk hier is binnen gekomen, en dat het niet wijken zal, als Romaan niet tot inkeer geraakt. Goedele stond recht. --'t Kindeken ligt in de voorkamer, zei tante Olympe. Ze was te wege Goedele vóor, om haar de deuren te openen. Ze mummelde gestadig en schudde haren witten kop, tenden raad. Ze keerde zich dan haastig omme en blikte zonder overgang vlak in Goedele's oogen, en ze vroeg: --Wilt gij Romaan overhalen? Ze beweerde dat Goedele het zonder moeite bekomen zou. Romaan sprak alle avonden van haar. Zij zou hem dadelijk tot zijn schoon verstand brengen. --Hij is nu buiten zijn gedachten versmeten. Goedele weerde zich zachtjes af. --Wilt ge niet? bad tante Olympe en hare lippen vielen in diepe droefenis neerwaarts, zoodat naar dezen nieuwen rimpel al de andere te gelijk negen, een beeld stichtend van onzeglijke smert. Goedele troostte haar--dat was niet zoo erg, en God hield zich niet zoo bepaald bezig met schadelijke uiterlijkheden. --Schadelijk? --Want als Romaan trouwt, dan sterft zijne moeder. Romaan doet het wellicht uit menschlievendheid, en doet hij niet best zoo? Moeder was niet edel jegens Madeleen, tante Olympe, maar ze blijft, spijts al haar ongelijk, zijne moeder, Madeleen weet toch dat Romaan haar niet verlaten zal. Zij mag niet willen dat Romaan's moeder sterft. Tante Olympe week achterwaarts tot tegen de dresse en ze hief permintelijk haren kromme rugge rechte. Haar aangezicht verloor meteen zijn lijdende uitdrukking en werd hard, puntig, stekelig. --Ja?... Ja?... Ja, juffrouw Goedele? Hare kin begon te trillen en ook hare beide handen beefden, en haar hals rok ze uit, de bruine pezen toonend boven hare witte krage, tusschen de blinkende oorbellen schijnbaar bruiner nog. Hare stemme steeg uit lage diepten, werd koortsig en sidderde, schoot weg in klaterende klanken en schorrelde thoope, lijk een pak blekken schervels, droge en ruig. --Maar nu sterft Wiezeken? Maar nu sterft het arme dutseken door den wil van God, door ulder koppigheid, ulder te gare. En als Romaan en Madeleen buiten geworpen werden, uit het andere huis, omdat ze niet wettig getrouwd waren, en als we samen het moeielijk hadden en aleens honger kregen--is dan mevrouw Wilder dankbaar geweest, dankbaar omdat Madeleen zich, naar hare goesting alzoo, lijk een slonse gedroeg?... Ik hebbe gewerkt met mijne oude vingeren, en met mijne oude oogen hebbe 'k gewerkt, en nu wonen we in een leelijk huis, waar Madeleen zich voort lijk een slonse mag gedragen. En nu sterft mevrouw Wilder niet. Ze zal wel gezond zijn, als Wiezeken sterft. Dan is Wiezeken uit de voeten.... --Ho! Ho!... tante Olympe.... Goedele was niet toornig--ze berispte stille, omdat tante Olympe bedaren zou. Maar tante Olympe moest uitspreken en naarmate hare stemme gebroken en afgemat, luttel werd, liepen sneller en zwaarder hare tranen over haar roerend aangezicht. --Ik mag het u zeggen, juffrouw Goedele. Ge zijt ons allen lief en genegen.... Ze begon meteen te snikken. Het groote geweld was over, en ze kloeg nu, al hakkelend en schokkend. Haar lijf zakte ineen en ze was moe, kromme en scheef lijk te voren. --Och! kind, we doen zoo moedig ons devooren, gedrijen. Romaan is nog altijd op de fabriek; hij wint daar niet veel en we moeten hem helpen met borduurwerk. We doen het geerne, we doen het geerne.... Maar laat ze trouwen, als 't u belieft. Ik heb al zooveel geleden voor Madeleen, van toen ze klein was en hare ouders had verloren. Ik heb ze opgebracht en ze leeft in mijn herte. Laat ze nu trouwen, laat ze haar eer hebben, die 'k zoo jaloersch hebbe bewaard. Laat ons hier weggaan, uit dees open huis, en laat Wiezeken later een naam dragen ... niet waar? Ben ik nu redeloos? Mag mevrouw Wilder redeloos zijn? En zou ze sterven, omdat een meisje eerlijk blijven wil? Zou ze? Maar ik, ikke, juffrouw, ik ga nu ook weg, door hare schuld dat voele 'k--en ik zie Romaan en Madeleen allebei zoo geerne.... Ze moest gaan neerzitten op een stoel, en Goedele klopte zoetekens op hare schouders, een braaf woord zeggend, dat haar opbeuren zou. Ze werd kalm naderhand en snoot zich in haren grooten rooden neusdoek, en veegde trage hare oogen droge. Ze fluisterde, met een droef lachje, Goedele toe dat ze niets hiervan bij Romaan mocht laten gebaren. En vriendelijk, nog even na 't eerste woord een snik meeduwend, vroeg ze: --Wilt ge nu Wiezeken zien? Goedele nam de bonte pop, die zij medegebracht had, en ging vóor. Maar, bij de deure, bedacht zij zich en tort niet verder. --Wie is die mijnheer Johannes? Tante Olympe werd seffens praterig en lei uit hoe deze vriend van Romaan, een rijke kunstschilder, op een avond in huis gekomen was en hoe hij sindsdien wekelijks kwam en hen allen zeer genegen was. --Een brave ziele, juffrouw Goedele. Hij heeft de beeltenisse van 't kindeken gemaakt, op min dan drij dagen. Wel! dat is een stuk, schaap. Ge zult het zien. Ge zult peinzen dat Wiezeken in waarheid u komt toegeloopen.... --Hoe is zijn name? --Ameye, Johannes Ameye--wij zeggen gemeenlijk hier mijnheer Johannes. 't Is een gouden hert. De deur werd precies opengestooten, en daar stond Madeleen. Ze viel dadelijk in Goedele's armen, haar kussend en groetend met dankbare woorden, en ze bezagen malkander naderhand met vochtige oogen. En Madeleen lispelde gestadig dat het braaf was, dat het goed was. --Och ja! ik ben tevreden. Romaan liep ook fluks bij en drukte zijne zuster op zijne borst, en dan stonden ze gedrijen een wijle sprakeloos ondereen, te kijken naar een gedacht van deugddoende liefde. De stilte is altemets een licht gewaad met gulden twijn geweven, waar de ziele te rusten blijft, te rusten en te luisteren naar schoone aandoeningen. Romaan nam nadien Goedele bij de hand en stelde haar vóor aan zijnen vriend. Ze dierf in den beginne niet opzien. Ze voelde iets ongemeens in 't geluchte, alsof deze man geen vreemde zijn zou en haar met een bevrienden lach bejegende. --Dees is haast mijn broeder, zei Romaan, zijn plaats in mijne liefde is nevens u. Ze keek er naar en herkende hem, zooals zij hem bij 't venster van den modewinkel voor 't eerst ontmoet had, en zooals zij er, bij het tramhuisje, toornig was op afgegaan. Hij bloosde en boog. --Hebbe 'k mejuffer niet elders gezien? Ik vrees dat ik een leelijk hoekje krijg in haar geheugen.... Zijne stem was vol en zwaar, en sloeg in sierlijke golving om. --'k En hebbe u nooit ontmoet, zei Goedele. Tante Olympe had seffens de voorkamerdeur geopend en was aan 't babbelen met Wiezeken van een popje met djentige dracht en met twee drollige bulten. Madeleen begon over 't arme dutseken te klagen en vertelde hoe het toch zoo geleden had, den vorigen nacht, hoe 't hoestte en kuchte en pijnelijk zich wrong, hoe 't dan neerlag zonder couragie, bleek en afgemat, hoe 't zin had in niets, in niets van al wat het vroeger begeerde,--en hoe dat alles danig smertelijk was om zien. Ze gingen allemaal nog eens kijken. 't Beddeken stond in een luchtige kamer, naast de breede koetse van Romaan en Madeleen. Drij vensters wierpen licht op den blooten vloer en, bij kletsende geuten, tegen 't vermoeide muurpapier, vaag-bebloemd met bruinroode tulpen. En 't beddeken was sneeuwwit en zuiver en prontelijk, gewend aan de zorg van aandachtige moederhanden. Goedele bukte zich langzaam erover. --Dag, Wiezeken, mijn zoete boeleken.... Wiezeken lag in 't blanke kussen, zoo luttel, zoo klein.... Haar hoofdje dook schier weg onder de sargie, een hoofdje bleek en vaal, met loodvervige schaduwen, oogjes diepe en wijd-denkend, en een mondje teenemaal verslenst. Ze lachte stille als ze Goedele herkende, en hare handjes gingen op naar heur, nadien weer neervallend, lui, onbeweeglijk, broos. Hare lippen ontsloot ze swijlens en ze wou zeggen: daáag!... en ze haperde in een zuchtje en zweeg. De pop werd nevens haar geleid, en ze was daarmee bovenmatelijk gelukkig. Ze bekeek haar met welbehagen en had plezier met de schitterende kleuren en die koperen knoppen en die domme bulten van weerskanten. --'t Is een poesjenel voor de brave kinderen. De poesjenel kon zijne armen toeklappen, als men op zijn buik neep, en dan rinkelden de twee bellekens, die aan zijne mouwen hingen. Tante Olympe neep maar gedurig op den houten buik en de poesjenel smeet zijne klinkende armen gedurig saam, en Wiezeken was bovenmatelijk gelukkig. Maar ze werd algauw weer slaperig en wendde haar hoofd omme, en dan moest Tante Olympe aan 't voetende het lieve lam pakken, dat mijnheer Johannes had meegebracht. En tante Olympe moest op het onderst plankje duwen tot het lam te bleeten begon. En 't lam zei: --Bêe-êe-êe-êe.... Wiezeken lachte flauw en streek met hare vingerkens in de witte wolle en bleef er peuteren tot meteen hare oogen opnieuw heel verre staarden en ernstig werden. Het was alsof dees kind zijn moeielijke gepeinzen volgde en in diepe beschouwingen verzonk, aldoor mijmerend langs bovennatuurlijke zaken. Langzaam vielen zijne wimpers dicht en zijne handjes bleven stille. --'t Slaapt. Het sliep. Zijne wangen en zijn voorhoofd en zijne lippen--'t werd alles effen wit. Ze tuurden allemaal zwijgend ernaar. Romaan boog zijn hoofd en zijn kin rustte op zijne borste, en van onder zijne neergeduwde wenkbrauwen loerden droomend zijne rechte blikken. Hij hield zijn kind, dat beeldeken van smerte, in zijne hersens vaste en zijn hopeloos gedacht en wilde zich niet losrukken daarvan, hoe 't hem folterde en martelingen aandeed. Dat witte gelaat, in nauwmerkzame tinten opschaduwend uit al het blanke bedlinnen, dat heele broze koppeken, rijzekens een diepte wegend in 't donzig kussen, en dan de teekening daarin van beloken oogen, neerplooiende lippen, een luttel neusje, met kantewaarts een zoetvervig blauw--al wat nu Wiezeken was, 't hiew met pijnlijke slagen, een steenen herinnering in zijn geest. Madeleen keek schuw op naar hem, en ze toetste met haar hert zijn droevig gepeins, en een groot verdriet zeeg over haar. --'t Is een deugdelijke slaap, fluisterde tante Olympe. Ze kromde haren ronden rugge over 't bedde en lei den poesjenel aan 't voetende, nevens 't schaapje, en dook voorzichtig de lichte handjes van Wiezeken onder het deken. En ze prevelde nog: --Morgen zal 't ten halve genezen zijn. Ze rechtte zich en zag omme binstdien, en Romaan stond daar, vóor haar, te staren, heinde weg, roerloos en zonder uitkomste. En ze merkte, zóo blootliggend op zijn aangezicht, zijn endelooze leed. En ze herhaalde met onzekere stem, om toch wat leven in dees bange geluchte te krijgen: --Morgen zal 't ten halve genezen zijn. Maar de stilte en wilde niet breken, en hare woorden stierven seffens uit, zonder naklank, zonder een bijblijvend gedacht, dat mocht de angstige leegte vullen. En dan zweeg ze ook, met de anderen mee, en dan hoorde ze somtemets het snorkend asemken van 't zieke kind. Tot, op een ende, allengs 't rumoer van voorbijrijdende karren en een standvastig gebas van honden hier binnen drong en hoofdzakelijk werd, ten teeken dat stilaan elkendeen zich van Wiezekens' beeld lostrekken wou. Daar was buiten een man die riep: --Scherre-scherre-scherresliep! En hij deed een krissend wiel draaien, dat lijk een scheur door de ruimte kreesch. Naderhand klonk boven, op het tweede verdiep, 't geronk van een naaimachine, en bij poozen, een blijde meisjesstem vrij trillend in een leutig lied. Goedele lei haren arm op Romaan zijnen schouder, en Madeleen wendde met een diepen zucht haar aangezicht van hem af. En mijnheer Ameye zei: --We mogen hier alzoo niet blijven, en de kamer vullen.... En terwijl allemaal stille wegdrumden, vroeg hij wat een lieve gebuurvrouw daar zong, ginder hooge. Tante Olympe trok voorzichtig de deure dicht, en begon seffens te vertellen van het zonderlinge huishouden. --Een blinde met zijn dochter. Ze noemde de dochter "een verloren maarte". De oude vader knorde en ronkte en keef den heelen godschen dag door, en 't meissen zong swijlens. Men hoorde ze van den morgen tot den avond. 't Waren goede herten. --En hoe geraken ze aan hun brood? --Ja, hoe geraken ze aan hun brood!... Tante Olympe zette zich bedenkelijk neer, en lonkte naar Madeleen, en vouwde hare handen over haren schoot, daarna eens smakkend, alsof ze iets zeggen zou van gewichte. Ze deed hare duimen overeen draaien. --Ja, mijnheer Johannes ... ze naait. Ze zei 't zoo beteuterd dat Ameye lachen moest, en elkendeen, met gemaakt geweld, meelachte. Ze werd dan een beetje rood, vlak naast de gouden oorbellen, en ze begon alzeere en vluggelings te babbelen om hare verlegen manieren te verbergen. --Ze staat laat op in den morgen. De oude is altijd eerst te been, en ik hoore zijne voeten scherrelen over 't plankier en zijn stok matelijk kloppen. Hij maakt zijn eigen fluks kwaad en dan staat hij te grollen of loopt mompelend rond. De man moet veel geleden hebben. 'k Zie 't op zijn gelaat. Hij heeft een moeden mond en zijn doode oogen liggen in een rimpelkrioelinge bijkans te lore. Zijn lippen hergaan bij stonden, alsof hij een antwoord gaf op een invallende gedachte. "Ja!" zegt hij, kort, droog, met tot ruk van zijn kinnebakkes, en niemand weet tot wien hij 't zegt. 'k Zeg hem al eens tegen, al lachend: "Neen!" als om te strijden met hem. Hij blijft dan staan op de trap en heft zijnen stok op, en 't getril van zijn neuze is een teeken van komende gramschap. Maar zijn arm valt omlage en zijn gezicht druipt neerwaarts in een verdraagzame droefenis, en hij zegt schuddebollend: "Och! Och! Och!" ... en zijn doening is dan van een, die mij gelijk geeft. 't Is een aardige vent, mijnheer Johannes. --En de dochter? Goedele vroeg hoe haar naam was. --Mariëtte, zei tante Olympe. Ze bleef, saamvouwend opnieuw hare handen, zitten, en riep nadien, met geveinsde belangstelling, de katte, die even van onder de dresse te voorschijn kwam en voorzichtig ruiken ging aan het tjopken van haren wenkenden vinger. Madeleen vertelde hoe Mariëtte gestadig leutig was en aldoor zong. De naaimachine geraakte wel eens in druk bedrijf, maar dat en gebeurde niet dikwijls. Mariëtte hield zich meer met hare twee kanarievogels en met hare begonia's bezig. In den uitkomende was 't een plezier hare werkzaamheid te zien, hoe ze aan 't sproeien was, en heel 't venster vol hing met kapucijnebloemen, schoone opgeleid langs een kunstmatige webbe van draden en touwtjes. En de vogels werden in dat getij buiten gehangen, boven 't raam, in de gouden zonne. Gestadig schikte ze de muitjes en spreidde er voolkens over om den wille van muggen en ander stekend ongedierte. En als ze niets te verrichten had, boog ze zich over de bloempotten heen en bracht hare lippen bijeen tot een toeterken en floot hare lievelingen voor. En lachen deed ze, zoo geheel alleene. --Maar.... --Een herte zonder lusten dan? vroeg Ameye. --Ja, maar ... daar hapert iets.... --Wat kan er haperen, dat niet in zooveel leutigheid weer loskomt? lachte Goedele. Madeleen knikte en lachte mee. Ze probeerde in een uitbundig gepraat Romaan's voorhoofd effen te krijgen, en sprak luidruchtig met overdreven golvingen van haar stemme en met wijde gebaren, zich buigend, en wijkend en zijlings wiegend, tot ze warm werd en te blozen begon. Romaan stond vóor 't venster en tuurde naar de wolken. Madeleen zei: --In den avond, als we al zinnens zijn naar bed te gaan, hooren we de trap onder voorzichtige terten kraken. Naderhand zijn er geen zangers meer boven, geen minste rumoer, geen getrippel van Mariëtte hare zotte voetjes. Alleen nog, somtemets, een kort gegrommel van den oude, die aleens poogt de deur open te doen. De deur is vaste.... --De deur is vaste, ja, prevelde tante Olympe. --Omtrent twee uren in den morgen, kraakt opnieuw de trap en rotelt de sleutel in de klinke. --En Mariëtte...? vroeg Goedele. --Ja, Mariëtte zelve. 't Zijn hare eenige wandelingen. Ze gaat anders nooit uit. Romaan wendde zich omme. --Ssjt!... Hoore 'k Wiezeken niet? Elkendeen luisterde en de ongemakkelijke stilte heerschte lijk te voren, alle geluiden der strate groot makend. Tante Olympe ging kijken of Wiezeken sliep. Ze kwam weer op hare teenen, elkendeen geruststellend. --'t Slaapt lijk een engelken. Overmorgen is het te been. Ameye boog zich naar Goedele en vroeg, oolijk lachend, wat hare meening was omtrent Mariëtte. Madeleen trachtte de vraag af te weren, omdat die, volgens haar, zoo direkt in 't intiem denken dringen wilde. Men mocht niet oordeelen. 't Gold hier eene zeer delikate gevoelstoestand. Maar Goedele vond hier zoo diep een ernst niet in, en ze lei uit wat, haar inziens, een rechtveerdige uitspraak zijn zou. --Ik neem aan dat Mariëtte gelukkig is. Zij heeft heur eigen niets te verwijten. --Djeezes-Maria! kreet tante Olympe. --Zij mint het Lenteweer, de bloemen, de vogels, 't vrije geluchte, dat neervalt uit de blauwe hemelen. Ze voelt haar vleesch, haar heele lijf opengaan in schoonheid, in nature. Hare doening 's nachts en zal niet tegen nature zijn. Dat ware onmogelijk. En, overigens, wat doet ze dan? Ze gehoorzaamt misschien aan 't geheime bevel van haar wezen. Ik meen niet dat ze misdadig is. 't Ware in elk geval onwaarschijnlijk. --Ja, zei Romaan. --'t Is een slette, zei tante Olympe. Ameye lachte luid en stond recht. Hij trok zijn overjas aan en moest nu gaan--nog een paar zaakjes afhandelen vóor den noene--en morgen zou hij eens binnenloopen nog, rond den elven. Hij drukte forsig de hand van Romaan en groette tante Olympe minzaam, haar met een dwaas woord tot bedaring brengend, en lachte nog als hij Madeleen goeiendag wenschte. --'k Zal eens 't portret maken van Mariëtte.... Hij boog vóor Goedele en drong nadien met zijne klare blikken heel diepe in hare oogen. --Voor u, juffrouw. --Ja, doe dat, sprak Goedele. Ze wist niet goed wat hare eigen bedoeling was met deze woorden. Ze had zoo werktuigelijk geantwoord, meerendeels om hare lippen te roeren en aldus eene wrevelige verlegenheid te duiken, die over heur aangezicht kwam. Ze hoorde naderhand alleen in ver lawaai al wat nog gezeid werd, en Ameye was lang verdwenen, als zij nog zijne blikken voelde, heel zonderling daar blijvend, vóor haar, met een bovennatuurlijken wil.... Wanneer ze ook dees huis verlaten had, en de straten doorliep, werd ze droevig en was te wege weer te keeren. Ze asemde daar zoo vrij, en nu zou opnieuw moeder nevens haar komen, en grootvader en van avond Sebastiaan--heel die koude wereld, die gemanierde wereld; tusschen al die naakte muren haar nijpend en knellend en zeer doende. En 't povere kamerken, waar Wiezeken te lijden lag en was zoo eendelijk niet als gindsch vierkante steenmassa. Ze bleef droomend lanterfanten langs de uitstalling van den modewinkel en peinsde: --Die mijnheer Ameye is een leege man. Ze joeg hem seffens uit hare gedachten en verzinde 't beeld van Mariëtte. Ze vond daar behagen in--een kap met blonde lokken, een gezichteken als van een zoete deugniet, rond en rood en donzig, en een natte mond en gloeiende oogen en lieve vingeren, gewend aan 't bedrijf van kanten geluksweefsels. Ze liep bijna een kindje omverre. Ze werd beschaamd en stamelde en drilde voort, haastig. Ze zag een tram meteen stilstaan vlak vóor haar. Ze peinsde: --Die mijnheer Ameye is ongemanierd--en niet vriendelijk ... en niet schoon.... En vlugger spoedde ze zich, zonder reden af en toe stil blijvend bij een schitterende kleur ievers aan een venster, of bij een hoog geluid, dat voorbij gilde. Ze hield van niets een vast gedacht. 't Sleerde allemaal over hare hersens. Ze wilde bij stonden tante Olympe oproepen in haar hoofd, haar zien trippelen en snokken met haar kinne en wuiven met haar armen. Ze wilde Wiezeken herdichten, het bleeke wicht. Ze zag den poesjenel. Ze zag het witwollig lam. Ze peinsde: --Waarom vroeg hij, wat ik over Mariëtte denk? En verder drevelde ze, koortsiger wordend naarmate hare gevoelens meer verward dooreen stringelden. Als ze in de stille wijk van blinde rijkemanshuizen geraakte, hijgde ze en was danig opgehitst. 't Docht haar dat de toekomst luchtig werd en dat er klaarten kwamen en een breed zicht. Ze voelde heel vaag eene grondige verandering in haar lijf, een ongewoon trillen, een ziedende leven. Ze hijgde, en zij en was niet moe. Ze was zeker dat iets heel schoons zich had veropenbaard in hare ziel. Ze vroeg niet naar een oorzake. Niets was bepaald. Ze baadde zoo in een streelende warmte, daaraan deugd hebbende en zonder verlangen voortgenietend. Haar bloed sloeg forsig omme en, in haren hals, tegen hare hooge krage, werd zij den sterken klop ervan gewaar. Ze stond meteen vóor 't donkere hekken. Ze hoorde de wind zoeven in de boomen van den hof. Alles brak, viel in haar. Ze moest zich vóor den drempel ontdoen van alle geestdrift, alle gejubel. Ze keek naar de koude muren en naar al die beloken vensters en onderaan naar de vier ontsloten--gladde ruiten, met de franjen van donker roode gordijnen en de witte beelden van twee steenen poedelhondjes. Ze boog haar hoofd en zuchtte. Het zware geluchte van daarbinnen sloeg haar tegen het aangezicht.... * * * * * V. Ursule vroeg haar of zij 't geld gebruikt had. Goedele had het bankbriefken bij 't uitgaan in tante Olympe's hand gestopt. Ze sprak nu heel onverschillig, terwijl ze haren hoed afnam en vóor den spiegel heur haar een beetje schikte: --Och! ja, moeder.... Ursule antwoordde niet en ging een krulleken witte wolle wegknipperen, van Goedele's kleed. --Ge hebt wolle op uw kleed. Ze zette zich neer vóor 't venster en kruiste hare beenen en deed haar pantoffel bijzen op 't ende van haren opgeheven voet. Ze lei hare armen op de leuning van twee naaststaande stoelen en vroeg hoe 't met Wiezeken was. Goedele zei dat het haar niet goed voorkwam, dat het kind daar wel deerlijk lag, zoo wit over zijne kaken, zoo wassig, en zoo teerblauw op de randen van zijne lippen. --'t Zou moeten de buitenlucht hebben. 't Zou moeten kunnen breed asemen. Zijne longetjes zijn geheel vernepen, geheel klein en nutteloos.... --En hijgt zijn borste? --Bij stonden. --En ... zou 't eraan kunnen ... weggaan...? --Watte? Ze keerde zich fluks omme en staarde in Ursule's oogen, zich buigend om indruk te maken. Maar moeder bleef roerloos en liet hare blikken geleidelijk meewiegen, met de bijzing van haren voet, kalm verklarend onderwijl dat ze dat zoo maar vroeg.... --Uit belang ... zekerlijk. Met een ruk, alsof ze peinsde een wrokkig woord neer te gooien, zei Goedele dat Wiezeken den dood nabij was. Ze werd rood en voelde eene dwaze verontweerdiging haar hoofd dol maken. Ze joeg bijtende zinnen achter malkaar: --Ge moet het wel weten hoe Romaan nu lijdende is, gij die zoo geleden hebt om ons, indertijd, als we zieke wichten waren. Hij beseft nog niet hoe verre Wiezeken alreeds van hem verwijderd is. Hij ziet wel overal donkerten ommendom, maar hij hoopt. Gij weet het wel, niet waar? hoe die toestand is.... Gij zijt zijne moeder. Ik heb uw bankbriefken afgegeven. Ze ontzenuwde alzoo haar eigen zelve, en moest, na een stonde, wegloopen om niet haar drift uit te storten in geweldige gezegden. Mevrouw Wilder bleef nog beweegloos zitten, liet zich wegvaren in verre gepeinzen, streelde in haar brein 't vooruitzicht van een toekomst die wellicht weer goed worden zou. Ze voorspelde in hare hoopvolle mijmeringen nieuwe dagen van ijverig werk: Romaan en Goedele saam gespannen aan een reuzentaak, en, in een harrewatrije van voordeelige zaken, een versche geldstroom.... een weelde van rinkelend goud.... Dàn wilde ze sterven, alleen dàn. Ze sprong rechte en duwde hare vuisten op de tafel. Ze siste tusschen hare tanden: --De prije zal ik wegkrijgen. Ze had het al lange gecombineerd, hoe ze Madeleen zou weggekregen hebben. Als Wiezeken dood was, zou alles wel braaf van stapel loopen. --Dat arme Wiezeken.... Ze prevelde drij keeren: --Dat arme, arme Wiezeken.... Ze beluisterde geerne hare stemme, wanneer ze 't onnoozel kindeken bekloeg. Ze had somtewijlen groote angsten. Ze dorst het aan haar zelve niet bekennen, dat ze Wiezeken's dood verzocht. Ze wilde dat verlangen wegjagen met een deerlijk woord, en verlangde maar gedurig naar dat ende. --'t Zou 't ende zijn. Ze redeneerde dan. 's Nachts werd ze altemets wakker en voelde hare vreezen naderen, een zonderling, verwijt, dat altijd opkwam bij bange uren en haar folterde. Ze redeneerde seffens--Wiezeken was zoo'n luttel ding, zoo ziekelijk van nature ... en wat zou er van geworden als het in leven bleef?... 't zou toch allengerhand wegtsieperen, stillekens.... 't was beter dat men 't maar dadelijk verloste uit zijn pijnen ... het dutseken ... in den hemel zou 't gelukkig zijn.... Tegenover Goedele dorst ze daarvan niet spreken. Na 't diner--ze hadden gevieren sprakeloos hun soep en hun vleesch met groenten gegeten--sloot Ursule zich in hare kamer op en Goedele lanterfantte bij 't klavier, behagen vindend in eene fantastische reeks van Grieg. Albien bleef zitten bij haar en, als de oude Rik ook langs de trap weggeraakte, schoof hij een stoel dichte bij de groote tafel en nam, bezij den schoorsteen, de dooze, die Sebastiaan hem had meegebracht. Hij zei: --Dat is een nar ding, wat ge daar speelt, mijn kind!... Hij zette zich goed op zijn gemak en bracht het Zwitsersch huizeken te voorschijn. Hij bekeek het al glimlachend, in kinderlijke bewondering, en leunde achterover om beter te genieten, een oogenbliksken, van het heerlijke zicht. 't Was een huizeken witgeverfd, met een hoog schalieblauw dak en groene luiken langs de gevels. Vooraan was precies een terras van bruine steenen met versiersels in eikenhout. Boven het dak steeg een vierkante toren. Daar hingen de klokken in. Men kon ze echter niet zien. Hij had zich dikwijls afgevraagd of 't in waarheid wel klokken waren en of dat beiaardspel niet feitelijk een snarenspel zou zijn. --Een bedriegsel, een bedriegsel, menschen.... Maar schoone was 't gansche gedoe. Kantewaarts, onder de euzie, was een slot. Hij moest daar nu een sleutel insteken en draaien tot de binnenzijdsche mekaniek opgewonden was en een kort getjok er klopte, ten teeken dat de veêren gespannen waren. De sleutel hing aan zijn horlogieketen, naast een paar Hollandsche dubbeltjes, waar hij zelf een gat in geboord had, en een bronzen medalje van de onlangs gesloten nijverheidstentoonstelling--een geschenk van mijnheer Devleeschhouwer --een klein zonnewijzerken en een sigarenknipper, waar 't koper van ouderdom zich doorsmeet. Hij moest rechtstaan en zijn buik opsteken om den sleutel te bezigen. Hij zette zich nadien met een vroolijken zucht neder, en wachtte, en lei zijn rugge deugdelijk tegen de stoelleuning. Het binnenwerk begon te ratelen en seffens schoof een dubbele deure open op het terras. Twee poppen schoven, met een krijschend geruchte, naar buiten, en 't beiaardspel ving aan. 't Was nu een matelijk dansen. 't waren snokkende sprongskens begeleid door een roteleere van krakende wieltanden, naar 't oordeel van Albien allemaal wonderschoon. En de beiaard speelde een oud veuzeken, liefelijk en huppel-licht, en 't was hem een diep geneuchte ernaar te luisteren, elk toontje op te nemen, achtereen, en te troetelen in zijn hoofd, dat zat werd van de zoete harmonije. Hij mummelde, blozend van geluk: --Dat is nu mijn eigendom. Goedele keerde zich omme en keek hem na, hoe hij schuddebolde en meeging met den kleinen zang, hoe zijne handen ommentweere bijsden, rythmisch en half-beloken, en hoe zijn voorhoofd blonk en zijpelde van overvloedige wellust. Als de mekaniek stilaan verslapte en, met nog een laatste rukje, stillebleef, herwond hij ze op, en weer vergenoegde hij zich in 't zelfde deuntje en in 't eentonig gebaar der poppen. Hij verdeelde nu zijne aandacht en loerde meer bepaald naar den gang der blikken armen, nadien naar 't nijgen der steenroode koppekens, dan naar een haperinge, die, op gelijke afstanden, gebeurde en zich hernieuwde gedurig. 't Was 't wijveken, dat meteen roerloos viel, en, na een stonde, terug opsprong. Hij zocht beteuterd naar de oorzake van die onregelmatigheid. Goedele zag hem triestig worden en zijne lippen herdoen en schrik krijgen middelerwijl. --Mishandt er iets? vroeg ze. --Wel neen, wel neen, zoo precies.... Hij sprak dan verlegen en verwonderde zich: --Ge kijkt ook hiernaar?... Hoe mirakelachtig dat is! Hij mooschte en prutste en draaide nog eens het spel in gang. Goedele keek naar hem en voelde groote deernisse. 't Klonk, in deze hooge kamer, zoo deerlijk, dat onnoozel muziekhuizeken. Op strate was er weinig rumoer--af en toe het tijdelijk gerij van een sjeeze. In den hof ruischte het zoevend geboomte. Hier, alleene en gelukkig, maakte Vader een zottig lawaai, gedurig bezig met zijn nutteloos bedrijf, alsof zóo eeniglijk zijn leven was en niets hem aanging daarbuiten. Ze vroeg: --Hebt ge daar wel zin in, vader, dat ik met Sebastiaan trouw? --Ba ja.... --Wenscht ge dat uit ganscher herte, vader? Hij hief zijn ronden kop omhooge en zijne oogen zeiden genoegzaam dat hij nooit daarover nagedacht had. Het was besloten: ze zou trouwen met Sebastiaan. Ursule had het zoo besloten. En Sebastiaan was geen kwaad aanbod ook. --'t Is een brave jongen.... --Dat is de zaak niet. Ze wilde hem doen aarzelen, eene onzekerheid brengen in dezen hinderlijken geest. Maar Albien kende slechts éene waarheid, en die lag besloten in de wet van Ursule. Even ontwaarde hij in de woorden van Goedele een opstand tegen die wet.... Hij bleef verbijsterd zitten, niet goed begrijpende zoo'n daad, die, naar zijne meening, de menschelijkheid te boven ging. Hij struikelde in een hakkelend gezegde: --Moeder heeft toch ... gesproken ... niet waar ... toch kenbaar gemaakt haren wil?... 't is haar wil toch?... van moeder?... Het rammelend huizeken viel stil en het deurken flapte toe. Goedele begon meteen luidruchtig te lachen van koortse. Dan keek ze Albien met natte oogen aan en boog zich over de tafel, zoekende met hare handen naar zijne luie vingeren. --Och, mijn goede vader, die nooit verdriet en hebt.... Hij lachte mee en verjoeg alzoo het angstig oogenblik, dat over zijne slapen gekomen was. --Ha! Ha!... dat is een aardige perte ... 'n fameuze!... Hij vond het allerbest dat het zoo op een ende afliep. Hij was nu overgelukkig. Hij nam een kaartspel en begon voor zijn eigen kunsten te probeeren, die hij in Snoeck's boekjes aangeleerd had. Hij wond eerst nog eens het Zwitsersch huizeken op, en, binst dat de poppen op mate van het beiaardspel hunnen snokkigen dans deden, lei hij de kaarten nevenseen en deed toeren. Zoo was 't geluchte vol om hem. Zoo was overal de tastbare aanwezigheid van zijn eigendom en al wat leeg was in deze kamer, werd weelde, zijne weelde. --Denk ereis 'n kaartje uit, Goedele, van de éen en twintig die 'k hier openlegge ... toe ... Hare genegenheid deed hem deugd, omdat hij die gebruiken kon als een ernstige belangstelling in zijn doening. Hij vroeg: --Hebt-ge ze alreeds? --Ja ik, zei Goedele met een zucht, al leunend op hare ellebogen. --Nu moet-ge toogen in welk van deze drij pakjes uw kaarte ligt, de kaarte van uw keuze, zegt het boekje. --In 't deze, rechts.... Hij mengelde 't spel, opgehitst, aangeprikkeld door Goedele's schijnbare aandacht. Hij sloeg de kaarten dooreen met een gedwongen sierlijkheid en trachtte zwierig te blijven in zijn minste gebaren. Hij hoopte de kaarten nadien weer in drij pakjes. --En nu? --In 't deze opnieuw, rechts.... Hij herbegon, en een oolijk glimlachje straalde open over zijn gansche aangezicht. Hij verdeelde de kaarten. --En nu? --In 't pakje te midden.... --In 't pakje te midden. Hij maakte zich een wellustige dobbelkinne. Met een haastige stemme verwittigde hij Goedele, dat ze nu goed opletten moest, en haar kaarte niet vergeten. --Hebt-ge ze nog vast in uw hoofd? --Ja.... --Ik zal ze er seffens uithalen ... attentie, als 't u belieft ... een beetje attentie.... Het huizeken was stil gevallen. Hij draaide vluggelings den sleutel erin en deed de wielkens werken lijk te voren, zoodat de beiaard zijn veuzeken hernam. Hij was goddelijk in zijn schik, en dees stonde was hem een onzeglijke verrukking. De wereld was vol van hem. Hij deed de kaarten overeen schuiven, telde en gebaarde, met geveinsde aandacht, de hulp van bovennatuurlijke geesten in te roepen. Hij bleef een wijlken dubben, zette zijn hoofd scheef en tuurde bedenkelijk naar de zoldering, in de afwachting der wonderbare machten. --Kijk nu! Hij smeet de kaarten overhand verre weg van hem en keerde fluks de elfde omme. --Koekelaas! Hij riep ze triomfantelijk uit, zonder aarzeling, en steeg van zijn stoel op, in glanzende glorie. Hij herhaalde: --Koekenaas.... Hee! --'t Was koekenaas. --Ik wist het, ge hoeft het mij niet te zeggen. Dees is tooveren ... eigenlijk.... Goedele keek hem aan met zachte oogen. Ze was tevreden dat hij zoo gelukkig scheen, en prees zijn kunste. Hij viel haar in de rede, verklarende dat niets boven het dominospel en het kaarten reiken kon, en dat hij 't al zoo dikwijls gezegd had aan Alfred ... maar Alfred was niet vlug, moest hij bekennen, en had lompe gepeinzen, aldoor meenende dat hij 't beter wist dan de boekjes zelve. Alfred kon ook niet lang een zake bezien. --'t Is een kind nog. Hij lachte daarmee, alsof hij wel medelijden ten slotte gevoelde voor den jongen, die nog zoo kleinzielerig was ... omdat 't verstand voor de jaren niet en komt. Hij was te wege het huizeken nog eens op te winden, en verwonderde zich als Goedele bad dat hij 't maar niet doen zou. Hij vroeg, bedrukt: --Houdt ge niet hiervan? Ze stond recht. Ze stilde hem. Ze hield veel van dat wonder dingen, beweerde ze. 't Zou echter kapot geraken, als hij 't zoo dikwijls bezigde, en zag hij bovendien nog 't manneken en 't wijveken? --'t Wordt avond.... Zij en merkte geen verven meer. Van uit de hooge vensters, langs de franjen der gordijnen, zijpelde het vage licht, in de kamer te lore zich verdeelend tot het wegdeemsterde in de hoeken. Zonderlinge klaarten blikkerden van tijd ievers op, als 't noesche verspergestraal tegen een koperen ornement botste of tegen een glazen pot, een porseleinen beeldeken, een witgeschuurde tinnen teele. Drij laatste krysanthemen vlekten de naderende donkerte met hun blanke trossen. Van tallenkant rees de plechtigheid der schemering, alles omvattend in zoetig gewaad, voordeelig voor de droomende stilten.... Er werd gescheld aan 't voorhekken, en binst dat Albien zijn speelgoed wegdook in de dooze, tort Sebastiaan de kamer binnen. Het was zijn ure. Hij was altijd heel stipt. Goedele ontving hem met koortsachtige opgewondenheid, sprak luttele woordekens en was danig vriendelijk. Ze ontdeed hem van zijn overjas, omringde hem met hare dienstveerdige handen, bekommerde zich om zijne bleekte. --Zijt-ge vermoeid? --Een beetje. Hij voelde geerne hare hulpzame genegenheid en glimlachte geaffecteerd, zich neervleiende in zijn eigen weerde, herkend door haar, die hij liefhad. Hij vroeg aan mijnheer Wilder of hij 't huizeken schoon vond, en Albien vertelde hem hoe 't ineenstak, hoeveel tijd het in gang bleef en hoe schoon veuzekens de beiaard speelde. Terwijl Goedele een kopje koffie gereed maakte boven 't alkoollampje, en 't gaslicht aanstak, bood hij mijnheer Wilder een sigaar aan. --Dat zijn weer van die fijne sigaren, zei Albien. Ze smoorden en praatten ondereen. Goedele was uiterst gezellig en aangenaam. Ze schonk de koffie, wierp de klontjes suiker erin, roerde en wilde alles zelf doen. --Gebruikt ge melk van avond? --Als 't u belieft, een geutje.... Ze beloerde op Sebastiaan's aangezicht hoe gelukkig hij was, hoe gevoelig voor hare dienstwillige gebaren, en hoe hij daar nu wegzonk in zijne onnoozele verwaandheid, tevreden en zat. En Vader nevens hem was ook een beeld van gezapig geneuchte. 't Was een gulden avond. Sebastiaan zei 't: --'t Is een gulden avond. Daar kropte dan iets in hare keel en ze zwolg geweldig om 't weg te krijgen, en glimlachte rijzekens ... maar heure oogen werden schaduwen. En ze overdreef daniger nog hare vriendelijkheid. Ze sprak zonder diepten, aldoor hare stem buigend in streelingen van korte, oppervlakkige gezegden. Ze schertste met Devleeschhouwer, maakte kleine portretjes, draaide hare meeningen tot lollige zetten en schaterde vroolijk daarbij. --Hebt-ge gemerkt de dwaze manieren van Bella?... Wel Jeezes! Door den rook der sigaren en 't geronksel van die vlugge babbelingen was Albien thoopegezakt en in slaap geraakt. Hij schoot altemets wakker, sluimerde seffens weer weg, en zijn hoofd bijsde ommentweere, zijn bolle glanzende hoofd. --Bella? vroeg Sebastiaan. --Wel ja, herinner u ... ze zat lijk een katte te lonken.... --Ik weet niet.... Ze ging voort. Ze spotte en peuterde aan diverse gezichtjes en had leute met die potsierlijke menschen. Sebastiaan duwde den damp zijner sigaar in ringen en krullekens omhoog, en liet zich dat grillig gepraat welgevallen. Het kwam alles zoo in zijn schik. Hij hield zich als een, die boven deze meisjesdoening staat, maar in waarheid had hij er deugd aan. Te dezer stonde was hij werkelijk de man, die thuis keert van zijn moeielijk en bovenzinnelijk werk, en zich nu vergenoegt in 't naïeve gesnater van zijne vrouw, die lieve, de mindere.... Hij luisterde en 't maakte hem dronken. Hij zei stille: --Later zullen wij interessante vrienden op diner ontvangen. --Wij? Goedele keek hem diep in de oogen, en ze voelde dat hare ziel zich op een ende losrukken zou. 't Zicht der toekomst, dat hij opriep, walgde, folterde haar. Ze wilde niet dat hij de toekomst aanroeren zou. De huidige uren wilde zij gelukkig maken, en ze zou meegaan, dag-in, dag-uit ... en wat er gebeuren moest, zou gebeuren. Ze was gedwee.... Maar den sluier wilde zij ongeraakt zien hangen. Wat er achter was, bezeerde haar. Ze werd somber. Ze kon niet het onmogelijke doen en voortlachen. Ze staarde mijmerend in hare gepeinzen, wachtend tot de schoone eenzaamheid komen zou. Sebastiaan, verloren in zijn standvastig geneuchte, merkte niet hoe plotseling zij zich van hem verwijderd had. Onbewust vulde hij de stilte, die nu heerschend was; hij sprak van zijn zoeken, van zijn studie. Hij was bovenmatelijk gelukkig als hij daaromtrent verhalen mocht. --Dat doet u dan ook plezier, niet waar? Ze tuurde naar 't licht en zag de verte, die onzeker was.... Ze zei, niet wetende: --Ja.... Hij deed seffens Hieronymus Bos herleven, en zijne handen begonnen te wuiven, te keeren in 't geluchte, sierlijk en vroom. Hij teekende die uitermatige figure, dien ziender van monsters en wangedrochten. Hij had ontdekt hoe een ellendig mensch Bos geweest was, hoe hij geleden had tot zijn doodsure alle weeën, die een ziele dragen kan, en hoe hij toch ten langeleste eronder was bezweken. Hij vertelde hoe de kunstenaar dan gewerkt had, hoe zijn koortsige geest al die akeligheden geschapen had en gebeeld in kleuren, en hoe in dat schijnbaar-drollige werk van Bos een verwijt lag voor de menschen. Nadien had hij zijne eigenlijke studie kunnen aangevangen: de invloed van Bos op Filips II van Spanje. Hij schilderde Filips als een ziekelijke mystieker, die behagen vond in de nare tafereelen van Bos. Hij zag den koning, met koortsige nieuwsgierigheid, die tafereelen ontleden en beweegbaar maken. Hij zag hem wreed worden in de nabijheid der hellegeesten van Bos, omdat hij niet vreezen wilde. --En hij vreesde!... Allangerhand joeg Sebastiaan, in 't spreken, zijn bloed op, en zijne gebaren schokten aleens zenuwachtig uiteen bij een woord, dat hoofdzakelijk moest zijn. Hij meende Goedele's gedacht te boeien. Hij merkte hoe zij hem nu nakeek, hoe hare oogen roerloos op zijn gelaat zich vestigden. Hij wendde zijne blikken af en staarde gedwongen naar de poedelhondjes, die op 't vensterblad pronkten, maar innerlijk was hij tevreden dat zij hem in zijn rede zoo nauwkeurig volgen wou.... Tot ze hem meteen het woord afnam: --Is dàt uw werk? Ze hoorde zelf, hoe koud haar gezegde klonk. Hij zweeg een oogenblik: 't was of met een ruk de poedelhondjes waren opgesprongen. Hij bleef beteuterd, vernederd zitten. Goedele, eerst verwonderd dat haar uitval zoo pijnlijk was geworden, wilde niet meer wijken, en koppig dreef ze door, slaande op elken zin, om zich op te hitsen. --Is dàt uw doode werk?... En zal ik leven in 't bijzijn van al die schimmen? Zult genievers een woord vinden, dan om die oude namen tot levende gepeinzen herop te wekken?... Maar voelt ge niet dat ik uitkwijnen moet in dien fantastischen rommel, in die beschimmelingen zonder kleur noch gedaante?... Ik weet niet, wat ik noodig hebbe. 't Is mij te onduidelijk, omdat ik ziek wordt stilaan. Maar mijne armen, mijne handen, mijn nekke dien'k plooien moet, mijn gansche lijf wil lucht en beweging. Van wat is en voelbaar is, wil ik genieten.... Ik vraag het mij dagelijks af: 'k betaste mij en 'k vrage ... waar 'k zeer heb, waar ge mij zeer doet, gij allen, die niet leven wilt!... Ze stond rechte, lengde zich uit, groot wordend en hare sterkte uitspreidend om haar. --Mijn vleesch is struisch--maar binnenwaarts zegeviert de pijne. Ge martelt mij aldus, ge nijpt mijn herte thoope in enge banden van koud metaal. Waarom is alles dood wat ge mij te geven hebt? Waarom en toets ik niets dan doode dingen, allentwege doode dingen? Hebt gijlie geen polslag? hebt gijlie geen warme handen? hebt gijlie geen voelenden geest? --Goedele! Hij vatte haar bij den arm. Hij was gekrenkt. Hij zei kort, met bevende lippen: --Dat is slecht, wat ge doet. --Slecht?... Maar mijn hoofd berst en breekt. Wat hebbe'k miszeid? Mijn hoofd is een zware kasse, en 't weegt me, 't weegt me zoo pijnlijk. Wat draag ik daar al niet in, sinds jaren opgeraapt tallenkant! Die muren hier folteren mij. Ge zult mijn man worden. Mag ik me niet ontlasten bij u? Moet ik de sterkste zijn, en ben ik slecht, omdat ik u een part geef van 't schrikkelijk gewichte? Ik wil niet meer leven alzoo. In dees huis ben ik onvolledig en voel ik nood. Gij zijt gekomen. Gij zegt dat gij me lief hebt.... Ze werd gewaar dat hare stem zeeg en te trillen begon; ze hief hare kin omhoog en rok haren hals uit. Ze wilde hare woorden niet belijden, ze zoo maar uitspreken, zonder dat ze een smertelijke herinnering opwekken mochten. --Dat ge ... mij lief hebt ... ja. Leef nu! Doe niet mee met de doening van heel dees huisgezin. Kijk rond u.... Vader speelt met popjes. Grootvader is een roerende schaduw. Moeder ... och, moeder ... Sebastiaan ... is me vaak lijk een noodlottige figure, gaande in steenen stilzwijgendheid.... En gij nu nog vingert in een vunzig verleden.... Is zóo de wereld, zóo de menschelijkheid?... Ik weet niet meer, ik twijfel en ik lijd: ben ik abnormaal? Ze dwong stille haren arm los. --Ben ik buiten nature, en gijlie te zaam, leeft gij waarachtig naar 't gebod van uw wezen? Ik word onzeker. Ik haper in mijn gepeinzen. Ik bekijk alles te vergeeft ... te vergeeft, want uw aller zicht drijft me slechts tot opstand.... En dulden wil ik, verdraagzaam, gedwee ... en ik ween als ik eenzaam zit--Mocht ik dat alles ú niet zeggen? Hij lei zijn magere handen, in blank gebaar, over zijn aangezicht en liet ze erover trage neerwaarts zijgen. Hij sloot zijn oogen en verdroeg een oogenblik de stilte. Dan sprak hij met veel droefenis en zijne woorden, onderbroken bij poozen door onregelmatige zuchten, kregen in 't luisterend geluchte, na 't verwilderd krijten van Goedele, een ongemeen belang. Hij zei dat ze hem diepe pijn veroorzaakte, dat hij haar liefhad boven al wat hem anderszins lief was, en dat hij zou ommekeeren in zijne levensbaan, als het haar zoet mocht zijn. Hij kon niet nalaten, ook op dezen stond van waarlijke smert, zijn gezegden te meten en schoon te sieren in passende golvingen. Hij beluisterde zijn eigen. Hij vroeg: --Wat moet ik doen? Ge hebt mij zeer gedaan.... Ze viel terug neer op haren stoel, afgemat, en haar gemoed kwam vol. Ze stortte dan voorwaarts op de tafel en begon te snikken. Ze voelde Sebastiaan's vingeren streelend over hare schouders gaan en hoorde hoe hij daarbinst haar troostte met schoone uitdrukkingen. Ze jammerde dat hij haar vergeven moest, dat ze koortsig was en hem wel geerne bij haar had, dat hij goed was voor haar en niet hoefde te veranderen ... dat zij de schuld was van haar gemaakte wee, door haar wrevelige zenuwen, door hare lichtzinnigheid, door hare vreesachtige zwakte. --Ge moogt niets zeggen hiervan aan moeder.... 'k ben ziek, ik verzeker u. Ik ben onrustig en hebbe sinds gisteren hoofdpijn--slagen in de hersens. Ze huilde en haar gansche lijf schokte op. Ze wilde niet kijken naar Sebastiaan. Ze bleef liggen; haar gelaat dook weg in hare saamgebrachte armen. --'t Is best ... dat moeder niets weet ... getweeën zullen we 't gemakkelijker ... vergeten.... Maar moeder stond al in 't deurgat. Haar stevig aangezicht rees bleek op uit de gapende donkerte, en 't licht kletste open op haar voorhoofd. Ze tort naar voren. Hoe dof ook hare stappen smoorden over het dichte tapijtsel, toch voelde meteen Goedele hare aanwezigheid. Ze sidderde en haar asem bleef hangen in hare keel. Hare vroegere vreezen bevingen haar op een nieuw en verlamden hare spieren. Ze dierf moeder's blikken niet taken met haren blik. Ze wachtte. --Ik mag u ook wel troosten, mijn kind, zei Ursule met effen bedaardheid.--Ze kwam naderbij, ging de tafel rond en schudde onderwege Albien, die seffens rechtsprong en kinderlijk-benauwd daar te gapen bleef. Ze stond nu in de volle klaarte. Ze was uitermatelijk groot en meesteresse. Ze wenkte met hare hand ten teeken dat mijnheer Wilder zich verwijderen mocht, onverwijld, en, als hij sprakeloos wegdrummelde, keek ze rustig naar haar zakuurwerk. Men hoorde rijzekens het horloge tikken. Ze sprak: --Het alkoollampje brandt nutteloos. Ze ging het uitdooven. Ze nam de sigaar op, die uit Albien's vingeren geglibberd was, en blies de assche uiteen langs het tafellaken. Met streelende zachtheid boog ze zich over Goedele en vroeg wat er deerde. --Ge moogt u niet ophitsen en schadelijke gepeinzen voeden. Wilt ge een druppelken munte? --Danke, moeder ... ik ben ongemakkelijk, ik lust niets ... 't zal geleidelijk overgaan. --Dat meen ik ook ... Mogen wij u morgen verwachten, Sebastiaan? Hij stond seffens recht en beloofde dat hij stellig komen zou. --'t Wordt nu late, voegde hij erbij, wel een endeken vernederd, omdat zij hem zoo dadelijk wegzond. Hij was echter min in zijn schik nu en vond het om dieswille niet onpasselijk, dat hij vertrekken mocht. Hij wist niet wat zijne houding zijn moest. Hij zou morgen meer weten. Goedele droogde hare oogen en bracht hem zijn overjas en zijn hoed. Niemand sprak daarbinst. Gedurig heerschte de wegende stilte. Op elkendeen's lippen lag een onbeduidend gezegde, dat iets verroeren zou in 't geluchte en een beetje rustigheid stichten, een beetje verstrooidheid te gelijk.... Naar niemand en dierf noch en sprak. Men haastte zich, in schijn onachtzaam en lui zich toonend, en de leegte die overal was, werd onverdraaglijk.... Sebastiaan vertrok. Ursule kwam vóór Goedele staan en kruiste hare armen over hare borst. Ze beet haar toe: --Kijk òp! Ze wilde in de hersens wroeten van haar onwillig kind en tusschen hare tanden heen sisten hare woorden. --Wat zijt ge van zin?... Ik vraag u--wat zijt ge van zin? ... Kijk òp, zegge 'k. Wat zijt ge van zin.... Laat me zien in uwe oogen. En duik uw voorhoofd niet.... Op! wat is er? Ze bukte zich en stiet haar kinne naar voren, en een rimpel duwde de hoeken van haren mond neerwaarts. --'t Wordt tijd dat ik het weet.... Nu zal ik alzoo gesteend en gejammerd hebben om 't kwade gedrag van Romaan; nu zal ik alleen zijn rechte gebleven om de hoop, die ik stelde in u ... en nu zoudt ge 't leste gebouw omverre storten? Ze sloeg haar hoofd met een snok achterover, en stond daar een oogenblik met hatelijke blikken en dichtbeloken lippen, zich in te houden precies, om geen uiterst geweld te zeggen. Dan schoot ze uit, lijk een razende, onbeteugeld en afgrijslijk. --'t En zal!... Hoe gij 't ook draait of keert, hoe oolijk gij 't aanlegt, hoort ge?--'t En zal! Ik zal u vasterijgen.... Ik zal u vasteketenen.... Ik zal u dwingen tot eerbied voor mijn wil.... Luister goed--ik heb mijn leven lang gezwoegd en geslaafd om geld ... met mijne vingeren, tot mijn nagels sleten ... en tot de nacht al verre was ... en van heel vroeg in den morgen ... om geld.... Dat geld zou vruchtbaar zijn. Luister goed: ik wil dat het vruchtbaar zij ... ik wil dat nog zien om mijn ouderdom blij te maken.... Romaan heeft mij verraden ... die laf hertig is en liever zijn moeder beleedigt ... dan zijn slette.... Maar gij, ik zegge 't u, wees voorzichtig.... Ho! Ho! ik zegge 't u.... Rechtgaan ... de weg is dáar--ik heb hem u gewezen.... Ze merkte nu hoe Goedele, eerst verschrikt, zich allangerhand hervatte en tot be