The Project Gutenberg EBook of Een twaalftal samenspraken, by Erasmus This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Een twaalftal samenspraken Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus Author: Erasmus Release Date: January 23, 2006 [EBook #17523] Language: Dutch Character set encoding: ASCII *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN TWAALFTAL SAMENSPRAKEN *** Produced by Marc D'Hooghe. EEN TWAALFTAL SAMENSPRAKEN VAN DESIDERIUS ERASMUS VAN ROTTERDAM UIT HET LATIJN VERTAALD DOOR N.J. SINGELS TOT INLEIDING: Cd. BUSKEN HUET'S BESCHOUWING OVER ERASMUS 1912 * * * * * ERASMUS door Cd. BUSKEN HUET Mijne lezers mogen niet klagen over dit langdurig vertoeven in de kraamkamer van ons hooger onderwijs. Maar de opmerking staat hun vrij dat het eerste beginselen zonder wiekslag geweest zijn. Goede wil, toewijding, zelfopoffering, niets ontbrak, behalve Erasmus en het genie. De rotterdamsche Heilige, als Vondel hem noemen zou, wekt onze belangstelling inzonderheid als landgenoot en omdat hij, in onderscheiding der vermaarde oorlogslieden welke na hem de Republiek der Vereenigde-Provincien zou voortbrengen, op zoo eervolle wijze den nederlandschen volksaard in vredestijd vertegenwoordigd heeft: anderen met het penseel in de hand, hij met de pen. Alleen de omstandigheden zijn oorzaak geweest dat niet reeds door Erasmus eene zigtbare noordnederlandsche akademie is kunnen gesticht worden, gelijk van hem en zijne geschriften de eerste onzigtbare dagteekent. Wel is waar zag na zijn vijfentwintigste of dertigste jaar zijn geboortegrond hem naauwlijks terug, en is hij daarna meer voor Europa dan voor Nederland gaan leven. Maar, geen Franschman geworden, geen Engelschman, geen Spanjaard of Italiaan, geen Zwitser zelfs,--ofschoon hij te Bazel zich meer op zijn gemak gevoelde dan overal elders,--de sporen zijner afkomst en zijner opvoeding zijn nooit verdwenen. Welke vlugt daarna zijne studien mogen genomen hebben, zoodat hij in het wetenschappelijke den gezigteinder zijner meeste land- en tijdgenooten ontvoer, het eerste derde deel zijns levens is op zijne verdere vorming, door de kracht der aantrekking niet minder dan der afstooting, van beslissenden invloed geweest. Nederland openbaarde hem aan zichzelf, en zulke indrukken zijn onuitwischbaar. Litterarische en theologische vijanden hebben, de eenen bij zijn leven, de anderen kort na zijn dood, door uit te brengen dat hij de zoon was van een zuidhollandsch dorpspastoor, in strijd met kerkgeloften bij eene noord-brabantsche dienstbode of huishoudster gewonnen, een smet op zijne geboorte meenen te werpen.[1] Uit een maatschappelijk oogpunt teregt, uit een algemeener en edelmoediger ten onregte. Het strekt den nederlandschen dienstbodestand en den lageren nederlandschen klerus der 15de eeuw tot eer, zulk een buitengewoon kind het aanzijn gegeven te hebben. Noem het eene speling der natuur; noem het eene waarschuwing der Voorzienigheid aan den onwetenden oudnederlandschen adel; eene les aan den etenden en drinkenden oud-nederlandschen burgerstand; niemand zal beweren dat er termen waren aan de wetenschappelijke toekomst van een volk te twijfelen, uit welks onderste lagen, in de ongunstigste omstandigheden, Erasmus kon voortkomen. Het verwekken van dit kind was niet de eerste dergelijke fout des vaders. Dezelfde huishoudster had hem reeds vroeger een zoontje geschonken; en naar het schijnt legde de kerkelijke overheid, tot straf van den recidivist, hem eene bedevaart naar Rome op. Zoo verdween hij voor eene poos uit de omstreken van Gouda, en de huishoudster ging bij zijne rotterdamsche bloedverwanten hare bevalling verbeiden.[2] Van Erasmus Senior weet men weinig meer dan dat hij, al spoedig in Nederland en op zijne standplaats teruggekomen, er overleden is toen zijn jongste zoon twaalf of dertien jaren telde. De moeder stierf een weinig vroeger, te Deventer, waar zij met den genialen knaap zich heenbegeven had, om voor zijne gezondheid te waken, terwijl hij er de lessen van den aantrekkelijken en onvermijdelijken Hegius volgde. Zij schijnt eene zorgvuldige verpleegster geweest te zijn. Welligt paarde zij, dochter van een chirurg uit Zevenbergen, aan haar liefhebbend moederlijk instinkt sommige technische bekwaamheden. Eene boosaardige deventersche epidemie nam haar in den bloei des levens weg.[3] De nederlandsche dorpspastoors der 15de eeuw waren geen suikerlords; en toen vader en moeder het tijdelijke gezegend hadden, vonden de jonge Erasmus en zijn broeder eene sobere nalatenschap te deelen. De zevenbergsche heelmeester, grootvader van moederszijde, ongetwijfeld tevens baardscheerder van beroep, kan evenmin een man van vermogen geweest zijn. De rotterdamsche familie van vaderskant, ouders van tien kinderen, deden om het openhouden van al die monden (voor de kleine woning bevond zich eene loofhut) niet onmogelijk een bier- of wijnhuis.[4] Een voogd, te Gouda, was schoolmeester, was plakmajoor, en wist de twee jonge weezen, nadat te vergeefs beproefd was den jongste smaak te doen vinden in een Fraterhuis te 's Hertogenbosch, geen beteren raad te geven dan in een eigenlijk gezegd klooster den kost voor het eten te gaan zoeken. Gewone geesten zwichten voor zulke omstandigheden, en onderwerpen zich. Buitengewone, maar van den tweeden rang, gaan de voorregten van rijkdom en geboorte benijden, en beschouwen carriere-maken weldra als het hoogste. Het bewonderenswaardige in Erasmus is dat, toen in vervolg van tijd zijn bestaan eenmaal verzekerd was, de aanbiedingen van koningen, keizers, en pausen, stelselmatig door hem afgeslagen zijn. Door de ondervinding geleerd haatte hij eene armoede die tot bedelen doemt, eene afkomst welke aan het platburgerlijke vermaagschapt. Maar zijn edel hart en zijn groot verstand behoedden hem voor de dwaling, in de eene of andere rigting aan het uitwendige meer te hechten dan het waard is. Zij heeft hem diensten bewezen, de nederlandsche schooijerswereld uit welke hij voortkwam. Het gemeene klooster-zelf is hem eene weldadige leerschool geweest. Te Gouda letterwijs gemaakt, is het kind naar Utrecht gezonden om het kerkgezang te leeren, en te zien of hij als koorknaap zijn brood verdienen kon. Mogelijk oefende hij reeds toen zich in het teekenen of schilderen; wat hij, evenals de muziek, naderhand voor goed liet varen.[5] De letteren, niet de kunsten, waren zijne sterkste natuurlijke neiging; lezen zijn hartstogt. Eene midden-nederlandsche litteratuur bestond er voor hem niet, evenmin als eene middeneeuwsch-europesche in verschillende landstalen. Er zijn geen blijken dat hij Villehardouin, Joinville, Dante, gekend of bemind heeft. Naar vaderlandsche auteurs der oudheid, Maerlant, Stoke (_litterae inamoenae_), zag hij niet om, maar kende op zijn twaalfde jaar den geheelen Horatius en den geheelen Terentius van buiten. Van zijne vorderingen te Deventer, naderhand in Den Bosch, weten wij alleen dat hijzelf op later leeftijd er een geringen dunk van koesterde. Ondanks merkbare teekenen van beterschap waren de onderwijsmethoden in Nederland toen nog niet veel zaaks, vond hij.[6] Het is waar dat eerst zijn eigen vermaardheid als man, en de zucht der nederlandsche filologen hem opzijde te streven, eene betere toekomst heeft doen aanbreken. Zijn eerste wezenlijk merkwaardige arbeid in latijnsch proza, te zamen met vrij wat latijnsche verzen (ook de poezie werd in vervolg van tijd door hem losgelaten), dagteekent van zijn achttiende jaar of daaromtrent: zijn proeftijd als augustijner-monnik in het klooster Emmaues, te Stein bij Gouda.[7] In tien of elf korte hoofdstukken, vele jaren daarna vermeerderd met een korrigerend en herroepend twaalfde, is het een pleidooi ten gunste van het monachale leven, en handelt _Over het vlieden der wereld_.[8] De stijl van dit werkje verschilt zeer van dien der _Imitatio Christi_. In plaats van uit de hoogte, in naam der nietigheid van het ondermaansche, een heilig leven te gebieden, zooals Thomas a Kempis doet, betoogt de jonge Erasmus met tal van redeneringen (de vorm is die van een brief, door een denkbeeldig oom aan een denkbeeldigen neef gerigt) dat de belangen van een goed geweten, een onbesproken wandel, een vredig uiteinde, de belangen ook der vrije, ongestoorde, veelzijdige studie, het kloosterleven krachtig aanbevelen. Het is reeds eene geheel andere soort van latijn dan zestig of zeventig jaren te voren Thomas plag te schrijven en tot het laatst aanhield; meer het klassieke naderend; beschikkend over een veel grooter aantal woorden en zegswijzen; getuigend van een veel gemeenzamer omgang met de schriften der oudheid. Aanhalingen uit den bijbel worden niet gemist, doch zijn betrekkelijk zeldzaam, en vormen in geen geval den hoofdinhoud, gelijk bij Thomas het geval is. Nogtans wortelt ook Erasmus' geschrift regtstreeks in de mystiek van den tijd en van het land; en de eene augustijner-monnik geeft, waar het op verheerlijken der kloostergeloften aankomt, den ander niets toe. Een geheel hoofdstuk bij Erasmus, langer dan een der vorige, is gewijd aan het schilderen der godsdienstige geestdrift van een vriendinnetje zijner kinderjaren, toen een volwassen meisje, dat ondanks de gebeden van vader en moeder, ondanks de tranen en omhelzingen van broeder en zuster, in het aannemen van den sluijer volhardde. Hij spreekt over deze Margaretha als over eene voorbeeldige geloofsheldin, en wijst er met bewondering op dat in den kring der schreijende ouders, bloedverwanten, en huisvrienden (hijzelf was bij het tooneel tegenwoordig en noemt het hartverscheurend), zij de eenige was om wier lippen een rustige glimlach speelde.[9] Zelfzuchtiger, zoo men wil, doch niet minder warm of welgemeend, is zijne hulde aan de kloostercel als studeerkamer, waar slechts boeken en nogmaals boeken gevonden worden ja, maar die onder het lezen den jongen wijze in een paradijs verkeert, een hof van Eden. Anderen mogen aan de herberg, anderen aan de danszaal de voorkeur geven, hij houdt het met dit park der letterwereld; met die stroomen, bosschen, weiden, waar, tusschen het gras, de rozen en de lelien bloeijen of de violen zich verschuilen. Verlangt de ziel naar goddelijk onderrigt uit de eerste hand, de jonge kloosterling grijpt naar het Oude of het Nieuwe Testament. Wenscht hij een kerkvader of een godgeleerde te raadplegen, hij haalt het boek voor den dag en slaat op zijne knieen het open. Heeft hij uit de wereld eene oude liefde voor de ongewijde Muze medegebragt, hij mag in zijne vrije uren, mits het eene platonische genegenheid blijve, ook aan deze neiging toegeven. Wie gevormd werd in de school van profeten, apostelen, kommentatoren, en theologen, weet bij de heidensche wijsgeeren en dichters de medicinale van de giftplanten te onderscheiden. In zijn litterarischen bloemtuin is hij koningen te rijk, en trotseert Sardanapalussen.[10] Een ander klein prozawerk van Erasmus uit deze periode is zijne lijkrede op eene goudsche weduwe, moeder van drie huwbare dochters en in de kracht harer jaren gestorven. Haar echtgenoot of haar vader, schijnt het, had haar een aanzienlijk vermogen nagelaten, en zij maakte daarvan een edelmoedig gebruik, zoodat zij als eene weldoenster bekend stond. Daarbij was zij buitengemeen vroom en eene gulle gastvrouw, die de kloosterbroeders van Emmaues geregeld ten eten vroeg. Erasmus, wien zij meer dan een der andere jongelieden genegen was, bewondert hare onbegrensde godsdienstigheid, en brengt daarvan voorbeelden bij. Niet alleen wijdde zij onafgebroken hare zorgen aan een groot hospitaal te Gouda; maar ieder jaar, op Goeden Vrijdag, noodigde zij te harent dertien armen, wien zij voor het aan tafel gaan zelve de voeten waschte. Eene harer dochters, pas zes weken gehuwd, werd door eene noodlottige ziekte aangetast. De moeder deed Erasmus hiervan kennis geven; en in de meening haar doodelijk bedroefd te zullen vinden, snelde hij naar hare woning. Doch Bertha van Heyen, zoo heette de matrone, zeide tot hem toen hare dochter den adem had uitgeblazen: "Gij komt mij troosten, als ware ik gekrenkt in mijne regten of moedwillig geplaagd; maar is niet hij, die mijne dochter mij ontneemt, dezelfde die haar mij gegeven heeft? Ben ik tot weeklagen bevoegd? Zij is heengegaan tot straf voor mijne ongeregtigheden."[11] * * * * * Het verdient opmerking dat Erasmus, die later de monniken zoo ijverig nagezeten, zoo geestig en openhartig de jonge meisjes van de wereld vermaand heeft geen nonnen te worden,[12] met zooveel ingenomenheid over het offer der Margareta zijner jonge jaren spreekt en over het "hokje" van Thomas a Kempis. Maar het is ook merkwaardig dat reeds in de hulde aan Bertha van Heyen uitdrukkingen voorkomen die op een begin van ontgoocheling wijzen. Schier onmiddellijk heeft Erasmus gevoeld dat de meeste hollandsche monniken zijner dagen onopgevoede lieden waren, en zij in het gezelschap eener beschaafde vrouw zich niet wisten te gedragen. "Wanneer wij bij Bertha aan tafel zaten," herinnert hij, "en een onzer zich van uitdrukkingen bediende die den goeden naam van den medemensen benadeelen konden, dan maakte zij aan het verderfelijk gepraat terstond een einde, zeggende: Ik bid u, broeders, laat mij aan mijn disch geen woorden uit uw mond vernemen waardoor een afwezige beleedigd wordt! Spaart mij ook het overbrengen van zaken die derden niet tot eer strekken: dit vleit mijne ooren niet."[13] Zulk eene vrouw, gevoelde hij, behoefde den sluijer niet aan te nemen om eene voortreffelijke christin te mogen heeten. Sprekend van hare jeugd: "Zij was schoon," zegt hij, "zij was rijk, zij was een toonbeeld van deugd en godsvrucht; waarom trok zij zich niet uit de wereld terug, en ging zij niet in een klooster? zult gij vragen. Zeker, dit ware voorzigtiger geweest. Maar volgens mij is het een verreweg schooner eeretitel, te midden van de verleidingen der ondeugd een rein en onschuldig leven te leiden, en met zelfbewustheid zijn eigen weg te gaan, terwijl de wereld om ons heen jaagt en drijft. Alleen de deugd stelt daartoe in staat."[14] Vroegtijdig heeft Erasmus het klooster bemind; met welgevallen de tonsuur aanvaard, en door den bisschop van Utrecht zich tot priester laten wijden. De drang van buiten, welke daarbij gebezigd mag zijn, heeft minstens voor de helft uit overreding bestaan. Voor meer dan de helft was het toetreden vrijwillig.[15] Doch even vroegtijdig heeft hij gevoeld dat voor het verwezenlijken van een ideaal als het zijne,--een leven voor de studie, van de studie, om de studie,--het klooster gemist kon worden, en veeleer den naam van struikelblok of ergernis dan van hulpmiddel verdiende. Niemand had hem "in de kap gestoken," gelijk naderhand de minachtende zegswijs luidde. Uit eigen overtuiging, zoo niet uit eigen beweging, had hij zich den strop om den hals gehaald. Maar pas was het koord bevestigd of hij gevoelde dat het een koord was, en zijn bestaan dat van een vogel op een kruk geleek. In die stemming schreef hij te zelfder tijd de _Ode aan een vriend_, welke zulk een diepe neerslagtigheid ademt, en die bewijst dat het hem gemakkelijker viel anderen met woorden de kloosterkevie smakelijk te maken, dan voor de vleugelen van zijn eigen geest zich met zoo weinig ruimte te vergenoegen: "Wee mij! Door droefheid, wanhoop, en arbeid, word ik verteerd. Een wreed lot gunt mij geen oogenblik verademing, brengt niet de geringste verzachting voor mijn leed. Treurige dagen voor, treurige na! Door welke misdaad heb ik den Hemel beleedigd, dat ik eene straf moet lijden de martelingen waardig van den Styx? De aarde ten minste wordt na de zomerhitte door lange dagen vol schaduw en nevelen verkwikt; de sneeuw komt en verdwijnt, naarmate de velden haar behoeven of kunnen ontberen. Mij brengen de saizoenen geen stilling van pijn; onafgebroken vervullen de droefgeestige zorgen mijne ziel; tranen doen gedurig mijne oogleden zwellen."[16] Is het mogelijk een glimlach te onderdrukken wanneer men bedenkt hoe weinig de jonge man, die onder zijn leed zoo diep gebukt ging, noodig had om gelukkig te zijn? Welk gering verschil, voor het uitwendige, er bestond tusschen de kloostercel zijner jeugd, die hij verwenschte, en de studeercel van zijn manlijken leeftijd, naderhand zijn hemel op aarde? Nooit heeft Erasmus naar een huwlijk getaald; nooit het als zijne roeping beschouwd huisvader te worden; nooit eene openbare betrekking willen vervullen. Wanneer hij in den vollen bloei der jaren de zamenspraak van _den Officier en den Karthuizer_ schrijft, dan ontwerpt hij van den laatste een zoo innemend beeld, dat hijzelf er jaloersch van schijnt.[17] Maar die geidealiseerde karthuizer is een monnik op het geduldig papier; en zoo Erasmus te Stein en in het klooster Emmaues gebleven was, dan ware voor het leven zijn lot dat van een monnik der werkelijkheid geweest. Niet om nieuwe banden of om bandeloosheid was het hem te doen, maar om vrijheid. Zijn land, gevoelde hij, was grooter dan zijn klooster, de wereld grooter dan zijn land, en er viel daar buiten eene even nuttige als roemrijke levenstaak te vervullen. In zijne cel zelve had de beweging der eeuw hem aangegrepen; uit zijne boeken was de tegenstelling eener barbaarsche omgeving en van een hoogeren standaard van beschaving hem openbaar geworden; naar _die_ lucht en _dat_ licht strekte zijn verlangen zich uit. Zoo ten minste verklaren wij ons zijn ongeduldig bijten in de staven van zijn tralievenster, tien jaren lang. Er is in Erasmus' leven, nadat als geleide van een jongen schotschen koningszoon gunstiger omstandigheden hem eindelijk naar Rome gevoerd hadden, en hij in de drukkerij van Aldo Manuzio de proefbladen zijner herziene _Spreekwoorden_ had mogen korrigeren; er is een tijd gekomen dat een ding bij hem nog boven Italie ging: Bazel en de vrijheid. Met de jaren is het hem duidelijk geworden dat eene werkzaamheid als die zijner droomen, niet gebonden was aan het land of de stad waar het toeval de beschaving der oudheid, uit het Oosten verdreven, eene vlugthaven had doen vinden. Onverschillig dat de Italianen hem niet noodig hadden; zij voor het openbaar onderwijs hem niet gebruiken konden; zijn nederlandsch accent, bij het latijnspreken, een hinderpaal was.[18] Niet in het spreken lag zijne grootste kracht, maar in het schrijven. Hij was in de wieg gelegd voor leermeester van Noord-Europa met de pen. Maar in zijne jeugd hunkerde hij slechts naar Italie; en voor de tweede maal is hij de wanhoop ten prooi wanneer, na een snel vervlogen uitzigt op welstand en onafhankelijkheid, de vloek der armoede hem op nieuw aan de plaats bindt. Het heeft niet gebaat dat een bisschop van Kamerijk, verlegen om een bekwaam jong sekretaris, daarover naar Utrecht schreef en op aanbeveling van den prior van Emmaues onzen veelbelovenden augustijner in dienst nam. Het doel waarvoor die prelaat hem wilde gebruiken werd gemist, en het eenige wat de ex-sekretaris bij zijn wisselen van loopbaan gewonnen had was, dat hij zich naar Parijs had kunnen verplaatsen. Zijne studien kon hij daar voortzetten ja, en door het geven van privaatlessen aan een rijken engelschen knaap of jongeling, lord Mountjoy, er in zijn onderhoud voorzien. Verdiende hij eene kleinigheid extra, door voor boekverkoopers te werken, dan kon hij zich een uitstapje naar Zeeland, naar Engeland veroorloven, en oude kennismakingen gaan vernieuwen of nieuwe aanknoopen. Doch wat gaf dit voor de bevordering der groote zaak, wanneer hij naging dat hij de volle dertig reeds achter den rug had, en hij van den eenen dag op den ander nog altijd voor zijn brood moest vechten? Bovendien was Parijs het einddoel zijner wenschen niet. Parijs had opgehouden het brandpunt der beschaving van den dag te zijn. Het vrijzinnig College de France bestond nog niet. Officieel had aan de Sorbonne de middeneeuwsche scolastiek nog het hoogste woord. Parijs werd tijdelijk overschaduwd door Rome. Wie op dat oogenblik naar kennis uit de eerste hand haakte, had zich naar Italie te begeven. Alleen een in Italie gehaalde doktorale hoed stempelde toen den man van studie tot iets meer dan de meesten. Wij raken hier aan een maatschappelijken misstand der 16de eeuw, welke eerst driehonderd jaren later, in sommige groote landen of groote steden van Europa, weggenomen is. Walter Scott kon, ofschoon hij aanvankelijk slechts door Engelschen gelezen werd, een fortuin bijeenverzamelen. Erasmus heeft, in weerwil dat zijn latijn hem den toegang tot de beschaafde en welvarende kringen van een geheel werelddeel ontsloot, het nooit verder kunnen brengen dan het vinden van een uitgever. Het eenige wat wij zeggen kunnen is dat het in de 15de eeuw nog erger was. De voortreffelijke Froissart, die als dolend ridder van de pen eenigszins als een voorlooper van Erasmus beschouwd kan worden; Froissart, ook van afkomst een burgerjongen, ook opgeleid voor priester, ook als partikulier sekretaris zijne loopbaan aangevangen, heeft geen andere keus gehad dan of zijn talent te begraven, of een tafelschuimer te worden.[19] Er was voor zulke geboren auteurs, in onmin met de kloostercel, niet geschikt voor de routine van het openbaar onderwijs, in de middeneeuwsche zamenleving geen plaats. Al de dichters van dien tijd, wanneer zij alleen dichters zijn, zijn schooijers. Al de prozaschrijvers, wier eenig kapitaal in portefeuille hun proza is, lijden gebrek. Door het vinden der boekdrukkunst is die wanverhouding allengs uitgesleten. Doch Erasmus was jong in een tijdperk van overgang, toen er reeds zeer vele boeken gedrukt werden, maar nog in lang niet genoeg om, behalve het dekken van de kosten der uitgaaf, ook in het levensonderhoud van den schrijver te voorzien. Onbemiddelde auteurs verbonden zich als korrektoren aan de drukkerijen en ontvingen daggelden. Van honorarium voor werken van eigen geest was geen spraak. Het gold zelfs niet voor eervol, geld aan te nemen van een uitgever.[20] De onbemiddelde zocht het vermogend patronaat van een man of eene vrouw van de wereld. Froissart, die niet studeerde; die met geen ander doel dan het verzamelen van historische anekdoten uit den mond van tijdgenooten nu het eene dan het andere land bezocht; die met voorbeeldige vlijt er zich toe bepaalde zijne reeds voltooide verhalen om- en nogmaals om te werken,--had genoeg, heden aan de gunst eener henegouwsche prinses, koningin van Engeland geworden, morgen aan de edelmoedigheid van een half henegouwschen graaf van Blois. Hij kon zijn werk verrigten zoo maar zijn bed en zijn disch gespreid waren, en de beschermers niet onbescheiden veel offers van zijne vrijheid vergden. Erasmus in geenen deele. Deze had voor zijne studien onophoudelijk nieuwe hulpmiddelen noodig; moest op verschillende plaatsen bibliotheken gaan raadplegen, of gaan spreken met geleerde mannen; kon er niet komen zonder het minimum eener eigen boekerij of het diminutief eener eigen studeerkamer. Niet dat hij van het leven of van zijn vak zooveel eischte als vijftig jaren te voren den italiaanschen filoloog Filelfo in den schoot gevallen was. Op zijn achttiende jaar was Filelfo hoogleeraar in het grieksch te Padua geweest. Venetie had hem het eereburgerschap aangeboden, en daarbij eene zending naar Konstantinopel, waar hij zijne grieksche studien naar hartelust kon uitbreiden. Een hertog van Milaan had hem overvloedig begiftigd; een paus door schitterende aanbiedingen hem naar Rome gelokt.[21] Maar al vlamde Erasmus' eerzucht niet op zulke wijdluftige onderscheidingen; al zou de herinnering van Filelfo's beklagelijk uiteinde, het gerucht van Filelfo's ondragelijk humeur, hem eer waarschuwend afgeschrikt dan aangemoedigd hebben, hij kende zijne behoeften. Zijne wenschen waren: een mak, maar welgebouwd en welgezadeld paard voor hemzelf, om naar regts en links zich vrij te kunnen bewegen; nog een paard voor zijne boeken en schrijfbenoodigdheden; een derde paard voor een vlug en knap bediende, desnoods in staat uit naam zijns meesters eene litterarische boodschap te gaan verrigten; eindelijk een klein vast inkomen, genoeg om in het onderhoud van knaap en dieren ongestoord te kunnen voorzien, en onverdeeld zich aan zijne studien te kunnen wijden. Voor het overige niemands knecht, niemands afhankelijke huisgenoot, niemands loontrekkend dienaar.[22] Gedurende den geheelen namiddag van zijn zeventigjarig leven is deze bescheiden overvloed Erasmus' deel geweest; en hij heeft zijne eenmaal verworven onafhankelijkheid verdedigd met de angstvallige zorg van iemand die bij ondervinding den bitteren bijsmaak van het brood der maatschappelijke ballingschap kende, en hoe zwaar het valt vreemde trappen te beklimmen. Eene nederlandsche Statenvergadering bood wel wat laat hem een eervol geschenk in geld aan; engelsche vrienden hielpen hem aan eene of meer prebenden; keizer Karel V benoemde hem tot staatsraad, met vrijheid zijn traktement (indien het betaald werd) te verteren op de plaats zijner keus. Jaren lang heeft Erasmus op die wijze, eerst bij afwisseling, daarna voor goed, onbezorgd te Bazel kunnen leven; heeft naar welgevallen zich kunnen verplaatsen; te Freiburg zich een huis kunnen doen bouwen; paus Paulus III voor een kardinaalshoed kunnen bedanken; het zich niet behoeven aan te trekken, dat de inkomsten van een door dien kerkvoogd hem toegedacht deventersch prioraat hem ontgingen. Hadden de krachten slechts toegereikt, zijn middelen zouden in het laatste levensjaar hem niet verboden hebben Besancon als woonplaats te kiezen, en er den bazelschen hervormingsijver te gaan ontwijken. Uit zijne nalatenschap, die zevenduizend dukaten bedroeg, konden de algemeene armen te Bazel ruim bedacht worden, en goede vrienden tot een aandenken een of ander kostbaar voorwerp ontvangen.[23] Heeft Shakespeare het zaliger gevonden een huis en een inboedel te kunnen koopen? Of was Erasmus gelukkiger iets te kunnen nalaten? Een testament te kunnen dikteren aan een notaris?[24] Wie zich eene voorstelling wenscht te vormen van hetgeen, toen het zonnetje van den betrekkelijken voorspoed nog door moest breken, Erasmus in zijne jongelingsjaren uitgestaan en geleden heeft, denke zich een man als onzen voortreffelijken land- en ouderen tijdgenoot Groen van Prinsterer (sommige portretten van Erasmus en sommige van Groen vertoonen een zweem van gelijkenis,[25]) en vrage zich hoe het zulk een fijnbewerktuigden geest in een tenger ligchaam te moede zou geweest zijn, zoo hij gedurende de eerste veertig levensjaren met eene gemeene soort van armoede had moeten worstelen? Te moede, ondanks het gunstig verschil tusschen de maatschappelijke toestanden en hulpmiddelen in de eerste helft der 19de eeuw en de laatste helft der 15de. Ondanks het stammen uit een met onderscheiding bekend geslacht, en het niet schrijnen of knagen van als een stigma beschouwde kloostergeloften. Enkel onder het dagelijks stuiten van een groot verstand op eene botte omgeving; van een gevoelig hart op de algemeene onverschilligheid; van uitgezochte kundigheden op eene onwetendheid van de ruwste soort. Onder het botsen, in een woord, van een schuw en stil ideaal op het walgelijke eener werkelijkheid, die, nachtmerrie bij dag, zulk een geest bovenal van eene lompe en luidruchtige paardemarkt doet droomen. Voor alle mannen met buitengewone gaven die als vondelingen in het leven geworpen worden, is de wereld eene harde leerschool; het hardst voor mannen met een vrouwelijken aard, op wier genie de tegenspoeden, welke andere karakters louteren of sterken, de werking van een hagelslag doen. Het hangt zamen met het bijzondere in Erasmus dat de teleurstellingen zijner lange leerjaren niet in staat zijn geweest zijn humeur te bederven, al prikkelden zij in hooge mate zijn ongeduld. In eene eeuw toen alle menschen in alle dingen met heftigheid partij kozen, en men geen goed burger scheen te kunnen zijn zoo men niet wit of zwart, vierkant voor of vierkant tegen was, wist hij met ongeevenaarde geestkracht zich voor uitersten te hoeden en, gelijk hij tot een werelddeel het woord rigtte, een werelddeel te staan. De lutheranen hebben hem verweten onverbeterlijk roomsch, de roomschen meer dan een halve lutheraan te zijn. Humanisten hebben hem gehavend als een afvallige, en theologen wegens zijn humanisme hem uitgemaakt voor een libertijn. Een filoloog heeft hem gescholden wegens zijn berispen eener ciceroniaansche latiniteit; en zijn roem was latijnsche brieven te kunnen schrijven, fraaijer dan sedert Cicero iemand in Europa gedaan had. Een paus aanvaardde de opdragt van zijn Nieuw Testament, en een pausgezind keizer liet door dienaren der Inquisitie de exemplaren ophalen en vernietigen. Tijd- en landgenooten van hem zijn levend verbrand wegens het voorstaan van meeningen die ook de zijne waren; en hijzelf zou al zijne meeningen verloochend hebben, liever dan een zijner medemenschen op het schavot te brengen. Geboren Nederlander, was hij tegelijk een geboren kosmopoliet. Voortgekomen uit het volk, haatte hij noch het volk, noch de burgers, noch de edelen. Gehoorzaam zoon der katholieke kerk, was hij onvermoeid in het plagen harer bestuurders. Onkundige monniken waren het schrikbeeld van den gewezen augustijner; doch hij vond de luthersche hagepredikers geen aanwinst voor de beschaving. Gekroonde hoofden vereerden hem met hunne vriendschap; toch ontsnapten zelfs de dragers eener driedubbele niet altijd aan zijne kritiek. Hij was misschien de wijste man van zijn tijd, en zou blijven leven als type van den lofredenaar der dwaasheid. Er bestaan van Erasmus, behalve zijn boeken, meer dan achttien honderd brieven.[26] Geen ander menscheleven der 16de eeuw is in dezelfde mate, uit duizend bijzonderheden, bekend als het zijne. Doch te vergeefs zal men iemand zoeken die meer dan hij een man uit een stuk geweest is; hetgeen de kunstkenners een rok zonder naad, de manskleedermakers onzer dagen, in de dievetaal der mode, _un complet_ noemen. Al zijne deugden hebben de daarbij behoorende gebreken tot foelie; al zijne gebreken zijn de gebreken zijner deugden. Of op welke andere wijze te verklaren dat in zijne jeugd, ondanks de gevoeligheid zijner zenuwen, de armoede gemakkelijker zijn ligchaam dan zijn geest ten onder zou gebragt hebben; en in de dagen zelf van zijn verblijf te Parijs of te Orleans, toen een schamel kosthuis de eenige weelde was die hij zich veroorloven kon, het aandacht schenken aan eene vechtpartij tusschen zijne hospita en haar dienstmaagd, hem geen onwaardig tijdverdrijf scheen? Ik doel op een der brieven uit het jaar 1500 of daaromtrent, die, in vakantiedagen uit Nederland aan vrienden in Engeland of Frankrijk, op werkdagen uit Frankrijk aan vrienden in Nederland gerigt, van Erasmus' toenmalige stemming, en van het ongemeen karakter dat levenslang het zijne geweest is, ons zulk een goed denkbeeld geven. Een geletterd en welgesteld nederlandsch koopman, van wien wij niets anders weten dan dat hij Christiaan heette en een jongere broeder door hem naar Parijs gezonden was om onder Erasmus' leiding zijne studien te voltooijen of aan te vangen, bekomt vandaar nu en dan een schrijven. "Ik heb," meldt Erasmus hem op een keer, "ik heb het buitengewoon druk gehad vandaag. Waarmede? zult gij vragen. Antwoord: met het bijwonen eener tooneel-, eene boeijende tooneelvoorstelling. "Was het een blijspel, was het een treurspel? Al naar gij het nemen wilt. Weet alleen dat geen der spelers dramatisch uitgedost was; het stuk telde maar een bedrijf; geen fluiten begeleidden het koor; de vertooners hadden geen hooge schoeisels aan, maar gingen barvoets; er werd niet gedanst; het tooneel was de vlakke bodem, mijn eetvertrek het amfitheater. Naarmate zij zich verwikkelde werd de handeling spraakzamer, en omstreeks de ontknooping was de luidruchtigheid volkomen. "Gij denkt dat ik voor uw amusement eene klucht verzin? Toch niet, Christiaan, ik ben historieschrijver. De voorstelling waarvan ik getuige was werd gegeven door mijne huiswaardin, in tweegevecht met hare maarte. De klaroen had reeds geruimen tijd weerklonken voor de strijd aanving; ik bedoel, er ging eene heftige woordenwisseling vooraf. Op dit gebied stonden zij elkander, en geen van beide partijen behaalde de overwinning. De handeling geschiedde in den tuin, terwijl ik voor het venster der eetkamer zwijgend, doch niet schreijend, stond toe te zien. "Maar nu de katastrofe! Na afloop van den strijd kwam de gedienstige in mijne zitkamer de bedden doen, en onder een praatje maakte ik haar mijn kompliment dat zij wat kraaijen en schelden aanging hare meesteres niets toegegeven had, doch betuigde tevens mijn leedwezen dat zij dapperder scheen in het roeren harer tong dan van hare handen. Want de waardin, een gespierde virago en athletisch gebouwd vrouwspersoon, had de gewoonte hare knoken te doen nederkomen op het hoofd der arme maarte, veel kleiner dan zij. Hebt gij geen nagels, vroeg ik haar, dat gij dit geduldig verdraagt? "Lagchend antwoordde zij dat het haar minder aan moed dan aan krachten haperde.--Denkt gij, vroeg ik, dat het in den oorlog bovenal op krachten aankomt? In iedere militaire ontmoeting is het plan het voornaamste. --Zij vroeg welk plan ik haar aan de hand kon doen.--De eerste maal dat zij weder de handen aan u slaat, zeide ik, moet gij onmiddellijk haar de muts van het hoofd rukken (want te Parijs hebben de vrouwen van zekeren leeftijd de zonderlinge hebbelijkheid zwarte mutsen te dragen) en haar dan in het haar vliegen. "Ik dacht in het minst niet dat zij deze scherts ernstig opnemen zou; maar 's avonds, tegen etenstijd, kwam een der jonge mannen die met uw broeder en mij in ditzelfde kosthuis wonen, ademloos naar binnen loopen en riep: Vrienden, zoo gij een bloedige kloppartij wilt zien, komt dan spoedig!--Wij repten ons wat wij konden, en vonden onze hospita en haar meid slaags in den tuin. Niet zonder moeite scheidden wij haar. De stukken getuigden hoe moorddadig de strijd geweest was. Hier eene muts, daar een sluijer, de bodem bestrooid met vlokken haar; zoo meedogenloos waren zij elkander te lijf gegaan. "Aan tafel verhaalde de waardin, ten zeerste verbolgen, hoe brutaal de maarte zich gedragen had.--Ik wilde haar teregt zetten, zeide zij (zij meende: ik wilde haar de kracht mijner vuisten doen gevoelen), toen zij in een oogwenk mij de muts van het hoofd rukte. (Het werd mij duidelijk dat ik niet te vergeefs gesproken had). En toen, ging zij voort, toen smeet de helleveeg mij de muts in het gelaat (dit punt was door mij niet aangeroerd), en toen, toen trok zij mij hier, en hier, en hier, de haren uit, ziet! "Hemel en aarde nam zij tot getuige, nog nooit zulk een boosaardig klein ding in hare dienst gehad te hebben. Wij vestigden hare aandacht op het menschelijk: _'t Kan verkeeren_, en op de wisselvalligheid der krijgskansen. Intusschen wenschte ik mijzelf geluk dat zij mij niet verdacht zijdelings in de zaak betrokken geweest te zijn, anders zou ik op mijne beurt ondervonden hebben dat zij eene tong tot hare dienst had."[27] Ook bij Dante vindt men ergens zulk een tooneel geschilderd, en zelfs gaat Dante nog verder; hij deelt de eigen woorden der kijvenden mede.[28] Doch Erasmus heeft niet, zooals Dante op die plaats, een litterarisch bijoogmerk. Hij vischt alleen uit den weedom van zijn knechtsbestaan de vermakelijke anekdote en teekent, met hetzelfde nederlandsch schilderstalent als zijn toekomstige vriend Quinten Metsys het in die dagen de antwerpsche woekeraars doet, twee vechtende parijsche wijven. * * * * * De vrouwen hebben in het volgend leven van Erasmus zoo weinig plaats ingenomen, en hoewel de boeken hem nooit van de gezelligheid konden vervreemden, doet nogtans zijne bekende kamergeleerdheid dit op een afstand zoo natuurlijk schijnen, dat wij van zijne verpligtingen aan het zwakkere geslacht, de keeren dat die voor de geschiedenis zijner ontwikkeling in aanmerking komen, gaarne melding maken. Eene nederlandsche vrouw uit het volk, zijne moeder, heeft met liefde over zijne kinderjaren gewaakt; eene nederlandsche poortersvrouw den jongen monnik hare vriendschap geschonken, en het eerst hem van zijne medekloosterlingen onderscheiden; eene nederlandsche edelvrouw het eerst in zijne toekomst geloofd, en hem ontvangen in haar huis. Zij was weduwe en deugdzaam, evenals Bertha van Heyen, maar vele jaren jonger dan deze; eene vrouw van de groote wereld, min of meer patrones van wetenschappen en letteren; doordrongen van het besef dat zij hare kinderen, en in de eerste plaats haar eenigen zoon, eene waardige opvoeding schuldig was. Had het van haar afgehangen, Erasmus' kansen op lotsverbetering in de moeijelijke jaren van zijn zwerven tusschen Engeland en Frankrijk zouden niet enkel kansen gebleven, het uitzigt zou eene werkelijkheid geworden zijn. Door haar huwelijk met een afstammeling uit het Huis van Bourgondie, zoon eens halven broeders van Karel den Stoute, was Anna van Borssele eene prinses van den bloede, vermaagschapt, toen Erasmus haar leerde kennen, aan den spaanschen troonopvolger Filips den Schoone (1478-1506). Haar moeder was eene Bourbon; haar vader, met of na den abt van Middelburg, eerste edele van Zeeland; zijzelve, als eenig kind, de erfgenaam van al haar vaders inkomsten en bezittingen als heer van Vlissingen, van Veere, van Cortgene, en verdere plaatsen op de zeeuwsche eilanden. Hare beeldtenis, in half middeneeuwsch-, half renaissance-gewaad, vult nog heden eene der zeven nissen van het fraaije veersche raadhuis, voltooid of aangevangen door haar kleinzoon, Maximiliaan van Bourgondie.[29] De geduchte aderlatingen aan welke Karel de Stoute, Maximiliaan van Oostenrijk, Filips van Spanje, als graven van Holland en Zeeland gewoon waren hunne zeeuwsche en hollandsche edelen te onderwerpen; heffingen in geld, in schepen, in troepen, belastingen in den vorm van kostbare opdragten of gezantschappen; schijnen ten laatste zelfs een zoo aanzienlijk fortuin als dat van Anna's vader, Wolferd VI van Borssele, uitgeput te hebben. De schitterende erfdochter aanvaardde eene met schulden bezwaarde nalatenschap.[30] Misschien had een tweede huwelijk, met een man van een groot vermogen, al ware het van minder rang of meer leeftijd, alles weder in het gelijk kunnen brengen. Doch de dertigjarige weduwe, die in haar eersten echt niet op rozen gesluimerd had, wilde daar niet van hooren. Juist in den tijd harer kennismaking met Erasmus, slechts vier of vijf jaren haar oudere, had zij hare zinnen op een jonkman van buitengewone schoonheid maar van middelmatige geboorte en weinig inkomsten gezet, zekeren heer Lodewijk van Montfoort, berooid Adonis. Het pleit voor hare volharding dat zij ten slotte den man harer keus, dien zij binnen weinige jaren verliezen zou, als heer van Veere heeft weten te doen huldigen; doch het huwlijk mishaagde de bloedverwanten van bourgondische zijde zeer. Processen en inbeslagnemingen waren het gevolg. De schijnbare millionaire was inderdaad betrekkelijk arm.[31] Had Erasmus dit alles van het begin af geweten, hij zou, toen een zijner zeeuwsche of noordbrabantsche vrienden gouverneur van prinses Anna's zoontje geworden was en in brieven naar Parijs hem een- en andermaal den lof der moeder en van den knaap gezongen had, zich niet verblijd hebben met eene doode musch. Deze hersenschim was de laatste groote teleurstelling zijner jeugd. Sedert hij gehoor gegeven had aan de uitnoodiging der prinses, haar op het kasteel Cortgene een bezoek te komen brengen; hij aan haar voorgesteld was; hij van haar beminlijk karakter, hare degelijkheid, haar smaak voor de fraaije letteren, den gunstigsten indruk ontvangen had en verblind was door den schijn van grootheid harer levenswijze, verbeeldde hij zich dat zij slechts een woord behoefde te spreken om hem tot het ondernemen der vurig begeerde Italiaansche reis in staat te stellen. Hare gulle ontvangst; hare beloften in den eersten tijd,--toen zij zelve nog niet wist hoe vijandig de betrekkingen van haar eersten man haar gezind waren, en hoe afhankelijk hare nieuwe huwlijksplannen haar maken zouden,--versterkten hem in dien waan. De herinnering der goede dagen, op Cortgene doorgebragt, liet hem niet weder los. Eene vorstin van dien rang, gebiedster over eene halve provincie, nicht van den souverein, levend op zulk een voet, scheen hem toe zich in goud te baden. Niemand moest het gemakkelijker vallen, niemand aangenamer zijn dan haar, een armen augustijner-monnik met een aanleg als den zijnen en nog zonder betrekking, in de gelegenheid te stellen zijne studien te gaan voltooijen. Was het niet eervol voor eene nederlandsche edelvrouw de erkende beschermster te heeten van een geleerde, die zich voorbestemd grondlegger der noord-europeesche renaissance gevoelde? Een half dozijn brieven, onder den verschen indruk der even snel verijdelde als opgewekte verwachting uit Nederland en uit Parijs geschreven, doen ons van dit jongste maatschappelijk stormpje in Erasmus' binnenste met belangstelling getuigen zijn. Twee of drie zijn gerigt aan den zeeuwschen gouverneur van den kleinen Adolf van Bourgondie, Jacobus Battus, vriend van Erasmus' jongelingsjaren, man van niet gewone bekwaamheden, door den dood weggenomen eer hij zijne volle maat had kunnen geven.[32] Een voert het adres van den jongen Mountjoy, Erasmus' engelschen eleve te Parijs.[33] Een het adres van prinses Anna zelve. Het is een lofdicht in proza, geschreven toen de schoone vooruitzigten nog niet vernietigd waren.[34] Moesten wij alleen naar dien laatsten brief oordeelen, wij zouden van den stand der zaak geen duidelijke voorstelling, en bovendien noch van Erasmus' goeden smaak, noch van den goeden smaak der prinses, eene gunstige meening bekomen. Zulke offers aan de tijdsgelegenheid vormen zelden, na zoovele jaren, eene aangename lektuur. Het is niet natuurlijk den briefvorm te bezigen ten einde eene dame hare eigen levensgeschiedenis te verhalen, uit te weiden in hare verdiensten als vorstin, als vrouw, als jonge moeder, en de lotgevallen van haar geslacht in herinnering te brengen. Nog stijver is het, indien zij bij toeval Anna heet, daarbij de zuster van koningin Dido, de moeder der maagd Maria, en de moeder van den profeet Samuel, om beurten te pas te doen komen. Erasmus zelf vond dien stijl even slecht als wij, en hij heeft voor een keer er zich alleen van bediend, omdat hij zich voorstelde dat het zoo behoorde. Zijne eigenlijke meening leeren wij eerst uit de brieven aan Battus kennen; eenerzijds zijne levendige hoop dat alles nu goed zal gaan, en tegelijk zeker voorgevoel dat de zaken eene verkeerde wending zullen nemen. Het treft hem eene zoo beleefde uitnoodiging ontvangen te hebben; en in zijn schroom is hij maar half zeker, ten huize der prinses eene goede vertooning te zullen maken. Maar het verwondert hem tevens dat zij ten behoeve der reis hem een afgeleefd paard zendt, en als reisgeld eene zoo geringe som dat de kosten daarmede onmogelijk goedgemaakt kunnen worden. Kan warmte het einde zijn van zulk een koel begin? vraagt hij zich af. Na de persoonlijke kennismaking is hij opgetogen over hare wellevendheid, hare vriendelijkheid, hare goedhartigheid. Zij belooft hem een jaargeld van twee honderd gouden franken; en hij twijfelt niet of Battus zal, opdat hij alvast naar Italie vertrekken kunne, haar weten te bewegen hem een wissel van dat bedrag op een parijsch huis te doen zenden. Hij is bezig de eerste uitgaaf zijner _Adagia_ (achthonderd grieksche en latijnsche spreekwoorden, toepasselijk uitgebreid) voor de pers gereed te maken. Zijn plan is, dat boek op te dragen aan haar zoontje Adolf. Hij korrespondeert onderwijl met haar in het fransch; ongetwijfeld vreezend dat te veel latijn haar afschrikken zal. Maar een vol jaar verloopt, en hij bekomt niets. Zonder afgunst verneemt hij dat Battus intusschen een anderen jongen Nederlander aan haar voorgesteld, en zij ook dezen minzaam ontvangen heeft. Die andere, Willem van Gouda, is een voormalig stadgenoot en mede-kloosterling, een talentvol dichter, een boezemvriend.[35] Het pleit, erkent Erasmus, voor het oordeel der prinses, behagen in hem te vinden. Maar het zou hem niettemin leed doen, zoo hijzelf dien ten gevolge moest achterstaan; en hij is niet overtuigd dat vriend Willem, die, als dichters zijn, gaarne in gezelschap gaat en een goed glas drinkt, van hare gaven een even nuttig gebruik zal maken als door hem gedaan zou zijn. Battus schrijft naar Parijs dat de financien der prinses niet in den bloeijendsten staat verkeeren; en over niet langen tijd, bij een nieuw bezoek aan Zeeland, zal Erasmus persoonlijk zich kunnen vergewissen dat dit helaas geen verzinselen zijn. Hij zal dan bevinden dat hare goederen op hoog bevel zijn gesequestreerd, haar persoon onder toezicht is gesteld, en zij veeleer in de termen valt onderstand te ontvangen dan te verleenen. Doch aanvankelijk, nog onder den indruk van den staat dien zij voert, houdt hij dit voor praatjes, en schrijft hare verlegenheid hieraan toe dat zij ter wille van den jongen bruidegom, dien zij liefheeft, buitensporige verteringen maakt. "Zij verdoet," schrijft hij terug, "zij verdoet haar tijd en haar geld aan haar Lodewijk (_nugatur et lusitat_); en zoo _dit_ haar voorwendsel is om niets te geven, dan voorzie ik dat zij _nooit_ iets geven zal; want zulke verontschuldigingen hebben de grooten altijd bij de hand. Eene fraaije zaak, inderdaad, dat zij niet een paarhonderd franken voor mij kan afzonderen, waar zulke kapitale sommen in den bodemloozen put der huishouding verdwijnen! Aan middelen voor het onderhoud van ik weet niet welke domme priesters heeft zij geen gebrek; maar om de onafhankelijkheid te verzekeren van een die boeken zou kunnen schrijven, waardig onsterfelijk te blijven voortleven--houd mij deze grootspraak ten goede!--daarvoor schiet niet over. Laat het zoo zijn dat zij in ongelegenheid geraakt is; dit is hare eigen schuld. Waarom legt zij het aan met dien welgemaakten saletjonker (_bellus ille homunculus_), in plaats van, zooals hare jaren en de hulpbehoevendheid harer sekse betamen zou, te hertrouwen met een achtbaar en ingetogen man? Zet zij zich dit niet uit de kruin, dan voorzie ik dat zij nog in grooter moeijelijkheden raken zal. En meen niet dat ik zoo spreek uit eenigerlei vijandige gezindheid! Integendeel, ik heb haar lief; gelijk niet meer dan mijn pligt is, wanneer ik bedenk hoe voorkomend zij mij ontvangen heeft. Maar ik bid u, welk verschil zou het maken, voor een fortuin als het hare, zoo ik tweehonderd franken bekwam? Op mijn woord, zeven uren daarna zou zij zich naauwlijks herinneren het geld te hebben weggeschonken!"[36] In deze harde verwijten klinkt iets van den toon die weinige jaren later door Benvenuto Cellini, overigens door zijne opvliegendheid en zijne ligchaamskracht den zwakken en stillen Erasmus zoo ongelijk, in zijne gedenkschriften zal aangeslagen worden. Het is de taal der zelfzucht van het genie dat van zijne toekomst zich bewust is, de wereld cijnspligtig aan zich acht, en in den prikkelbaren hoogmoed zijner onstoffelijke waarde het tusschenbeide komen van nietig geldelijke hinderpalen niet verdragen kan. Wij gevoelen dat er in Europa eene nieuwe magt ontstaan is, de magt van den geest, welke in de binnenkamer, en in vertrouwelijke gemoedsuitstortingen aan vrienden, op het papier, zich de meerdere van den rijkdom en den evenknie der geboorte weet. Alleen op zijn talent laat Erasmus zich voorstaan; niet op deugden waarin hij mag uitmunten, of op den invloed zijner augustijner orde, of op zijne priesterlijke wijding. In het ongeduld van zijn hooger verstandelijk gezag, hakend naar het oogenblik dat wereldlijke en kerkvorsten hem als een gelijke in hun kring zullen opnemen, verwenscht en vertreedt hij in gedachte de van wuftheid beschuldigde vrouw, wier nietige bestemming hem bij het vervullen der zijne, die zooveel gewigtiger is, in den weg staat. Een andere brief aan Battus, van wat vroeger of wat later dagteekening, en waarin hetzelfde thema behandeld wordt, maar schertsend, verzacht aanmerkelijk dezen indruk. Battus bekomt daar het verzoek, bij het voordragen van de belangen zijns vriends aan de prinses, den kleinen Adolf als tusschenpersoon te bezigen. Adolf moet als pleitbezorger van Erasmus, die zulke fraaije brieven aan zijne moeder schrijft, een van buiten geleerd vertederend lesje opzeggen. Battus zelf moet de prinses doen opmerken dat Erasmus te bescheiden is om regtstreeks haar met zijne wenschen bekend te maken; dat iemand met zulk eene zwakke gezondheid niet naar Italie reizen kan, zonder veel geld uit te geven; dat de kloosterbroeders in haren dienst hoogstens in eene of twee kerken den lof harer deugden weten te verbreiden, terwijl de boeken van Erasmus gelezen zullen worden door Grieken, door Latijnen, door alle volken der aarde; dat men zulke ongeletterde theologen als de anderen slechts voor het grijpen heeft, maar _zijn_ gelijke naauwlijks eenmaal in verscheiden eeuwen voorkomt. "Tenzij," vervolgt de briefschrijver, "tenzij uw geweten te naauw is om ten behoeve van een vriend wat noodleugens te verkoopen."[37] Ik ding niets af op het geestige dezer voorstelling. De plaats is belangrijk als teeken van het voorgevoel eener vermaardheid, wier meeste onderpanden op dat tijdstip nog geleverd moesten worden. Toen Erasmus dit schreef bestond er van hem nog geen ander noemenswaardig boek dan de oudste zeer onvolledige uitgaaf zijner _Spreekwoorden_. Doch het komt mij voor dat de boozere brief de eeuw en de verhoudingen juister schildert. Het aangenaam verhaal zijner eerste ontmoeting met Anna van Borssele in een van het kasteel Cortgene gedagteekend schrijven aan lord Mountjoy (eene overstrooming deed in 1532 dien feodalen burgt in de golven verdwijnen), is de beste verontschuldiging van Erasmus' daarop gevolgde onregtvaardige achterdocht. Meer dan twintig jaren heeft hij prinses Anna overleefd, en lang voor haar dood hadden zij elkander voor goed uit het oog verloren. Zijne schuld was het niet dat hij op zijn in betrekking komen met eene landgenoot van dien rang en die gaven, weleer verwachtingen bouwde; de hare niet, dat zij hem teleurstellen moest. Haar onvermogen heeft op den duur _hem_ niet geschaad; en voor hare welwillende oogmerken heeft in de geschiedenis zijn latere roem _haar_ met eene plaats beloond, die tegen een paar knorrige uitvallen ten dage van zijn strijd meer dan opweegt. Als schilderij is de brief aan lord Mountjoy, geschreven in de eerste dagen eener Februarijmaand, onder het invallen van een halven dooi na lange en felle vorst, een keurig nederlandsch wintergezigt. De beschrijving vraagt geen andere toelichting dan dat het kasteel Cortgene vlak tegenover Veere lag, en het vaarwater tusschen Walcheren en Noord-Beveland tijdelijk eene ijsbaan aanbood. "Eindelijk," meldt Erasmus aan lord William, "eindelijk ben ik hier behouden aangekomen, ik mag zeggen in spijt der vereenigde magten van hemel en hel. Welk eene verschrikkelijke reis! Spreek niet van Hercules of Ulysses: voortaan acht ik beiden als kinderen. Iuno, den dichters steeds ongezind, verklaarde mij den oorlog. Ouder gewoonte stookte zij Aeolus op; en ware het slechts bij stormen gebleven![38] Alle wapenen des hemels bragt zij tegen mij in het veld,--vinnige koude, sneeuw, hagel, regen, mist, een kort begrip der vereenigde vormen van slecht weer. Nu zond zij die plagen afzonderlijk, dan te zamen. "Den eersten nacht ging het, na een overvloedigen regen, weder fel vriezen; hetgeen den weg zeer moeijelijk maakte. Voeg daarbij eene overvloedige hoeveelheid sneeuw, vervolgens hagel, vervolgens nogmaals regen, die, zoodra hij den bodem of een boomstam raakte, ijs werd. De weg was over zijne volle breedte een ijskorst; niet effen, maar golvend, en met eene scherpe punt op den top van iederen kleinen heuvel. De boomen waren met ijs bekleed, zoo dik en zoo zwaar dat de toppen van sommigen den grond raakten. Van anderen waren de takken afgescheurd, van anderen de stammen doormidden gespleten; nog anderen waren geheel ontworteld. Verschillende landlieden, mannen van jaren, betuigden mij zulk een schouwspel nog niet beleefd te hebben. Intusschen moesten onze paarden[39] nu door sneeuwhopen waden, dan zich een weg banen door met ijs begroeide dorenstruiken, dan sporen volgen, hard als steen door de vorst en daarna door den ijzel gescherpt, dan over eene bevroren sneeuwkorst treden die niet stevig genoeg was om hen te dragen, maar wel om hun de enkels te kwetsen. "Hoe denkt gij dat Erasmus in dien stand van zaken te moede was? De verbazing van zijn paard deelde zich mede aan den berijder. Zoo vaak het dier de ooren spitste zonk mijn moed, en telkens als het stortte sprong mijn hart overeind. Het eene oogenblik bekroop mij de vrees getroffen te zijn door het noodlot van Bellerofon, het andere verwenschte ik mijne ligtzinnigheid die geleerdheid en leven mij had doen toevertrouwen aan een redeloos dier. "Doch verneem een avontuur dat gij wanen zoudt aan de waarachtige fabelen van Lucianus ontleend te zijn, ware het niet in levenden lijve mijzelf overkomen, en ware niet Battus er ooggetuige van geweest.[40] "Het kasteel lag voor ons en eene baan van ijs scheidde er ons van. Het woei dien dag zoo hevig dat van de andere zijde twee mannen te vergeefs den overtogt beproefd hadden. De wind had hen omvergeworpen en gedood. Doch ik, gelukkig, had hem in den rug. Ik ging op den rand van den dijk zitten en liet mij naar beneden glijden, zeilde de ijsvlakte over, en bestuurde mijne vaart met een stok die dienst deed als roer. Nieuwe soort van navigatie! "Op de geheele reis naar hier ben ik bijna geen schepsel tegengekomen; en niemand kwam mij achterop, zoo ongunstig was het weer. Eerst den vierden dag is de zon zich komen vertoonen, indien het vertoonen heeten mag. Een voordeel was voor mij aan het zamentreffen van al die tegenspoeden verbonden, dat ik minder bang behoefde te zijn voor dieven. Niettemin _was_ ik bang voor hen, gelijk de pligt is van ieder die eene gevulde beurs op zak heeft. "Ziedaar het verhaal mijner reis. Was zij eene aaneenschakeling van elenden, hetgeen volgde was louter liefelijkheid. In welstand bereikte ik het slot van Anna, vrouwe van Veere. Hoe zal ik de beleefdheid, de vriendelijkheid, de edelmoedigheid dezer dame beschrijven? Rhetorische bloemen, dit weet ik, zijn verdacht; inzonderheid bij hen die als gij er slag van hebben ze aan te wenden. Doch in dit geval, geloof mij, maak ik mij aan geenerlei overdrijving schuldig, en het is veeleer mijne kunst die te kort schiet bij de werkelijkheid. Eene zediger, verstandiger, bevalliger of vriendelijker vrouw werd door de natuur nooit gevormd. Van hare heuschheid heb ik de uitstekendste blijken ontvangen, en zonder dat ik in de gelegenheid was haar een dienst te bewijzen, heeft zij in de hoogste mate mij aan zich verpligt."[41] * * * * * Hier moeten wij scheiden van Erasmus. Op zijn verderen levensloop, zeide ik reeds, is door zijne landgenooten weinig invloed uitgeoefend. Zoo de diensten welke nederlandsche vrouwen hem bewezen niet verder zouden reiken dan het einde zijner leerjaren, aan de beweging zijner wandeljaren bleven de nederlandsche mannen nagenoeg vreemd. Ons bestek eischt alleen dat wij, na zulk een ruim gebruik van zijne brieven gemaakt te hebben, ook de beteekenis trachten aan te duiden van de twee andere werken, die ondanks hun idioom tot heden hem doen voortleven als den man van een nieuwen tijd. De kleine wijsgeerige satire, bedoel ik, die zijn populairste geschrift blijven zou, en zijne tachtig korter en langer dialogen over allerlei onderwerpen van den dag. Men beweert dat de volgende anekdoten historisch zijn niet alleen, doch men noemt met naam en toenaam de noordnederlandsche stad waar de stukjes gespeeld zullen hebben. Te Dordrecht was een priester die heimelijk eenige levende krabben op het kerkhof zette, aan wier zijden hij brandende waskaarsjes geplakt had. Het kruipen dezer dieren tusschen de graven, bij avond, deed de uitwerking eener schrikbarende spokerij, zoodat de gemeente zich eerbiedig op een afstand hield. "Als het volk hierover zeer verschrikt was (gaat de oude dordrechtsche stedebeschrijver voort, aan wiens zelfbehagelijk antipapistische vertolking eener bladzijde van Erasmus ik deze plaats ontleen), zoo riep de priester van den stoel dat het zielen waren van afgestorvenen, dewelke baden door missen en aalmoezen van haar pijn verlost te zijn. Het bedrog kwam uit, doordat twee of drie krabben, die de priester vergeten had op te nemen, met de kaarsjes onder de ruigte gevonden werden. Hij verzon nog een ander stuk werks. Hij woonde bij een nicht die zeer rijk was; en als 't middernacht was kwam hij in haar kamer met een wit laken om, gelijk of hij een geest ware geweest, eenige woorden binnen'smonds mommelende, hopende dat de vrouw een exorcist zou ontbieden of zelve hem zou aanspreken. Maar zij, een manlijk hart hebbende, heeft heimelijk een van haar neven gebeden dat hij zekeren nacht in haar kamer wilde waken. Hij, welgewapend zijnde tegen spokerij, en wel gedronken hebbende om niet vervaard te zijn, werd in het bed verborgen. De geest kwam op de gewoonlijke manier, ik weet niet hoe droevig stenende. De exorcist wordt wakker, springt op, en, nog niet heel nuchteren, kijkt hem aan. De geest meende, hem met huilen en gebaar te verschrikken. Maar: _Zijt gij de Duivel_, zeide de dronkaard, _ik ben zijn Moer_, en sloeg hem lustig met een stuk houts. Hij zou hem afgemaakt hebben, ten ware de priester, veranderende van stem, geroepen hadde: _Hou op, ik ben geen geest, ik ben Heer Jan_. Op die bekende stem sprong de vrouw uit het bed, en scheidde hen."[42] Een man van Erasmus' rang in de wetenschap had in eene andere omgeving en een anderen tijd niet behoeven af te dalen tot het boekstaven van zulke grollen. Het verdient opmerking dat Erasmus' strijd tegen de eigenlijk gezegde monniken, hunne luiheid, hunne onkunde, hun brassen, hunne losbandigheid, ons niet bijzonder treft. Sedert den _Roman de Renart_, den _Roman de la Rose_, de vertellingen van Boccaccio, was deze satire een afgezaagd onderwerp.[43] Dante laat reeds den Heiligen Benediktus klagen over het snel verwelken der idealen van het kloosterleven. "In minder tijd dan een eikel behoeft om eik te worden," zucht bij hem de stichter der benediktijner-orde (eerste helft der 6de eeuw), "ziet men de verhevenste instellingen in haar eigen tegenbeeld ontaarden."[44] Reeds de Heilige Bonifacius (eerste helft der 8ste) hangt in zijne brieven een tafereel van monachale misbruiken op, hetwelk volgende eeuwen niet donkerder kleuren konden.[45] Het eenige nieuwe in Erasmus' strijd tegen de kloosters was dat hij niet hunne hervorming bedoelde, maar hunne opruiming, als voortaan overbodig geworden normaal bestanddeel der zamenleving. Als bijzondere genootschappen tot bevordering van in- en uitwendige zending, als instellingen van liefdadigheid, als toevlugtsoorden der vrijwillige wereldverzaking, als brandpunten eener naar den Heiligen Benediktus te noemen geleerdheid mogten de kloosters zijnentwege blijven. In alle andere opzigten hadden zij volgens hem voor goed uitgediend.[46] Werkelijk was aan de universiteiten voor de wetenschap een nieuw kweekbed ontsloten. Het onderwijzend personeel voor lagere en middelbare scholen behoefde niet langer uit de kloosters getrokken te worden. Er was een onderwijzersstand van leeken ontstaan. Later zou die klasse dagelijks talrijker worden, naarmate het veldwinnend protestantisme onder het humanisme der lagere rangen meer aanhangers wierf. Maar wat regtstreeks Erasmus en zijn tijd kenmerkt is dat partijkiezen voor het gezond verstand tegen het bijgeloof, zooals in het ontmaskeren van dien dordrechtschen boerebedrieger. Dit was iets moderns. Te dezen aanzien is in den boezem van het katholicisme, wat het onoverwinlijke van zijn afkeer, de hevigheid zijner satire, het profane of goddelooze der uitdrukking betreft, Erasmus de Voltaire der 16de eeuw geweest. Hij moet in de eindelijke zegepraal der rede zeer vast geloofd hebben, dat hij met een onverdeeld gemoed zoo lustig aan de pijlers der legende heeft kunnen staan schudden. In eene zijner _Zamenspraken_ verhaalt hij van een storm op zee, en van sommige dwaze kerkgeloften der passagiers, wanneer de schipper heeft aangekondigd dat het hagchelijk oogenblik van pompen of vergaan gekomen is. Erasmus is in den loop der jaren uit Frankrijk en Nederland zoo dikwijls naar Engeland overgestoken, dat wij het tooneel der handeling die hij beschrijft onwillekeurig op de Noordzee of in het Kanaal zoeken. "En," laat de verteller zich vragen; na reeds door een en ander voorbeeld de zonderlinge werking van het gevaar op de eensklaps ontwakende vroomheid der menschen geschilderd te hebben, kenbaar aan het inroepen der bescherming van verschillende heiligen; "en was er niemand die aan den Heiligen Christoffel dacht?--Jawel; en zelfs kon ik mijn lagchen niet houden toen een hunner, bang dat hij niet verstaan zou worden, den Christoffel der kathedraal van Parijs, een beeld als een berg, luidkeels eene waskaars beloofde _zoo groot als hijzelf_. Met inspanning van al zijne krachten had hij dit een- en andermaal uitgegalmd, toen een goede kennis nevens hem met den elboog hem aanstiet en fluisterend tot hem zeide: Bedenk wat gij belooft; al verkocht gij al uw bezittingen, een waskaars van dat gewigt zoudt gij niet kunnen betalen. Zwijg, domoor, beet de ander hem toe, nog zachter sprekend, opdat de Heilige Christoffel het niet hooren zou; denkt gij dat ik het meen? _Een vetkaars zal hij hebben_, meer niet; zoo ik maar eenmaal weder aan den wal ben.--De botterik! Dat was zeker een Hollander? --Neen, maar het was een Zeeuw."[47] Landgenooten zoomin als vreemdelingen, leeken zoomin als priesters worden, wanneer Erasmus dit onderwerp aanroert, door hem gespaard. Aan alles is merkbaar dat hij met welgevallen een dier tijden beleeft, welke men daarna in Duitschland met den naam van _Aufklaerungsperiode_ zou aanduiden. Hij vindt het genoegelijk, te velde te trekken tegen de "betooverde wereld" zijner eeuw. De vrees, met het onkruid ook de tarwe te zullen uitrukken, kwelt hem niet. Het zou hem een lust zijn, zelfs schamele lieden, als marskramers en schepelingen, in eene "verlichte denkwijze" te zien deelen. In dit opzigt heeft er in zijn brein, sedert hij het klooster verliet, eene volstrekte omwenteling plaats gegrepen; en wij kunnen ons voorstellen dat menig vroom katholiek zijner dagen, over zoovele stoute spotternijen als hij zich veroorloofde, bedenkelijk het hoofd heeft geschud. Wat wilde deze Rotterdammer? Aan welk gezag ontleende hij het regt, op die wijze en in die mate het volksgeloof aan te randen? Zou de wereld schooner zijn, wanneer hij van hare betoovering haar ontzwaveld had? In den ijver zijner polemiek ziet Erasmus dit alles voorbij, en gaat alleen met de eischen der beschaving en van het maatschappelijke te rade. Hij die als jongeling het vriendinnetje bewonderde dat ondanks de gebeden van vader en moeder den sluijer aannam, verheerlijkt in zijne dialogen, nu hij een man geworden is, de eerbare vrijerij van een minnend paar: _de Jongeling en het Meisje_.[48] Wanneer geestelijken of leeken, die geen hebreeuwsch verstaan, alle hebreeuwsche boeken zouden willen verbranden en zij de nagedachtenis van Reuchlin, uitgever der eerste hebreeuwsche spraakleer, zoo veel mogelijk zwart maken, dan schrijft hij, naar de mode van den tijd Reuchlin's naam in het grieksch vertalend, de _Hemelvaart van Capnio_, en wijst den verlichten geleerde in de verblijven der gelukzaligen eene eereplaats aan.[49] In de _Bekentenissen van den Soldaat_ komt de onzin van het oorlogvoeren aan het licht, beoordeeld naar den huurling die niet voor zijn vaderland of voor een beginsel vecht, maar alleen om uit plunderen te gaan en zich te verrijken.--"Dat ziet er geleerd uit: Mercurius bij het vertrek, Vulcanus bij de thuiskomst!--Van welke Vulcanussen en welke Mercuriussen spreekt gij?--Ik bedoel dat gij, die bij het heengaan vleugelen aan de voeten scheent te hebben, thans hinkt.--Zoo doet gewoonlijk die uit den oorlog komt.--En wat dreef u naar den oorlog, beminnaar van het hazepad?--De hoop op buit had mij courage gegeven.--Gij keert dus huiswaarts met een som van belang?--Met een ledigen buidel, ja.--Dit ontheft u van de zorg het gestolene terug te geven.--Dat deed ik reeds lang geleden. _Alles_ gaf ik terug.--Aan wie?--Aan Trijntje, aan Wijntje, en aan het verkeerbord." Op dien toon gaat de zamenspraak voort, tot ook het plegen van heiligschennis in de kerken gebiecht wordt--"Ik vrees dat gij naar Rome zult moeten, om voor zoovele misdaden vergiffenis te bekomen.--Mij is een kortere weg bekend: ik zal naar de dominikanen gaan en met de kommissarissen het op een akkoord werpen.--Maar die altaarroof?--Al zou ik Christus-zelf geplunderd en hem het hoofd van den romp geslagen hebben, zij bezitten overal aflaten voor; alles wordt door hen geschikt.--Bekommerde het u niet somtijds wat er van uw ziel worden zou, indien gij sneuveldet?--Geen oogenblik. Ik was volkomen gerust, want op een keer had ik mij de Heilige Barbara aanbevolen.--Nam zij u onder haar bescherming?--Zeker, ik zag haar mij zachtjes toeknikken.--Wanneer meendet gij dit te zien? Op welk uur van den dag? 's Morgens?--Neen, 's middags na tafel.--Maar op dat oogenblik, wil ik wedden, zaagt gij ook de boomen wandelen?--Die man raadt alles!"[50] De zamenspraak _Charon_ is tegen de oorlogvoerende vorsten gerigt en duidt stoutweg, bijna met even zoovele woorden, keizer Karel V en de koningen Frans I en Hendrik VIII als de voorname menscheslagters van het tijdvak aan, die in zulke mate de markt der onderwereld overvoeren dat de oude opgelapte helleschuit te klein en te wrak geworden, en Charon naar de aarde gekomen is om eene nieuwe en grootere te bestellen. Charon is in zijn schik. Hoe meer zielen, is het ook bij hem, maar niet in de gezellige beteekenis die de levenden aan het spreekwoord hechten, hoe meer vreugd. Hij vreest alleen dat "zekere polygraaf daarboven" hem afbreuk doen zal, door te welsprekend tegen den oorlog te schrijven en den vrede aan te bevelen.--"Maak u niet ongerust," wordt hem geantwoord, "die man predikt voor doove ooren." Behalve om dit ten tooneele voeren van Erasmus door zichzelf, is deze dialoog ook merkwaardig om eene zinspeling op de meedogenlooze en bloedige geloofsvervolging in die dagen, teeken van de wassende magt der ketterij.--"Indien er nu de eene of andere goede God opstaat die de vorsten met elkander verzoent," klaagt Charon, "dan ben ik een bedorven man."--"Geen nood," verzekert men hem, "te dien aanzien kunt gij op beide ooren rustig slapen. In de eerste tien jaren komt er geen vrede. Alleen de paus van Rome vermaant ijverig tot eendragt; maar hij schuurt den moriaan. Er zijn ook steden die zuchtend onder zoovele rampen gebukt gaan; er zijn pruttelende volken die het eene ongeregtigheid noemen dat ter wille der eerzucht, der bijzondere veeten, van twee of drie personen de wereld onderstboven gekeerd worde; maar geloof mij, ondanks de redelijkste vertoogen zal het woord aan de Furien blijven. Wat ik echter zeggen wilde: waarom komt gij naar de aarde ten behoeve uwer nieuwe schuit? Kon Vulcanus u niet helpen?--Nu nog fraaijer! Ik bedank voor een schip van metaal.--Voor een kleinigheid hadt gij van hier een scheepstimmerman kunnen ontbieden.--Dat is zoo; maar wij hebben beneden gebrek aan materiaal.--Hoe nu? En al die bosschen?--Alles gekapt. Zelfs het hout in de Elysesche Velden.--Mag ik vragen met welk doel?--_Voor het verbranden van de schimmen der ketters_. Zij komen in zulken getale, dat wij onlangs steenkolen zijn moeten gaan delven."[51] In den _Cykloop-evangeliedrager_ worden de slechte lutheranen tentoongesteld. Een ridder die Polyfemus heet en die men, om zijn ongunstig uiterlijk, zoo men hem op zee of in een bosch ontmoette, voor een struikroover of een boekanier zou aanzien, pocht op het bezit van een Nieuw Testament (een Nieuw Testament in de latijnsche vertaling van Erasmus) dat hij zorgvuldig heeft doen binden en met kleuren versieren.[52]--"Een franciscaner bij ons in de buurt," verhaalt hij, "voer gestadig tegen het Nieuwe Testament van Erasmus uit. Ik ging hem spreken onder vier oogen, pakte met de linkerhand hem bij de haren en deed hem de kracht van mijn regtervuist gevoelen. Zijn gansche bakhuis, zoo takelde ik hem toe, was een bult. Is dat niet een bewijs dat ik het evangelie liefheb? Daarna heb ik, bij wijze van absolutie, er hem nog drie builen mede op den schedel geslagen; een in naam des Vaders, een in naam des Zoons, een in naam van den Heiligen Geest.--Niet onevangelisch, inderdaad! Dat noem ik het evangelie verdedigen met het evangelie.--Een ander franciskaan maakte het nog bonter, en ging in zijn razen tegen Erasmus iedere maat te buiten. Door evangelischen ijver vervoerd trad ik dreigend op hem toe, noodzaakte hem geknield vergiffenis te vragen, en te erkennen dat zijne booze woorden waren ingegeven door den Duivel. Had hij geaarzeld, mijn hellebaard zou zijn nedergekomen op zijn kruin. Ik blaakte van strijdlust, en zag er uit als een vertoornde Mars. Verschillende personen zijn van dit tooneel getuigen geweest.[53]--Het verwondert mij dat de man niet op de plaats zelve doodgebleven is. Maar zeg mij, om op ons gesprek van daareven terug te komen, hoe staat het bij u met de kuischheid?--De jaren zullen mij ingetogenheid leeren, hoop ik; doch ik weiger niet u in vertrouwen te bekennen dat ik nog geen model-evangelische ben, enkel een uit den grooten hoop. Wij evangelischen hebben vier evangelien, en jagen bovenal vier dingen na: eene goede tafel, inschikkelijke vrouwen, eenig kapitaal, en alles doen waar wij lust in hebben. Zijn die ons deel, dan heffen wij den beker en roepen in geestvervoering: Ioe Paean! leve het Evangelie! het rijk van Christus kome!--Zoo leven epikuristen, niet de evangelie-dragers. --Toegestemd; maar gij weet dat Christus almagtig is, en hij in een oogwenk andere menschen van ons maken kan.--Ook zwijnen kan hij van u maken; gemakkelijker zelfs, daar houd ik het voor, dan brave lieden. Het wordt tijd dat gij van dit beestachtig leven afscheid neemt.--Ik ontken dit te minder, daar de profeten onzer dagen het naderend einde der wereld aankondigen. Ik verbeid de hand van Christus.--Zoo? Nu, dan moogt gij toezien dat die hand u kneedbaar vinde. En waaruit leiden uwe profeten af dat het einde der wereld aanstaande is?--Omdat, zeggen zij, de menschen thans evenzoo leven als in de dagen voor den Zondvloed. Zij eten, zij drinken, zij tafelen, zij nemen en geven ten huwelijk, zij loopen vreemde vrouwen na, zij koopen, zij verkoopen, zij woekeren, zij bouwen; de koningen voeren oorlog, de priesters peinzen op vermeerdering van inkomsten, de theologen breijen syllogismen, de monniken dweilen waar men ga, het volk komt in opstand. Erasmus schrijft zamenspraken; alle plagen tegelijk zijn over ons uitgestort: honger, dorst, inbraak, oorlog, pest, beroerten, geldgebrek. Zijn dit geen teekenen dat het menschelijk geslacht zijn einde nadert?"[54] Bij het beoordeelen van deze en dergelijke plaatsen moet men op het bijzondere niet te veel nadruk leggen. Erasmus kan onder het schetsen van zijn Evangeliedrager somtijds aan een bepaald persoon gedacht hebben, doch de meeste trekken van het beeld zijn aan de onwaardige lutheranen in het algemeen ontleend. Hij leed er onder dat zulke lieden zich van zijn naam en zijn Nieuw Testament bedienden als schild van hunne ondeugden, hunne hartstogten, of hun chiliasme. De fijne smaak van den filoloog gruwde van dit beduimelen zijner denkbeelden door de schare; en hij wreekte zich in het latijn. Verschillende beroemde plaatsen uit Erasmus' _Zamenspraken_, zuivere kleine genre-schilderijen zonder polemische strekking, kan men overal aangehaald vinden.[55] Zijne beschrijving van sommige duitsche logementen, als tegenstelling van sommige fransche, in het hoofdstuk _Herbergen_.[56] Zijne geschiedenis van den _Paardekooper_ die meende bedot te hebben en zelf bedot werd.[57] Zijne onschuldige _Tartufferie_: de ontmoeting van twee litterarische vrienden die zoeken te verbergen dat het latijnsch proza, waarin zij elkander toespreken, latijnsche verzen zijn.[58] Zijn _Dichterlijk Gastmaal_, waar eene vrijpostige dienstmaagd haar onpraktischen meester verwijt slechts verstand te hebben van konjekturen-smeden, en dat hij beetwortels voor kropsla aanziet.[59] Opmerkelijk is de karakterbeschrijving van een zwitsersch dorpsherbergier, bij wien twee franciskanen logies en eene plaats aan tafel komen vragen. Erasmus trekt partij voor die regtschapen monniken, en de waard zelf dankt hen ten slotte voor hun aangenaam onderhoud. Doch aanvankelijk is de man uit het volk louter achterdocht en onwil; en wanneer zijne vrouw een goed woord voor de broeders komt doen, dan snaauwt hij haar af: "Welke diersoort komt daar aan?--Beste vriend, wij zijn knechten Gods, zoonen van den Heiligen Franciscus.--Ik kan niet beoordeelen of God schik heeft in zulke knechten; ik voor mij zou er niet gaarne veel van in huis hebben. Wanneer het op eten en drinken aankomt, dan zijt gijlieden heel wat mans; maar om te werken hebt gij handen noch voeten. Och kom! zijt gij zoonen van den Heiligen Franciscus? Gij spreekt altijd over Franciscus' maagdelijken staat; hoe komt hij dan aan al die zoonen?--Wij zijn zijne zoonen naar den geest.--Nu, dan beklaag ik uw vader; want uwlieder geest is uw slechtste deel.--Gij schijnt ons voor ontaarde leden onzer orde aan te zien; weet dat wij observanten zijn.[60]--Des te scherper zal ik u observeren, dat gij niets kwaads uitvoert; uwe observanten zijn mij bij uitnemendheid tegen de borst. Tanden brengen zij mede, maar geen geld, en zulke gasten kan ik missen. Ik weet zeer goed dat gijlieden beweert voor ons te arbeiden; maar zal ik u toonen hoe gij arbeidt? Kijkt eens naar deze prent hier, aan uw linkerhand. De vos houdt een boetpredikatie; maar op zijn rug, uit de kap zijner pij, komt een ganzehals te voorschijn. Die wolf, daar, geeft de absolutie aan een biechteling; maar onder zijn voorkleed, dat gij ziet zwellen, is een lamsbout verstopt. Gindsche aap in franciskanergewaad waakt bij een zieke: de eene hand houdt een crucifix omhoog, de andere grabbelt in 's kranken beurs." Nu komt de vrouw tusschenbeide: "Man, laat die twee van nacht onder ons dak blijven. Ligt dat gij als boete voor uw vele zonden dit eene goede werk verrigt. Het zijn brave mannen. Naderhand zal het u tot voordeel gedijen.--Hoor die wijfjestaalman! Vast ligt gijlieden onder een dek. Ik haat een vrouw die andere mannen dan den haren braaf noemt.--Zoo meen ik het niet. Maar bedenk hoe vaak gij misdreven hebt door dobbelen, drinken, vechten, ruzie maken. Een aalmoes voor zooveel zonden zal geen weelde zijn. Werp deze mannen niet uit. Op uw sterfbed zult gij om hen vragen. Potsemakers en koordedansers laat gij toe bij de vleet; en hen jaagt gij weg?--Zult gij uitscheiden met uw gepreek? Voort naar uw keuken!--Ik ga al."[61] * * * * * Deze toon der _Zamenspraken_; te vaak slechts gedachtewisselingen van den auteur met zijne lezers, gekleed in vragen en antwoorden welke de ten tooneele gevoerde personen in den mond gelegd worden; is geheel dezelfde als van den _Lof der Dwaasheid_. Wie het niet wist zou niet gelooven dat het kleinere geschrift tien of vijftien jaren voor het grootere voltooid werd,--gewigtige jaren in Erasmus' leven, want toen hij de _Colloquia Familiaria_ uitgaf was hij een beroemd man, terwijl bij het verschijnen der _Stultitiae Laus_ Europa van zijn bestaan zich nog naauwlijks bewust was.[62] De tijdgenooten hebben in dit boekje bovenal eene satire van de maatschappelijke en kerkelijke misbruiken der eeuw gezien; en werkelijk behoeft men het slechts te doorbladeren om zich te vergewissen dat de auteur zich heeft voorgesteld al schertsend een zwaren slag te slaan. Zijn aanval op de verschillende geestelijke orden is geweldig. "Zonder het zelfbedrog dat zij aan mijn invloed danken," laat hij de Dwaasheid zeggen, "zouden deze lieden de rampzaligsten der menschen zijn. De geheele wereld haat hen; zelfs hen toevallig te ontmoeten geldt voor een boos voorteeken. Niettemin zijn zij met zichzelven ten hoogste ingenomen, en laten op hunne goede werken zich zooveel voorstaan dat een hemel hun te klein dunkt voor hunne verdiensten,--niet bedenkend dat Christus in den oordeelsdag al die kerkgebaren en nietige overleveringen versmaden, en alleen vragen zal naar het nakomen van zijn liefdegebod. Een zal dan zijn buik vertoonen, gezwollen van het visch-eten. Een ander tien mud psalmen uitstorten. Een derde opsommen hoeveel duizend keeren hij gevast heeft, en dat zijne maagziekte voortkomt uit het veelvuldig gebruiken van maar een maaltijd daags. Een zal zulk een stapel ceremonien komen aandragen, dat zeven vrachtschuiten dien naauwlijks zouden kunnen laden. Een zich beroemen in geen zestig jaren een stuk geld te hebben aangeraakt, tenzij met dubbel omwoelde vingers. Een zijne pij laten zien, zoo vies en vet dat geen schipper haar zou willen aantrekken. Een zal laten klinken dat hij als een spons vijfenvijftig jaren heeft vastgezeten aan dezelfde plaats; een bewijzen dat hij door het gestadig metten-zingen heesch, een dat hij door de eenzaamheid stompzinnig, een dat door het stelselmatig zwijgen zijne tong stijf geworden is. Waar, zal Christus hen in de rede vallen, vreezend dat zij anders honderd uit zullen roemen, waar komen deze nieuwe Joden vandaan? Er is maar een wet die ik voor de mijne erken, en van haar hoor ik niet reppen. Onverholen en zonder gelijkenissen heb ik weleer het erfdeel mijns Vaders toegezegd, niet aan pijen, schietgebeden, onthoudingen van spijs of drank, maar aan werken der barmhartigheid, ik erken niet voor de mijnen wie zichzelven in die mate overschatten en heiliger willen schijnen dan ik.--Met welke gezigten zullen zij elkander aanzien, denkt gij, wanneer zij deze taal vernemen, en bemerken dat zij de minderen geacht worden van matrozen en koetsiers? Onderwijl zijn zij zalig in hope, dank zij mijne gunst."[63] De lofrede op zichzelve, welke Erasmus de Dwaasheid laat houden, is gedeeltelijk onopregt, naar men ziet. Eene noodlottige verblinding in het zedelijke wordt voorgesteld kwanswijs als eene goede gave des Hemels; voor het minst als eene aangename zwakheid welke men de arme menschelijke natuur ten goede moet houden. Hoe radeloos ongelukkig zouden de monniken zijn, indien zij wisten wat Christus eigenlijk van hen denkt! Voor iemand die het wapen der ironie wist te hanteren was dit eene gelukkige vondst, en Erasmus blijft niet in gebreke de ader te ontginnen. "Indien een bisschop," gaat de schijnbaar zachtmoedige Dwaasheid voort, "indien een bisschop overwoog om welke reden hij een linnen overkleed draagt, blank als sneeuw: zinnebeeld van een smetteloos leven; wat de verbindingsknoop tusschen de twee hoornen van zijn mijter beteekent: eene volmaakte kennis van beide Testamenten, het Oude en het Nieuwe; wat het schoeisel zijner handen: de zuivere en door niets menschelijks verontreinigde bediening der sakramenten; wat de herderlijke kromstaf: het zorgvuldig weiden der toevertrouwde kudde; wat het vooruitgedragen crucifix: de zegepraal over alle menschelijke hartstogten,--zou hij dan niet een verdrietig en kommervol leven leiden? "Indien de opperste kerkvoogden, Christus' stedehouders, het leven van Christus poogden na te volgen, zijne armoede, zijn zwoegen, zijn leeren, zijn kruis, zijne doodsverachting: ware er dan op aarde een droefgeestiger bestaan denkbaar? Wie zou zijn geheele fortuin opofferen voor het koopen van den pauselijken rang? Wie door het zwaard, door vergif, door allerlei geweldenarijen, in het bezit van het gekochte zich willen handhaven? Geen paus met een grein wijsheid, een korrel van het door Christus geprezen zout, zou dit verlangen. En zoo heeft de wereld het aan mij te danken dat geen sterveling weelderiger en onbezorgder leeft dan Hunne Heiligheden, die in voldoende mate Christus het zijne meenen gegeven te hebben, wanneer zij te midden van symbolische en schier bij het tooneel geborgde handelingen hun opperbisschopsbedrijf uitoefenen. Wonderen verrigten, dit ware ouderwetsch; den volke het evangelie verkondigen, een vermoeijend werk; den bijbel verklaren, schoolmeesterachtig; bidden, tijdroovend; tranen storten, onwaardig en verwijfd; armoede lijden, niet fatsoenlijk; geslagen worden, schandelijk en onbestaanbaar met den rang van personen die te naauwernood de bloem der koningen tot het kussen hunner gezegende voeten toelaten; sterven, eindelijk, hoogst verdrietig; gekruisigd worden, een onuitwischbaar schandmerk. Bouwvallige grijsaards worden er onder hen gevonden die den krijgsmoed van jongelingen ten toon spreiden,[64] en noch hunne schatkist vreezen te ledigen, noch tegen veldtogten opzien, noch het als een schrikbeeld aanmerken de wetten, de godsdienst, den vrede, en alle menschelijke zaken onderstboven te keeren."[65] Bij al de satirieke schrijvers van het tijdvak vindt men deze invektieven terug; niet het schaarst bij de gewezen monniken onder hen. Erasmus, Skelton, Luther, Rabelais, allen zijn renegaten van het klooster- en het priesterleven; allen hebben bij ondervinding den valschen schijn eener overeengekomen wereldverzaking leeren kennen. Ongevoelig voor de beschuldiging zich als apostelen des vleesches aan te stellen, ijveren zij uit alle magt voor het natuurleven, en hameren wat zij kunnen op het kerkdom. Het eenige wat Erasmus onderscheidt (en na hem de schrijvers der _Obscuranten-brieven_ onderscheiden zal) is dat zijn latijn hem ontoegankelijk maakt voor het volk.[66] In eene andere reeks plaatsen van den _Lof der Dwaasheid_ heeft deze opgehouden eene ondeugd te zijn, maar blijft zij nog steeds eene berispelijke neiging. De mensch vindt behagen in uitspanningen die vergefelijk potsierlijk waren, indien zij er niet toe bijdroegen hem in zijne aangeboren woestheid te stijven. Aldus de hartstogt der vorsten en der groote heeren voor het jagtvermaak. Inzonderheid door zijn herhaald logeren op de landgoederen van engelsche edelen kende Erasmus uit eigen aanschouwen de tragi-komische praktijken, destijds bij het jagen in gebruik; en zijn jongste engelsche levensbeschrijver doet hem regt wanneer hij het volgende,--waar men de antipathie van den eenzijdig ontwikkelden letterkundige namens het gezond verstand en de zachte zeden tegen de buitensporigheden en de wreedheid van het _sport_ hoort opkomen,--voor eene persoonlijke herinnering houdt:[67] "Van een soort met de ziende blinden zijn zij voor wie de jagt boven alles gaat, en wier gemoed, beweren zij, door een niet onder woorden te brengen gevoel van welbehagen overstroomd wordt, wanneer zij de verfoeilijke melodie der waldhorens of het bassen der honden vernemen. Er zijn er, op mijn woord, wier reuk door den drek-zelf der honden aangenaam wordt geprikkeld, als ware het kaneel. En welk een genot, wanneer het gevangen dier ontweid ligt te worden! Het gepeupel mag ossen en schapen slagten: het afmaken van wild is den edelman voorbehouden. Deze, het hoofd ontbloot, de knie gebogen, trekt een mes dat voor dit doel bestemd is en voor geen ander gebruikt mag worden. In zekere orde, met zekere gebaren, snijdt hij plegtstatig zekere stukken uit. Hoewel de omstanders hetzelfde tooneel ontelbare malen bijgewoond hebben, staan zij opnieuw eerbiedig-zwijgend toe te zien, niet anders dan of er eene nog onbekende godsdienstige handeling gevierd werd. Zij wien daarna het voorregt te beurt valt te mogen proeven van de vangst, stellen dit met eene bevordering in den adelstand gelijk. Vraagt men of deze jagers, door hun gestadig nazetten en eten van wild wel iets hoogers bereiken dan dat zij zelven allengs in weinig minder dan wilde dieren ontaarden? Neen; maar onderwijl verbeelden zij zich niettemin een koningsleven te leiden."[68] Thans komen de plaatsen waar de dwaasheid begint te zweemen naar eene deugd; in zulke mate dat wij haar niet geheel kunnen veroordeelen zonder het gemeenebest van een nuttig steunsel, of het leven der bijzondere personen van een onschuldig en aangenaam tijdverdrijf te berooven. Tot afwisseling ontleen ik eene bladzijde aan eene andere _Stultitiae Laus_, geschreven door eene jongere tijdgenoot van Erasmus in Frankrijk, Louise Labe (1525--1565). Sommige trekken zijner vinding zijn door de schoone lyonesche Cordiere in haar _Debat de Folie et d'Amour_ zoo gelukkig nagevolgd, dat de europesche letterkunde van het tijdvak misschien geen volmaakter proeve van erasmiaansche renaissancestijl in de landstaal heeft aan te wijzen.[69] Men hoore Mercurius, advokaat van Folie, de merkbare teekenen van waanzin bij het verliefd jong meisje opsommen. De gedachte en de wending zijn van Erasmus; maar ons geeft dit oude fransch een betere voorstelling van den algemeenen toon zijner satire, dan de beste vertaling in hedendaagsch nederlandsch vermag. "Et dans tous ces actes de la pauvrette," pleit Mercurius, "quels traits trouvez-vous que de Folie? Avoir le coeur separe de soymesme, etre maintenant en paix, ores en guerre, ores en treves; couvrir et cacher sa douleur: changer visage mille fois le iour: sentir le sang, qui lui rougit la face, y montant: puis soudein s'enfuit, la laissant palle, ainsi qui honte, esperance, ou peur, nous gouvernent. Chercher ce qui nous tourmente, feignant le fuir, et neanmoins avoir crainte de le trouver: n'avoir qu'un petit ris entre mille soupirs: se tromper soymesme: brusler de loin: geler de pres: un parler interrompu: un silence venant tout a coup: ne sont-ce tous signes d'une personne alienee de son bon entendement?"[70] Nog een thema van Erasmus wordt door de uitnemende prozaschrijfster, tevens dichteres, niet minder bevallig uitgewerkt. Het is: dat de zamenleving groote verpligtingen heeft aan den moed en het blind zelfvertrouwen van enkele onbesuisden: waaghalzen en dwazen inderdaad, maar gevierder burgers van hun land somtijds dan de wikkende wijzen en voorzigtigen. Weder voert Mercurius het woord en konkludeert: "Pour le dire en un mot, mettez moy au monde un homme totalement sage d'un cote en un fol de l'autre: et prenez garde lequel sera plus estime. Monsieur le sage attendra que l'on le prie, et demeurera avec sagesse tout seul, sans que l'on l'apelle a gouverner les villes, sans que l'on l'apelle en conseil; il voudra escouter, aller posement ou il sera mande: et on a afaire de gens qui soient pronts et diligens, qui faillent plus tot que demeurer en chemin. _Il aura tout loisir d'aller planter des chous_. Le fol ira tant en viendra, en donnera tant a tort et a travers, qu'il rencontrera en fin quelque cerveau pareil au sien qui le poussera: et se fera estimer grand homme. Le fol se mettra entre dix mille arquebuzades, et possible en eschapera; il sera estime, loue, prise, suivi d'un chacun. Il dressera quelque entreprise escervelee, de laquelle s'il retourne il sera mis jusques au Ciel. Et trouverez vray en somme que pour un homme sage dont on parlera au monde, y en aura dix mille fols qui seront a la vogue de peuple."[71] Het voorname onderscheid tusschen het _Debat de Folie et d'Amour_ en den _Lof der Dwaasheid_ is, dat onder de vele beteekenissen waarin Erasmus om beurten zich van hetzelfde woord bedient, eene allengs en onopgemerkt de overhand gaat krijgen. Al vroeg had zijne moeijelijke jeugd hem tot op den bodem der zamenleving leeren zien, en menig ander zou in zijne plaats misanthroop geworden zijn. Hem daarentegen vermaakt in de eenzaamheid de gedachte dat alle menschelijke handelingen en drijfveren hare humoristische zijde hebben. Hij stelt zijne opmerkingen te boek; en zoo ontstaat, uit zijne eigen levensbeschouwing, zijne satire. Het treft hem dat elke vader en elke moeder hun uiltje voor een valk aanzien, elk jong meisje haar minnaar voor een fenix houdt, elke jonge man in de oogen zijner beminde zich den Hemel ziet ontsluiten. Echtgenooten verdragen elkander uit blindheid voor elkanders gebreken, bemerkt hij. Stokpaarden vormen het gewone vervoermiddel van denkers, dichters, en geleerden. Volken zijn groote kinderen. De scepters der koningen gelijken somtijds zotskolven. De voortplanting van het menschelijk geslacht onderstelt lachwekkende gemeenzaamheden. Ieder heeft zijne eerzucht, en ieders eerzucht haakt naar eene onderscheiding. Eenvoudigen ontcijferen somtijds raadselen, aan wier oplossing de wijzen en de verstandigen hunne vlijt en hunne olie verspilden. "Zegt niet," vraagt de Dwaasheid, "zegt niet tot lof der Brabanders een brabantsch spreekwoord: _Hoe ouder hoe gekker_? Hetgeen beteekent dat dit volk meer dan eenig ander zich door een gezelligen aard onderscheidt, en door de gebreken van den ouderdom in mindere mate gekweld wordt. Niet anders mijne Hollanders, door ligging en levenstrant den Brabanders zoo naauw verwant. En waarom zou ik niet _mijne_ Hollanders zeggen, daar zij aan hun volharden in mijne dienst hun bijnaam danken, en zij zich dien zoo weinig schamen, dat zij hem als hun voornaamsten eeretitel beschouwen? Laat anderen dan de Medea's, de Circe's, de Venussen, de Aurora's, en weet ik welke tooverbronnen aangaan! Anderen bij andere godinnen het geheim der bloedvernieuwing zoeken! _Bij mij alleen vindt men daartoe het vermogen, bij mij de praktijk_.[72] Even diep als Holbein, die in een verloren oogenblik zijn boekje illustreerde, gevoelt Erasmus dat het leven der menschen met het uitvoeren van een doodedans gelijkstaat.[73] De onverbiddelijke god Terminus is hem geen oogenblik uit de gedachten.[74] Doch de herinnering verbittert hem niet. Over geen onderwerp kan hij nadenken, of altijd gluurt in zijne verbeelding over den schouder der godinnen van deugd, waarheid, schoonheid, de glimlagchende met de bellekap, de alomtegenwoordige Fantasie.[75] Het geloof, de wetenschap, de liefde, de geestdrift, de zelfopoffering, alles schijnt hem toe slechts tot op zekere hoogte ernst te zijn, en geen ernst te kunnen blijven, tenzij door een _grain de folie_ voor bederf bewaard. Van eene zijner invallende gedachten, den Hofnar, hebben andere groote vernuften der 16de eeuw levende wezens weten te maken, even populair geworden als de algemeene beschaving zelve: Rabelais van Panurge, Cervantes van Sancho, Shakespeare van Falstaff. Maar allen was hij voor met de opmerking dat er een natuurlijk verband bestond tusschen de vrijpostigheid dier geestige zotten, en het goed humeur waarmede zelfs ligtgeraakte koningen hunne aanmerkingen verdroegen. Het was een gelukkig denkbeeld van Erasmus, een van de vele verschijningsvormen der fantasie op deze wijze aanschouwelijk te maken. De misbouwde knaap in dienst van keizer Karel V, dien Antonis Mor voortreffelijk schilderde,[76] treedt onwillekeurig ons voor den geest, wanneer de Dwaasheid diepzinnig maar lagchend redeneert: "Kan het ulieden ontgaan dat zelfs magtige vorsten hun gezelschap op den hoogsten prijs stellen, zoodat zonder dezen de maaltijd noch de wandeling smaakt, en zij niet een uur buiten mijne narren kunnen? Fluks geven zij die dwazen de voorkeur boven hunne stemmige wijzen, hoewel ook dezen fatsoenshalve door hen nagehouden worden. De reden is niet ver te zoeken, dunkt mij. De wijzen hebben den vorsten niets dan onaangename zaken mede te deelen, en, steunend op hunne uitgebreide kennis, ontzien zij zich niet altijd tedere ooren bijtend te grieven. De narren daarentegen brengen voort hetgeen waarop de vorsten alom en bovenal belust zijn: kwinkslagen, geestigheden, dingen die doen schaterlagchen en zich verkneukelen. Voegt daar het niet te versmaden voorregt bij, dat _zij_ alleen in hunne eenvoudigheid de zaken bij haar waren naam noemen! En ik vraag u, wat is loffelijker dan de gulle waarheid? "Maar de ooren der vorsten schuwen de waarheid, zal iemand beweren, en bovenal om die reden mijden zij de wijzen in hunne dienst; vreezend dat er onder hen een onafhankelijk man gevonden worde, die den moed heeft meer te letten op hetgeen is dan op hetgeen behaagt. "Ik erken dit: den koningen is de waarheid hatelijk. Doch hetgeen ik in mijne narren bewonder is juist dat niet alleen waarheden, maar onbewimpelde strafredenen uit hun mond met instemming aangehoord worden; zoodat dezelfde openhartigheid die een wijze het hoofd zou kosten, in de hoogste mate welgevallig is indien zij betracht wordt door een dwaas. De waarheid namelijk bezit, wanneer zij van niets kwetsends vergezeld gaat, een natuurlijk bekoringsvermogen; maar alleen aan de narren verleenden de goden die gaaf."[77] De heldin van Erasmus heet Moria, en gelooft in hare olympische afkomst. Met niet minder regt zouden wij haar Love-in-Idleness kunnen doopen; naar den naam van het bloempje door welks sap, uitgedrukt op de oogleden zijner sluimerende gade, Oberon in Shakespeare's _Midsummernight's Dream_ Titania met de dwaasste begoochelingen straft. Moria beroemt er zich op, tegelijk de ziel der wereld en het levend zelfbedrog te zijn. Zij is het die bij menschen en onsterfelijken de beminlijke chronische ziekte der hersenschimmen onderhoudt, en door hunne hersenschimmen hen gelukkig maakt. "Ik rijd bij de stervelingen veelvuldig over de tong," is haar eerste woord het beste; "want meent niet dat ik onkundig zij hoe kwalijk bij de keur der dwazen de dwaasheid aangeschreven staat!" Nogtans houd ik vol dat mijn genie, en het mijne alleen, goden en menschen het gemoed verkwikt. Redenaars van beroep slagen te naauwernood, door lange en langdurig overdachte toespraken, den hoorders hunne zorgen te doen vergeten: ik, ik behoef mij slechts te vertoonen, en eene ongekende vrolijkheid verspreidt zich over de aangezigten, eene onzigtbare hand strijkt de voorhoofden glad, er rijst een vriendelijk, toejuichend lagchen. Wat mijne herkomst betreft, weet dat ik noch Chaos, noch Orcus, noch Saturnus, noch Iapetus tot vader heb, of hoe die afgeleefde en vermolmde goden heeten mogen; maar Plutus, den eenigen waren aarde- en hemelvader: wat Hesiodus, Homerus, en Iupiter zelf, beweren mogen. En niet den Plutus van Aristofanes, reeds met een voet in het graf, reeds van het gezigt beroofd; maar den nog ongedeerden, tintelend van jongelingsvuur. En niet van jongelingsvuur alleen, maar ook en vooral van den onversneden nectar dien hij op een keer met volle teugen aan den godemaaltijd dronk. Mijne moeder was Neotes, aanvalligste en levenslustigste der nimfen, de beligchaamde jeugd."[78] Het toppunt zijner paradoxale stelling wordt door Erasmus bereikt, wanneer hij in de laatste bladzijden van zijn geschrift, met verwijzing naar teksten uit het Nieuwe Testament, waar gesproken wordt over de dwaasheid des Kruises, over de dwaasheid Gods welke wijzer is dan de menschen, ook van het christendom zelf eene goddelijke komedie en van de christelijke vroomheid, welke alle aardsche voorregten versmaadt ten einde den hemel te winnen, eene soort van heiligen waanzin maakt.[79] "Geeft daarbij wel acht," zegt Moria, "dat het de kinderen zijn, de grijsaards, de vrouwen, de armen van geest, die door de godsdienstoefeningen het meest bekoord worden en, slechts natuurkinderen zijnde, het ijverigst zich om de altaren verdringen. Let er ook op dat de godsdienststichters in den regel felle vijanden der letteren zijn, en belijdenis doen van eene verwonderlijke eenvoudigheid." Dit scepticisme is het beste bewijs dat men ten onregte Sebastiaan Brand's _Narrenschiff_, welks oudste druk tot 1494 teruggaat, als een voorlooper van Erasmus' _Lof der Dwaasheid _pleegt aan te duiden. Er zijn vele plaatsen in Erasmus' boekje waar hij op hetzelfde aanbeeld slaat als Brand en, tot regtvaardiging van zijn geloof aan de algemeene heerschappij van den onzin, evenzoo op tallooze dwazen wijst (boeke-narren, vrouwe-narren, gouden kalf-narren, wijn- en bier-narren, gelijk de straatsburgsche burgemeester ze noemt) die het geluk in allerlei onwezenlijke genoegens of voorregten zoeken. Brand's boetpredikers-bedoeling echter is Erasmus vreemd; en bij den Rotterdammer vormt de eene, door den Straatsburger onveranderlijk berispte dwaasheid, slechts een incident. De schuit van Brand is een platbooms vaartuig, hetwelk desverkiezend op rollen gezet, en op Vastenavond door de straten gevoerd kan worden.[80] Met Erasmus' schuitje, vlug getuigd, kan men in weerwil van den ranken bouw eene reis om de wereld doen. Zijne boot schijnt een wimpel van het fosforescerend vuur te voeren, dat volgens de etymologen zijn naam aan den Heiligen Erasmus der christelijke oudheid dankt.[81] Ondanks het hemelsbreed verschil van taal en omvang komt geen ander geschrift der 16de eeuw, wat de filosofische strekking betreft, het boekje van onzen landgenoot nader dan de groote roman van Rabelais, verschenen van 1533 tot 1554, en insgelijks eene de geheele zamenleving omvattende satire. Erasmus' _Dwaasheid_ heet bij Rabelais _la Dive Bouteille_, vertegenwoordigster derzelfde welwillende wijsbegeerte of levensbeschouwing, die te midden der onzekerheid en dikwijls gemaakte deftigheid van het ondermaansche, het goed regt van den roes der vrolijkheid handhaaft.[82] Levendig hebben beiden beseft, Erasmus en Rabelais, dat de mensch, al spant zijne scherpzinnigheid hare beste krachten in, toch niet achter het geheim van zijn wezen komen kan; geloof en eeuwig leven moeten kunnen verdragen, tot het gebied der fantasie gebragt te worden; en ons bestaan, trots elk onderzoek, een ondoorgrondelijk mengsel blijft van komisch en tragisch, verheven en alledaagsch. Wat de inkleeding betreft is de _Lof der Dwaasheid_ een offer aan de mode. De geletterde wereld van Erasmus' dagen had voor het eerst weder kennis gemaakt met de werken van sommige grieksche sofisten, of met de sofistische uitspanningen van voorname grieksche redenaars en schrijvers. Als met eene nieuwigheid vermaakte men zich met den _Lof der Mug_ door Lucianus, met Lucianus' ironischen _Lof van Phalaris_, den siciliaanschen tiran. Men herinnerde zich met welgevallen dat Glauco schertsend den _Lof van het Onregt_, Synesius den _Lof der Kaalheid_, Favorinus den _Lof van Thersites_, den mismaakten homerischen zwetser, en den _Lof der Derdendaagsche Koorts_ geschreven had. Die voorbeelden stonden Erasmus voor den geest; en hij verhoogde meteen het pikante van het genre, door in den mond der Dwaasheid, die niet uit hare rol mogt vallen eene lofrede op zichzelve te leggen. Zij, niet hij, is de sofist die van het begin tot het einde der _declamatio_ het woord voert.[83] In de 18e eeuw is Erasmus geestig nagevolgd door Mandeville, wiens bije-fabel een vermomde _Lof der Ondeugd_ in de maatschappij; door Holberg, wiens onderaardsche reis van Klaas Klim vaak een _Lof der Ligtzinnigheid_ in den Staat is.[84] Doch niemand heeft een geheel zamengesteld, dat in zoo hooge mate, evenals de schrijver zelf, het karakter van een natuurprodukt bezit. De _Lof der Dwaasheid_ is niet diepzinnig gelijk een stelsel van metafysica, maar gelijk een artisjok. De kern der vrucht smaakt zoet, en geeft eene juiste voorstelling van den bloedzuiverenden invloed der werken van Erasmus in het algemeen. Een voor een kan men de puntige bladen, die hare kroon vormen, afplukken. Zelven eene specerij, behoeven zij niet afzonderlijk in olie en azijn gedoopt, of met zout en peper gekruid te worden. Indien onze nederlandsche schilders van den tegenwoordigen tijd te bewegen waren, voor eene poos zich aan de omhelzing hunner dorpsvertellingen te ontrukken, dan zouden zij door het behandelen van een historisch onderwerp roem kunnen behalen: Erasmus te viervoet, gevolgd door zijn burgerlijken rijknecht, door zijne rijdende bibliotheek, en opziend uit het schrijfboek waarin hij bezig is gelukkige invallen voor den _Lof der Dwaasheid_ op te teekenen. Werkelijk is het kleine geschrift, dat door de vergankelijkheid nu weldra sedert vier eeuwen geeerbiedigd werd, op deze wijze zoo niet voltooid, dan toch aangevangen: in den zadel, gedurende de eerste terugreis uit Italie in 1509.[85] Erasmus telde op dat tijdstip, naar de gewone berekening, tweeenveertig jaren; had Rome en Venetie gezien; had te Turin den dokterstitel gehaald;[86] zou in Engeland bij lord Mountjoy of bij Thomas Morus gaan logeren, buiten; werd op dat oogenblik door zorgen noch ziekte gekweld; en was, nog onberoemd, juist in de stemming een werk der verbeelding te dichten, waarin hij onder den sluijer der allegorie den vrijen teugel vieren kon aan zijne luim. * * * * * Betrekkelijk vroegtijdig schijnt Erasmus, hoe jong van harte hij ten einde toe moge gebleven zijn, vreemden aan een grijsaard te hebben doen denken; hetgeen, wanneer men zijn zwervend leven en de tien folianten zijner werken in aanmerking neemt, die lang niet al de weleer door hem gekorrigeerde drukproeven behelzen, in zichzelf niet buitengewoon te verwonderen is. Krachtiger ligchamen dan het zijne zouden van zulk een ingespannen bezig-zijn na verloop van zeker aantal jaren de sporen vertoond hebben. Ik maak deze opmerking naar aanleiding der karaktervolle apostrofe aan Erasmus in het dagverhaal van Albert Duerer's zuidnederlandsche reis van 1521, toen Duerer zelf de vijftig genaderd was, Erasmus hoogstens zes of zeven jaren ouder kon zijn. Het is bekend dat Erasmus op dat tijdstip te Antwerpen vertoefde, bevriend met den stads-sekretaris Aegidius en met Quinten Metsys den schilder, en dat kort na Pinksteren van genoemd jaar er in de stad een onrustbarend gerucht liep. Maarten Luther, heette het, die op den rijksdag te Worms zulk eene stoute taal gevoerd had (men begreep niet dadelijk dat de keurvorst van Saksen hem met voordacht had doen opligten en op den Wartburg in veiligheid brengen); Luther was in de handen zijner vijanden gevallen! Ondanks het keizerlijk vrijgeleide hadden zij hem gevangen! Vermoord misschien! Duerer, die in dezelfde dagen te Antwerpen verscheiden openbare personen portretteerde en onder anderen ook Erasmus uitteekende,[87] kan in de algemeene dwaling niet lang gedeeld hebben. Bij het eerste vernemen evenwel maakte de tijding op hem, tevens goed roomsch en goed hervormingsgezind een verpletterenden indruk. De vereerder van den onversaagden jongen Luther achtte door dezen slag de zaak der godsdienst verloren, en teekende, overstelpt door droefheid, in zijn dagboek een weeklagt in proza op,--bladzijden die voor de geschiedenis te meer waarde hebben, en van hetgeen destijds omging in de gemoederen, eene te juister voorstelling geven, omdat hier noch een theoloog, noch een monnik, noch een letterkundige spreekt, maar een eenvoudig, welonderwezen burger, slechts buitengewoon als kunstenaar en de godsdienst enkel om haarzelve liefhebbend, als verhevensten vorm van het schoone en zuiverste bron der deugd. Onder het voortschrijven met bewogen gemoed en ongeoefende pen valt het Duerer in, dat zoo Luther verloren is Erasmus nog leeft, deze op dat oogenblik zich in zijne onmiddellijke nabijheid bevindt, en zoolang Erasmus strijdvaardig blijft de christenheid niet behoeft te wanhopen. "O, gij alle vrome christenmenschen," is het laatste woord zijner hulde aan Luther, "helpt mij vlijtig beweenen dezen godgeestigen mensch, en God bidden dat hij ons een ander verlicht man zende! O Erasme Roterodame, hoor gij ridder des Heeren Christus: rijd nevens den Heer Christus voort: bescherm de waarheid: verkrijg der martelaren kroon: _gij zijt toch reeds een oud manneken_. Ik heb u hooren zeggen dat gij uzelven nog twee jaren toegegeven hebt, in welke gij nog dacht iets te doen. Leg dezelve wel aan, het evangelie en het ware christelijk geloof ten goede, en laat u dan hooren. Dan zullen de poorten der helle, gelijk Christus zegt, niets tegen u vermogen; en schoon gij hier uw meester Christus gelijkvormig wierdt, en in dezen tijd schande van de leugenaars leedt, en daarom een kleinen tijd des te eer stierft, zoo zult gij toch eer uit den dood in het leven komen en door Christus verheerlijkt worden. O Erasmus, houd u hier zoo dat God u roeme, gelijk van David geschreven staat; want gij moogt het doen, en voorwaar gij moogt den Goliath slaan."[88] In hare huiselijkheid vindt ik dit de merkwaardigste voorstelling welke de tijdgenooten van Erasmus ons van zijn persoon en zijn karakter gegeven hebben. Altijd wordt uit zijne brieven het gezegde aangehaald: "Niet allen bezitten kracht genoeg voor het martelaarschap; ik zou bij het ontstaan van eenig rumoer, vrees ik, het voorbeeld van Petrus volgen." Altijd het ironische: "Laten anderen het martelaarschap begeeren, ik acht mij zulk eene eer niet waardig."[89] In gewone omstandigheden zou men de braafheid prijzen van den man, die op het papier durfde stellen hetgeen duizenden niet wagen zichzelf te bekennen, laat staan aan anderen mede te deelen. Erasmus op het schavot ware eene even groote tegenstrijdigheid geweest, als in onze dagen het sneuvelen van een predikant of een pastoor in een tweegevecht zijn zou. Hem echter heeft het niet gebaat uitdrukkelijk te verzekeren: "Ik ben bereid te sterven voor Christus, indien hijzelf mij daartoe de kracht geeft; maar sterven voor Luther, dat doe ik niet."[90] De gangbare geschiedenis heeft van die vaste zetten. Wanneer paus Julius II oorlog voert, dan noemen wij hem een onwaardig stedehouder van den God der liefde; Zwingli daarentegen, die bij de zwitsersche huurtroepen van Julius als aalmoezenier diende, hem bewonderen wij wanneer hij in den slag bij Kappel, aanvoerder van een leger, valt met het zwaard in de vuist; en niets verhindert ons te erkennen dat die soldaat, gewezen priester, eene zeer verstandige leer van het Heilig Avondmaal heeft uitgedacht. Wij nemen het Luther noch Kalvyn kwalijk te zijn gestorven in hun bed, hoewel beiden onschuldig bloed op het geweten hadden; maar Erasmus, die nooit eene vlieg kwaad deed, nooit om een ander zwaard dan zijne pen vroeg, Erasmus noemen wij laf, omdat hij terugdeinsde voor den brandstapel. Hij alleen had door beulshanden behooren om te komen, vinden wij. Deze ongelijkheid aan onszelf kan slechts hieruit voortkomen dat Luther, Zwingli, en Kalvyn, ondanks gebreken die zij met voorbeeldigen ootmoed de eersten waren te belijden, de zaak van den vooruitgang gediend hebben; Erasmus, ondanks zijne deugden, de zaak van het behoud of der reaktie; en het van te voren bij ons vaststaat dat wie dit laatste doet minder diensten aan de zamenleving bewijst. De feiten met dat al komen alleen tot hun regt, wanneer wij bij het beschouwen van Erasmus ons op het medegevoelend standpunt van Albrecht Duerer plaatsen; die wel is waar hem al vroeg voor een oud manneke, maar tevens voor een dapperen kleinen David en ridder van den Heer Christus hield. Het is de schuld van Hendrik de Keyser niet dat de bronzen reus op de rotterdamsche Markt aan die voorstelling zoo weinig beantwoordt: op den top eener vendomezuil zou het fraaije beeld beter geplaatst zijn dan op dat lage voetstuk.[91] De Erasmus van het Louvre-Muzeum, door Holbein, is eene alles afdoende rechtvaardiging van Duerer's zienswijze.[92] Erasmus leefde in zulk een moeijelijken tijd dat het ons niet betaamt over het gebruik dat hij van zijne bewonderenswaardige gaven gemaakt heeft een beslissend oordeel te vellen, en wij er ons bij moeten nederleggen dat hij, gelijk de bijbel zegt, ten volle verzekerd is geweest in zijn eigen gemoed. Voorts mag het onze nationale eigenliefde streelen dat slechts driemalen in de geschiedenis van Europa een vernuft zulk eene europeesche vermaardheid bezeten, en de beschaving van zijn tijd in zulke mate beheerscht heeft: Petrarca in de 14de, Erasmus in de 16de, Voltaire in de 18de eeuw. Erasmus is een eenzijdig litterarisch genie geweest. Hij heeft noch in de wiskunde uitgemunt, noch als jurist, noch als geschiedschrijver. In de leerstellige godgeleerdheid en de bijbelsche uitlegkunde was hij een dilettant, in de staatkunde een droomer.[93] Zelfs als wetenschappelijk filoloog liet hij te wenschen over: zijn tekst van het Nieuwe Testament heeft te langen tijd voor klassiek gegolden.[94] De _Thesaurus linguae latinae_ van Robert Estienne (1532), vooral de _Thesaurus linguae graecae_ van Henri Estienne Jr. (1572), waren werken van blijvender waarde dan de geleerde uitgaven van _zijne_ hand. Doch hij was het beligchaamd gezond verstand zijner eeuw, en dankte aan zijne fabelachtige vaardigheid in het schrijven eener doode taal het voorregt, in een tijd toen in alle landen van Europa wie maar een glimp van opvoeding had het latijn even gemakkelijk als de moedertaal verstond, door het bespelen van een klavier aller aandacht te kunnen boeijen. Ook om die reden hield hij van Bazel, en was een zwitsersch typograaf een zijner bemindste vrienden. Niet in een hoekje met een boekje wilde hij wonen, zooals Thomas a Kempis, maar tusschen de bergen met eene drukpers. Met dien hefboom was hij zich bewust eene wereld te kunnen vertillen, en zijn schoonste eeretitel is misschien dat hij onder dit gevaarlijk zelfgevoel vergelijkenderwijs zoo nederig en altijd zoo eenvoudig gebleven is. * * * * * NOTEN: [1] Plaatsen betreffende Erasmus' geboorte, in het woordenboek van Bayle.--Nieuwe berichten bij Wilhelm Vischer, Erasmiana, Bazel 1876, en bij R. Fruin in Nijhoff's Bijdragen, N. R., 1878, X 85 vgg.; D. R., 1881, I 55 vg. [2] Duifhuis (1531-1581), de voortreffelijke rotterdamsch-utrechtsche pastoor, had van zijne huishoudster Krijntje Pieters drie kinderen die in hetzelfde geval als voor hen Erasmus en zijn broeder verkeerden. Wiarda, Huibert Duifhuis, 1858, bladz. 8 vgg. [3] Leven van Erasmus door Beatus van Rheinau, en leven van Erasmus door hemzelf, voor de uitgaaf van Le Clerc. [4] Getuigenis van Calvete de Estrella bij R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 99.--Geboortehuis van Erasmus naar eene teekening van Kortebrant, 18e eeuw, in Oude Tijd 1869, bladz. 9. [5] Als schilder wordt hij in Houbraken's Grooten Schouwburg vermeld I 17 met portret.--De anecdote omtrent de kruisiging door Erasmus, die Kornelis Musius te Delft zal toebehoord hebben, ook bij Weyerman, Levensbeschrijvingen, 1729-1769, I 197.--Alles ontleend aan Van Bleijswijck, Beschrijving van Delft, 1667, bladz. 321, 360. [6] Hij spreekt ergens over de "barbaarsche" van Hegius, dien hij overigens dankbaar herdenkt. Reichling, Murmellius, bladz. 7. [7] Over Emmaues bij Roemer, Kloosters en Abdijen, I 384 vgg. [8] De contemtu mundi, bij Le Clerc, V 1239-1262. [9] "Una hilari Margareta." De contemtu mundi, c. ii. [10] De contemtu mundi, c. ii.--Bij R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 105 vgg. [11] Oratio in Funere Bertae de Heijen Goudanae, bij Le Clerc VIII 551.--Inleiding van Ch. Ruelens tot het fotolitografisch facsimile der Silva Carminum van 1513, Brussel 1864, bladz. XXXIV vgg. [12] Virgo Misogamos, Virgo Poenitens, Ie Deel der Colloquia Familiaria, bladz. 158 vgg. en 167 vgg. der Tauchnitz-uitgaaf. [13] Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XXXVII. [14] Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XXXVI. [15] R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 107 vgg. [16] Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XLI. [17] Militis et Carthusiani, in de Colloquia Familiaria, I 184 vgg. der Tauchnitz-uitgaaf. [18] Melanchton, Leven Rudolf Agricola. [19] Kervyn de Lettenhove, Etude sur les Chroniques de Froissart, 1856. [20] I.C. Scaliger verweet Erasmus, korrektor geweest te zijn bij Aldo Manuzio te Venetie. Erasmus verweet Ulrich von Hutten, zich door een boekverkooper te hebben laten honoreeren voor een pamflet. Plaatsen bij Bayle, op "Erasme," en bij Drummond, II 130 vgg. [21] Over Filelfo bij Burckhardt I 128 enz., II 172 enz.--Studie door Eugene Muentz, Revue des Deux-Mondes, 1 Nov. 1881. [22] Ontleend aan de hierna te noemen brieven van Erasmus uit de jaren 1497 en vgg. [23] D. Nisard, I 25 vgg.; 140 vgg.; 154 vgg.; 168 vgg. Durand de Laur, I 634.--Drummond, II 267 vgg.--Feugere, bladz. 101 vgg., 156 vgg.--Wilhelm Vischer, blz. 8 (Pensio Anglica) bladz. 33 (Pension des Herzogs von Cleve), bladz. 34 (Praepositura Daventriensis)--Dumbar, K. en W. Deventer, I 329 A en B. [24] Fotografisch facsimile van Erasmus' testament bij J.B. Kan, Erasmiana, Rotterdam 1881. [25] Portret van Erasmus in het 5e deel van Wagenaar's Vad. Historie; portret van Groen van Prinsterer voor het Handboek, 1870, 5e druk. Erasmiana en verzameling portretten van Erasmus, in het Rotterdamsch stadsarchief: Rariteiten-kamer.--Craandijk en Schipperus, Wandelingen, III 149, 157, 167. [26] Ook de aan hem gerigte daaronder zijn belangrijk voor de kennis van zijn persoon. De verzameling is niet volledig. [27] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 19. [28] Adam van Brescia en Sinon, 30ste Zang der Hel. [29] Teekening naar het origineel door J.A. Altorffer, in het bezit van H.D. Tjeenk Willink.--Oudere teekening in de portefeuilles van het Zeeuwsch Genootschap. Lantsheer en Nachtglas, Zelandia Illustrata, 1866-1880, I 577 vg.--Afbeelding van het Stadhuis te Veere in De Aarde en haar Volken, 1875, bladz. 272.--Artikel over Anna v. Borssele in het Woordenboek van Bayle. [30] Gargon, Walchersche Arcadia, 1746, 3e druk, I 279, II 108, en de verwijzingen naar Reigersbergh, Boxhorn, en Smallegange.--Reigersbergh van Cortgene, schrijver der oudste Zeeuwsche Kronijk (Antwerpen 1551), was met het geslacht Bourgondie-Van Borssele persoonlijk bevriend. [31] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 6 vgg.--Uittreksels bij Drummond, I 31 vgg., 91 vgg. [32] Over een of twee Battussen, in Van der Aa's Biografisch Woordenboek, IIa 175. [33] Over lord Mountjoy bij Drummond, I 42. [34] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 92. Door eene schrijf- of eene drukfout, schijnt het, luidt het opschrift: "Clarissimae Annae _Bersalae_, principi Verianae." [35] Over Willem Hermansz van Gouda hiervoor, blz. 298. [36] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 52. [37] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 94. [38] Toespelingen op de Odyssea en de Aeneis. [39] Van hem en van zijn bediende. [40] Battus was misschien, tot een niet nader aangeduid punt, van Cortgene hem tegemoet komen rijden. [41] Erasmus bij Le Clerc, III No. 6.--Arx Tornehensis of Tornenhensis vanwaar deze en nog eenige andere brieven uit denzelfden tijd gedagteekend zijn (No. 6, No. 7, No. 9, cf. No. 95 aanhef) is vermoedelijk eene schrijf- of eene drukfout voor Cortgenensis of Cortchenensis, bijvoegelijk naamwoord gevormd van Cortgene.--Over het voormalig kasteel van dien naam bij Gargon, Walchersche Arcadia, II 223; bij Lantsheer en Nagtglas, Zelandia Illustrata, II 135. [42] Balen, Dordrecht, II 809 vg.--Brieven van Erasmus, 22ste Boek der oudere uitgaven. [43] Over de zeden van den roomschen klerus enz. in Nederland, eerste vierdedeel der 16e eeuw, bij De Hoop Scheffer, Kerkhervorming, bladz. 11-13. [44] Divina Commedia, 22ste Zang van het Paradijs, vs. 85--87. [45] Brieven en sermoenen van Bonifacius. [46] De comtemtu mundi, laatste hoofdstuk. [47] Coll. Fam. Iste deel, bladz. 194 vgg.: Naufragium. [48] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 148 vgg.: Proci et Puellae. [49] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 141 vgg.: Apotheosis Capnionis. [50] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 29 vgg.: Militaria. [51] Coll. Fam. 2de Deel, bladz. 85 vgg.: Charon. [52] Facsimile van Holbein's titelblad voor deze uitgaaf (1519) bij Paul Mantz, Hans Holbein, 1879, bladz. 58. [53] Dit en het vorige ziet op de bejegening, welke van Ulrich von Hutten's zijde, in de burgt van Franz von Sickingen, de keulsche kettermeester Hoochstraten zal ondervonden hebben.--D.F. Strauss, Ulrich von Hutten, 1860, 2de Boek, 10de Hoofdstuk; Drummond, II 110 vgg. [54] Coll. Fam. 2de Deel, bladz. 108 vgg.: Cyclops-evangeliophorus. [55] Overzigt bij Drummond II 151-179.--Nieuwe fransche vertaling der Colloquia door Victor Develay, 1876, met etsen van Chauvet.--Fragmenten bij D. Nisard, Renaissance et Reforme. [56] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 202 vgg. Diversoria. [57] Iste Deel bladz. 296 vgg.: Hippoplanus. [58] Coll. Fam. 2de Deel, blz. 106 vgg.: Impostura. [59] Iste Deel blz. 213 vgg.: Convivium Poeticum. [60] Over de minderbroeders-observanten bij Moll, Leven van Brugman, I 101 vgg. [61] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 255 vgg.: Ptochoplousioi Franciscani. [62] Morias Encomium, id est: Stultitiae Laus, Erasmi Roterodami declamatio, Parijs 1511. Uitgaaf van C.A. Abbing, Leiden 1839.--Overzigt bij Jacobus Scheltema 1819, Mengelwerk II 225 vgg.--Nieuwe fransche vertaling van Des Essarts, 1877.--Fragmenten bij D. Nisard, Renaissance et Reforme. [63] Stultitiae Laus, bij Abbing bladz. 103 vgg. [64] Toespeling op den oorlogzuchtigen paus Julius II, toen nog aan het bestuur.--Negende der houtsneden van Albrecht Duerer's "Groote Apocalypsis," Cabinet des Estampes te Parijs. Facsimile door P.W. van de Weyer te Utrecht, 1875. [65] Stultitiae Laus, bij Abbing bladz. 118 vgg. [66] Over Skelton bij Philarete Chasles, Le drame, les moeurs et la religion au 16e siecle, 1851, bladz. 289 vgg., 319 vgg. [67] Drummond, Life of Erasmus, I 190. [68] Stultitiae Laus bij Abbing bladz. 61 vg. [69] Debat de Folie et d'Amour, in de Oeuvres de Louise Labe, parijsche uitgaaf van 1871, gedrukt bij Johannes Enschede en Zoonen.--Studie over Louise Labe bij Sainte-Beuve, Nouveaux Lundis IV 289 vgg. [70] Louise Labe, bladz. 95. Bij Sainte-Beuve, bladz. 308. [71] Oeuvres de Louise Labe, bladz. 7 vg. [72] Stultitiae Laus, bij Abbing, bladz. 20 vg. [73] Facsimile van Holbein's "Simulachres et historiees faces de la Mort, Lyon 1538," bij Paul Mantz, bladz. 82. [74] Facsimile van Erasmus' zegel bij Drummond, II 371.--R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 100, noot 4. [75] Zelfde gedachte bij Goethe: "Meine Goettin," 2de Deel van Cotta's uitgaaf der Werken, 1850, bladz. 53 vgg. [76] Louvre-Muzeum, afdeeling Duitsche, Vlaamsche en Hollandsche Scholen, katalogus 1881, No. 343: "Le nain de Charles-Quint."--Houtsnede bij Charles Blanc, Ecole Hollandaise, op Antonio Moro. [77] Stultitiae Laus, bij Abbing, blz. 55-57. [78] Stultitiae Laus, aanhef. Bij Abbing, bladz. 5 vg., 11 vg. [79] Stultitiae Laus, bij Abbing, bladz. 131 vgg. tot het einde.--Over het christendom, bladz. 148: "Videtur omnino Christiana religio quandam habere cum aliqua stultitia cognationem, minimeque cum sapientia convenire."--Over het verlangen der vromen naar den hemel, bladz. 154: "Si paucis demonstraro summum illud praemium nihil aliud esse quam insaniam quandam." [80] Voorrede van Karl Simrock bij den gemoderniseerden tekst van Sebastiaan Brand's "Narrenschiff," met facsimiles der oude platen, Berlijn 1872.--Narreschip op rollen in Oude Tijd 1870, blz. 289. [81] De spaansche en italiaansche matrozen der Middellandsche Zee, wier patroon de Heilige Erasmus is (in 304 onder Diocletianus den Marteldood gestorven als bisschop van Formiae, thans Mola di Gaeta), verbasterden zijn naam tot Eramo, Ermo, Elmo, overgebleven in St. Elmsvuur. Zijn leven in de Acta Sanctorum; schilderij van zijn dood, door Dirc Bouts of Stuerbout van Haarlem, in de Sint-Pieterskerk te Leuven. [82] Studie over Rabelais door Albert Reville, Revue des Deux-Mondes van 15 Oktober 1872. [83] Stultitiae Laus, Opdragt aan Thomas Morus, en bij Abbing blz. 7 vg. [84] Overzigt van Mandeville's "Grumbling Hive" bij Quack, Studien op sociaal gebied, 1877, blz. 26 vgg.--Plaatsen uit Holberg's "Iter Subterraneum" bij Abbing, Inleiding, bladz. VII vgg. [85] "Superioribus diebes quum me ex Italia in Angliam reciperem cet." Opdragt der Stultitiae Laus aan Thomas Morus.--"Diversabor id temporis apud Morum meum, ex Italia reversus cet." Brief aan M. Dorpius bij Le Clerc, ook bij Abbing, blz. 165. [86] Opschrift van den gedenksteen, onlangs (4 September 1876) ter herinnering van Erasmus' promotie op 4 September 1506 in het akademiegebouw te Turin geplaatst, bij Wilhelm Vischer Erasmiana, bladz. 6. [87] Facsimile van Duerer's teekening bij Charles Ephrussi, Albert Duerer et ses dessins, 1882. [88] Hollandsche vertaling van 1780, bladz. 53 vg. [89] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 547, No. 583.--Ook bij Groen van Prinsterer, Handboek 5de Druk, bladz. 71 vg., en bij Wijnne, Geschiedenis van het Vaderland 1879, 5de Druk, bladz. 68. [90] "Optarem esse Christi martyr, si vires ipse suppeditet; Lutheri martyr esse nolim." Uit de Spongia tegen Von Hutten bij Le Clerc, X 1631 vgg. Bij Drummond, II 142.--Zie ook de plaatsen in den brief van 1523 aan paus Adriaan VI, bij Le Clerc No. 649, waar Erasmus schrijft desnoods "ten koste van zijn leven" de zaak van Christus tegen Luther te willen bevorderen; en van de scheuring in de christenheid: Ik zou niet aarzelen mijn leven te laten, zoo ik de openbare krankheid daardoor heelen kon!" [91] Geschiedenis van het standbeeld van Erasmus, bij Jacobus Scheltema, 1817, Mengelwerk Ia 101 vgg., I 258 vg. [92] Louvre-Muzeum, Salon Carre No. 201.--Gravure naar dit portret bij Paul Mantz, Hans Holbein, bladz. 60. [93] Erasme precurseur de l'abbe de Saint Pierre, bij Durand de Laur, II 501 vgg. [94] Geschiedenis dier uitgaaf bij Drummond, I 307 vgg. * * * * * ERASMUS SAMENSPRAKEN * * * * * CHARON De veerman van de onderwereld. PERSONEN: CHARON EN ALASTOR, DE WREKENDE GENIUS. Deze dialoog, waarin wezens uit de Grieksche fabelleer door Erasmus sprekend worden ingevoerd, is geheel geschoeid op de leest van een dialoog van den Griekschen schrijver Lucianus. De knorrige Charon, die de schimmen der dooden over de rivier de Styx naar hun eeuwig verblijf moest voeren, houdt een gesprek met een boozen Genius. Hun samenspraak is een scherpe satire op de heerschzucht en den twistlust der vorsten en machthebbers van dien tijd, die aangehitst door de intriges en 't winstbejag der priesters en monniken overal strijd en oorlog trachtten te verwekken. Erasmus zelf karakteriseert in zijn betoog "Het nut der Samenspraken," deze dialoog met de volgende woorden: "In Charon verfoei en vervloek ik den oorlog tusschen de Christenen." CHARON: Wat heb jij een geweldige haast, Alastor?--ALASTOR: Dat is net goed dat ik je tref, Charon. Ik haastte me juist naar je toe.--CHARON: Wat voor nieuws is er?[1]--ALASTOR: Ik breng een bericht dat u en de koningin der onderwereld recht veel plezier zal doen.--CHARON: Nu, zeg dan op wat je komt brengen, ontlast je!--ALASTOR: De Schrikgodinnen hebben even behendig als gelukkig haar taak vervuld: alle deelen van de aarde hebben ze met helsche kwellingen bezocht, met tweespalt, oorlogen, rooverijen, pestziekten en wel in die mate dat ze zoo goed als kaal zijn, nu ze haar slangenlokken hebben verloren en beroofd van haar gif rondwandelen, zoekend of er nog ergens iets aan slangen en adders te vinden is, daar ze zoo glad zijn als een ei, geen haar meer op haar hoofd hebben en in haar borst geen werkzaam gif. Maak gij nu maar dat ge uw boot en uw riemen klaar hebt. Want daar zal weldra zoo'n menigte van schimmen aankomen, dat ik bang ben dat ge geen voldoende middelen zult hebben om ze over den stroom te zetten.--CHARON: Wat gij daar zegt was me niet ontgaan.--ALASTOR: Hoe was je dat dan te weten gekomen?--CHARON: De Faam had mij dat een paar dagen geleden al overgebracht.--ALASTOR: Daar haalt toch niets bij de vlugheid van die Godin! Maar waarom zit je hier zoo niets doende neer en hebt ge uw boot in den steek gelaten?--CHARON: Ja, dat brachten de omstandigheden zoo mee. Ik ben hierheen gekomen om me een stevige schuit te koopen. Want mijn boot die van ouderdom rot is en veel water doorlaat, zou voor dat werk niet voldoende zijn, wanneer werkelijk waar is, 't geen de Faam heeft verteld. Maar, had ik die Faam wel noodig? De omstandigheden dwongen me toch al. Want ik heb schipbreuk geleden.--ALASTOR: Ontegenzeggelijk ben je druipnat. Ik dacht dat je zoo uit 't bad kwam.--CHARON: Neen, dat niet; maar ik kom net uit de rivier de Styx zwemmen.--ALASTOR: En waar heb-je dan je schimmen gelaten?--CHARON: Die zwemmen met de kikkers rond.--ALASTOR: Maar wat heeft de Faam u verteld?--CHARON: Dat drie monarchien in doodelijken haat op elkaar aangevallen zijn om elkander te verdelgen en dat er geen enkel deel van de Christenwereld is waar de oorlog niet woedt: want die met hun drieen sleepen de anderen mee om samen te vechten. Allen zijn ze zoo gezind dat niemand aan een ander wil toegeven. Inmiddels weet ik, dat noch de Denen, noch de Polen, noch de Schotten, noch zelfs ook Turkije zich rustig houdt: dat zij allerlei vreeslijke maatregelen nemen; dat overal de pest woedt, in Spanje, in Engeland, in Italie, in Frankrijk. Dat daarbij een nieuw verderf is opgekomen, uit meeningsverschil ontstaan, dat alle menschen zoo heeft bedorven, dat er nergens meer ware vriendschap bestaat; dat de eene broeder den anderen wantrouwt, dat er tweedracht heerscht tusschen man en vrouw. We willen er 't beste van hopen dat ook hieruit nog wel eens een heerlijke ellende voor 't menschdom zal voortkomen, wanneer van tong en pen de zaak tot handtastelijkheden overgaat.--ALASTOR: Nu, de Faam heeft u dat alles volmaakt naar waarheid verteld. Want ik zelf heb met mijn eigen oogen nog meer gezien, ik, die de onafscheidelijke gezel en helper der Schrikgodinnen ben, die verklaard hebben dat ze haar naam nooit meer verdiend hebben dan in dezen tijd.--CHARON: Toch bestaat er gevaar dat de een of andere godheid opstaat om plotseling tot vrede aan te manen. En de menschen zijn dikwijls zoo veranderlijk. Want naar ik hoor leeft daar in de bovenwereld een zekere Veelschrijver[2] die niet ophoudt met zijn pen zich tegen den oorlog te verzetten.--ALASTOR: Nu ja, maar dat doet hij al lang tevergeefs. Indertijd heeft hij geschreven: "Klacht van den Vrede, uitgeworpen en vertrapt bij alle volkeren." Nu heeft hij weer uitgegeven een "Grafschrift op den overleden Vrede." Maar daar zijn anderen die onze zaak evenzeer helpen als de Furien zelf.--CHARON: Wie dan?--ALASTOR: Wel, dat zijn wezens met donkerkleurige en witte mantels, met aschgrauwe onderkleeren, vogels van diverse pluimage. Nooit wijken ze van de hoven der vorsten, zij druppelen in hunne ooren krijgslust in, drijven voornamen en menschen uit 't volk daartoe aan; in hunne bekende godsdienstige bijeenkomsten verkondigen ze dat de oorlog rechtvaardig, heilig en vroom is. En opdat ge u nog meer over de driestheid van die menschen zoudt verwonderen: ze verkondigen hetzelfde van beide zijden. Bij de Franschen roepen ze den volke toe: dat God aan den kant der Franschen staat en dat _hij_ niet kan overwonnen worden die God als beschermer heeft. Bij de Engelschen en de Spanjaarden: dat deze oorlog niet door den Keizer wordt gevoerd, maar door God zelf. Als ze zich maar dapper betoonen, dat dan ook de overwinning vaststaat. En als iemand soms sneuvelt, zoo iemand sterft niet, maar vliegt regelrecht ten hemel, zoo als hij stierf, met wapens en al.--CHARON: En gelooft men nu dat alles, wat ge daar vertelt?--ALASTOR: Wat vermag geveinsde godsdienst niet? Daarbij komen nog jeugd, gebrek aan ondervinding, eerzucht, verbolgenheid en een aangeboren neiging om dat, waartoe men geroepen wordt te volbrengen. Zulke menschen laten zich gemakkelijk verlokken en een wagen die op een hellend vlak in beweging is, heeft geen sterken stoot noodig.--CHARON: Nu, ik zou die wezens gaarne eens een pleziertje doen.--ALASTOR: Welnu, maak dan maar eens een prachtig feestmaal voor hen gereed. Ge kunt hen geen grooter plezier doen.--CHARON: Een diner van malven, boonen en prei? Want iets anders oogsten wij bij ons in de onderwereld niet, zooals ge weet.--ALASTOR: Neen waarachtig niet: van patrijzen, kapoenen en fazanten, ten minste wanneer ge een gastheer wilt zijn wien men dankbaar is.--CHARON: Maar wat drijft hen toch aan om den oorlog zoo door te drijven of wat nut oogsten ze daarvan?--ALASTOR: Omdat ze meer voordeel hebben van de dooden dan van de levenden. Dan komen de testamenten, begrafenismaaltijden, allerlei vrijdom en vele andere, niet te versmaden zoete winstjes. Kortom: ze willen liever in een legerkamp verkeeren dan in hunne kloostercellen. Een oorlog maakt velen tot bisschoppen, die in vredestijd geen cent waard waren.--CHARON: Verstandige menschen!--ALASTOR: Ma